Zin – geven

Iets meer dan 5 jaar geleden kocht ik in mijn favoriete boekhandel in Antwerpen (’t Stad Leest) een “One line a day”-boekje. Elke avond schreef ik er trouw een zin of twee in. Ik vond het leerrijk om mezelf te zien evolueren op vijf jaar tijd. En soms moest ik lachen om kleine toevalligheden (zo ging ik drie jaar op rij per toeval op dezelfde dag naar de bioscoop). Intussen is mijn “One line a day”-boekje nogal uit de hand gelopen.

IMG_3374

Dat zit zo.

Al heel mijn leven ben ik een schrijfmieke. Ik was zo’n kind dat glitterpennetjes het einde vond. Ik deed mijn zakgeld op aan mooie schriftjes. Ik kon urenlang mijn gedachten en gevoelens op papier uitschrijven. Ik had een boek dat heen en weer ging tussen mij en mijn beste vriendin waarin we om beurten ’s avonds nog naar elkaar schreven. Dat was nadat we elkaar ook nog hadden gebeld en op MSN hadden gesproken. (Nu sms’en we en dat gaat sneller maar verder is er weinig veranderd).
Al zolang ik me kan herinneren is schrijven therapie geweest voor mij. Het doet me deugd mijn gedachten neer te pennen en achteraf is het vaak verhelderend om te lezen hoe ik de zaken al snel goed doorhad en het dan nog een hele tijd duurde vooraleer ik ernaar kon handelen. Dat schrijven leert me veel over mezelf. En dat is één van de redenen waarom ik het doe.

De andere reden is: omdat het blijft. Toen mijn vader zo plots stierf, ging ik op zoek naar alles wat ik nog maar over hem kon vinden. Elk papiertje speurde ik af naar mogelijk zinvolle raad of mooie woorden die ik kon inprenten. Ik vond niks. Mijn vader had zich niet bezig gehouden met dingen op papier zetten voor ‘mocht ie ooit’ want hij had vermoedelijk niet al te veel stilgestaan bij die ‘ooit’. Vanuit die ervaring wilde ik het anders doen voor mijn kinderen.
Dat schrijven werkt dus therapeutisch voor mezelf en als er ooit – ik houd al het hout vast dat hier in de buurt ligt – iets mocht gebeuren, dan heb ik schriften vol geschreven en dan kunnen ze zelf lezen wie en hoe hun moeder was.

Naast een schrijfmie ben ik ook nogal een structuurmie. Dat schrijven gebeurt dus niet zomaar – er is een schriftje voor alles. Kijk maar.

FullSizeRender

Deze twee kreeg ik van mijn collega die zelf ook trouw boekjes bijhoudt voor haar kindjes. Elke dag schrijf ik een zinnetje – over hoe hun dag was, over wat ze plots kunnen, over dat hij nu graag bananen eet, over dat hij zo vrolijk lacht naar iedereen die boven zijn wieg verschijnt, over dat ze me het bloed onder mijn nagels uithalen, over hoe vermoeiend het is om te discussiëren met een peuter en heel vaak gewoon over hoe graag ik hen zie, hoe fier ik ben en hoe dankbaar om hun mama te mogen zijn.

IMG_3375

Deze twee zijn dan weer over en voor mezelf. Het rechtse boekje bewijst dat mensen hetzelfde blijven én dat ze kunnen veranderen. Op de vraag of ik plan of liever wat in het wilde weg doe antwoord ik al vijf jaar hetzelfde. Bij de vraag wat ik graag bekijk op televisie somde ik vijf jaar geleden nog heel wat programma’s op en schreef ik onlangs nog: “ik vind televisie kijken tijdverspilling”. Het linkse boekje is een verderzetting op dat boekje waar het allemaal mee begon: een klein overzicht van waar ik elke dag mee bezig ben. Soms zijn het kleine dingen (we gingen wandelen en aten rodekool), soms zijn het heftigere dingen (we hadden kletterende ambras en ik weet het even niet meer). Het zijn allemaal dingen die bij mijn leven horen en – ik zei het eerder al – me laten reflecteren op wie ik ben en wat ik doe.

 

Ik ben ervan overtuigd dat je heel veel dingen in het leven niét in de hand hebt. Wat je wel in de hand hebt, is de manier waarop je omgaat met wat er op je pad komt. Ik ben zelf nogal een piekeraar en het trauma dat ik als zeventienjarige opliep toen papa stierf versterkte dat alleen maar. Ik werd toen iemand die voortdurend haar paraplu open hield – voor de regen die nog komen moest – en zo miste ik vaak de zon. Daar wilde ik wat aan doen. Ik kocht dus nog maar eens een schriftje want een schriftje kopen helpt altijd. Op de rechterpagina schrijf ik elke dag iets op waar ik dankbaar om ben – links komen dingen die eruit springen (iets wat een collega zei/een lief berichtje/goed (wereld)nieuws/iets waar ik keihard om moest lachen – op topdagen schrijf ik daar één ding waarmee ik alles kan afvinken. Dat gebeurt wel eens wanneer Ruth mij geen voicemailberichten inspreekt).
Die dingen waar ik dankbaar om ben zijn soms hele kleine dingen (parkeerplaats op het werk! Een dutje met Elias!) en soms hele grote (in bad zitten met Kas, dat kleine ruggetje zien en diep diep ontroerd zijn). Het is misschien maar een schriftje, maar het heeft mijn manier van denken echt veranderd. Zelfs op heel lastige dagen probeer ik altijd wel in iets het positieve te zien. En het werkt écht.

