Ja.

Hij duwt me het bruine papieren zakje in mijn handen. Het lag al weken klaar op zijn bureautje maar ik moest telkens mijn ogen toeknijpen wanneer ik passeerde.
“NIET KIJKEN!”, riep hij vaak al wanneer hij me nog maar hoorde aankomen.

Ik ben aan het koken en het is net die fase waarin alles tegelijk moet. De groenten moeten uit de oven, de pan moet van het vuur en ik moet de sla nog kruiden. Ik wil net beginnen zeggen dat ik er straks naar zal kijken, maar ik voel hoe hij naar dit moment heeft toegeleefd. Ik hurk bij hem neer.
Neen, zeg ik, opnieuw – ik wil zo graag zien wat er in dat zakje zit!

Eén voor één haal ik ze eruit. Zestien tekeningen, allemaal mooi ingekleurd en perfect op de lijntjes uitgeknipt. Herfstblaadjes, een huis, een race-auto, een boom, een leeuw, een vlinder, een bloem, nog een herfstblad, een kip, een meisje, een jongen, een appel. Ik leg ze allemaal voor mij op de grond. Op élke tekening staat aan de achterkant zijn naam en “MAMA”. De race-auto was klein, maar het lukte hem net om onze twee namen erop te krijgen.

Hij telt ze nog eens na. “Het zijn er zestien”, zegt hij.
Ik kijk hem lang aan en wacht tot hij opkijkt. “Wat heb jij hier ontzettend hard aan gewerkt. Ik had dat wel gezien natuurlijk – alle niet echt, want mijn ogen waren dicht, maar ik merkte het toch. Overal schreef je mijn naam én de jouwe. Ik heb het gevoel, lieve man, dat jij veel aan mij denkt wanneer je op school bent.”

Hij knikt. Ik zeg dat dat me zo blij maakt en dat ik ook veel aan hem denk. Dat ik me dan afvraag wat hij doet en of hij de koekjes in zijn doosje lekker vindt. Dat ik hoop dat hij lacht en leert en hard over de speelplaats rent zoals hij dat zo goed kan. Ik zeg hem dat ik de tekeningen voorzichtig terug in het zakje steek zodat ik eens goed kan nadenken waar ik ze ga bewaren.

Wanneer ze ’s avonds in hun bed liggen, dan overvalt me de laatste tijd wel eens een soort van zwaarmoedigheid. Er zit soms wat sleur in dat opvoeden en verzorgen omdat zoveel dingen die me er normaal even ‘uit’ halen al een jaar verboden zijn. Het maakt dat het wat meer op automatische piloot is. Ik doe het, maar ik ‘ben’ er niet altijd zoals dat vroeger wel was. Ik kan mezelf voor de kop slaan. Doe ik het wel goed – denk ik? Ben ik wel goed bezig? Help ik hen hier juist doorheen?

Mijn oog valt op het bruine zakje.
En ik zie dat hij ‘ja’ antwoordt.
Zestien keer.

Over (niet) rennen.

Het is lesvrije week op onze hogeschool.

De studenten hebben een welverdiende pauzeweek na een lange examenperiode.
Intussen verbeter ik, bereid ik semester twee zo goed mogelijk voor, lees ik nieuwe bronnen, update ik mijn lesmateriaal, spreek ik filmpjes in, …

Ik nip eens van mijn warme koffie en zie hoe de zon valt op de hardlopers die papa ooit schilderde.
Ik ben al een hele tijd aan het lopen – denk ik bij mezelf.
En jij misschien ook wel.

Sinds dit jaar heb ik het schilderij een nieuwe functie gegeven. Het is nu papa’s manier om me te laten weten dat ik voldoende moet stilstaan.


Stoppen met rennen.
Eens in’t publiek gaan zitten.

En dat doe ik dus.

