Camera obscura

In maart overleed mijn nonkel Johan, daar schreef ik eerder al wat over. Ik denk nog vaak aan hem. Want hoewel wij elkaar amper zagen, was hij toch aanwezig in mijn leven. We stuurden elkaar e-mails. De ene keer begreep ik wat ie zei, de andere keer moest ik lezen met het woordenboek ernaast of ging ik in elke zin eerst op zoek naar het vervoegde werkwoord om zo de zinsconstructie enigszins te achterhalen. Het was dus geen ‘gewone’ familierelatie, maar bon. (Bestaan die wel?) Ergens onderweg had ik besloten te handelen naar mijn gevoel en niet zozeer naar wat als ‘normaal’ beschouwd zou kunnen worden. Dat creëerde een vrijheid en die heeft ons – toch zeker in de laatste jaren – wat korter bij elkaar gebracht.

Toen hij in maart zo heel erg snel van diagnose naar overlijden ging, konden mijn hoofd en hart dat tempo niet helemaal volgen. Ik had het al eens meegemaakt – iemand die er altijd geweest was naar iemand die er nooit meer zou zijn – maar ik was er klaarblijkelijk niet beter in geworden. Een maand of twee later ging ik met mijn broers, mijn neven en mijn tante en oom het huis van nonkel Johan leegmaken. We vonden bizarre dingen (lege afgewassen doosjes waar in 2000 filet americain had ingezeten – mannen alleen, wie begrijpt ze?), echte schatten (cassettes van Pink Floyd! En van Randy Newman! Het trouwboekje van mijn grootouders! nieuwjaarsbrieven van ons alle vijf!), grappige dingen die we herkenden (zijn flashy fuchia trainingspak mét bijhorende zweetband) en dingen die we zonder nadenken in de container gooiden (hopen hopen hopen gazetten, Knacks, parochiebladen, you name it). Enkele spullen namen we mee. Die kregen een nieuwe bestemming in onze huizen. “’t Is gek,” zei ik tegen mijn tante, “maar doordat hij er nu niet meer is, zien we elkaar wat vaker en ik ben altijd zo blij als ik samen ergens ben met alle jongens. Dan ben ik echt helemaal op mijn plek.”

Ergens in een kast vonden we nog een oude camera. Zo’n exemplaar dat je nog moest doordraaien na het nemen van een foto. Wel al zo’n – toen toch – hip ding dat een klein zwart venstertje voor de lens sloot wanneer je de camera niet gebruikte. Ik nam het mee om de foto’s te laten ontwikkelen. Maanden heeft het hier op de kast gestaan. Ik pakte de camera af en toe eens vast. Achteraan hing een kleine post-it met cijfers op. Een telefoonnummer? De datum waarop het rolletje in de camera ging? Afmetingen van iets? Ik heb het nooit kunnen uitvogelen wat het precies was. Ik draalde om de camera naar de fotograaf te brengen. Ik wilde weten wat erop stond en toch weer niet.

Maar afgelopen week deed ik het eindelijk. Ik bracht het cameraatje binnen. “Volgende week vrijdag zal het klaar zijn”, zei het meisje aan de toonbank. “Da’s best lang”, dacht ik bij het buiten stappen. Maar in de loop van de week kwamen de herinneringen terug aan foto’s ontwikkelen zoals dat vroeger ging: twee wegwerpkodakjes mee op kamp – eentje voor binnen, eentje voor buiten. De flash die moest opladen en rode pinkende lichtje wanneer het klaar was. Pas doordraaien wanneer je een foto wilde maken want anders maakte je waarschijnlijk foto’s van de binnenkant van je rugzak. Enkele foto’s die ik maakte kon ik onthouden en ik hoopte vurig dat ze goed gelukt waren (die van mijn lief met zijn blonde krullen aan de fontein in Frankrijk), anderen waarvan ik vergeten was dat ik ze gemaakt had (selfies avant la lettre met Paulien op een plein in Krakau). De week wachten op het ontwikkelen en dan nog voor ik goed en wel buiten stond de foto’s bekijken: eerst razendsnel de hele stapel, daarna allemaal nog eens één voor één – op zoek naar details.

