De enige echte

Ik kom de woonkamer binnen via het kleine halletje en ik zie het meteen: er staat een bus Cécemel klaar op tafel – de enige echte. In een flits word ik jaren terug gekatapulteerd.

Ik moet een jaar of 7 geweest zijn. Mama en papa brachten me weg. Ik weet niet precies hoe het ging: of ik het gevraagd had of zij. Het resultaat is hetzelfde: ik ging logeren bij mijn meter die in het verre West-Vlaanderen woonde. En ik ging alleen.

Ik ben altijd nogal honkvast geweest. Ik hou van mijn eigen bed en de luxe om alles wat ik nodig heb zomaar bij de hand te hebben. Ik hou ervan om elke kamer te kunnen doorkruisen in het stikdonker zonder ergens tegen te botsen – simpelweg omdat ik er al mijn hele leven woon. Ik ga wel graag op reis, maar ik heb soms dat duwtje nodig. Als zevenjarige was dat niet anders.

Ik herinner me nog veel van die vakanties (want er volgden er nog) haarscherp. Hoe er elke morgen vers fruitsap geperst werd. Hoe ik steil achterover viel toen nonkel zei dat hij ZOMAAR en VOOR ZIJN EIGEN PLEZIER om 5 uur opstond. Hoe er een grote koebel op de kast stond die ik mocht luiden als het eten klaar was. (Voor wie was niet duidelijk, iedereen die er was, zat al beneden aan tafel). Hoe er voor speelvriendjes gezorgd werd (het veel oudere buurmeisje heeft elke vakantie heel geduldig vele uren met mij gespeeld). Hoe ik strips mocht gaan lenen en hoe ik die op een grote stapel naast mijn rieten stoel op de grond legde. In de veranda las ik ze één voor één en op een groot blad gaf ik ze een cijfer op 10. Het waren Kiekeboes en ze kregen allemaal 10.

Ik herinner me dat de heimwee toch gauw kwam knagen. Dat ik dan bellen mocht en aan mama vertelde dat ik echt naar huis wou. En hoe ze me probeerde te overhalen om te blijven want het was toch leuk daar en we gingen zoveel leuke dingen doen. ’s Avonds zat ik in de veranda in de avondzon met grote ogen tegenover mijn oom en tante. Ik voelde me rot want ze deden zo erg hun best om fijne dingen te bedenken en toch en toch was het niet zoals thuis. Nonkel keek me aan vanachter zijn brilglazen terwijl hij sigaretten ‘schoot’ met zijn machientje. “’t Es zo langk oef da’t breed is”, zei ie “ajje wil, brengen we je nor hûs.” Er rolde een dikke traan over mijn wang.

En toen dacht ik aan de strips, aan het Dadipark, aan de kamerjas van de 101 Dalmatiërs (net gekregen op de markt!), aan het verse fruitsap, aan de cola die ik er soms kreeg, aan het hondje waar ik mee wandelen mocht en dat zo hard aan zijn leiband trok dat het zichzelf half versmachtte. En ik dacht aan de Cécémel. De grote gele bus Cécémel die bij ons thuis nooit zomaar in de koelkast stond en waar ik hier wel drie glazen na elkaar van mocht drinken – de enige echte.

Ik sloeg mijn ogen op. “Ik ga blijven,” zei ik. We speelden kaart en nonkel leerde me Raminen en Manillen en ik had twéé spelletjes die ik mijn Limburgse vriendjes binnenkort zou kunnen leren. Hij wilde koffie uit de koffiekan en ik mocht hem uitschenken. Ik hield de kan hoog zoals ik hem ook had zien doen. Ik morste en het was niet erg. Ik dronk een glas koude Cécémel en daarna nog één.
’s Avonds kroop ik mijn bedje in en ik luisterde naar de geluiden die ik nog niet allemaal kon thuisbrengen en ik telde op mijn vingers hoe lang ik er al was en hoe lang ik nog ging blijven.

Vandaag stapte ik weer die woonkamer binnen. Alles voelde vertrouwd: de stoelen met de kussentjes op, de schilderijen die tante zelf maakte, het cd-rek met een vaas met bloemen erbovenop, de foto’s van de twee broers die ze al moest afgeven (mijn papa en mijn nonkel Johan), de hond die zo hard tegen de achterdeur springt dat hij zichzelf half versmacht (’t is wel een andere), de grote koebel op de kast. En – hoe kan het ook anders – de gele bus Cécémel. De enige echte.

