Groeiboot.

De bel gaat al wanneer we aankomen aan de schoolpoort. Ik heb nog net tijd om te bedelen om een kus en dan hop, daar gaat ie – hand in hand met zijn beste vriend naar de tweede kleuterklas.

Het was een lange zomer vond ik zowat elke morgen al rond kwart over negen. Maar nu hij voorbij is, verschijnt er als vanzelf een gouden randje om die zelfde zomerdagen die zichzelf soms leken vooruit te slepen. Heb ik er wel genoeg van genoten, vraag ik me af op weg naar huis.

Het was een zomer van ruzie makende broertjes die uit twintig autootjes toch altijd net dezelfde willen. Het was soms een zomer van gek worden van de niet-aflatende woordenstroom die uit de mond van mijn oudste zoon komt. Om zijn eindeloze vragen, zijn hunkering naar een vastomlijnde gang van zaken, zijn wensen waar ik niet altijd aan tegemoet kan en wil komen (zoals daar zijnde 100 kilogram suiker eten per dag of nooit meer moeten slapen). Ik kon mezelf soms de haren uit het hoofd trekken van frustratie wanneer ik geen één minuut kon neerzitten of toch niet zonder minstens één kind op mijn schoot. Tot rust komen was moeilijk met twee gillende kindjes die van de grens tussen pijn en fijn opzoeken een dagelijkse bezigheid leken te maken.

Maar god, wat was het ook een geweldig voorrecht om het van zo kortbij allemaal te mogen en kunnen zien. Mijn oudste die steeds taalvaardiger wordt en nu ook eigenaardigheden in woorden opmerkt (zoals dat er een dier verstopt zit in de achternaam van zijn beste vriend – of de letters op de ramen van winkels of hoe sommige woorden precies hetzelfde klinken en toch anders zijn). Mijn jongste die na twee tellen elk liedje van alle cd’s van de Kapitein herkent en ook van elke zin het rijmwoord luid meezingt – en vaak ook enkel dat rijmwoord. Het levert een bijzondere luisterervaring op, dat kan ik u wel zeggen.

Mijn oudste die emotioneel zo grote sprongen maakte. Het is nu een jongetje dat zich kan inleven in anderen en oh here Jezus wat doet hij dat met veel overgave. Toen zijn nichtje onlangs kwam logeren en viel met haar step, nam ze een doekje en veegde het druppeltje bloed weg alsof er niets gebeurd was. Hij zat naar haar te kijken en stamelde uit dat hij het niet meer hield en dat hij het toch zo heel erg vond dat ze nu pijn had. Toen hij net nog zijn broer pijn deed, weende hij haast even hard toen hij snikkend uitbracht dat hij zo zo veel spijt had en dat hij het allemaal zo jammer vond. Het is een hartenkind, die oudste van mij en zijn gevoelens kunnen hem soms overspoelen. Maar gisteren vond hij helemaal zelf de weg terug uit zo’n grote golf verdriet. Hij vroeg om even alleen op zijn bed te mogen zitten terwijl ik boven opruimde. Toen de golf verdriet was weggeëbd kwam hij me zeggen dat het voorbij was. Ik kan amper zeggen hoe ontroerend ik dat vind – een klein mannetje dat iets kan wat ik soms zelf zo moeilijk vind: gevoelens laten bestaan, ze voelen en wachten tot ze weer voorbij gaan.
En ook de positieve gevoelens worden heel groots gevoeld. Hij zegt ons elke avond eindeloos van I love you tot aan de maan en verder en verder en verder en verder tot we zeggen dat het nu toch echt stil moet zijn. Toen hij nog eens een dagje mee mocht naar zijn vroegere onthaalmoeder viel hij haar aan het einde van de dag in de armen. Zijn enthousiasme als we ergens heen gaan, uit zich in twintig keer  “Zeg, weet je, ik heb een goed hidee! Als we daar zijn dan kunnen we misschien …”.