Mijn verwachtingen gingen alle kanten op dit keer. De fotograaf had al aangegeven dat de foto’s waarschijnlijk kwalitatief niet zo goed zouden zijn omdat het rolletje al zo lang in de camera zat. Dat kon me niet zo deren. Want er zou hoe dan ook wel iets opstaan wat ik zou herkennen. Misschien stonden er wel leuke familiefoto’s op van ergens in de jaren ’90. Misschien had nonkel Johan ooit een geheim lief gehad en zouden we haar te zien krijgen. Of hem, wie weet. Misschien had hij foto’s gemaakt op een lezing over Steiner en zou ik gezichten kunnen plakken op de mensen die hij sporadisch vermeldde in e-mails. Misschien maakte hij lange wandelingen en kiekte hij ‘skone vuuwe’ zoals mijn West-Vlaamse grootmoeder het altijd zei. Misschien had hij een vreemde hobby waar ik liever niks over zou weten en zou ik daar nu mee geconfronteerd worden. Misschien had hij wel foto’s gemaakt van het huis van mijn grootouders voor het tegen de vlakte ging (ik deed het zelf niet en ik vind dat nog altijd zo heel erg jammer). Of misschien – en die verwachting was natuurlijk het scherpst van ze allemaal – stonden er wel foto’s op van papa die ik nog nooit gezien had. Nieuw voer uit het verleden voor een hongerige verzamelaarsziel zoals de mijne.

Wat het uiteindelijk werd, daar had ik geen rekening mee gehouden: het rolletje bleek leeg. Het was een ongebruikt exemplaar dat hij in de camera had gestoken ergens in de jaren ’90. Hij was misschien vergeten dat het erin zat. Of hij had niets de moeite waard gevonden om te fotograferen, dat zou ook kunnen. Of fotograferen was gewoon zijn ding niet geweest. Ik ga voor optie nummer drie – omdat dat de mooiste uitleg is en omdat het wel past bij hoe ik hem kende.

Ik kreeg geen foto’s dus, ik ontdekte geen geheimen, geen schatten, geen nieuwe beelden om te koesteren. Maar wat ik wel kreeg, was nog eens het gevoel van ergens op te wachten. Van uitkijken naar, van voorstellen en inbeelden, van geduld – ook al werd het niet echt helemaal beloond. Ik verkies om de ervaring op die manier om te buigen tot iets positiefs. En in de tussentijd maak ik – waar ik ook kom – foto’s van oude kapperszaken, bij gebrek aan foto’s van die éne kapperszaak die ik zo graag zelf gefotografeerd had toen het nog kon.

IMG_0889

 

Advertenties

65 jaar papa.

In onze straat wonen toevallig de allerleukste mensen van H. Al jarenlang kennen wij elkaar. We hebben samen heel veel fijne tijden beleefd: de grote mensen aten en dronken, de kleine speelden samen en probeerden zich zo gedeisd mogelijk te houden om het einduur van de avond zo lang mogelijk uit te stellen.
Om onze verbondenheid nog extra te onderstrepen, hebben wij ons best gedaan om zoveel mogelijk op dezelfde dagen te verjaren.

Zo uit het hoofd geteld, zijn er al minstens 4 verjaardagsmatchen in die vrolijke straat van ons. Het toeval wil dat ik op dezelfde dag jarig ben als mijn lieve overbuurvrouw. 17 augustus – da’s onze dag. Echte leeuwkes, twee zomerkinderen.

Elk jaar steken we de straat over om elkaar een heel erg fijne verjaardag te wensen. Dit jaar was zij eerst. Ik werd 30 en ik kreeg een heerlijke bos bloemen. Later op de dag trok ik ook naar haar voordeur met een boeketje voor haar. Wij houden nogal van tradities.
Zoals elk jaar vertelde ze ook dit keer opnieuw hoe het eraan toe ging, die 17e augustus, zo’n dertig jaar geleden.

Het was zo rond een uur of 8, 9 ’s avonds. Ze was een nieuwe etalage aan het maken voor haar klerenwinkel. Dat moest ’s avonds want dan sliepen haar twee zonen en dan had ze de handen vrij. Ze had mijn ouders ’s morgens samen zien vertrekken en hen niet meer zien terug komen. Ik zou dus ook een 17-augustus-kindje worden. Toen mijn vader ’s avonds terug de straat in reed en voor de deur parkeerde, tikte ze op het raam. “En?!” gebaarde ze. “Zo’n dochter!” antwoordde mijn vader en hij spreidde zijn armen uit.