Flarden

“Mama, waar ligt dat witte papiertje waar ik zo een groen rondje op had getekend?”
Ik kijk hem aan – mijn handen worden al een beetje klammig. Ik weet bijna zeker dat ik het heb weggegooid. Ik moet wel. Ons huis raakt bedolven onder knutselwerkjes, papiertjes met rondjes op, papiertjes met één snipper uitgeknipt. Sommige blaadjes hebben duidelijk een bestemming en die laat ik ongemoeid. Anders zijn gewoon een stuk papier met een gat in en die gooi ik dus soms weg. “Euh, ik denk dat ik dat weggedaan heb.”
Hij kijkt me boos aan. “Maar ik had dat nog no-dig!”
Ik verontschuldig me en we zoeken samen een doos waar hij alles in kan leggen wat hij liever niet weggegooid ziet. Ik schud meewarig het hoofd. Niets ontgaat hem. Hij onthoudt alles. Uit het niets diept hij herinneringen op aan zijn verjaardag drie jaar geleden toen hij twee jaar werd. Hij weet welke taart we aten en dat er een stukje op het tafeltje viel toen ik het in zijn mond wilde stoppen. Ik vraag me af wat hij van deze gekke periode zal onthouden.

Luid schreeuwend staat hij zonder zijn jasje op straat. Hij is ontzettend boos. Ra-zend. Alle opgespaarde frustratie van een lange dag gulpen in één keer uit zijn lijfje. Ik hurk naast hem neer. “Het lijkt me dat je het lastig hebt. Zal ik jou even oppakken?” Hij schreeuwt me toe dat ik dat niet mag zeggen. Hij is niét boos. Hij wil zelf stappen. Maar hij blijft staan. In de vrieskoude. Hij schreeuwt tot zijn hoofd knalrood is. Ik houd hem vast en ik draag hem. Ik drapeer mijn wollen sjaal om hem heen en hij slaat hem woedend weer van zich af. Ik beeld me in dat ik een container ben zonder bodem zodat hij alle zijn frustratie in mij kan storten. Het glijdt van me af. Ik blijf hem af en toe zacht toespreken: “Lastig he. Je stampt op de grond en je balt je vuisten. Ik denk dat je je boos voelt.” Na twintig minuten is het voorbij. Hij kruipt tegen me aan in de zetel.

Ik kijk mezelf aan in de badkamerspiegel. Het elektrisch vuurtje blaast warmte op mijn kuiten. Het gezoem zoemt rust mijn hoofd in. Mijn ogen staan wat dof. Het lichtje is even weg. Geen rampen – ik ken mezelf intussen goed en ik weet ook wat me te doen staat. (Het dan effectief doen, is vaak nog iets anders). Ik geef woorden in mijn hoofd aan mijn gevoel. Ik probeer de oorzaak te achterhalen. Het startpunt terug te zoeken. Dan besef ik dat het er niet toe doet. Ik hoef mijn gevoel niet te verantwoorden. Het is er – ik laat het er zijn. Als een golf trekt het zich ook weer terug.

We zitten met ons vier rond de tafel. Het Monopolyspel staat opgezet. Bij elke beurt klimt de jongste op de tafel om zijn figuurtje te verzetten. Hij trekt elke keer het bord scheef en alles verschuift – tot grote frustratie van zijn broer. Toch kan het de pret niet bederven. Ze voelen als vanzelf dat hun beide ouders helemaal betrokken zijn en meespelen. De radio speelt de laatste nummers van de Tijdloze. De hapjes staan in de oven. Straks vieren we Oudjaar en ze mogen lang opblijven. Hun wangen gloeien zoals de kaarsen op tafel.

Ik slenter door de straten. In mijn oren de honderdduizendste podcast van dit jaar. In maart bracht het nog rust en soelaas, dat wandelen. Nu doe ik het soms op automatische piloot. Ik weet dat het me helpt wanneer het voorbij is, maar de start is lastig. Ik ben zeker vijf keer de aarde rondgestapt enkel en alleen door de straten van mijn eigen woonplaats. Ik speur de grond af – ik weet haast zeker dat ik stilaan een patroon uitgesleten heb in de stoepstenen, zoveel passeerde ik hier al. Ik heb het hier zo mee ge-had, denk ik. En ik stap nog even verder.