IMG_7747

Advertenties

Graag gedaan.

We kijken samen in een boekje. Dit keer is het een kijkboek over voertuigen. Hij tilt de flapjes op en kijkt wie er in de auto zit, wie er met de trein rijdt en wat er in het ruim van het schip zit. Hij vertelt over hoe we in Den Haag ook met de tram reden. Hij wijst de benzineklep aan op de tekening en zegt dat mijn auto er ook zo eentje heeft en dat papa die vol doet. “Kijk zo”, zegt ie – terwijl hij een denkbeeldige auto tankt. “En dit hier is de carnavan”, wijst hij. “Dat klinkt een beetje als carnaval maar het is het niet. Want dan mag je zo slingers blazen. Kijk zo”, zegt ie – en hij blaast tussen het rondje dat zijn kleine handjes maken.

We rijden naar onze onthaalmoeder om Elias op te halen. Hij zit in zijn stoel en staart voor zich uit. Hij is moe en het is een van die zeldzame momenten waarop hij eens gewoon stil is. Ik ben ook moe. Ik draai de radio wat zachter. “Mama”, klinkt het vanop de achterbank. Ik “hmmm” om aan te geven dat ik luister. “Hoe heet dat ook alweer, zo’n paardje dat altijd klein is. Niet een veultje, maar dat ander.” Ik hoor aan zijn stemmetje dat hij het vervelend vindt dat hij het vergeten is. “Geen veulentje, maar een pony, bedoel je.” Hij knikt opgelucht. “Ja! Dat was het! Daar staat er eentje.” Ik kijk door het raam en zie nog net een kleine pony in het veld.

Ik zet hem in de auto op de parking van de supermarkt. Tussen mijn armen door ziet hij een duif die kruimels oppikt van de grond. “Als er nog eens een duif op ons dak zit, dan moeten we samen roepen, mama.” Ik klik zijn gordel vast en geef hem nog een kus op zijn kruin. Dat mag niet altijd, dus soms pik ik er eentje als hij even niet oplet. “Oke”, zeg ik, “volgende keer roepen we samen naar de duif dat die niet op ons dak mag zitten.”
“Graag gedaan”, antwoordt hij. Ik leg hem uit dat je ‘graag gedaan’ zegt nadat je iets voor iemand hebt gedaan en die jou net bedankt heeft. Als je het niet erg vond om hem te helpen, dan kan je zeggen ‘graag gedaan!’. Ik vertel dat mensen dat fijn vinden, omdat het toont dat je het je geen moeite kostte om hen te helpen. “Snap je?”, vraag ik en ik kijk in de achteruitkijkspiegel in zijn bruine ogen die precies zoals de mijne zijn. Hij knikt.

Ik leg hem in bed. Hij rangschikt zijn knuffels nog even. De uil moet niet onder het deken want die heeft geen benen. Terwijl ik de gordijnen dicht trek, overlopen we zoals altijd de dag. Ik vertel iets wat ik leuk vond (Dat ik even in mijn boek kon lezen. En dat hij zo fijn met de tram en de auto’s gespeeld had). Hij doet hetzelfde. (Dat hij haren had gemaakt met klei. En dat hij twee kikkersnoepjes mocht eten). Ik stop hem onder en geef hem exact het aantal knuffels dat hij vraagt (drie en dan nog eens drie en dan nog eentje). “Ik zie jou graag”, zeg ik. Hij zegt dat hij mij ook graag ziet. “Dat vind ik leuk, Kasje”, vertel ik hem – ik sta al aan de deur intussen. “Neen, mama, jij moet zeggen: graag gedaan!”.

Graag gedaan, lieve schat. It’s my pleasure.

Processed with VSCO with c1 preset

Dardinaal Kanneels

De regen beukt nog maar eens op de ramen van mijn auto. De ruitenwisser kan het amper bijhouden. Ik rijd met twee kleine jongens op de achterbank. Ik kan de radio verstaan. Dan weet ik dat het donderdag is – bijna einde van de schoolweek. De kaarsjes zijn uit. Tijd voor weekend.

Dat kardinaal Danneels overleden is, weet mijn autoradio me te vertellen. Dardinaal Kanneels denk ik en ik gniffel. Het was papa z’n handelsmerk: woordspelletjes. Lettergrepen omdraaien, klinkers en medeklinkers van plaats wisselen, steenkolenengels spreken, de p-taal alsof het zijn eigen dialect was.