Het laatste zinnetje van haar verhaal zegt ze altijd twee keer. “Zo’n dochter!”, zei ie. Zo’n dochter!”. Ze moet er – 30 jaar later – nog altijd om lachen. “Zo fier dat hij was, Saar”, zegt ze. “Ja, hij was echt heel blij met zijn dochter.” Ik knuffel haar nog eens goed en zeg haar dat ik dat ook altijd zo ervaren heb.

Vandaag ben jij jarig, papa. Ik kan geen verhalen vertellen over hoe het was toen jij geboren werd want daar was ik niet bij. Ik heb het ook niet van horen zeggen want mijn grootouders waren er de mensen niet naar om zulke ervaringen te delen. Wat ik wel kan vertellen, is hoe wij altijd je verjaardag vierden.

Dus ik neem de jongens bij mij en ik vertel over 1 september. Over hoe je zei dat je met de boekentas geboren werd. Over hoe we op voorhand aan mama vroegen wat je hebben wilde en dat ze altijd zei: “hij wilt weer niks.” Over de fles porto die we dan voor je kochten – het was het laatste wat je ooit dronk, besef ik net, een porto’ke omdat je niet kon slapen. Over hoe jij vaak zelf kookte op je verjaardag – met die witte schort met in blauwe letters ‘Jos’ op – een cadeau voor alle mannen op oudjaar ergens in de jaren ’90. Over hoe we na het eten naar meter en bompa reden want ook daar werd je verwacht om je verjaardagswensen in ontvangst te nemen. Over hoe meter je dan een cent in je pollen moffelde en zei “Neh, da’s voor ullie getweeën.” Over hoe wij op de terugweg de muziek héél luid zetten en meespeelden met BB King zoals we zo vaak deden. Over hoe ik me vermoedelijk meer jarig voelde dan jij, zo op jouw verjaardag.

“Ja, jongens”, zeg ik, “ik was echt heel blij met mijn papa”. Ik knuffel hen nog eens goed en zeg hen dat ik hoop dat jij dat altijd zo ervaren hebt.

Gelukkige 65e verjaardag, lieve onvervangbare papa.
Er gaat geen dag voorbij waarop ik niet aan je denk.

HPIM1934

Over een tijger die naar school gaat

Gisteren rond een uur of 7 werd ik op Kasper zijn nieuwe school verwacht voor een eerste infomoment. In de polyvalente zaal stonden de eettafels met de stoeltjes al klaar voor de kleuters die er maandag hun drinkbus weer over zullen uitkappen. Andere ouders keken ietwat ongerust over hoe ze in godsnaam op die stoelen zouden passen, maar dankzij mijn werkervaring ben ik het intussen gewend. Ik zit immers de helft van het schooljaar op mini-stoeltjes notities te nemen terwijl ik kijk naar hoe studenten en kleuters samen aan het leren zijn. Ik kan mijn knieën dus in vier vouwen waardoor ik net tussen de stoel en de tafel pas. Op hele goeie dagen kan ik dan nog mijn laptop laten balanceren op mijn bovenbenen. Ik ben werkelijk een acrobaat.

We kregen een korte inleiding waar de bevoegde instanties werden voorgesteld. Ik had mijn oranje schriftje op de tafel liggen en hoopte dat het niet te hard duidelijk was dat ik veel vragen had genoteerd.

Na de korte inleiding werden we door de juf van Kasper meegenomen naar de klas. Mijn hart sprong op toen ik er binnenwandelde. De kring was groot, Jules zat klaar, in de poppenhoek was de tafel gedekt, de auto’s lagen in de bakken, klaar om rondgereden te worden. Ik plofte neer op de bank en ik voelde vanalles tegelijk toen ik me inbeeldde dat hij hier over enkele dagen ook zal gaan zitten. Ik liet mijn ogen gaan over de nog lege plekken aan de muur waar binnenkort tekeningen zullen ophangen – steenhard omdat de kleuters weer drie keer zoveel verf als nodig gebruikt hebben.