En zo loopt het leven hier al maanden. Kleine flarden – als pareltjes. Soms zijn ze kleurrijk, een andere keer grijs of zelfs zwart. Ik rijg ze haast gedachteloos aan elkaar. Op momenten zoals nu is het nodig dat ik het hele snoer bekijk. Om te blijven zien dat ik er ook regelmatig een gekleurd exemplaar opsteek. Het helpt. Maar ik wens toch vooral dat ik er bijna een knoopje in mag leggen.


De ketting is lang genoeg.
Ik zou hem nu zo graag losmaken.

Het donker

Ik zet een Jazzy Christmas playlist op. Daarna steek ik de derde adventskaars aan. Niet dat we gelovig zijn, maar alles wat licht brengt in deze tijden daar doen we aan mee. Onze kinderen kennen het van op school en juichen bij elke extra kaars die aan mag.

Terwijl we eten vertel ik over een herinnering die al jarenlang haarscherp in mijn geheugen zit. Het is een flits, een momentopname die ik nooit vergeten ben.
Ik wandel over een rode loper die uitgerold is over een winkelstraat met kasseitjes. Aan elke winkel staan van die grote fakkelkaarsen – op stokken of in ronde potten. Mijn ouders lopen voor me. Mijn papa draagt zijn dikke, bruine zware winterjas. Mijn mama heeft een vilten hoedje aan. Ze heeft haar arm door die van mijn papa gehaakt. Ik huppel achter hen aan. Uit van die mini-luidsprekers klinkt op de hoek van elke straat kerstmuziek. Ik ben een jaar of acht denk ik en ik ben blij blij blij.

Opeens raakt het me toch allemaal weer erg. De voorbije weken heb ik me kranig gehouden. Alles rationeel bekeken. Natuurlijk is het logisch, beter, gezonder en verantwoord om allemaal apart kerstavond te vieren. Ieder in zijn eigen gezin. We gaan er samen iets leuks van maken – zeiden we vol goede moed.

Ja, ik kan zelf mini-loempia’s in een friteuse gooien.
Ja, we kunnen cadeautjes kopen voor elkaar.
Ja, we kunnen ons ook met ons vieren een indigestie eten.
Ja, ik zou alleen naar Home Alone kunnen kijken.
Ja, ik kan me schoon opkleden zo ergens rond half vijf.
Ja, ik kan me een klein beetje dronken voelen rond een uur of zeven.

Dat lukt me allemaal. Daar twijfel ik geen seconde aan.
Ik zal het doen ook, binnen een week of twee.

Maar daar gaat het niet om.
Het gaat om mijn broers die daarbij zijn – al elk jaar van mijn leven.
Het gaat om mijn schoonzussen die net zoals ik een beetje tipsy zijn – zo rond de klok van zeven.
Het gaat om mijn nichtjes en neefje die veel te veel lawaai maken en elke tien seconden komen vragen wanneer we aan de pakjes gaan beginnen.
Het gaat om mij overeten aan wat mijn mama klaarmaakt, niet aan mijn eigen eten.
Het gaat om te luid naar muziek luisteren die mijn stiefvader opzet met de Ipad – waarna hij als een blok in slaap valt nog voor we aan het dessert begonnen zijn.

Het zal de eerste keer zijn dat ik kerstavond vier zonder mijn geliefden.
Ik heb denk ik even wat extra kaarsen nodig tegen het donker.

Het licht

Donderdag viel er een klein blaadje in de bus. De pastoor van de plek waar ik woon schreef een tekstje voor elke zondag van de advent. Om voor te lezen thuis. Die eerste zondag van de advent is vandaag.

Gelovig ben ik niet, maar ik ging heel mijn lagereschoolperiode naar een katholieke school. De start van de advent katapulteert me nog altijd onmiddellijk terug naar die basisschool.

Ik herinner me hoe het kleine tafeltje met het witte tafellaken in de hal gezet werd, ergens eind november. De groene adventskrans ging erop en in die krans stonden vier dikke rode kaarsen. Het aansteken van de kaarsen was een privilege van de leerlingen van het zesde leerjaar.
’s Morgens stak iemand van het zesde de kaars aan en bleef ernaast staan tot iedereen het schoolgebouw binnen was. De ‘grote’ sprak niet maar keek ons allemaal aan. En ik droomde van de tijd waarin ik de kaarsen zou mogen aansteken.

