Hier brandt de lamp

Vandaag is het tien jaar geleden dat mijn grootvader stierf.

Hij had geen radio in zijn rode Renault. Waarom wel – er komt alleen van die Engelse tjingeltjangelmuziek uit.
Hij zei ‘vooruit-achteruit’ als hij de oprit afreed. Hij zei ‘hier brandt de lamp’ als hij de oprit later weer op reed.
Hij reed exact zoveel als wettelijk toegelaten was. 50 was 50, 70 was 70 en 30 was soms zelfs 25. Als oud-rijkswachter was het zijn plicht om het goede voorbeeld te geven. Nog voor ik mijn auto had gestart, gebaarde hij al dat ik mijn gordel moest vastklikken.

Hij las de krant met een bril met dikke confituurpotglazen. Soms nam ik de bril en zette ik hem even op. Ik werd er instant mottig van. Met fluostift markeerde hij de dingen die één van ons zeker moest lezen. Veelal was het iets juridisch voor mijn oudste broer of een prof waar hij les van had gehad die werd geïnterviewd. Hij knipte ooit een foto van Stijn uit en zei dat ‘ozze kozijn’ in de krant stond.

Met een balpen zette hij kruisjes in de televisiegids bij de programma’s die hij zou kijken. Het nieuws op ‘den een’, op ‘den twee’ en daarna ‘Lili en Marleen’ om te eindigen met een dosis hoempapa op ‘Dutsland drei’. “t Zijn smeerlappen, maar ze maken schone muziek”, zei hij.

Hij werkte in de tuin tot hij het niet meer kon. We laadden jarenlang de koffer vol met de groenten van het seizoen. De aardappelen lagen in een grote hoop ‘in’t kot’ op oud krantenpapier. In de voormiddag ging hij met een klein wit emmertje aardappelen rapen die mijn grootmoeder dan klaarmaakte. Hij telde luidop: één, twee, drie, …

Hij ging zitten op één knie om ’s avonds ‘stupkes’ (hondensnoepjes) te geven aan zijn boerenfox Tipsy. Met frisse tegengoesting had hij zich verzet tegen de komst van het beest. Maar toen de hond er eenmaal was, bleek hij de grootste dierenvriend van ons allemaal te zijn. De regels waren duidelijk: de mensen in hun huizen en de beesten in hun kot. Dat had mijn grootmoeder die opgroeide op een boerderij duidelijk gecommuniceerd. Maar van zodra ze de oprit afreed om te gaan netballen, zwaaide hij de achterdeur open en mocht de meest ongemanierde hond ooit een halve namiddag als een losgeslagen zot rondhossen in de woonkamer. “Onzen Tips”, zei hij wanneer het beest nadien onherroepelijk buitengezet werd door mijn grootmoeder. Met zijn twee voorpoten op de vensterbank kwam hij aan het raam naast bompa zijn zetel staan loeren tot de baas van’t kot weer zou vertrekken.

In mijn hoofd zit hij in zijn zwarte een-zit. Op zijn hoofd zijn hoofdtelefoon. Die staat zo hard dat hij het niet merkt dat ik al een uur op het raam aan het kloppen ben opdat hij de deur zou opendoen. Hij kijkt Dutsland drei. Opeens merkt hij me op. Zijn ogen lachen – hij is blij dat ik er ben. Hij schuifelt naar de achterdeur. Ik hoor het slot draaien, daarna het ander slot – nog de extra beveiliging die hij zelf in de grond had geklopt en dan zwaait de deur open.

Er wordt me alles aangeboden wat enigszins eetbaar is. Hij vraagt of ik wat pudding voor hem wil maken. Ik lees de krant. Hij wijst me op de stukken die ik zeker moet lezen. Intussen zit hij in de zetel. Hij wrijft met zijn duimen over elkaar. De oude klok tikt aan de muur. Als ik weer opsta om te vertrekken, is dat altijd te snel voor hem.

Hij zegt dat ik moet bellen als ik thuis ben. Hij zal niet opnemen, maar dan weet hij dat ik geen accident heb gehad in de 4 kilometer die ik moet afleggen om thuis te geraken. Ik stap in de auto en steek mijn sleutel in het contact. Hij gebaart dat ik mijn gordel moet vastklikken.

Langzaam rijd ik achteruit. Ik draai de weg op en zet mijn auto terug in eerste. Ik zwaai nog eens en hij steekt zijn hand op.

Hier brandt de lamp.

De kunst van me slecht voelen

“Wat kan er nu mis zijn met je goed voelen? Op zich niets. En ik wens het u toe. Maar hoe ouder ik word en hoe langer ik mediteer, des te belangrijker het me lijkt dat mijn zitten me vooral helpt om me beter slecht te voelen.”

Zo. Dat heeft Tom Hannes goed beschreven in zijn artikel “Zen of de kunst van ons slecht voelen”.