De juf vertelde ons hoe het eraan toe gaat op school, wat er in de boekentas mag en wat niet, ze legde uit wie Jules is, hoe verjaardagen worden gevierd. Ze toonde ons foto’s van uitstapjes (naar de fruitboer! naar het bos!) en ik vond het allemaal zo plezierig dat ik wou dat ik er zelf bij kon zijn. Laat dat nu net zijn wat school niet is: een plek waar mama er altijd bij is.

De voorbije dagen heb ik er al vaak bij stilgestaan, wat het precies met mij doet dat mijn eerste zoon binnenkort naar school gaat. Ik voel er heel wat bij. Ik voel me eerst en vooral erg fier. Kasper leert graag, hij luistert graag naar verhalen, hij knutselt graag, hij zou liefst alle dagen papier stijf maken door er vijftien lagen verf op te smeren. Hij is nieuwsgierig naar andere kindjes en hij babbelt mij de oren van het hoofd. De laatste maanden is hij geweldig gegroeid – niet enkel in lengte. Hij kijkt nog amper naar me om wanneer Joris of Eloïse (onze babysits)  de kamer binnenstappen. Met veel moeite zwaait hij nog even, maar dat doet ie vooral omdat hij weet dat ik opflikker daarna. Ik ben ervan overtuigd dat ie op zijn plaats zal zijn op school en ik verwoord dat ook zo wanneer ik met andere mensen erover spreek en hij erbij staat. Zijn oren werken namelijk bijzonder goed (behalve wanneer ik zeg dat hij moet stoppen met speelgoed door de kamer te gooien). Ik hoop dat ie voelt en weet dat wij alletwee heel erg in hem geloven.

Langs de andere kant raakt het me ook op een manier die ik nog al gevoeld heb – bij elke grote stap in zijn tot nu toe korte leven. Elke stap naar voren is er eentje een beetje weg van mama. Hij zal nu alweer een eigen stukje van de wereld veroveren waar ik slechts vanop afstand een deeltje van uitmaak. Ik ben me er ook van bewust dat hij niet alle dagen graag zal gaan, misschien wil hij in het begin zelfs helemaal niet gaan, vindt hij het moeilijk om niét bij mij te kunnen zijn. Op zulke momenten zeg ik hem altijd dat ik zeker weet dat ie een fijne dag zal hebben, dat ik hem snel weer komen halen en dat ik er dan alles over wil horen. En ik wéét dat het waar is, en toch is het soms zo lastig.
Los-la-ten heet dat geloof ik. Ik schrijf het op mijn blad met werkpunten.

En dus zat ik daar op dat bankje, te luisteren naar de juf. Ik keek rond en zag al meteen heel wat spullen staan waar hij geweldig enthousiast over zou zijn. Mijn oranje schriftje lag open op mijn schoot, maar de juf had eigenlijk al mijn vragen al beantwoord. De vragen die ik niet stelde (gaat ie wenen? ga je goed voor hem zorgen? denk je eraan dat hij soms wat meer tijd nodig heeft bij het klimmen?) die beantwoordde ze ook. Daar hoefde ze zelfs niets voor te zeggen.

Net voor het vertrekken, deelde de juf nog de kentekens uit. Kleine figuurtjes waardoor de kleuters weten waar ze hun boekentas kunnen vinden, welke tekening van hun is en waar ze moeten zitten in de kring. Het duurde me jaren om te verwerken dat ik een heel jaar lang een fantasieloze theepot moest zijn dus ik hield mijn hart vast. Maar de juf gaf me een prentje met zijn naam op en daaronder stond een tijger. En het paste perfect.

Go get them, tiger.
Jij gaat dat zo goed doen.

Processed with VSCO with c1 preset

GodverDamme

We slenteren door het dorpje. De markt staat vol fietsers. Ze kijken op kaarten of wijzen naar lege tafels op terrassen. Er is ook één gezin Indiërs dat zich met de taxi liet afzetten. Ik grinnik en kijk rond of nog iemand dat gezien heeft.