Het is dat jongetje dat zonet weer die grote schoolpoort binnenstapte. Sinds enkele dagen kijkt hij ernaar uit. Dat zijn vriendje enthousiast was, maakte het voor hem plots ook interessanter. Hij wilde vanmorgen zelf alles in zijn boekentas steken en hij keek al uit naar de lunch toen hij zag dat ik kaasblokjes en rozijntjes in zijn brooddoos stak.
“Weet je, mama”, zei hij terwijl hij zijn druifjes voorzichtig in zijn tas stopte, “Viktor is daar altijd bij mij dus ik ben nooit alleen.” Weer een probleem dat hij voor zichzelf had opgelost.

En dus stapten ze – net zoals ze dat iedere dag deden afgelopen schooljaar – samen de speelplaats op. Het duurde nog geen tien minuten of dat kleine broertje liep thuis intussen helemaal verloren. “Kasper halen?!”, suggereerde hij na een kwartier. Toen dat niet aansloeg, stortte hij zich in gejammer. “Kasper ook thuis”, huilde hij. Ik nam hem op mijn schoot en ik vertelde over school. Dat zijn grote broer daar nu was om weer heel wat te leren. Om vriendjes te worden, met anderen en met zichzelf. Dat hij er nieuwe liedjes en versjes zou leren, dat hij er zou mogen schilderen en knippen en plakken en spelen en groeien groeien groeien.

“Ik ook school”, antwoordde Eli. En voor ik het weten zal, zal hij gelijk hebben.

Processed with VSCO with c1 preset

Advertenties

Schommelen

Nu de vakantie voor mij voorbij is en voor hen nog niet, voel ik me in zo’n gekke tussenfase: overdag is het vollenbak werken, maar ’s avonds wanneer we buiten eten lijkt de vakantie toch nog niet helemaal voorbij.

We hadden onszelf voorgenomen om het in kleine dingen vakantie te laten blijven. Sinds de dagen begonnen te lengen, maken we na het eten nog even een kleine wandeling met de jongens. Nu ook de jongste heel behendig op zijn tweewielers over de stoep kan sjeezen, moeten we soms in lichte looppas met onze net gevulde magen achter onze koters aanhollen. We hebben enkele vaste routes (langs de koeien die we elke keer tellen – langs de velden waar we bloemen plukken in de berm) maar ze proberen ons toch elke keer terug in de speeltuin te krijgen.

En zo komt het dat ik op de schommel zit terwijl mijn zonen in de kleine versies naast me op en neer bewegen. ’t Is te zeggen: de oudste hangt zo goed als stil maar beweert luidkeels dat hij ook heel snel gaat. Voor de jongste kan het niet snel genoeg gaan en hij krijst voortdurend dat ik naar hem moet kijken.

Ik probeer Kas uit te leggen hoe schommelen werkt: benen strekken als je naar voor gaat en ze weer onder je inplooien als je naar achter gaat – een beetje achteruit hangen, jongen, terwijl je aan de kabels trekt. Het voelt voor hem vermoedelijk zoals toen mijn mama me leerde rijden en me zei dat ik “gewoon” de koppeling een beetje moest lossen tot ik de auto “gewoon” voelde meetrekken en dat ik dan “gewoon net genoeg” gas moest geven.

Twee schommels aan hoge dikke, bruine palen – dat was wat er vroeger in onze tuin stond. Ik en mijn buurmeisje gingen om ter hoogst. De touwen sneden wat in mijn hand. Als we mijn papa zagen buiten komen, dan probeerden we hem te overtuigen om ons te duwen zodat we extra hoog konden gaan met een minimum aan eigen inspanning. We hadden daar zelfs speciaal een liedje voor gemaakt (Josdag, zeven uur, duuuuwen!). Het was dat liedje dat hem vaak over de schreef trok: hij moest erom lachen en stapte naar ons toe. Wij krijsten van pret en een beetje van angst en ik had gezworen dat ik met de tippen van mijn tenen bijna de dakrand raakte.

Nu staat er geen schommel meer in onze tuin, maar ik laat me regelmatig met plezier neerzakken op het exemplaar van in de speeltuin. Ik kan het nog steeds; zo hard schommelen dat ik er bijna mottig van word. Ik schommel door en door totdat ik enkel de wind nog hoor suizen in mijn oren (met enige verbeelding natuurlijk, want kind 2 hangt naast me nog steeds te krijsen van MAMAAA KIJK HE!).