 

Het laatste boekje is een uitbreiding op mijn “one line a day”. In dit schriftje plak ik interviews, artikels, quotes, tekeningen, … die me inspireren of die me op de één of andere manier raakten. Ik geef ook elke dag een kleurtje (groen voor héél goed – geel voor gewoon en rood voor slecht). En zo merk ik dat ik heel vaak geel kleur en dat dat ok is. Gewoon is voor mij echt meer dan genoeg. Die kleurtjes dwingen me ook om in te grijpen. Te veel rood na elkaar: dan moet er iets gebeuren. Bij te weinig groen ook.
Sinds mijn zwangerschapsverlof probeer ik hier ook telkens wat meer te schrijven van hoe ik me voel op momenten dat ik daar nood aan heb. De langere teksten, die ik vroeger dus in mijn dagboek pende, die komen nu hier in.

Het is vaak een heel werk om al die boekjes bij te houden maar voorlopig lukt het. Soms zijn er dagen dat het echt voelt als werk (Oh neen die stomme boekjes nog) en dan schrijf ik snel en kort. Maar net zo goed is het net dat neerschrijven dat ervoor zorgt dat de mist in mijn hoofd opklaart of dat ik inzie hoeveel ik heb om blij om te zijn.  Mijn dankbaarheidsschriftje en mijn eigen ‘dagboek’ zijn bijna vol en dan ga ik die twee samen laten vloeien met mijn BOB (een fusie zeg maar) waar ik eerder al over schreef. Dan wordt het één dikker schrift met een allegaartje van schrijfsels. Ik weet nog niet zeker of de structuurmie in mezelf daar helemaal zot van gaat worden, maar ik ga ze toch eens even negeren denk ik.

 

En zo komt het dus dat ik als een gek dingen opschrijf, noteer, neerpen en uitschrijf. Voor mezelf – om van mijn hoofd geen gevang te maken. En voor hen – zodat ze me vinden wanneer ik er zelf niet meer zou zijn en zodat ze zwart op wit zouden zien staan dat ik ze onwaarschijnlijk graag zie. En dat ze een bananenfase hebben gehad.

 

Advertenties

(be)Helpen

Ze stond duidelijk op het punt het helemaal te verliezen. Er staat er eentje in de kar en eentje liep overal behalve naast de kar. Ze probeerde vanalles. Ze beloofde sandwiches, ze trok de zak met sandwiches open. Had ze een mes bij gehad, dan had ze de nog niet betaalde choco vermoedelijk al op de niet betaalde sandwiches gesmeerd. Als hij dan maar tenminste naast de kar bleef lopen. Of niet zo luid zou roepen. En als zij dan maar zou stoppen met jammeren dat ze uit het stoeltje wou. Ze kreeg blikken die bevestigde wat ze zelf al dacht: dat ze het niet onder controle had. Ze zag in ogen wat ze meende te horen: dat ze haar kinderen niet goed aan het opvoeden was. Ze winkelde verder, met heel veel haast. Zo snel mogelijk weg. Ze zag ook mijn blik. En ik was de moeder die knikte.

Ze probeerde het net gekochte speelgoed in te pakken. Snel snel want het feestje zou zo beginnen en ze was er nu pas toe gekomen om een cadeau te gaan zoeken. Ze sukkelde met het recht afknippen van het papier. De kleuter stond in de kar te springen. De baby viel steeds om in het stoeltje. “Hij zit nog niet lang”, zei ze. “En hij is moe nu”. Ze zei het als verontschulding. Luidop – tegen iedereen die mogelijk de aanklacht formuleerde. Met één hand probeerde ze het pak in te pakken. Met de andere hield ze de baby recht in het zitje van de kar. De mensen aan de kassa keken- eerst naar haar en dan naar elkaar. Ik stapte uit de rij en pakte haar cadeau in.

 

Ze zette de kartonnen figuur snel weer recht. “Daar mag je niet tegen duwen!”, zei ze. En ze trok haar weer in de rij. Er was veel volk en het ging traag. Het kind had rode wangen en stond als een gek te tutten. Als vermoeidheid een gezicht had, dan was het dat van een kind dat na een lange dag in de creche wordt opgehaald. Héél even liet ze zichzelf toe om ook wat in de verte te staren. Het kind voelde de aandacht verslappen en schoot weg. Ze duwde het bord alweer omver. “Godverdomme!”, zei ze. En ze zag de blikken – voor het vloeken, voor het duwen en voor het kind. Ze zette het bord recht en streek traag haar haren achter haar oren. Als vermoeidheid een gezicht had, dan was het dat van een moeder met vermoeide kinderen. Ze ging weer in de rij staan en keek verontschuldigend rond – verstopt achter haar frou. Toen ze mijn blik kruiste, knipoogde ik.

 

Ik voelde me een muilezel. Een tas vol boeken aan elke schouder. De maxicosi sneed het bloed af in mijn rechterarm. Links neep ik met twee vingers zijn handje vast zodat hij niet weg zou lopen. Ik liep met gebogen knieeën want hij is nog nét niet groot genoeg om zo aan mijn hand te kunnen. Al mijn ledematen zouden zo meteen afsterven, dacht ik nog. En plots voelde ik zijn handje niet meer en lag ie op de grond. Over zijn eigen voeten gestruikeld – handen plat op de grond, mond helemaal open – de schreeuw van Edvard Munch. Daar kwam het gehuil. Ik keek verontschuldigend rond terwijl ik mezelf alvast aan het verwensen was in mijn hoofd. Ik stapte op hem toe en probeerde hem op mijn linkerarm te hijsen. “Wacht”, zei ze, “geef die zware bak even hier.” Ze nam de maxicosi van me over zodat ik hem kon oppakken en kon troosten. Ze stapte mee, helemaal tot aan de auto waar ze de maxicosi vastklikte en de deur dicht sloeg. “Zo”, zei ze, “zal het lukken?” En ik, ik dacht: nu wel.

support

Me-time: tips!