Zoals gewoonlijk zoek ik de kerk. Ik wijs de toren aan voor Kas. “Gaan we daar een kaarsje branden?” vraagt ie. Ik knik en samen bespreken we aan wie we dit keer zullen denken wanneer we de lont van de kaars aansteken. ’t Is meestal Kaatje of nonkel Simom. Onder mijn aansturen gaan we ook vaak voor onze buurman die wel wat kaarsjes gebruiken kan.

Aan de kerkdeur worden we aangesproken door een man. Eind in de 60 gok ik. Wit haar. Schoon hemd over zijn dikke buik. Hij spreekt West-Vlaams maar legt zijn accenten wat vreemd. Ik vermoed dat hij Franstalig is. Hij bestudeert de buggy. Kasper zit op het meerijdplankje. Veel bekijks heeft dat ding ons al opgeleverd. “Zullen we dan een kaarsje branden?”, vraag ik aan Kas. “Ah zeker!” antwoordt de witte man in zijn plaats. “Brand er maar twee! Ik zal betalen”, zegt ie. “We zullen wel nu wat stilletjes moeten zijn, jongen,” en ik begin al half te fluisteren. Maar de witte man kijkt me gespeeld verontwaardigd aan: de kerk is er voor iedereen. Stilte vraagt ie enkel wanneer de dienst bezig is. ‘Aha’, denk ik, ‘ ’t Is de pastoor’.  Wie anders trakteert er ook met kaarsen?

Ik duw de buggy de kerk binnen en word onmiddellijk overvallen door het licht. Overal laten de grote ramen de zon gemakkelijk binnen. A-typisch voor een kerk zijn het geen donkere glas-in-loodramen met taferelen van het leven van Christus maar witte kleine ruitjes. Dit is mijn soort kerk. Het is er licht. Ze staat vol bloemen. Geen overschotten van begrafenissen, maar kleurrijke bloemen. Sommigen komen recht uit het veld. Ze zijn geplukt en in een vaas gezet in plaats van perfect ingebonden. Er ligt een strooien hoed aan het altaar op de grond. Er staat een picknickmand met zonnebloemen in. Er mag leven zijn.

Aan het prikbord aan de ingang hangt een tekst over de kerkdeur.

De kerkdeur

Hij stelt ons de vraag:
heb je er wel eens over nagedacht,
wat er gebeurt als je door een kerkdeur naar binnen gaat?
Heb je wel eens aan den lijve ondervonden,
dat zo een deur een verbinding is tussen twee werelden?
Aan de ene kant van de deur
ligt het rumoerige, dagelijkse leven van werken en zakendoen.
Het leven met zijn zorg en zijn gezelligheid,
het leven waarvan wij genieten met zoveel goeds en 
ook met zoveel kwaads, narigheid, leugen, bedrog en achterdocht.
Aan de andere kant, de ruimte waar wij,
met al onze onrust en onze zorgen tot rust kunnen komen.
In die ruimte is het licht anders.
Het wordt getemperd door de sfeer van beschouwing 
en gebed, van dieper en anders zien.
Die ruimte is indrukwekkend door haar sterke muren
de oprijzende pilaren en de hoge gewelven.
Dat is de ervaring van vele toevallige bezoekers, pelgrims en toeristen.
Het moge de ervaring zijn van elke kerkganger, die door de kerkdeur naar binnengaat.

Processed with VSCO with c1 preset

Schoon, denk ik. En waar. Als vanzelf ga ik fluisteren als ik een kerk binnenstap. Mijn kinderen gaan er – meestal – ook stiller praten (behalve wanneer ik hen zeg dat ze geen koeken meer krijgen dan maakt het niet echt uit waar we zijn). Ik zoek automatisch de kaarsjes op. Er staan er meestal kleine ronde rode en lange witte. Twee witte kiest Kas dit keer en we steken ze samen aan. Ik denk aan papa, zoals altijd wat vaker wanneer ik op West-Vlaamse bodem rondwandel. ‘Vadertje’ denk ik en ook ‘Papa’. En voor de honderdduizendste keer vloek ik ook. ‘Dju toch’. Merde.