Ik schommel de drukte van de dag eruit. Ik schommel tot ik het overdenken in mijn hoofd het zwijgen opgelegd krijg. Ik schommel tot ik me terug 10 jaar voel – ik zie Nele bijna naast me zitten: zij draagt de salopet en ik het rokje.
Ik schommel en ik zweer dat ik bijna de dakrand van het speelhuisje raak.

Processed with VSCO with c1 preset

Zomers.

Onlangs las ik ergens dat je pakweg 18 zomers hebt die je samen met je kinderen doorbrengt. 18 zomers – 18 keer de zomervakantie om samen met hen vorm te geven. Er is hier weer eentje meer dan halfweg.

We spelen Uno. Hij leerde het spelletje van zijn tante tijdens onze familievakantie in Frankrijk. Hij blijkt een kindje te zijn dat goed tegen zijn verlies kan. (“Nu ben ik gewonnen en dan een ander keertje jij weer eens. Zo gaat dat met spelletjes.” stelt ie me gerust)
Hij is nog heel zoet als hij speelt. Hij kiest een kleurtje waar ik ook kaartjes van heb, zodat ik zeker mee kan blijven spelen. Als ik hem ’s avonds in bed stop, dan somt ie op wat hij leuk vindt. Al heel de vakantie noemt hij steevast elk moment waarop we samen een spelletje speelden op als één van de hoogtepunten van zijn dag.

Een week of twee geleden kreeg zijn grote broer een grotere loopfiets waardoor het kleine exemplaar nu naar hem werd doorgeschoven. We lieten het stuur en het zadel weer zakken en zetten hem er op. Hij was er meteen mee weg. Nu heeft hij zoveel zelfvertrouwen dat hij op stukjes die bergaf gaan zijn voeten al niet meer op de grond zet. Met een rotvaart glijdt hij er vandoor en één van ons spurt hem achterna. Maar hij zet – net zoals zijn broer – keurig zijn voetjes op de grond wanneer hij het einde van de stoep nadert. Ik kijk naar die twee achterhoofden, die ruggetjes, die kleine jongenslijfjes op twee dezelfde fietsjes – eentje klein en eentje iets minder klein. Dat die ooit in mijn buik hebben gepast. 

“Ik ga een fopje maken!”, zegt hij telkens net voordat hij iets gaat zeggen waarvan hij denkt dat hij het niet mag zeggen. “Ik wil nog tien snoepjes!” bijvoorbeeld of “ik mag zo lang opblijven als jij!” of “en als dit ijsje op is dan krijg ik er nog eentje!”. Met zijn grote, donkere ogen peilt hij mijn reactie. Ik ga mee in zijn mopje en ik lach. “Nee he mama,” zegt hij, “onze buik houdt niet van te veel snoepjes.” Later in de keuken open ik zachtjes het zakje kersensnoepjes. Ik geef hem er twee. Zijn ogen gaan twinkelen en hij test even hoe diep het water is: “Ik krijg er zeker drie, he mama!” Wanneer ik knik probeert hij er nog meer uit te persen: “Of nee! Vijf!”

Het is een klein papegaaitje. Hij pikt zoveel op van ons en van zijn broer dat hij haast even goed kan spreken. Sinds kort heeft hij ook de intonatie te pakken die Kaspers beste vriendje Viktor gebruikt om hem te roepen. De eerste keer dat ik het hem hoor zeggen, kijk ik geschrokken rond of Viktor ergens in de buurt is. Hij roept hem te pas en te onpas: Kas-peeeer? Een vraag heeft hij nog niet bedacht, maar hij houdt van het roepen en het gehoor krijgen en test het net zolang tot Kasper er gek van wordt.