Het ontbreekt me er vaak aan, maar soms dan zeg ik dat ik boven iets ga opruimen en dan ga ik mij eigenlijk verschuilen in de badkamer voor wat me-time. Té lang mag dat natuurlijk niet duren want dan hebben ze me zo in de smiezen. Maar zo ongeveer één keer per dag moet er boven toch dringend iets op zijn plaats gelegd worden. Op die manier verzamelde ik enkele leuke me-time tussendoortjes die ik graag met u deel.

“Ik ken iemand die”-podcasts

Ik hoorde er zelf over bij de fijnste mens die ik via het wereldwijde web leerde kennen. “Ik ken iemand die” is een reeks podcasts voor en door ouders. Elke aflevering wordt er een ander onderwerp aangehaald en daarover interviewt Nynke De Jong enkele experts. Daarnaast is er ook altijd ruimte voor ‘ik ken iemand die’-verhalen. Ik beluisterde de eerste twee afleveringen over ‘slapen’ en ‘eten’ (in stukjes natuurlijk omdat mijn schuilplaats niet vrij te geven) en ik lachte me bij momenten een breuk. Niet alleen is het vaak heel erg herkenbaar (kinderen die geen ‘dingetjes’ in hun eten willen hebben), maar omdat de podcast wordt gemaakt door Nederlanders is ook het taalgebruik zo verfrissend. Ik vind het héérlijk om naar Nederlanders te luisteren omdat die zoveel onbevangener zijn dan Vlamingen en omdat hun taal zo sprekend is. Ze hebben het over ‘versgebakken ouders’ en ‘spillebeentjes’ en ‘optiefen’ en ik wil het soms nog eens horen alleen al voor de taal.
Een zin die me de pauzeknop deed induwen: “Je zoekt als jonge ouder dingen om je mee op de borst te kloppen omdat alles onzeker en moeilijk is”. Ze hadden het over vers koken in plaats van potjesmaaltijden. En ik vond het zo waar dat ik het daarna ook nog eens in mijn boekje opschreef.
Je vindt de podcast hier of als je een Iphone hebt, kan je hem ook gewoon zoeken bij de ‘Podcast’-app.

Brief aan Cooper en de wereld

Dit boekje schreef Dalilla Hermans om haar zoon enkele levenslessen rond discriminatie uit te leggen die ze zelf helaas leerde in de praktijk. Het is haar eigen levensverhaal met een scherp maatschappijkritisch randje. Ze koppelt haar eigen ervaringen aan enkele typische uitspraken rond racisme (genre: ‘Ga terug naar uw land!’ en ‘Ge moet u daarover zetten’) en licht die ervaringen dan nog extra toe. Omdat het boek toegankelijk geschreven is en omdat elk hoofdstuk een ‘afgerond’ geheel is, leest het zo vlot weg. Het boek zelf is dus enigszins luchtig geschreven – de materie is dat allerminst. Het boek zette me aan het denken en ik besprak het regelmatig met Wout.
Dalilla ken je overigens van Charlie Magazine én als straffe kandidaat in De Slimste Mens ter Wereld. Ze verloor van Bill Barberis, maar ze komt sowieso terug in de finaleweek en ik hoop echt dat ze wint.

IMG_3345

Internettip

Ik las onlangs in The New York Times dit artikel over 13 vragen die je elkaar zeker moet stellen voor je trouwt. Wij zijn al enkele jaren getrouwd dus voor ons is het te laat maar misschien kan ik jullie er nog mee helpen. (Ik lach er natuurlijk maar mee – veel van die vragen kwamen heel natuurlijk aan bod in de jaren voor we elkaar de handboeien aandeden). Vraag 11 (Do you know all the ways to say ‘I love you’?) vond ik een leuke. In mijn eerdere relaties dacht ik dat er maar één manier was om liefde te tonen en dat was de mijne. Op die manier heb ik misschien wel liefdesverklaringen gemist of niet naar waarde geschat. Intussen ben ik ouder en toch al iets wijzer en weet ik dat iedereen zijn liefde op een andere manier betuigt. Ik had al een idee hoe mijn manier eruit zag en deze test bevestigde dat. Je kan er ook een test doen over wat je liefdestaal naar je kinderen is, maar mijn kinderen zijn nog te klein om dat te bepalen blijkbaar. Ik geloof dat hij die oudste van mij het voorlopig afmeet aan hoeveel keer ik hem rozijnen toestop aan tafel.

Weldra ontsnap ik weer eens naar de badkamer om mezelf wat zuurstof te geven. En mocht ik daar op iets stuiten wat het delen waard is, dan verneemt u dat binnenkort alhier! At your service!

Op mijn gemak

“Doe maar op uw gemak zenne! Ge moet u niet haasten”, roept hij me nog na terwijl ik de trap opspurt. Ik heb geen idéé waar hij het over heeft. Sinds we niet één maar twee koters hebben, doe ik niks nog ‘op mijn gemak’. Alles gaat ‘snel snel’ even tussendoor.