Ik blijf staan voor een pilaar en kijk naar een wat kitscherige uitvoering van Maria met kind. Mijn Paulien kent alle verschillende Maria’s – handen open, handen toe, met kind, zonder kind, in’t blauw of niet. Deze versie heeft een soort zilveren cape. Het zal Maria van Star Wars zijn, bedenk ik me. Op de grond lees ik nog over Jacobus die daar ligt. Hij was er priester meer dan 200 jaar geleden. Barbara ligt daar ook – de huisvrouw. Ze stierf maar enkele dagen later. Zou het ook liefde geweest zijn tussen die twee, vraag ik me af? Stiekem? Of heel het dorp dat ervan wist? ’t Is ze van harte gegund – die liefde. Misschien stierf ze wel aan een gebroken hart? De steen barst net waar haar leeftijd staat. 31 gok ik. Dan zal het wel een gebroken hart geweest zijn.

Processed with VSCO with c1 preset

Ik duw de kinderen in hun mini-caravaan weer naar buiten.
Ik draai me nog één keer om naar het licht
en stap dan weer
de andere wereld in.

Time flies when you’re havin’ fun – Elias is 1!

Lieve Elias
Kleine Leeuw

Eén jaar geleden werd jij geboren. God, wat sta ik daarvan te kijken. Veel sneller nog dan bij je broer vloog dat eerste jaar voorbij.

Als ik door de foto’s blader van het afgelopen jaar, dan valt mijn mond haast open van verbazing. Ben jij ooit zo klein geweest? En hoe ben jij opeens zo groot geworden? Blijkbaar is er zelfs een tijd geweest dat jij er nog niét was. Hoe zag dat er ook weer uit?

De laatste maanden toon je ons steeds meer hoe je precies in elkaar zit. Je bent onstuimig, enthousiast, luid, vrolijk en ongeduldig. Je houdt van bananen en je knijpt altijd het laatste stukje plat in je vuistje. Je trekt aan mijn elleboog als het te lang duurt vooraleer ik je iets uit mijn eigen bord in je mond stop. Je schreeuwt luid als het je niet zint. Je kan onwaarschijnlijk snel kruipen. Je bent motorisch heel sterk en je doet niks liever dan pijlsnel de trap opkruipen. Je bent niet onder de indruk wanneer ik je zeg dat iets niet mag. Je stuurt me een brede glimlach en nog net geen handkusje vooraleer je gewoon verder doet. Je kijkt gefascineerd naar dat ene lokje haar van mij dat los hangt en wanneer ik even niet oplet, probeer je het uit mijn hoofd te trekken. “Doedoe, Eli!”, zeg ik en je grijnst je 8 spierwitte tanden bloot. Soms grinnik je erbij om extra te onderstrepen dat je het superlollig vindt. Je houdt van muziek. Je stopt eender welke activiteit om mee te wippen op de maat als ik de radio opzet. Je slaapt op je buikje in je bed. Als ik je neerleg om te slapen dan leg je onmiddellijk je linkervuistje onder je buik – net zoals ik. Je trekt je overal aan recht en je staat soms alleen – wanneer je een blokje in elke hand hebt en het niet tot je doordringt dat je je nergens meer vasthoudt. Je haren zijn lang en ze krullen in je nek maar ik wil ze niet afknippen. Ik hou van jongens met lange haren en het past bij je wilde karakter. Je trekt elke dag zoveel mogelijk foto’s uit de draaimolen en je valt om van het schrikken wanneer ik je naam noem opdat je ermee zou ophouden. Als je weer recht gekropen bent, doe je uiteraard lustig verder.

Je eet graag patatjes, ijsjes, grote stukken fruit, brood met boter en een beetje zout. Als ik je kleren wil aandoen dan spartel je als een paling in een emmer snot. Stilzitten is niks voor jou. Op mijn schoot hangen doe je alleen wanneer je je flesje drinkt. In de draagzak hang je ondersteboven en draai je alle kanten uit van zodra ik één seconde stil sta. Je bent onbevreesd en nergens vies van. In het gras kruip je onmiddellijk naar dat éne kleine steentje dat je van ver hebt zien liggen. Jou verhinderen van rommel op te eten is ongeveer een dagtaak geworden. In de auto roep je op je broer en gooi je hem je tut toe. Als hij hem pakt, dan trek je hem aan het koordje weer terug. Jullie hebben de slappe lach van Halen tot in Donk en ik vind het één van de heerlijkste geluiden die ik ooit mocht horen. Ik slinger je ondersteboven in het rond. Je dunne, blonde pluimen wuiven mee van links naar rechts terwijl jij het uitgiert bij zoveel pret. “Ik wil ook”, zegt je grote broer, maar hij durft zich niet te laten hangen zoals jij. Je kruipt op het bed, probeert recht te staan en laat je als een plank op je rug vallen – ongeacht wie of wat er in de weg ligt. Opnieuw hik je van het lachen. Het is een rode draad in je leven: gevaar opzoeken, streken uithalen en dat zelf allemaal onwaarschijnlijk grappig vinden.