Hij ligt op zijn buik op de grond. Zijn hoofd rust op zijn linkerarm. Met zijn rechterhand duwt hij een auto heen en weer. “U kan hier in- en uitstappen”, hoor ik hem zeggen. Dat zinnetje pikte hij op tijdens ons dagje Efteling. Wat later sta ik in de keuken het eten klaar te maken. “Monsieur Cannibale” speelt op mijn telefoon. Hij vraagt of hij een stuk appel krijgt. Wanneer hij weer weg gaat zegt hij haast achteloos: dat liedje speelde in de kookpotten toen wij daarin zaten. Ik kan er soms zo van staan te kijken – al die kleine details die hij oppikt en opslaat in zijn hoofd om ze er op een onverwacht moment weer uit te toveren.  

Hij heeft niet echt een knuffel als hij gaat slapen. Het maakt hem niet echt uit welk diertje ik naast hem neer leg in zijn bedje. Maar het witte tutje – dat hij overigens nooit in zijn mond steekt – dat is zijn knuffel. Ik hoor hem in zijn bed spelen met het tutje. Hij kleppert met het ringetje. Hij wrijft ermee over de matras. Als hij wakker wordt dan roept hij me (“mamaaaa, ikke goed geslapen!”) en dan klemt hij zijn dierbare tutje in zijn knuistje. “Even vasthoufen”, zegt ie.

We staan voor gekke spiegels die ons lichaam vervormen. Eén spiegel maakt het hoofd van mijn oudste zoon langer en scherper en plots zie ik in zijn aangezicht hoe hij er later als hij volwassen is, uit zou kunnen zien. Hij lacht om zijn eigen aanblik. Hij roept zijn broer zodat die mee kan komen lachen. Hij wijst armen aan die dikker worden, benen die langer worden, een kin tot bijna op de grond. De jongste begrijpt niet helemaal hoe dat kan, maar hij gibbert omdat zijn broer naast hem staat te hikken van het lachen. Ik kijk naar die twee achterhoofden, die ruggetjes, die kleine jongenslijfjes die nu nog samen in één spiegel passen.

’s Avonds lopen we nog naar het strand. De jongste durft de hoge duin niet af en schuifelt voetje voor voetje naar beneden. “BEETJE ENG” roept ie. Ik wil me net omdraaien om hem te gaan halen, maar zijn broer is me voor. “Ik ga wel naar Elias, mama, wacht even.” Hij stuift de berg zand weer op en neemt zijn broertje bij de hand. Als vanzelf laat hij zich nu meenemen, sneller en sneller lopen hun korte beentjes. Ze hollen me voorbij. Hun voetjes tekenen hun pad af in het zand – precies naast elkaar.

Ik wens hen toe dat ze nog lang gelijk mogen lopen.
En ik er achter, als het even kan.

Processed with VSCO with c1 preset

 

Klein gesprekje

Ik zit op de grond naast zijn bed. We zijn weer in “ons witte huisje” zoals hij het zegt na tien dagen vakantie. Ons huis is helemaal niet wit, maar de poort wel – pars pro toto van een driejarige kleuter.

Hij rangschikt zijn knuffels en ik moet het laken vastmaken langs de twee kanten van zijn bed zodat niemand eruit kan vallen. Ik word even op mijn vingers getikt – Bumba ligt met zijn mond onder het deken en zo kan ie niet “amemen”.

Hij draait zich op zijn rug voor ons klein gesprekje. We voeren het elke avond vlak voor het slapengaan. Hij probeert doorgaans nog zoveel mogelijk vragen in 5 minuten te murwen. Ik heb intussen geleerd dat het zinloos is om het gesprek te willen sturen, dus ik surf mee op zijn gedachtegang.

Hij zegt dat hij het leuk vond in Lyon want daar was een lift naar ons appartement. Het huisje van oma met het zwembad viel ook in de smaak. “Maar ik wil geen boeven”, zegt hij uit het niets. Ik zeg dat hier geen boeven zijn. “Maar waar zijn die dan, mama?”. Ik vertel hem dat de politie de boeven vangt zodat wij ons geen zorgen hoeven te maken. “Ik wil ook geen dinosaurussen.” Hij zag onlangs een aflevering van Thomas de Trein over dino’s en sindsdien heeft hij er al veel vragen over gesteld. “Dinosaurussen die zijn er al hééél lang niet meer.” – stel ik hem gerust. “Neen, die zijn verstorven.” Ik knik. “Zoals opa”, vult hij aan.