Ik poets het huis in stukjes. Ik dek de tafel voor ’s avonds wanneer de kindjes even slapen. Ik leg de ingrediënten voor het avondeten al klaar ergens rond de klok van vier en dan nog moet ik me haasten om de mondjes gevuld te krijgen vooraleer ze van koek gaan zagen. Als ik me ga douchen, vertrek ik steevast naar boven met de woorden ‘ik zal doordoen hoor!’. Ik droog me af terwijl ik gauw even de badkamer opruim. Ik ververs de lakens terwijl ik de haardroger met één hand boven mijn kop probeer te houden (ik ben werkelijk een hele acrobaat!). Terwijl ik de keuken dweil probeer ik kind één te entertainen vanop afstand zodat hij niet op zijn sokken komt uitglijden op de natte vloer. “Op mijn gemak” mompel ik tegen mezelf. En ik beeld me in hoe het zou zijn als ik nog één dag had zoals vroeger.

Dan zou ik nog eens mijn bed kunnen invallen om drie uur ’s nachts omdat ik toch kan slapen tot het middaguur. Ik zou mijn wekker zetten om 11.00 en dan toch ook eentje om 06.00 – gewoon zodat ik gelukzalig weer verder kon slapen. Hoe heerlijk was het om vroeger – als student – zo rond 07.00 wat verdwaasd wakker te worden van het geroezemoes op straat van mensen die naar hun werk vertrekken om dan zelf – totaal zonder verplichtingen – nog verder te knorren tot de middag. Eén keer had ik zo’n lange vergadering gehad in de fakbar dat ik wat later thuis was dan voorzien. Toen sliep ik zelfs tot het weer donker was (in my defence: het was wel winter). Ik zou het nu zelfs niet meer kunnen. Mijn kinderen hebben me zo geconditioneerd dat ik ook wanneer ze niet thuis zijn ten laatste rond 08.00 vanzelf wakker word.

Dan zou ik nog eens onafgebroken kunnen lezen. Dat ik veel en graag lees, dat beschreef ik onlangs hier nog. U-ren kan ik na elkaar lezen. Ik kan zelfs eten met één hand terwijl ik verder lees. Ik kan ook koken met één hand terwijl ik verder lees en ook de lakens van het bed aftrekken terwijl ik verder lees (ik ben werkelijk een hele acrobaat). Dat is theoretisch gezien allemaal waar. Vroeger demonstreerde ik die kundes ook allemaal zowat één maal daags. Daar kwam zelden iemand naar kijken, maar toch een hele prestatie, nee? Nu zou er eerder volk komen kijken als het me zou lukken om nog eens een uur onafgebroken te lezen. Ik lees nog steeds veel, maar het moet in stukjes. Want er is altijd wel iemand die ergens hulp bij nodig heeft (in slaap vallen – opruimen – sokken aandoen – …. – en een van deze gaat overigens niét over de kindjes).
Het is soms wat moeilijker om helemaal in een boek meegezogen te worden als ik ondertussen een kind moet helpen waterverven. En als er dan tijd is om te lezen, dan verdwaal ik soms op mijn Iphone wat in internetland. Man, dan kan ik mezelf soms echt schieten.

Dan zou ik nog eens zittend warm voedsel kunnen eten. Long gone zijn de tijden dat wij “op ons gemak” wat samen stonden te koken. Die mooie dagen waarin aperitiefjes gemaakt werden en dingetjes werden geknabbeld terwijl de saus de tijd had om in te dikken. Tegenwoordig knal ik ergens een schijf limoen in een glas en komen we er twee uur later achter dat er nooit aperitief overheen werd gegoten. Onze sauzen zijn bij momenten half zo dik als zou moeten en van de gaartijd van pasta knijp ik meestal ook een minuut of twee af. En als alles dan eindelijk op tafel staat, dan begint het pas. Ik moest vlees snijden, ik moet dingen van het bord afhalen DIE HIJ ER DUIDELIJK NIET OP WIL HEBBEN LIGGEN, ik moet brood aanreiken en weer afpakken, ik moet bestek oprapen en afpakken, ik moet water inschenken, ik moet blazen, ik moet KIJKEN hoe hij zelf schept en dan wil hij er UIT UIT UIT.
“Weet je nog, lieve schat, hoe we vroeger samen konden eten en dan terwijl konden praten enzo”, zeg ik tegen Wout terwijl Kasper met zijn trommel rond de tafel loopt. Those were the days.

Dan zou ik met vrienden afspreken en effectief met hen kunnen praten. Hoe ging dat ook alweer, zo’n gesprek voeren? Ik vraag het mezelf soms af in de auto op weg naar een afspraak. Hoe bevrijdend is het om jezelf nog eens te horen denken! Om ergens binnen te komen en niet meteen je glas – en alle andere breekbare voorwerpen – in het midden van de tafel te zetten of ergens hoog op een kast. Hoe leuk zou het zijn als we de chips in de kommen nog eens zelf konden opeten terwijl ik aandachtig zou luisteren naar de verhalen van mijn kameraden in plaats van voortdurend ergens halfweg een zin te moeten opstaan.
Onlangs kwamen vrienden van ons op bezoek met hun kinderen. 5 jongens bij elkaar en dan 6 volwassen mensen – dat zou moeten lukken denk je want dat is gemiddeld 1,2 volwassene per kind. Maar die kleine smeerlappen die hebben er toch echt een handje van weg om op de meest onnozele momenten op hun gezicht te gaan/elkaar pijn te doen/honger te hebben/pipi te moeten doen/…
Daar stonden we dus in onze tuin wat halve gesprekken met elkaar te voeren, telkens wel onderbroken door één van onze bloedjes die ons drin-gend iets moest tonen. Toen de mannen het eten waren gaan halen besefte ik pas na een tijdje waarom dat praten plots zoveel gemakkelijker leek: 3 van de 5 lawaaimakers waren mee naar de afhaalchinees.
“Het was heel gezellig”, sms’ten we achteraf naar elkaar. En dat was het ook echt. Het is helemaal anders, maar het staat ons allemaal – dat ouderschap.