Ik herinner me het wachten. Het eindeloze wachten. Het leek eeuwen te duren voor de tweede kaars aangestoken werd. En dan moest je nog eens precies zolang wachten op kaars drie en vier. Maar wachten leek toen nog makkelijker dan nu. Wachten hoorde erbij: ik moest wachten tot er op woensdag een nieuwe aflevering van Samson kwam, ik moest eerst de vieze cornflakes opeten vooraleer er een nieuwe doos open mocht, de Sint kwam pas op 6 december en geen dag vroeger. En ook de volgende kaars ging pas aan wanneer er zeven dagen gepasseerd waren.

Ik herinner me de verhalen over het licht en waarom we het aanstaken. Waarom de eeuwig-groene spar de boom van het kerstfeest was. Waarom Kerstmis niet toevallig op de kortste dag van het jaar valt: met de geboorte van Jezus ging het licht stilletjes weer komen. Een verhaal dat de christenen handig gestolen hebben van eerdere geloven die op dat moment de terugkeer van de zon vierden. Ik houd van die verhalen, van de gebruiken, van het licht en de boom.

Ik herinner me de nachtmis waar we heen gingen. Kerstavond is de huwelijksverjaardag van mijn ouders. Het boeket dat papa traditioneel voor mama kocht stond op de kersttafel te blinken. We vierden kerstavond met mijn grootouders. Er waren pakjes en veel eten. Om middernacht gingen we naar de kerk. Voor ons niet zozeer om Jezus te vieren, maar om de gezelligheid, het samenkomen met onze dorpsgenoten aan het stalletje buiten, voor de slappe lach tijdens de mis en mama’s bijhorende strenge blikken, voor het plastieken bekertje met Glühwein of warme chocomelk dat door je handschoenen heen je vingers verschroeide.

Als we nu door onze straten wandelen tijdens sterrenwandelingen net voor het slapengaan, dan zien we overal lichtjes. Er staan al wekenlang kerstbomen opgetuigd in de woonkamers waar we binnenkijken, er hangen lichtjes in de bomen van de voortuinen die we passeren, kerstmannen klimmen al naar boven aan de ramen sinds half november. Wij spanden een meterslang lichtsnoer boven onze poort tot groot plezier van onze kinderen.

Ik voel meer dan ooit die traditie van het licht die al eeuwenlang moet helpen om de donkerte door te komen. Nu alle ruis rond ons verdwijnt, nu het zoveel moeilijker is om afleiding te zoeken in de dingen om ons heen en nu dat soms ook meebrengt dat die donkerte als een gordijn over je heen valt – nu, nu is het eens te meer belangrijk dat we het licht ontsteken.

Dus trek ik de kast open – op zoek naar vier dikke rode kaarsen.
En dit keer ben ik het die ze aansteekt.

Het licht (en het donker)

Terwijl ik de kleren in de wasmanden sorteer, kijk ik door het raam.
Het wordt zo vroeg donker buiten en ook nu zie ik de avond al snel vallen.

Grenzend aan onze achtertuin liggen de huizen die al heel mijn leven het uitzicht uit mijn slaapkamerraam vormen. Ik ken de bomen, de struiken, de stenen in de muur. Ik weet blindelings de lantaarnpaal staan en de lichtjes langs het tuinpad van de buren. Daar in één van die huizen was het licht altijd aan. In de glazen veranda aan de achterkant van het huis brandde het licht – altijd.

Ik keek naar dat licht toen ik als zevenjarige op de vensterbank van mijn slaapkamerraam leunde. Ik probeerde zo indringend mogelijk naar de garage van onze buren te kijken in de hoop dat het gezin zo sneller weer thuis zou komen en ik bij de dochter des huizes met honderd Polly Pockets kon gaan spelen. Ik kon er lang zitten met een boek op mijn schoot. Na elke bladzijde gauw even opkijken of ze er al waren. En in de glazen veranda aan de achterkant van het huis brandde het licht – altijd.