Jikes. Ik zeg hem dat hij gelijk heeft. Dat opa inderdaad ook gestorven is. Hij vraagt of het toen donker was en of opa dan ‘hememaal alleen’ was.
Het was donker ja, lieve schat. Maar we deden licht aan. En hij was zeker niet alleen. We waren er en daarna kwamen er nog meer mensen.
“En nu is opa weg.” zegt hij – op dezelfde toon als wanneer hij zegt dat het niet meer regent. Voor hem is het complexloos en gewichtloos, dit onderwerp. Ik zeg hem van ja – hij is inderdaad weg – je kan hem niet meer zien. “Als iemand doodgaat, dan verhuist ie naar je hart en komt hij daar vanbinnen wonen.”

Oh – zegt hij. Hij draait zich op zijn buik en checkt nog even of zijn knuffels kunnen ademen. “Misschien is daar ook een lift, mama. Dat zal opa wel leuk vinden denk ik.”

Processed with VSCO with c1 preset

Herrei/ijzen.

Net zoals vorig jaar doen we ook dit jaar een citytrip met de kinderen. We kozen voor de stad waar ik al zoveel keer in mijn leven in een boog omheen ben gereden omdat mijn bestemming verder lag. Lyon werd het.

We hebben wat meer bewegingsvrijheid dan een jaar geleden in Parijs. Elias slaapt nog één dutje en Kasper kondigt ’s morgens al aan dat hij niet gaat slapen en vraagt zich elke ochtend luidkeels af wanneer de tijd komt dat hij NOOIT MEER moet slapen.

Het is warm in de stad. Zoals altijd proberen we zoveel mogelijk te voet te doen zodat we het helemaal kunnen beleven. Vroeger hoefde ik dan alleen mijn eigen tas te dragen met daarin natuurlijk ook Wout zijn portefeuille maar meer was het niet. Nu duw ik een buggy met daarin een peuter die moord en brand schreeuwt omdat hij liever gewoon wil stappen. Achteraan hangt nog een plankje met daarop mijn kleuter die de scene opvrolijkt met een zelfgeschreven nummer over vuilnisbakken op straat.

Het lukt ons wonderwel om ieders belangen met elkaar te laten versmelten. Wij bezoeken kort twee oude, schone kerken terwijl Elias binnen luid aan iedereen verkondigt dat ze stil moeten zijn. We nemen een kabelliftmetro naar boven. Dat vindt Kasper dan weer helemaal geweldig. Hij checkt even de veiligheid (is er een deurtje? ga ik er niet uitvallen? gaat de metro niet omvallen? gaat het niet heel snel?) en daarna vindt hij het helemaal de max. Onderweg stoppen we aan elke speeltuin waar de kinderen zich even uitleven. De oudste lijkt plots grote sprongen gemaakt te hebben en beklimt moeiteloos hoogtes waar hij vroeger niks van moest weten. “Het is me gelukt! Ja! Ik kan het!” roept hij dolgelukkig. Ik word er week van en ik juich om zoveel zelfliefde. Intussen staat mijn jongste te brullen naar een Frans meisje dat ze moet GLIJEUUUH. Het arme schaap staart hem met grote ogen aan en blijft boven aan de glijbaan zitten.

Ik ga bijna zweven wanneer ik ’s avonds uitgeteld (12,5 km op mijn sletskes) in de zetel van ons mini-appartementje plof. Het voelt makkelijker dan een jaar geleden in Parijs toen ik de buggy Montmartre opduwde en me daarna weer naar beneden haastte om een toen nog geen éénjarige Elias op tijd in zijn bed te krijgen voor een dutje alwaar hij amper sliep wegens hittegolf en tanden die doorkwamen.
Maar hoogmoed komt voor de val, dat weet ik al lang.