IMG_2395

Terwijl ik me in zeven rotvaarten sta te douchen, besef ik dat er heel wat dingen zijn die ik graag nog eens zou doen ‘zoals vroeger’. Ik vertel ze vaak mijmerend tegen Wout. Maar ik zeg er dan altijd bij dat het dan écht zoals vroeger moet zijn – ik mag nog geen kinderen hebben in het verhaaltje. Want anders zou ik me toch gaan haasten om op te staan omdat ik mee wil kampen bouwen in de zetel. Of ik zou toch naast ‘m willen zitten aan tafel omdat het ook zo lollig is om hem te zien prikken in zijn vlees – opperste concentratie. En ik zou het jammer vinden om de kinderen van onze vrienden niet te zien want het is fijn om hen te zien groeien.

Mijn wensen en dromen zijn dus ook maar dat: wensen en dromen. Want ik kan nooit meer helemaal terug naar ‘vroeger’. Hen weg denken is me nog nooit gelukt – hen weg wensen dat doe ik soms dan weer wel eens. Al duurt dat vaak nog geen halve seconde. Ik wil me niet meer voorstellen hoe het is zonder onze jongens. Ik voel hoe dat zou zijn wanneer ze er niet zijn: leger en doellozer. Ik wil me niet meer voorstellen hoe het zou zijn om hen minder te zien, om vaker weg te zijn. Want alles gaat al zo snel. Enkele weken geleden was Elias er nog niet. En een jaar of twee geleden was zelfs Kasper er nog niet. En kijk ze nu, die twee. Elke dag maken ze allebei grote sprongen, elke dag veranderen ze. Ze glippen door mijn vingers en ze worden nooit meer kleiner dan ze nu zijn.
Kasper slaat zijn armen om zijn broer heen. Ze liggen samen in het park en Elias lacht om alles wat Kas doet. En ik sta naar hen te kijken en ik denk: “doe maar op uw gemak zenne! Ge moet u niet haasten!”

Processed with VSCO with c1 preset

 

Life according to Kas II

Intussen gaat het leven hier elke dag zijn gangetje. ’t Is te zeggen: de ene dag loopt alles gesmeerd en de andere dag word ik wel eens zot van mijn kinderen (en van mijzelf). Op zo’n dagen waarin ik mezelf een vervelende troela vind, helpt het wel bijzonder goed als ik Kasper de focus laat bepalen. Hij weet die zo heel gemakkelijk en natuurlijk op de juiste dingen in het leven te leggen.
Zoals daar zijnde:

1. Spinnenwebben

Op weg naar huis van de bibliotheek – alwaar hij kleurt, potloodjes laat vallen en luid OH OW roept terwijl ik boekjes kies – wandelden we samen over het brugje over de Velpe. Ik wees hem daar op een spinnenweb dat vol dauw hing en vertelde hem dat daar de spin woonde en dat die spin vliegjes had – daar hangen ze, kijk maar zie je’t? Ik dacht: dat vergeet ie zo wel weer want hij stond maar half te luisteren. Maar het moet toch indruk gemaakt hebben. Want sinds kort wijst hij ALTIJD en OVERAL de spinnenwebben aan: “Mama, kijk! Sien!” (hij bedoelt natuurlijk spin nvdr.) Dat betekent heel concreet dat onze wandelingen nu nog trager gaan nu er nog een extra item is waar we overal halt voor moeten houden. En dat betekent helaas ook dat ik dagelijks een update krijg van hoe het met de netheid van onze woonkamer gesteld is. (niet goed, nvdr.)

Processed with VSCO with c1 preset

2. De vrachtwagen op de markt

Elke woensdagvoormiddag is het hier in H. markt. Dat is heel gewoon, zou u zeggen, want dat is al jaren zo. MAAR DAT HEBT U MIS. Want sinds kort staat er een nieuwe kraam op de markt! We hadden al een viskraam, een kippenkraam, een fruit en groentekraam en een raar tentje waar een mevrouw vers bereide maaltijden verkoopt (kan en klaar! staat er op haar bordje). Maar het moet zowat een week of 6 geleden zijn dat er plots een kraam met BEENMODE zich bij op de markt parkeerdeBeenmode, dat zijn sokken basically, maar toch, wij hebben nu béénmode. Elke woensdagvoormiddag gaan wij naar de markt voor onze groenten en ons fruit, maar vooral – according to Kas – om te kijken naar de vravra (hij bedoelt vrachtwagen – er is nog wat werk aan zijn articulatie). Toen Kas net begon te spreken probeerde ik hem woordjes aan te reiken zoals ‘koek’, ‘koe’, ‘bedje’, ‘boek’ maar het eerste wat meneer wou zeggen was ‘vrachtwagen’. Het toonde toen al zijn fascinatie voor voertuigen en die is er niet minder op geworden. Dus elke week sta ik net zo lang naar die vrachtwagen te kijken als dat ik sta te wachten tot het mijn beurt is. En dat kan soms wel eens lang duren met al die meten die mij voor steken – dat kon je hier al eens lezen.