Ik keek naar dat licht toen ik als zeventienjarige op de vensterbank van mijn slaapkamerraam zat. Ik paste er nog net op en liet mijn hoofd rusten tegen het koude raam. Het was donker. Ik had plots afscheid moeten nemen van mijn papa en slapen ging niet altijd goed. Ik kroop achter het gordijn en keek vanop de vensterbank naar buiten. En in de glazen veranda aan de achterkant van het huis brandde het licht – altijd.

Ik keek naar dat licht toen ik als jonge moeder in het holst van de nacht met mijn baby op de arm door de kamer wandelde. Het was winter en ik had het koud en ik wou gewoon slapen. Maar het kindje was wakker en huilde dus ik stapte voor het raam van links naar rechts. Er is vast niemand anders wakker – dacht ik – en ik trok de gordijnen een beetje open. En in de glazen veranda aan de achterkant van het huis brandde het licht – altijd.

Afgelopen week ging het licht uit in het huis. Voor de eerste keer bleef het donker ’s avonds. We namen afscheid van onze achterbuurvrouw, van de zachte oma waar ik als kind vaak mee binnen mocht vallen. Wat voelt het gek als iemand die er altijd was er plots niet meer is.

Terwijl ik de kleren in de wasmanden sorteer, kijk ik door het raam.
Het wordt zo snel donker en het licht brandt niet meer. Ik zucht eens en denk aan haar. Ik geef mezelf wat tijd om te wennen aan het donker.

Wisselvallig

De dag zwalpt van links naar rechts.

Het begon thans goed vanmorgen. Ik werd wakker en zag op de wekker dat het al acht uur was. Iedereen met jonge kinderen weet dat dat als uitslapen geldt. Dat gaat hier een goede dag worden, dacht ik.

Een uur later zat ik op de grond naast mijn printer te vloeken. Het ding was al een halve voormiddag bezig om tien bladzijden af te drukken. Daarop was mijn computer vastgelopen en in mijn hoofd vloekte ik de hele nest bij elkaar. Technologie die om onduidelijke redenen niet doet wat het zou moeten doen – er zijn weinig dingen die me kwader krijgen dan dat.

Ik herpakte me. Ik proefde van de pompoensoep die de jongens maakten. Ik knutselde met Fun Maïs (al vind ik die textuur echt vréselijk om aan te raken en is knutselen echt mijn minst favoriete kinderactiviteit), ik luisterde naar een podcast en ik maakte fruitpap met de oudste. Uiteraard wou niemand van de fruitpap eten want er zaten minuscule dingen in die niet met het blote oog waar te nemen zijn, maar die natuurlijk wel nogal doorsmaakten in het geheel. Fruitpap dus voor 3/4de de vuilbak in. Uren in de keuken staan klooien en dan niemand die het opeet – er zijn weinig dingen die me kwader krijgen dan dat.

Ik herpakte me. We laadden de kinderen en al hun rommel de auto in. We wandelden door het bos en het ging weer een pak beter met mijn humeur. Ah – frisse lucht! Ah – herfstkleuren! Maar na tien minuten was de pret alweer voorbij. Een gigantische plensbui – iedereen zeiknat. De oudste die riep dat hij zijn les wel geleerd had en dat hij vanaf heden NOOIT MEER buiten zou komen. In de auto veel geroep, gejammer, geplaag en gehuil. Ondraaglijk lawaai in de auto – er zijn weinig dingen die me kwader krijgen dan dat.

Maar ik herpakte me. We deden allemaal droge kleren aan. Ik plantte mijn jongste in de buggy voor nog een klein tourke. Zo waren ze even uit elkaars buurt. He he – even rust met zo maar één kindeke. Hij wees overal alle lichtjes aan die hij zag. Dat beurde op. Ik zag het weer helemaal zitten. En toen – uiteraard – begon het weer keihard te regenen. “Oh shit, zeg, dit is echt niet leuk”, zei het kindje in de buggy. Geen idéé waar hij zulke woorden hoort. De rest van de wandeling was een afwisseling van vloeken, zeuren en wijzen naar lichtjes, eenden en schone blaadjes.

Het leek wel of ik mijn eigen wisselvallige humeur door het dorp aan het buggy’en was.

Vijftien jaar

Vijftien jaar geleden zag de wereld er plots helemaal anders uit. Mijn lieve papa zijn hart was in het holst van de nacht gestopt met kloppen.