En dus zijn er net zo goed momenten waarop het even helemaal niet loopt. De kleinste die voor geen meter in zijn buggy wil maar veel liever sigarettenpeuken wil oprapen en ons dat duidelijk laat merken. De oudste die zich uit de buggy laat glijden terwijl hij vooruit geduwd wordt en zo op de stoep belandt. De boot waar we op wilden die pas veel later dan voorzien weer aanmeert. Het water dat op is. De koekjes die ze niet constant mogen eten. Wij die even niet sporen omdat het warm is en ver en honger en dorst en zelf stappen en allebei in de buggy willen en niemand die gewoon even stil kan zitten zodat we kunnen nadenken.

Ik probeer toe te passen wat ik al lang weet maar pas sinds kort ook in de praktijk omzet: dat dingen vanzelf voorbij gaan als je er niet te veel aandacht aan geeft. Dus ik blaas wat en ik bries even en hij ook en zij ook. Het blijft warm en ver er wil nog steeds niemand zitten behalve wij. Maar terwijl we eten bestellen zie ik ook in zijn ogen eerder teleurstelling dan woede. “Zullen we het straks van ons afspoelen bij het douchen?”, vraag ik. Hij kijkt me aan en knikt.

En we herrei/ijzen.

Processed with VSCO with c1 preset

Om te (ont)houden

Hoe hij meezingt met alle liedjes van mijn oude Samson-cd’s. En hoe hij me dan matter of factly komt vertellen dat de hond Samson is en de mens Gurt.

Hoe hij nog niet alles juist uitspreekt maar duidelijk alle liedjes van de CD van kapitein Winokio ook al goed onthouden heeft. Er komen flarden uit (DOOD! roept ie in zijn lief peuterstemmetje wanneer de kapitein zingt over spin die hij uit de kamer wil hebben). Hij krijst “lentepoeeeeeets” wanneer ik hem zeg dat ik na 5 keer toch ook eens het volgende liedje wil opzetten. “Haasje chocowawawa” mompelt ie terwijl hij zijn chocolade eitje open peutert.

Hoe hij nog niet goed doorheeft hoe fluisteren precies werkt. Hij drukt zijn wang tegen de mijne en spreekt ongeveer even luid als anders. “Papa is chickedie & chick” en hij proest het zo hard uit dat hij het niet eens in één keer gezegd krijgt. Hij herhaalt hetzelfde grapje nog tien keer. Wij doen van onze beste fakelach en hij verslikt zich in zijn lachen en hikt nog een kwartier na.

Hoe hij voortdurend van elk van onze auto’s vertelt waar ze staan (in de gaazje / oppe makt). Hoe hij vertelt wat we met de auto doen (auto parkeet) en wie er mee rijdt (mama auto rije). Hoe hij me vanop de achterbank commandeert (luider! Lentepoets opzette! auto rije! zachtjes!). Hoe hij met zijn twee vingertjes in de lucht prikt op het ritme van de muziek.

Hoe hij zeker wil weten dat ons bezoek naar huis gaat wanneer hij slapen gaat. Niet omdat hij ze weg wil, maar omdat hij zéker niets wil missen. “Gaat ie nu ook slapen?”, vraagt hij, nadat Elias z’n peter weer vertrokken is. “Gaat hij nog iets eten?” (neen dat denk ik niet) “Waarom niet?” (omdat hij hier al gegeten heeft) “Waarom?” (omdat we hem dat gevraagd hebben) “Waarom?” (omdat we dat gezellig vinden en het leuk vinden wanneer hij er is). “oh”, zegt hij “ik ook dus wij zijn een tweeling.”

Hoe hij alles achteruit even snel kan als vooruit: stappen, fietsen, van de glijbaan afgaan, zijn bed uitklimmen, de trap afgaan. “Achtejuit”, zegt hij – bij wijze van aankondiging. Dat geeft me meestal een halve seconde om het potentiële gevaar in te schatten.

Hoe hij ’s avonds mag opsommen wat hij leuk vond en wat hij moeilijk vond of lastig of stom. En hoe hij de laatste week elke avond lang nadenkt en dan zegt dat hij niks stom vond en alles leuk. Hoe hij me altijd nog eens terugroept voor nog één kus “omdat hij me ziet tot aan de maan en terug”. Hoe hij roept van ‘lafjoe’ en ik dan roep van ‘lafjoe’ en hij dan nog eens en ik niet meer en hij dan roept van ‘MAMA’ en ik van ‘JA’ en hij van ‘IKZEILAFJOE’.