We aten mocochousse en miratisu. We maakten things the cat wise. We zeiden: “Inderdavo, Baat!” wanneer Bavo Claes iets feitigs voorlas van zijn autocue tijdens het journaal. We vroegen of “mapamapa hepet apal beupeu wapas dapat wijpij depe p-p-tapaal spreepeektepen”. Mama lachte groen want ze was zelf geen krak in de p-taal en werd horendol van al die extra lettergrepen.

Hij schreef speeches die rijmden voor al onze jarige buren. Als er iets te vieren was dan werd er een gedicht geschreven, of een lied. Hij trok zich terug enkele uren voor het feest en kwam naar buiten met een ode in rijmvorm. Hoeveel te belangrijker de gelegenheid, hoeveel te meer pagina’s. Hij lachte met het leven, met zichzelf, met de feestvarkens in kwestie. Hij had de schone gave om dat altijd zacht te doen – dat lachen – nooit kwetsend of neerbuigend. Soms vind ik tussen zijn kladpapier nog wel eens de start van zo’n rijmpje – in zijn priegelhandschrift.

“Kardinaal Danneels is dood”, zegt de nieuwssite me wanneer ik ’s avonds de krant open op mijn smartphone. Dardinaal Kanneels. Ik ben hem eigenlijk al bijna vergeten.
Maar jou nog altijd niet.

Processed with VSCO with c1 preset
Dorus onder De Lopers die papa ooit schilderde. 

Dat staat als ons huis.

Ik wandel door onze tuin traag terug naar het huis. De misplaatste lentezon mikt zijn laatste stralen tegen de dakpannen. Een vliegtuig trekt een witte streep in de lucht. Ik blijf even staan en ik probeer het binnen te nemen: dit is al heel mijn leven mijn thuis.

Het huis is oud. Het werd gebouwd eind jaren 1800. In zijn bijna 200-jarig bestaan heeft ons huis verschillende functies gehad. Het is een houtzagerij geweest en een postkantoor. Mijn overgrootvader heeft hier nog geturnd op onze bovenverdieping toen het tijdelijk een soort van gymnastiekzaal was. Hier woonde ooit een officier uit het leger van Napoleon. Mijn ouders kochten het huis van twee zussen – twee oude dametjes die hier samenwoonden in het huis. Er was geen verwarming in de kamers, ze verwarmden nog met kacheltjes.

Wij kwamen er wonen. Eerst mijn ouders met één klein baby’tje van enkele maanden oud. Er kwam er nog eentje bij en daarna kwam ik. Mijn ouders werkten in het huis. Er kwam verwarming, er kwam elektriciteit. Papa verbouwde een hele zomer de zolder en maakte er kamers voor mijn broers. Hij vertrok pas op vakantie toen het geregend had en hij zag dat het binnen droog bleef. Er werd geverfd en behangen. We verhuisden ooit alle meubels naar de poort en bouwden daar de living weer op zodat er opnieuw geverfd kon worden. “Ik heb eens een schoon werkske voor u”, had mama gezegd dus papa ging aan’t verven.

Ik heb in dit huis gewoond met mijn ouders en mijn broers. Ik heb er gewoond met één broer minder en daarna als enig kind toen de jongens allebei in Leuven studeerden. Ik heb er gewoond met mama en mijn oudste broer. En daarna met mama alleen. Ik heb er drie jaar niet gewoond. “Straks ga ik naar huis”, zei ik als Wout en ik vertrokken in Antwerpen. “Kom, we gaan naar huis”, zei ik opnieuw, als we weer terug reden. Toen had ik twee (t)huizen. Voor ’t gemak zijn die nu weer samengesmolten in datzelfde oude huis.

Ik ken hier alle geluiden. Jaren hebben mijn oren getraind om elk geluidje te kunnen plaatsen. Als de luiken klapperen, dan waait het hard. Als de ramen aan de achtergevel nat zijn, dan slagregent het. Je hoort de druppels – tik tik tik – als je in de badkamer staat.  De vloer kraakt als je aan onze slaapkamer passeert – ik kan als enige huidige inwoner de kraak vermijden. Er zijn 22 trappen om naar de eerste verdieping te gaan. Ik neem ze per twee en tel in mijn hoofd – twee, vier, zes, acht, … Ik weet precies wie er de trap opkomt. Ik kan het van op elke kamer in het huis horen als de voordeur opengaat. Mijn oren zijn al deze geluiden gewoon – I know ‘em like the back of my own hand.