TOEN

Ik vind het nog altijd erg moeilijk om over die nacht te spreken. ’t Is te zeggen. Het lukt me om erover te spreken als was ik een toeschouwer. Ik beschrijf wat ik zie – ik ben een camera – ik observeer. Veel moeilijker is het om terug acteur te zijn in dat schouwspel. Om toe te laten wat ik voelde toen ik zag hoe papa stierf. De onmacht, de hoop, de waanzin, het ongeloof, het allesoverspoelende verdriet, het schuldgevoel. Nog steeds is het lastig om dat stukje van mijn hart open te zetten. Ik laat het vooral dicht. Het is nog altijd zo pijnlijk.

Als ik denk aan vijftien jaar geleden dan zie ik mijn beste vriendin die uit de auto van haar mama gevallen komt. Ze spurt me tegemoet en slaat haar armen om me heen. Het is vijf uur ’s nachts. “Als je me nu niet brengt, dan fiets ik”, had ze thuis gezegd en haar mama was opgestaan. Ze wandelde met mij door onze gemeente. De zon kwam op en we gingen in mijn bed liggen. Ik staarde naar het plafond. Ze bleef. Dagenlang bleef ze. Soms ging ze even weg – omdat ze ook wat adem nodig had om voor mij te kunnen blijven zorgen. Maar ze kwam altijd terug. Als ik terugdenk aan vijftien jaar geleden, dan zie ik haar.

Als ik denk aan vijftien jaar geleden dan zie ik hoe ons huis dagenlang volloopt. Iedereen die er enigszins toe doet, komt langs. Ze brengen eten mee. Ze slurpen koffie – sloten koffie. We praten, we huilen, we zeggen niks.

Als ik denk aan vijftien jaar geleden dan voel ik naast verdriet heel veel warmte. Die periode na dat verlies was tegelijk heel koud en heel warm. Door die koffie, door die mensen, door dat volk, door anderen die onze was ophingen, door de saus die we aten die we niet zelf hadden gemaakt. Door ons huis dat tegelijk nooit eerder zo vol en zo leeg was. Ik denk in deze rare tijden zo vaak aan hoe vreselijk het is om nu iemand dierbaar te verliezen en dat zo alleen te moeten doen.

NU

“Wat zou hij tegen je zeggen, als hij je nu zou zien?”, vraagt ze. Ik schiet meteen vol. Papa weer voorstellen als een levend mens vind ik lastig. Er kleeft veel verdriet aan. Probeer het maar, knikt ze me toe. Ik antwoord dat ik denk dat hij zou zeggen dat hij fier is. Dat hij het leuk vindt dat ik met Raf afsprak en er zoveel aan had. Er schieten wel honderd dingen door mijn hoofd die hij zou kunnen zeggen. Ik zucht. Hij zou me vertellen dat het goed is – zeg ik.
“En wat zou jij zeggen?” vraagt ze dan. Ik kom niet veel verder dan – godverdomme.

We staan samen aan zijn graf – ik en de jongens. Opeens trilt zijn lipje. “Maar ik heb hem nooit eens mogen zien en dat vind ik zo verdrietig,”. Ik erken zijn verdriet. Wat lastig, dat jij je opa nooit eens in het echt kon zien. “Jij mocht hem wel zien en ik niet en dat is niet eerlijk,” vult hij nog aan. Ik vertel hem dat verdriet zich niet laat meten. Dat ik hem langer mocht zien dan hij, maar toch vooral nog veel te kort. “Ik weet niet eens hoe groot hij was”. Hij kijkt me aan. Er loopt een traan over zijn rechterwang.

“Groots”, zeg ik.

Papa

Je bent er al vijftien jaar niet meer.
Ik mis je elke dag.

Godverdomme.

Hier brandt de lamp

Vandaag is het tien jaar geleden dat mijn grootvader stierf.