Het komt binnen. Ik neem de zinnetjes mee mijn hoofd in en ik kauw er wat op. Het artikel beschrijft hoe meditatie niet werkt als het gebruikt wordt als een halfuur ontsnappen aan de graaicultuur, de ratrace, het wedijveren van elke dag. Als de insteek in alle andere 23 uren en half niet anders is, dan zal dat halfuur zitten je weinig opleveren.

Hoewel ik het helemaal met de schrijver eens ben, vind ik het toch best moeilijk om dat in de praktijk te brengen. Ik zie mezelf niet als iemand die heel bewust meedoet aan ‘de ratrace’. Eén van mijn grootste hobby’s is lezen en dat doe je doorgaans alleen en heel wild is het niet. Daarnaast ben ik heel bewust bezig met mijn tijd goed in te delen. Ik ben in het verleden al te vaak tegen de muur gelopen omdat ik – met veel plezier – dingen toezegde waar ik dan achteraf eigenlijk geen energie voor bleek te hebben. Ik weet in wie of in wat ik mijn tijd kan en wil steken. Ik weet ook hoeveel tijd ik eerst moet reserveren voor mezelf opdat ik er nog over heb om iets te gaan doen met anderen. Erachter komen dat ik een introvert ben die oplaadt van alleen-tijd was daarin echt een hele grote stap vooruit. Sindsdien lukt het me beter om te zien wat ik nodig heb. Ik houd nu eenmaal meer van één-op-één contact. In groepen kan ik me goed bewegen en ik vind het – in de juiste groepen – ook leuk, maar het kost me meer energie. Ik beheer mijn agenda dus in functie van mijn energie en niet meer omgekeerd. Ik durf grenzen aangeven en ik voel me steeds minder schuldig als het antwoord ‘neen’ of ‘nu even niet’ is. De mensen die er echt toe doen, zijn me er niet minder graag om gaan zien. Dat bracht al veel rust.

En toch. En toch raakt dat zinnetje me erg. Ik voel wel vaak de onzichtbare druk om me ‘goed’ te voelen. De typische “alles goed?” daar hoort bijna als vanzelf een “ja, en met u?” op te volgen. Nochtans is nooit alles goed – en dat hoeft ook niet. Ik had mezelf voorgenomen dat wat meer te zeggen. Dat veel goed is, maar niet alles. Interessante reacties heb ik daar al op gehad.

Veelal worden er me oplossingen aangeboden. Of ik krijg raad of tips van hoe ik zaken – die ik vaak zelf niet naar voren geschoven heb als een probleem – best kan aanpakken. Ik aanvaard ze met de glimlach en leg ze naast me neer. Ze zijn goed bedoeld, dat weet ik zeker. Maar ik vermoed dat daar die druk vandaan komt. Het vraagt immers wel wat ruggengraat om na elk gesprek dat zo loopt te blijven denken dat het ook gewoon oké is om even niet alles goed te hebben, maar wel goed genoeg. Op sommige dagen lukt me dat wonderwel, op andere dagen denk ik dat er wel echt iets aan me moet schorren.

Maar ik ga het koppig blijven zeggen. Dat ik groei en leer en dat dat nooit kan zonder een beetje pijn. Of dat het leven met ups en downs gaat en dat ik steeds beter leer om oké te zijn tijdens het dalen. Of dat het nu even gewoon gaat – zonder pieken en zonder dalen en dat dat bijzonder rustgevend is.

Daar zitten nog grote lessen om te leren voor mij. Ik oefen nog om me beter slecht te voelen. Ik test de woorden die ik gebruiken kan om dat over te brengen zoals het is – niet erger en niet minder erg. Soms lukt dat. Soms niet helemaal. Soms helemaal niet.

En da’s ok.

In zijn hoofd.

Hij springt de zetel in en uit. Hij holt achter z’n broer aan. De grens tussen lachen en pijn is dun, maar voorlopig blijven ze aan de juiste kant. Plots stopt hij z’n spel en kijkt me aan. “Mama, vind jij mij mooi?”. Zijn grote bruine ogen staren me aan. Ik vertel hem dat ik hem prachtig vind, dat ik altijd naar hem zou kunnen kijken. Dat ik hem al zo mooi vond toen ik hem voor de eerste keer zag en dat dat nooit zal veranderen.
“Oke”, zegt hij. Hij gaat weer verder met ons meubilair af te breken.
Wat zit er toch allemaal in zijn hoofd – denk ik.