In dit huis wonen nu twee kleine jongetjes. Eentje heeft een set oortjes precies zoals de mijne. Ze horen alles. Hij woont hier nog niet zo lang als ik. Hij probeert alle geluiden te achterhalen. “Ik hoor het soms in mijn bed als jij de verwarming aanzet”, zegt ie. Ik word terug gekatapulteerd naar vroeger: ik in mijn bed en het suizen van de warme lucht door de buizen van de chauffage.

“Wat is dat, mama?” – vraagt ie als ik hem in bed stop. Ik spits mijn oren. “Dat is ons huis, lieve schat”. Hij luistert nog eens. “Ja, ik hoor het”, zegt ie en hij legt z’n hoofdje neer.

Processed with VSCO with c1 preset

Home and away

Afgelopen weekend gingen we met ons viertjes naar Den Haag. Ik wilde al lang eens naar het Kinderboekenmuseum en na de voorbije weken waren we wel toe aan even weg zijn. Wout heeft veel talenten en fantastische locaties vinden om te logeren is er daar één van. Ook dit keer was het weer een huis om in te verdwalen.

 

Ik stap uit de auto en speur met mijn ogen de gevel af. Ik probeer de foto’s die ik al eerder zag tetrisgewijs juist achter de muur te plaatsen. Het lukt me nog niet helemaal. Bij het binnenkomen word ik al helemaal warm van de kapstok op kindermaat in de gang. Er hangt nog een lege turnzak aan – een hele mooie.

Ik dwaal rond en probeer het huis en zijn bewoners in elkaar te puzzelen. Kleine aanwijzingen vertellen me meer over de mensen die hier wonen. Ik trek de grote lades in de keuken allemaal open en benoem in mijn hoofd wat ik zie: een tajine, grote stenen kommen met zuiderse kleuren, veel houten snijplanken. Ik open de grote potten met gedroogde kruiden en ruik eraan: kardemom, kurkuma, kaneel en vele soorten thee. Ik vermoed dat minstens één van de inwoners van dit huis Marokkaanse roots heeft. Ik speur verder naar aanwijzingen in die richting. Aha! Er is geen kurkentrekker te vinden – misschien woont hier een moslim.

Wanneer ik de knuffels van mijn zonen in de bedjes op de kinderkamers leg, zet ik me even neer op het grootste kinderbed. Ik lees de titels op de covers van de prentenboeken en ik herken meteen enkele van onze eigen favorieten. Ik voel me ogenblikkelijk verbonden met de inwoners van dit mooie huis. Die verbondenheid vind ik nog terug in de keuzes die zij maken die lijken op die van ons: ecologisch afwasmiddel, een Bugaboo als kinderwagen, drinkbussen van Klean Kanteen, duurzaam houten speelgoed. Het voelt alsof ik de inhoud van mijn eigen kasten aantref in iemand anders z’n huis.

Terwijl ik verder de trap opklim naar de derde verdieping, vraag ik me af waarom dit gezin zo’n prachtig huis achterlaat. Misschien werkt één van de ouders wel tijdelijk in het buitenland? Misschien maken ze een verre reis met hun kinderen? Misschien wonen ze een stuk van het jaar in een ander land? Ik ga op zoek naar aanwijzingen die me vertellen hoe lang ze al weg zouden zijn. Te lang kan niet – er ligt nog een verdwaald paar rode kinderlaarsjes in de tuin. Maar toch ook al lang genoeg want de klok op de kinderkamer staat nog op zomeruur.

“Hoe zouden ze heten?”, vraag ik Wout. Ik vertel hem over mijn vermoeden dat er zeker meer dan één kind moet zijn gezien het aantal bedden. Hoeveel het er precies zijn – vraag ik. En hoe oud zouden ze dan zijn? Als bij toeval blijf ik ’s avonds wat langer kijken naar de kaders aan de muur. Ik merk op dat er ook een ingekaderd geboortekaartje bijhangt. “Molz en Halima” staat er – broer en zus van Nour”. Oh, het zijn er drie! Het kaartje vertelt me ook wat ik al wist: één van de bewoners heeft inderdaad geen Nederlandse naam. Ik lees hun namen hardop voor aan Wout. “Volgens mij ligt Kasper in het bedje van Nour”, zeg ik. Hij vindt het ook bijzonder, die andere namen die wij niet vaak horen.