Processed with VSCO with c1 preset

3. De kapper

Kasper kon sneller praten dan dat hij haar had. Dat komt omdat hij snel kon praten en omdat hij heel traag haar kon hebben. Zo rond zijn eerste verjaardag kwamen zijn eerste 5 witte pluimen piepen. Intussen – bijna één jaar later – heeft hij al zo’n 25 pluimen verzameld. Ik kan nog steeds zijn schedel zien als ik naar zijn kruin kijk. Komt goed uit, kan je denken, dat spaart je een kappersbeurt. Maar zo werkt het niet want als Kas zijn pluimen niet wat bijgeknipt worden ziet hij eruit als iemand van Maaskantje.
We gingen onlangs terug met hem naar de kapper waar hij ook de allereerste keer ging. Dat is een kapper met een speciale kinderafdeling waarin waanzinnig veel speelgoed staat, een playstation met keiveel spelletjes is, waar er een soort van speleobox met glijbaan in het interieur verwerkt is én waar een filmpje wordt opgezet tijdens het knippen. Ik vermoed dat sommige van die kindjes daar met opzet veel vroeger komen omdat het in feite een mini-binnenspeeltuin is die zich als kapperszaak heeft vermomd. Maar die van ons, dat is een ander paar mouwen. Eerst met zijn grote bebber wat aanwijzen wat er allemaal van speelgoed is, dan als een echte baas kiezen welke film hij wil (DIE!DIE!DIE! terwijl hij naar ALLE films tegelijk wijst en dan gefrustreerd zijn omdat ik niet de juiste koos) en dan van zodra de schaar erbij komt jammeren en mopperen tot het voorbij is. Ik vond het wel erg voor hem, maar ik vond het ook wel grappig voor mij.
Alles is goed gekomen en meneer zijn 25 sprieten haar liggen weer netjes in model.

 

4. De trommel

Tja, wat kan ik zeggen, ik heb deze miserie uiteindelijk zelf veroorzaakt. Een hele tijd geleden kocht ik hem de muziekinstrumenten van Haba: een rasp, tikstokjes, een triangel en een trommel. Ik stak ze weg want hij was nog te klein. Maar plots was er grote drama – ik weet al niet meer waarom maar waarschijnlijk omdat hij zijn tut niet kreeg – en ik wilde hem afleiden. Ik toonde hem de muziekinstrumenten en zijn gezaag verdween als sneeuw voor de zon. Ik stak mezelf al een ‘best mom ever’ speld op totdat het mij begon te dagen wat voor een onheil ik mogelijks over ons gezin had afgeroepen. En mijn ergste vermoeden bleek te kloppen. Waar hij zijn ander geruisloos speelgoed (de blokjes, de puzzel, de kleurpotloden, na twintig minuutjes telkens beu is, kan hij werkelijk U-REN op die onnozele trommel blijven slaan. Hij weet hem ook altijd te vinden en het is de enige doos die hij zelf open krijgt. Bij alle andere perfect dezelfde dozen moet mama het altijd komen open doen, maar de trommel dat lukt uiteraard wél.
Onlangs heeft hij héél de cd “Hé hé” van Jan de Wilde meegetrommeld en dat album is toch een klein uur lang. Regelmatig staan wij dus te roepen tegen elkaar terwijl onze peuter van bijna 2 jaar met een stralende glimlach om ons heen wandelt en daarbij keihard op zijn trommel mokert. Soms moet ik daar keihard om lachen en soms wou ik dat ik mijn oren kon uitdoen.
En weet je wat nu het allerergste is? Mijn lief vond een drumset in hout met twéé trommels en een cimbaal aan EN WIJ OVERWEGEN WERKELIJK OM HEM DAT TE KOPEN VOOR ZIJN VERJAARDAG. Dat ouderschap, dat is toch echt iets héél bizar.

Processed with VSCO with c1 preset

Net wakker en al in full force. “Trom waai!” zegt ie. “Ja hoor schat, de trommel maakt lawaai!”, schreeuw ik terug. Hij kijkt me stralend aan – glimlach van oor tot oor – en knippert met zijn ogen telkens wanneer zijn stok de trommel raakt. En ik kijk naar hem en ik besef dat ik vergeten ben waar ik me ook alweer druk over maakte.

Gelezen: My life with Bob / Flawed Heroine keeps Book of Books, Plot Ensues

Naar aanleiding van mijn goede voornemen waar ik eerder al over schreef, ziehier mijn eerste boekverslag sinds een jaar!

Ik las dit boek al in juli en ik ben er nog steeds erg over te spreken. De schrijfster – Pamela Paul – is editor bij The New York Times Book Review en sleept al heel haar leven BOB met zich mee. BOB is in dit geval geen man, hond of verantwoord chauffeur. Neen, BOB is haar Book of Books – het schriftje waarin Pamela elk boek noteerde dat ze de voorbije 28 jaar las. Het verhaal zelf gaat niet over alle boeken in haar schriftje, maar over wat de verschillende boeken haar vertellen over haar leven: welke boeken ze wanneer las en hoe elk van die boeken op het juiste moment in haar leven kwamen.