Zoals je door het leven gaat, zo werd je ook geboren: wanneer het jou uitkomt en dan liefst zo snel mogelijk. Je bent niet op te jagen. Je bent zelden onder de indruk. Je staat onbegrensd en onbezonnen in het leven – met je twee voeten er pal in. Maar je armpjes, die sla je gelukkig nog heel graag rond onze nek. Wanneer je moe bent bijvoorbeeld. Wanneer we je ophalen bij de onthaalmoeder. Wanneer we je kietelen en in je in de lucht gooien.

Lieve Elias, ik vind het niet altijd gemakkelijk om je mama te zijn. Niet omdat je een moeilijk karakter hebt, maar omdat jij er zo van overtuigd lijkt dat er nergens gevaar schuilt. Het maakt me soms bang – zoveel onbezonnenheid. Gaat ie zich geen pijn doen? Gaat ie later allemaal gevaarlijke dingen willen doen? Wat als ik er niet ben om als een soort van menselijk vangnet je val te breken – letterlijk en figuurlijk?

Lieve Elias, ik vind het zo gemakkelijk om je mama te zijn. Omdat je het voor jezelf zo simpel kan maken. Een stomme plastieken zak is voor jou een halfuur speelplezier. Je vrolijke gegrinnik maakt mij zo vaak zo gelukkig. Je schelmensmoel als je streken uithaalt is werkelijk niet te weerstaan. Ik moet heel vaak mijn gezicht verstoppen of je zou zien dat ik aan het lachen ben terwijl ik je eigenlijk streng moet toespreken. Je houdt van mij – dat weet ik wel zeker – maar je bent helemaal dol op je papa. Zoals je onbegrensd de wereld verkent, zo kan je onbegrensd graag zien en met al je onstuimigheid licht brengen in donkere dagen.

Gelukkige verjaardag, wittekop.
Kleine robbedoes, gij wild kind, wat zie ik u graag.

Processed with VSCO with c1 presetProcessed with VSCO with c1 preset

 

 

Vandaag

Luister ik eindeloos dit en dit en dit en dit . Ik loop door het huis en neurie verbeten mee (but listen carefully to the sound of your loneliness like a heartbeat drives you mad in the stilness of remembering what you had and what you lost).

Besta ik uit kleine stukjes. De samenhang is zoek. Wat waar gaat, dat ben ik even vergeten.

Raap ik kleine spullen op, verdwaald en op de verkeerde plek terecht gekomen. Ik steek ze in een mandje en probeer ze weer juist te zetten.

Kijk in de spiegel en speur mijn gezicht af. Ik zie wat ik eerder al eens zag. Ik kijk lang in mijn eigen ogen tot ik bijna door mezelf heen kan kijken.

Leg ik mijn hand op mijn buik en probeer ik te ademen. Ik moet soms nadenken over hoe dat ook weer moest. En hoeveel te meer ik nadenk, hoeveel te moeizamer het gaat.

Rijd ik naar papa met de ramen open. Ik steek mijn hand uit, spreid mijn vingers, voel het door mijn vingers glijden. Ik herken wat ik bij hem soms zag. De melancholie. “De wereld is even zwaar voor mij – vandaag”, zei ie. En: “Neen, natuurlijk ben ik niet boos op jou, Saartje”.

Zeg ik mezelf waar ik ben en wat ik doe. Je zit op een stoel en je schrijft.

Doodnormaal

Mijn kinderen gaan bijna wekelijks naar het kerkhof. Aangezien mijn papa en hun grootvader daar rust, is dat niet abnormaal.