Hoe ik hem in bed stop en hij bij wijze van laatste clownstreek van de dag probeert om twee tutten tegelijk in zijn mond te stoppen. “Past niet!”, zegt hij en hij lacht. “Mama lachen!”, zegt ie. Hoe hij met zijn kleine vingertjes door mijn haren wrijft wanneer hij op mijn arm zit. Als zijn arm over mijn schouder hangt, dan voel ik zijn vingertjes de haren op mijn rug kammen.

Hoe hij bovenaan de trap staat en vraagt om hem te pakken. Ik zeg hem dat ik zeker weet dat hij het zelf kan. Hoe hij het dan probeert te zeggen zoals zijn kleine broer omdat hij hoopt dat het zo wel werkt. Hoe ik zeg dat hij groot wordt en dat mama nog eens tien lumbago’s krijgt. Maar ik zucht even, kom de trap terug omhoog en vraag hem of hij op de mamatrein wil. Zijn ogen lachen en hij steekt zijn armen in de lucht. Hij zegt dat ik sterk ben en dat zijn benen kapot waren en dat ze naar het containerpark moeten. Ik wrijf over zijn vers tondeuzekopke en ik weet dat dit allemaal dingen zijn om te (ont)houden.

“Mama pakken”, zegt ie en hij steekt zijn armpjes de lucht in. Ik sta in de keuken honderd dingen tegelijk te doen dus het is zowat de minst goeie moment van de dag. Maar ik buk me en ik til hem op. Ik geef hem een kusje op zijn neusje en hij wrijft in mijn haren en ik weet dat dit allemaal dingen zijn om te (ont)houden.

Processed with VSCO with c1 preset

 

Op de a(ai)chterbank

We zijn onderweg naar huis. Door de boxen klinkt Graceland van Paul Simon. Kasper benoemt alle instrumenten die hij hoort. Hij geeft aan dat ie dorst heeft en ik geef hem met één hand zijn drinkbus aan. Hij pakt ‘m vast en ik knijp nog even zacht in zijn onderbeen. Hij giechelt.

Ik herinner me nog precies hoe dat vroeger bij mij ging. Ik mocht vooraan zitten op zaterdagvoormiddag wanneer ik samen met papa kleine boodschappen ging doen. Hij legde zijn grote hand op mijn bovenbeen en kneep erin – net boven mijn knie. Nu ik zelf kinderen heb, besef ik pas echt wat het was. Het was een aai-over-mijn-bol, een knuffel, een liefkozing.

Wanneer we met meer in de auto zaten en ik moest ophoepelen naar de minst geliefde plek (in’t midden vanachter tussen twee jongens die liefst allebei zo ver mogelijk van me vandaan gingen zitten) deed hij het ook. Meestal zat ik dan wat te dromen of voor me uit te staren. Zijn grote hand greep naar achter en pakte het stuk van mijn been vast waar hij aankon zonder achterom hoeven te kijken. In de achteruitkijkspiegel probeerde hij mijn blik te vangen. Ik keek hem aan en hij zette zijn zonnebril op zijn voorhoofd en knipoogde. Mijn reactie hing nogal af van wat er gaande was in mijn puberleven. Soms kreeg hij een knipoog terug. Op andere dagen rolde ik met mijn ogen. Dan trok ie een pruillip om me te doen lachen. Nu ik zelf kinderen heb, besef ik pas echt wat het was. Het was connectie maken, aandacht geven, tonen dat hij me (graag) zag.

Met veel woorden heeft hij het nooit gezegd, maar het zijn die dingen die bijblijven als (on)bewuste tekenen van liefde.

The boy in the bubble” begint. Ik grijp naar achter en mijn hand zoekt tot ze eerst het enkeltje van de ene en dan van de andere te pakken krijgt. In de achteruitkijkspiegel kijk ik naar hun reactie. “Een rode tractor, mama!”, roept Kas. Ja jongen, ik jou ook.

Processed with VSCO with c1 preset