We hebben het leuk met ons vier. Zoals gewoonlijk is er minstens één kind dat het ’s nachts moeilijk heeft met slapen op verplaatsing. Maar we verliezen ons humeur niet (of we vinden het terug) en maken er leuke dagen van samen. We wandelen door Den Haag, we eten pizza op restaurant, we vullen een zakje met snoepjes en nemen er eentje uit telkens wanneer we op de tram wachten.

Ik wijs alles aan in het huis wat ik mooi vind en ook wel zou willen: de witte vloeren, de mooie leeszetel, de aarden potten, de mooie kasten, de inloopdouche en het grote bad. Onze jongens vinden het de max en willen er elke avond zo lang mogelijk in blijven zitten. Toch krijgt de oudste ons eigen huis niet uit zijn hoofd. Hij mist zijn eigen bed en de ijsbeer die er nog in ligt. Ik vertel hem dat ik ook graag in mijn eigen bed slaap maar dat ik het leuk vind om samen nieuwe dingen te ontdekken.

De tijd gaat in Den Haag wel honderd keer sneller dan in het UZ Leuven. Ik knipper met mijn ogen en we zitten alweer in de auto op weg naar huis. Bedankt Molz, Halima, Nour, Esther en Ahmed – we waren thuis in jullie huis.
Kasper zegt dat hij blij is weer naar zijn eigen huisje te gaan. Ik vertel Wout dat het me wel raakt: zou hij het niet leuk vinden als we op vakantie gaan? Maar uiteindelijk houdt het kind me (alweer) een spiegel voor: ook ik ben honkvast. Ik heb ook een zetje nodig om onbekende dingen te doen. Achteraf zie ik gelukkig vaak in dat het me iets opgebracht heeft: ademruimte, frisse goesting, een verruimde blik.

Thuis stop ik Kas in bed. “In mijn eigen bedje, dat vind ik leuk”, zegt ie. Ik kus hem op zijn kruin. Ik ben al bij de deur als hij me terug roept voor nog een kus. “Wanneer gaan we nog eens met de tram rijden, mama? Vandaag of morgen?”.

Ziektebeelden

Eli werd de voorbije dagen opgenomen in het ziekenhuis. Ik vind het nog moeilijk om erover te schrijven. Té emotioneel – dat is nog te kortbij. Té ‘matter of fact’ doet afbreuk aan alles wat ik erbij voel. Maar schrijven helpt, dus hier enkele flitsen uit mijn hoofd.

***

Terwijl je ligt te slapen, zit ik aan de deur van je ziekenhuiskamer een boek vast te houden. Ik luister naar de biep-biep-biep van de monitor die aangeeft dat je hart klopt. Als je huilt dan biep-biep-biept het ding harder en gaan er allerlei alarmen af. Ik sluip de kamer in en leg me in het zetelbed aan het raam. Ik denk aan hoe snel het plots allemaal ging. Ik moet haast droevig lachen om de versie van mezelf zo’n 12 uur geleden die dacht dat bloed trekken vast het ergste zou zijn wat er zou gebeuren. Daarna volgden nog de longscan, de baxters, de ruggenprik. Ik sluit mijn ogen en probeer het weg te duwen. Ik hoor je diep ademen en toch voel ik dat je onrustig slaapt. Je schrikt regelmatig wakker en tilt je hoofd moeizaam op. Als je me ziet liggen in de zetel naast je, leg je traag je hoofd weer neer op je beer.

***

Je drinkt een beetje van je flesje. Je zwaait ‘daa-haag’ met je handje naar de verpleegster – omdat ik het vraag. Ik probeer je te laten stappen en je wil je voetjes zelfs niet neerzetten. Je eet een beetje vis – kieskeurig wijs je de stukjes aan die ik op je vork mag prikken. Ik juich om elke hap en denk dat we nu wel door het ergste heen moeten zijn.

 

***

Ik ga achter je stoel staan en roep je naam – Eli – Eli – Eli-as. Je draait je romp omdat het niet meer lukt om je hoofd te draaien. “We brengen jullie zo meteen met de ambulance naar een ander ziekenhuis. Daar zullen ze jullie beter kunnen helpen.” In de ambulance hang je als een lappenpop tegen me aan. Je wilt tegelijk naar mij kijken en voor je uit kunnen kijken. Ik probeer rust voor je uit te stralen. Ik zoek de frequentie van mijn stem die ik reserveer voor jou en je broer. “Nu zitten we in een speciale auto”, zeg ik – en “zie je de lichtjes?”. In mijn hoofd groeit het ontwijkende antwoord op die grote vraag (hij gaat toch wel gewoon genezen he?) uit tot een gruwelijk scenario. “Wa-te” zeg je en je wijst naar je flesje. Ik mag je niets geven en het breekt mijn hart in stukken. “Zie je de lichtjes, Eli?”, probeer ik nog eens.