Hij had geen radio in zijn rode Renault. Waarom wel – er komt alleen van die Engelse tjingeltjangelmuziek uit.
Hij zei ‘vooruit-achteruit’ als hij de oprit afreed. Hij zei ‘hier brandt de lamp’ als hij de oprit later weer op reed.
Hij reed exact zoveel als wettelijk toegelaten was. 50 was 50, 70 was 70 en 30 was soms zelfs 25. Als oud-rijkswachter was het zijn plicht om het goede voorbeeld te geven. Nog voor ik mijn auto had gestart, gebaarde hij al dat ik mijn gordel moest vastklikken.

Hij las de krant met een bril met dikke confituurpotglazen. Soms nam ik de bril en zette ik hem even op. Ik werd er instant mottig van. Met fluostift markeerde hij de dingen die één van ons zeker moest lezen. Veelal was het iets juridisch voor mijn oudste broer of een prof waar hij les van had gehad die werd geïnterviewd. Hij knipte ooit een foto van Stijn uit en zei dat ‘ozze kozijn’ in de krant stond.

Met een balpen zette hij kruisjes in de televisiegids bij de programma’s die hij zou kijken. Het nieuws op ‘den een’, op ‘den twee’ en daarna ‘Lili en Marleen’ om te eindigen met een dosis hoempapa op ‘Dutsland drei’. “t Zijn smeerlappen, maar ze maken schone muziek”, zei hij.

Hij werkte in de tuin tot hij het niet meer kon. We laadden jarenlang de koffer vol met de groenten van het seizoen. De aardappelen lagen in een grote hoop ‘in’t kot’ op oud krantenpapier. In de voormiddag ging hij met een klein wit emmertje aardappelen rapen die mijn grootmoeder dan klaarmaakte. Hij telde luidop: één, twee, drie, …

Hij ging zitten op één knie om ’s avonds ‘stupkes’ (hondensnoepjes) te geven aan zijn boerenfox Tipsy. Met frisse tegengoesting had hij zich verzet tegen de komst van het beest. Maar toen de hond er eenmaal was, bleek hij de grootste dierenvriend van ons allemaal te zijn. De regels waren duidelijk: de mensen in hun huizen en de beesten in hun kot. Dat had mijn grootmoeder die opgroeide op een boerderij duidelijk gecommuniceerd. Maar van zodra ze de oprit afreed om te gaan netballen, zwaaide hij de achterdeur open en mocht de meest ongemanierde hond ooit een halve namiddag als een losgeslagen zot rondhossen in de woonkamer. “Onzen Tips”, zei hij wanneer het beest nadien onherroepelijk buitengezet werd door mijn grootmoeder. Met zijn twee voorpoten op de vensterbank kwam hij aan het raam naast bompa zijn zetel staan loeren tot de baas van’t kot weer zou vertrekken.

In mijn hoofd zit hij in zijn zwarte een-zit. Op zijn hoofd zijn hoofdtelefoon. Die staat zo hard dat hij het niet merkt dat ik al een uur op het raam aan het kloppen ben opdat hij de deur zou opendoen. Hij kijkt Dutsland drei. Opeens merkt hij me op. Zijn ogen lachen – hij is blij dat ik er ben. Hij schuifelt naar de achterdeur. Ik hoor het slot draaien, daarna het ander slot – nog de extra beveiliging die hij zelf in de grond had geklopt en dan zwaait de deur open.

Er wordt me alles aangeboden wat enigszins eetbaar is. Hij vraagt of ik wat pudding voor hem wil maken. Ik lees de krant. Hij wijst me op de stukken die ik zeker moet lezen. Intussen zit hij in de zetel. Hij wrijft met zijn duimen over elkaar. De oude klok tikt aan de muur. Als ik weer opsta om te vertrekken, is dat altijd te snel voor hem.

Hij zegt dat ik moet bellen als ik thuis ben. Hij zal niet opnemen, maar dan weet hij dat ik geen accident heb gehad in de 4 kilometer die ik moet afleggen om thuis te geraken. Ik stap in de auto en steek mijn sleutel in het contact. Hij gebaart dat ik mijn gordel moet vastklikken.

Langzaam rijd ik achteruit. Ik draai de weg op en zet mijn auto terug in eerste. Ik zwaai nog eens en hij steekt zijn hand op.

Hier brandt de lamp.