Het is iets wat voor hen bij het leven hoort. Zoals we naar oma gaan, zo gaan we naar opa. Hoewel zo verschillend, is het voor hen eigenlijk hetzelfde.
We laden onze kindjes achterop onze fiets, we gespen hun helmpjes vast en we zijn weg. Onderweg wijzen we naar de dieren die we zien. Richting oma zien we struisvogels en paarden, we zien schapen, we fietsen over een bruggetje en tussen de perenbomen. Elke keer verzekeren we Kas dat de peren inderdaad nog wat moeten groeien. En ja, daarna komt de boer ze plukken en hij brengt ze naar de winkel. Daar kunnen wij ze kopen. “Mama en Kas?”, vraagt ie. “Ja lief, mama en kas en alle andere mensen die graag peren eten.”
Richting opa zien we twee uilen. Ze wonen in een veel te laag afgespannen stuk grond. Het is eigenlijk zielig. Ik vraag hem of hij denkt dat de uiltjes niet liever willen vliegen. Hij antwoordt dat ze misschien willen slapen. Dat ze niet veel anders kunnen doen daar op die 10 vierkante meter, dat zeg ik hem niet. Daarna passeren we meer perenbomen (ja, die moeten ook nog wat groeien), koeien met kalfjes (hij legt veel klemtoon op de F – kal-fjes zegt ie), een groot paard en een klein paard en veel velden met maïs. Hij wijst alles aan, benoemt en wij bevestigen.

Hij gaat vragen of er ijsjes zijn, zegt hij al nog voor we de oprit opdraaien. We bevrijden hem uit zijn fietsstoeltje en hij spurt naar de deur. Oma tovert mini-ijsjes tevoorschijn en voor ongeveer 3 minuten en 23 seconden horen we hem niet. Daarna wil hij nog water, een koekje, het kleine balletje, of nee toch de grote. Elias kruipt in zijn kielzog – volgt zijn grote broer als een schaduw. Hij zet zich op zijn zachte pamperpoep en probeert met zijn kleine, korte vingertjes de kruimels van Kasper zijn koekje op te rapen.

Bij opa is het meer van hetzelfde – al moet ik hier zelf voor de snackjes zorgen. Voor we vertrekken, moffel ik nog gauw twee reepjes kinderchocolade in mijn handtas en een flesje water. Ik bevrijd hem uit zijn fietsstoel en hij spurt naar het graf van opa. Ik zet hem neer op het stukje gras, zijn kleine broer naast hem. Wanneer ze het papiertje van de kinderchocolade horen ritselen, kunnen ze allebei niet snel genoeg op mijn schoot zitten. Langzaam eten we samen – blokje voor blokje – de chocolade op. We breken de reep in stukjes en laten allemaal een stukje smelten op onze tong. Het is even stil en rustig. De wind waait door onze haren. “Het windt!”, zegt Kas en ik wil hem niet verbeteren want ik vind het juist.

De dingen die ze doen zijn hetzelfde bij oma en bij opa: koekjes ontfutselen, hard lopen en knieën openvallen, bloemetjes water geven, helpen met poetsen, kijken naar vogels en zwaaien naar dieren. Elias zoekt op beide plaatsen dingen om in zijn mond te steken: kruimels bij de ene, stenen bij de andere.
Ook de dingen die ze voelen zijn – tot hiertoe – gelijkaardig. Ze kijken ernaar uit om hun grootouders te zien. Het ritje naar daar is altijd heerlijk. “Wij zijn met ons viertjes!”, zegt Kas – en hij somt ons allemaal op zodat er geen twijfel over bestaat wie hij bedoelt. We komen aan met veel lawaai – op beide plaatsen. We vertellen wat we meemaakten, dat de juf langs kwam, dat we nieuwe schoenen kochten, dat de zon schijnt en dat alle bloemetjes veel dorst hebben. Het afscheid is ook hetzelfde: een kus voor oma en ook een kus voor opa. Hij zag mij ooit papa’s foto kussen en sindsdien hoort het ook bij Kas z’n afscheidsritueel.

Hun grootouders opzoeken, dat is voor mijn kinderen bijna dagelijkse kost. Dat hoort erbij. Dat is – gelijk ze zeggen – doodnormaal.

Processed with VSCO with c1 preset