De titels van de hoofdstukken zijn ook titels van boeken: “Anna Karenina” bijvoorbeeld, voor het hoofdstuk over haar helden en “The Norton Anthology of English Literature” voor het hoofdstuk over de canon en verplichte literatuur. Het boek zelf is dus zeker geen droog, chronologisch overzicht van alle boeken die ze ooit verslond. Aan de hand van de boeken die ze leest, krijg je een zicht op het leven van Pamela Paul. Zo voelde ze voor het eerst intuïtief aan dat het niet zou blijven duren met één van haar grote liefdes toen ze ruzie kregen omdat hij haar uitlachte omwille van haar BOB. Net zoals ze zoveel jaren later voelde dat het wél zou lukken met die man die BOB wel met het vereiste respect wilde behandelen.

Ik gaf het boek vier sterren op Goodreads. Het las heel erg vlot en ik herkende me vaak in de dingen die ze schreef. Zo begon het al op pagina 1:

And if for some inexplicable reason, I don’t have anything to fret over, I will easily find it. Should it be resolved at 4:16 am one sleepless night, it will swiftly be replaced with something new. I am, alas, a worrier.

Nog maar net begonnen en ik moest al gniffelen om zoveel herkenbaarheid. Toen ze zichzelf beschreef als een kind dat altijd las, een kind dat uren in boeken kon verdwijnen, herkende ik mezelf opnieuw:

I did everything I could to read my way out of doing anything else.

Ik herinner me nog goed die zaterdagen waarop ik heel de voormiddag aan het lezen was op mijn kamer. Ik kwam enkel naar beneden voor het middageten en ik las daarna weer verder. Als mama me vroeg om iets te doen (een kleine boodschap of helpen alle lakens opvouwen- ver uit elkaar staan – strekken en dan in de helft) dan beloofde ik het altijd te doen wanneer mijn hoofdstuk klaar was of soms – zoals bij lakens opvouwen – vroeg ik of ik intussen mocht blijven verder lezen. Liefst van al lag ik heelder dagen te lezen – op mijn buik op mijn bed tot ik kramp kreeg van op mijn ellebogen te leunen. Of in die ene streep zon die in de winter op mijn dekbed kon vallen en dan mee opschuiven zodat ik erin kon blijven liggen. Soms kwam mama na een kwartiertje binnen om te zeggen dat ik mocht blijven verder lezen. Cadeaus waren dat. Want hoeveel te ouder ik werd, hoeveel te meer ik besefte dat er nog zoveel te lezen was. Of zoals Pamela Paul schrijft:

This is every reader’s catch 22: the more you read, the more you realize you haven’t read; the more you yearn to read more, the more you understand that you have, in fact, read nothing.

Het boek was dus van bij de start erg herkenbaar voor mij. Bovendien houd ik – net zoals zij – mijn eigen BOB bij. Ik begon in 2013 met netjes te noteren welk boek ik las, wie het schreef en in welke periode ik het boek las. Onder de titel schreef ik de zinnen die ik mooi vond, de bedenkingen die ik had tijdens het lezen of soms de korte inhoud van het boek. Maar in 2016 maakte ik een account aan op Goodreads en sindsdien houd ik via die app bij wat ik nog wil lezen en wat ik gelezen heb. Meteen nadat ik een boek heb uitgelezen, vraagt de app mij het boek te quoteren aan de hand van sterren. Dat is allemaal heel snel en simpel maar het zorgt ervoor dat ik dan vaak niet de goesting heb om het ook nog eens in mijn BOB te schrijven. Ik doe het nog wel, maar eerder in staccato: de titel, de auteur en de sterren die ik eraan gaf. Toch houd ik mijn BOB in ere want het is fijn om achteraf nog eens te bekijken wat ik wanneer las. En net zoals Pamela Paul kan ik ‘periodes’ onderscheiden in mijn leesgedrag die nauw aanleunden bij wat er toen speelde in mijn leven.

For each of us, the books we’ve chosen across a lifetime reveal not only our evolving interest and tastes, but also our momentary and insatiable desires, the questions we can’t stop asking, the failings we recognize in ourselves at the time, and the ones we can see clearly only years later.
We pass our lives according to our books – relishing and reacting against them, reliving their stories when we recall where we were when we read them and the reasons we did.

Dat zegt het zowat helemaal.

Ik vond “My life with Bob” een heel fijn boek om te lezen. Ik las het in het Engels omdat ik het liefst van al een boek lees in zijn oorspronkelijke taal. Het is niet erg dik (zo’n 250 pagina’s) en het is een bron van inspiratie. Ik noteerde bijvoorbeeld enkele titels die ik graag nog wil lezen. Ik las het boek in juli toen ik even vreesde dat ik nooit van mijn leven meer zou kunnen lezen met twee kleine kinderen. Maar intussen is het eind oktober en weet ik wel beter. Lezen is nog steeds mogelijk. Ik moet dan alleen nog wat minder slapen of nog iets sneller eten.

Mijn BOB dateert nog uit de tijd dat Hema nog niet echt heel mooie schriftjes maakte. Of uit de tijd dat ik bloemige schriftjes heel mooi vond. Beide tijden zijn gelukkig gepasseerd en dus ligt er een nieuw schoon exemplaar te popelen om volgeschreven te worden. Maar los daarvan: Never judge a book by its cover. 

Bronvermelding: My life with Bob: Flawed Heroin keeps Book of Books, Plot Ensues – Pamela Paul. 