De kunst van me slecht voelen

“Wat kan er nu mis zijn met je goed voelen? Op zich niets. En ik wens het u toe. Maar hoe ouder ik word en hoe langer ik mediteer, des te belangrijker het me lijkt dat mijn zitten me vooral helpt om me beter slecht te voelen.”

Zo. Dat heeft Tom Hannes goed beschreven in zijn artikel “Zen of de kunst van ons slecht voelen”.

Het komt binnen. Ik neem de zinnetjes mee mijn hoofd in en ik kauw er wat op. Het artikel beschrijft hoe meditatie niet werkt als het gebruikt wordt als een halfuur ontsnappen aan de graaicultuur, de ratrace, het wedijveren van elke dag. Als de insteek in alle andere 23 uren en half niet anders is, dan zal dat halfuur zitten je weinig opleveren.

Hoewel ik het helemaal met de schrijver eens ben, vind ik het toch best moeilijk om dat in de praktijk te brengen. Ik zie mezelf niet als iemand die heel bewust meedoet aan ‘de ratrace’. Eén van mijn grootste hobby’s is lezen en dat doe je doorgaans alleen en heel wild is het niet. Daarnaast ben ik heel bewust bezig met mijn tijd goed in te delen. Ik ben in het verleden al te vaak tegen de muur gelopen omdat ik – met veel plezier – dingen toezegde waar ik dan achteraf eigenlijk geen energie voor bleek te hebben. Ik weet in wie of in wat ik mijn tijd kan en wil steken. Ik weet ook hoeveel tijd ik eerst moet reserveren voor mezelf opdat ik er nog over heb om iets te gaan doen met anderen. Erachter komen dat ik een introvert ben die oplaadt van alleen-tijd was daarin echt een hele grote stap vooruit. Sindsdien lukt het me beter om te zien wat ik nodig heb. Ik houd nu eenmaal meer van één-op-één contact. In groepen kan ik me goed bewegen en ik vind het – in de juiste groepen – ook leuk, maar het kost me meer energie. Ik beheer mijn agenda dus in functie van mijn energie en niet meer omgekeerd. Ik durf grenzen aangeven en ik voel me steeds minder schuldig als het antwoord ‘neen’ of ‘nu even niet’ is. De mensen die er echt toe doen, zijn me er niet minder graag om gaan zien. Dat bracht al veel rust.

En toch. En toch raakt dat zinnetje me erg. Ik voel wel vaak de onzichtbare druk om me ‘goed’ te voelen. De typische “alles goed?” daar hoort bijna als vanzelf een “ja, en met u?” op te volgen. Nochtans is nooit alles goed – en dat hoeft ook niet. Ik had mezelf voorgenomen dat wat meer te zeggen. Dat veel goed is, maar niet alles. Interessante reacties heb ik daar al op gehad.

Veelal worden er me oplossingen aangeboden. Of ik krijg raad of tips van hoe ik zaken – die ik vaak zelf niet naar voren geschoven heb als een probleem – best kan aanpakken. Ik aanvaard ze met de glimlach en leg ze naast me neer. Ze zijn goed bedoeld, dat weet ik zeker. Maar ik vermoed dat daar die druk vandaan komt. Het vraagt immers wel wat ruggengraat om na elk gesprek dat zo loopt te blijven denken dat het ook gewoon oké is om even niet alles goed te hebben, maar wel goed genoeg. Op sommige dagen lukt me dat wonderwel, op andere dagen denk ik dat er wel echt iets aan me moet schorren.

Maar ik ga het koppig blijven zeggen. Dat ik groei en leer en dat dat nooit kan zonder een beetje pijn. Of dat het leven met ups en downs gaat en dat ik steeds beter leer om oké te zijn tijdens het dalen. Of dat het nu even gewoon gaat – zonder pieken en zonder dalen en dat dat bijzonder rustgevend is.

Daar zitten nog grote lessen om te leren voor mij. Ik oefen nog om me beter slecht te voelen. Ik test de woorden die ik gebruiken kan om dat over te brengen zoals het is – niet erger en niet minder erg. Soms lukt dat. Soms niet helemaal. Soms helemaal niet.

En da’s ok.