***

Terwijl je ligt te slapen, zit ik aan de deur van je ziekenhuiskamer een boek vast te houden. De monitor is weg. Het grote gevaar ook. Ik probeer de voorbije dagen te voelen. De angst, de onzekerheid, het ongeduld, de woede ook, de onmacht, de reddeloosheid, de verveling, de eenzaamheid, de vermoeidheid. Ik zet de rest aan de andere kant van de lijn: de warmte, de dankbaarheid, het geduld, de chance, het instinct, de vriendschap, de hulp, de Liefde. Je huilt en ik til je uit je bedje. “Awel, wat was dat allemaal?”, vraag ik. En jij weet het ook niet.

Processed with VSCO with c1 preset

 

Nieuwjaarswens

Het is oudjaar en we wandelen in het schemerdonker. Ik stel voor nog even langs opa te gaan. “Is het niet te ver?”, vraag ik nog, “het is al bijna donker.” “Opa is niet ver” zegt Kasper en hij heeft gelijk.
Als we weer thuis komen beginnen we aan ons mini-oudjaar met hen. We stoppen onderweg bij de afhaalchinees waar ik zoveel jaren gewerkt heb voor een portie mini-loempia’s. Die gaan er aan sneltempo door terwijl we wat hapjes in de oven flikkeren. Wij slurpen wat oesters binnen en nippen van een glas champagne. Op de radio speelt de Tijdloze.

De kindjes spelen terwijl ze hapjes eten en veel specialer hoeft het voor hen al niet te worden. Ze lachen tot ze er de hik van krijgen en ik krijg maar niet genoeg van dat geluid. Daarna steken we hen in bed rond 8 uur – zoals gewoonlijk. We lezen twee boekjes, poetsen tandjes, geven drie berenknuffels, 1 grote kus en 1 kleine – ook zoals gewoonlijk.
Terwijl Wout onze bestelde sushi gaat halen, dek ik de tafel. Twee borden, twee glazen en bestek. Ik dim het licht en steek wat kaarsjes aan. “Zijn wij niet de saaiste ouders ooit?” sms ik naar Wout. Hij antwoordt me wat ik al weet: dat het opgeklopt is, dat wij het zo het leukste vinden – gewoon rustig samen zijn. Het gevoel sluimert nog een uurtje en ik probeer er geen aandacht aan te geven. Ik weet dat het dan het snelste voorbij gaat.

En inderdaad, nadat we met ons tweetjes gegeten hebben terwijl er muziek speelt die ik nog eens zelf mocht kiezen (dat gebeurt eigenlijk ook al niet zo dikwijls, merk ik nog op), is het gevoel weer gaan liggen. Ik voel me weer goed zoals ik ben, zoals wij het doen – het leven, het moederen en vaderen. We kijken samen  naar het jaaroverzicht en zoals gewoonlijk word ik er vooral verdrietig van: zoveel ellende en vuiligheid. We lezen nog en wensen elkaar om 12 uur een erg gelukkig nieuwjaar. “Dat we ook dit jaar samen mogen zijn”, wens ik luidop.

We kruipen ons bed in rond het moment dat het vroeger voor mij pas écht begon. Mijn huis is gevuld met slapende jongens. Ik streel ze alle drie nog eens over hun bolleke voor ik mijn ogen sluit.

’s Morgens speelt de radio tijdens het ontbijt. Radio 2 smijt er nog wat klassiekers tegenaan. Bij “Thriller” draai ik de volumeknop wat luider. Onze twee kinderen steken hun armen in de lucht. Het is ons dagelijks ritueel: ieder pakt een kind en we dansen door de living. Ze krijgen samen weer de slappe lach en wij kijken elkaar aan en denken hetzelfde. Dat we geluk hebben, dat we rijk zijn, dat ze fantastisch zijn en hoe heerlijk heerlijk het is dat wij elke dag bij hen kunnen zijn, dat ze helemaal van ons zijn – voor altijd.

Ons nieuwe jaar begon gelukkig.
Ik wens jullie allen hetzelfde.

_77A6456