 

Playin’ with my friend

We stappen in de auto. Het is zaterdag en er zijn wat boodschappen te doen. Ik weet niet meer in welke volgorde maar vermoedelijk gaan we iets wegbrengen, iets halen en iets wassen (in casu: de auto). We zijn onder ons twee en daar hoort muziek bij.
Ik rommel wat met de cd’s. Die zitten overal: in de twee deuren, in het handschoenkastje en in het opbergvakje in het midden. Ik tik tegen zijn elleboog want die verhindert mij van het opbergvakje te openen. Ah, hier zit ie.
Ik vis de cd op uit het bakje en toon hem aan papa. Hij kan zich helemaal vinden in mijn keuze. Terwijl de radio de cd leest, zet hij het volume alvast op maximum. (Je kan via deze link meeluisteren).

I’m gonna call up all of my buddies
And a few of the ladies I know
I’m gonna rent a hall and get them all and
Put on a heck of a show

Make sure we got a kitchen
With an oven and a stove
We’ll all get in there cookin’
Then we’ll throw open all the doors

Playin’ with my friends
Playin’ with my friends
We’ll have a good time
Playin’ with my friends

De radio staat zo luid dat ik de boxen voel trillen in de deur. Papa zingt de strofes want hij is BB King. Het refrein zingen we allebei heel hard mee, zonder schroom. Ik geneer mij eigenlijk nooit bij papa, besef ik. Ik ben 17 jaar dus dat betekent wel iets. Maar ik vind mijn vader cool. Hij speelt bluesharp in een bandje bij mijn broers. Hij kan mensen aan het lachen brengen. Hij draagt een pak om te gaan lesgeven want dat hoort zo vindt hij. Als hij thuiskomt doet hij gemakkelijke kleren aan – een zwarte jeans met een trui erop. “Mijnen boy” zegt ie, want hij is een West-Vlaming. “Mijn speelkleren”, zegt ie, want hij is een grappenmaker.

I’m gonna buy a hundred pounds of catfish
Cook it all up on the grill
Make some beans and corn bread
Everybody’s gonna get their fill

Then we’ll grab all the guitars
Greasy hands and all
Someone’ll count off a shuffle
And man, we’ll have a ball

Playin’ with my friends
Playin’ with my friends
We’ll have a good time
Playin’ with my friends

Dit stuk zing ik want Robert Cray heeft een hogere stem dan BB King dus het was een uitgemaakte zaak dat ik Robert was en hij BB. Hij zet op pauze na de eerste strofe. “Wat is catfish?”, vraagt hij mij. Hij vertelde mij intussen al honderdvijftig keer wat catfish is en ik zeg hem dat ook. “Ja maar, ik moet toch zeker zijn dat je luistert”. Ik rol met mijn ogen. “En wat is dan corn bread?”, vraagt hij nog. “Papaaaaaa”, zeg ik en ik duw weer op play. “Maar weet je wel wat ‘to have a ball’ betekent?”, roept hij boven de muziek uit. Hij moet hard lachen omdat ik blijf verder zingen en zijn vraag negeer. Ik zwaai naar buiten en hij vraagt me wie ik zag. “Niemand”, zeg ik, “maar die meneer dacht dat het naar hem was en die zwaaide terug. Die zal zich nu de ganse voormiddag afvragen wie hij toch gepasseerd is.” Daar moet hij zo hard om lachen dat het sindsdien iets wordt wat we vaker doen: we zwaaien zomaar naar iemand die geconcentreerd aan het rijden is en lachen wanneer die verschrikt – en vaak verward – terug zwaait.

Er komt een lang instrumentaal stuk nu. De rollen zijn ook hier weer duidelijk: als hij BB is ben ik de drum. Als ik Robert ben, is hij één van de blazers of de pianist. Hij kan fantastisch luchtorgel spelen en hij gebruikt daarbij het hele dashboard – zelfs mijn stuk.

Yes, we’re gonna buy some of that red, red wine
The best that money can buy
You gotta drink it all from a paper cup
That this here Saturday life is right

Everybody’s gonna stand up
Play their favorite tune
You can pick any tune you want to
As long as it’s the blues

Playin’ with my friends
Playin’ with my friends
We’ll have a good time
Playin’ with my friends

BB roept van “Yeah!” en het is papa zijn favoriete stukje. Het nummer gaat in crescendo nu. De gitaristen strijden om de mooiste solo. Wanneer het niet aan mij is, doe ik de blazers na. De laatste 40 seconden zijn de allerbeste. Robert Cray speelt met het ritme en lijkt te hakkelen in zijn solo. Schitterend vindt hij het en soms spoelt hij het wel drie keer terug. Altijd nog eens die tien seconden. Het nummer heeft geen einde, het stopt niet – fade out en het nummer is voorbij.

“Nog eens?”, zegt hij. Hij heeft het al opnieuw opgezet zonder mijn antwoord af te wachten.

Tuurlijk nog eens. Ik zou nu alles geven voor nog eens. Nog één keertje.
“Playin’ with my friends” is van ons. We hebben het samen zoveel gespeeld en gezongen in de auto. Loeihard. Superuitgelaten. “Playin’ with my friends” is het nummer waarmee ik papa vier. Ik heb er andere om bij te wenen, om bij te missen. Maar deze schijf is er eentje om hem te vieren. Na twaalf jaar vier ik hem nog elke dag – maar vandaag heel speciaal.

You can pick any tune you want to
As long as it’s the blues

IMG_0752