Hij heeft net een tekening met veel zorg ingekleurd. Hij kiest de kleuren en vraagt bij elke kleur of de juf deze kleur zeker mooi zal vinden. Ik zeg hem dat het niet uitmaakt, dat de juf vast ziet dat hij erg zijn best deed en dat is meer dan genoeg. Hij kiest de paarse stift om de enveloppe te schrijven. Hij verklankt de lettertjes “VVVVVV” “AAAA” “NNNNN”. Zijn naam kan hij zo schrijven. De S is nog moeilijk. Hij wil alle boogjes precies goed. “Mijn S is nooit zo goed. Iedereen kan een betere S maken dan ik”. Zijn schouders gaan hangen. Ik vertel hem hoe ik vroeger zoveel moest oefenen op de S. Die zit ook in mijn naam en ik wist niet altijd zeker welke kant ik moest beginnen. Hij lacht. “Ik maak ook foutjes, Kas”, zeg ik. “Nog altijd – iedereen maakt foutjes want alleen zo kan je leren.”

Dat hart van mijn oudste – wat is het een zoektocht om daar juist mee om te gaan. Hij heeft zo’n lange voelsprieten. Hij merkt het wanneer mijn stem “een beetje anders” klinkt en hij wil dat dan graag zo snel mogelijk weer weg. Ik zeg hem dat het niet aan hem ligt, maar hij lost niet. Hij wil een knuffel en dat moet nu. Hij voelt duidelijk naadloos aan wat de juf van hem verwacht en hij probeert daar zo erg naar op te leven dat zijn emmertje ongeveer vol zit na school. Hij wil bij het ophalen niet meer fietsen – hij is doodmoe en gaat compleet over de rooie. Wanneer hij uitgeraasd is, komt het eruit. Hoe hij droomde over dat hij gevangen zat in een kamer en hij was er helemaal alleen. Plots begrijp ik waarom hij me de laatste dagen weer als een peutertje aan mijn rokken hing. Hoe irritant ook – ik snap nu dat hij gewoon bang is. “In mijn hoofd kan ik alleen maar enge dromen maken”, huilt hij.

Het breekt mijn hart. Dat grote kwetsbare hart in dat kleine lijfje van mijn zoon. Die lange onzichtbare voelsprieten die zoveel oppikken en niet goed weten wat ze ermee moeten doen. Dat hoofd zo vol met dingen die hij voelt en nog niet altijd meteen kan uitspreken of benoemen.

“Wat erg”, zeg ik “dan ben je vast wel héél bang soms, toch?”. Hij knikt. “Je vindt het nu zeker vreselijk om alleen in een kamer te zijn want dan ga je weer aan je droom denken. Heb ik het goed zo? ” Hij knikt nog harder. “Ik ga je helpen.”, zeg ik. Ik sla mijn armen om hem heen. Zijn broer brengt het speelgoedje dat hij al zo lang kwijt was. Hij lacht weer.

Vanavond zei ik hem hoe mooi hij is, hoe zijn S elke keer een beetje beter lukt, hoe fijn het is om iets eerst niet te kunnen en dan later wel. Ik vertel hem dat hij nu in zijn hoofd aan een speeltuin moet denken. Er stroomt chocoladesaus van de glijbaan. En papa zijn hoofd is een ijsje. Hij lacht.

“Die droom blaas ik nu in je oor.”, zeg ik. Ik kus zijn kruin.
Mannekes toch. Wat een kind.

Open.

“Je zou er beter niet te veel naar kijken”, zegt ze. “Je vel is er niet dik genoeg voor.” Ik vertelde haar net hoe ik zo verdrietig word van beelden uit Moria, waar kindjes zo klein als de mijne een stoeprand gebruiken als hoofdkussen. Ze heeft gelijk. Het gaat beter met mijn hoofd wanneer ik niet te veel naar nieuwssites surf, wanneer ik de radio uitzet op het uur en wanneer ik ook ’s avonds het televisiescherm zwart laat.

Maar het wringt ook. Ik wil mijn hoofd niet in het zand steken. Ik wil niet uit de lucht komen vallen. Ik wil mijn ogen niet sluiten voor het leed van anderen omdat ik toevallig het geluk had dat mijn wiegje op de juiste plek stond.

Er bereikt me dus heel regelmatig droevig nieuws. En dankzij – nu ja – het internet bereikt het me doorgaans ook heel erg snel. Ik schreef me uit voor elke nieuwsflash en toch weet ik op een zaterdagochtend al heel vlug dat Ruth Bader Ginsburg overleden is. Het maakt me triest dat die baken van rechtvaardigheid er nu niet meer is. Ze was een kompas in een verder nogal stuurloos land. En hoewel je bij een verlies – ook van iemand waar je naar opkijkt – tijd maakt om te rouwen, is dat er hier amper. De zorgen over welke shitstorm er nu zal volgen op haar dood en de angst voor wie haar zal opvolgen dringt zich meteen aan.

En daarnaast hoor ik over Vivaldi, over lamme politici die een riant maandloon opstrijken en zich voorts gedragen als kinderen. Ik zie en lees racisme – open en bloot. Mensen lijken er soms zelfs fier op te zijn. Ik zie onverdraagzaamheid, R-waardes die stijgen – ik weet niet welk woord ik nu het meest beu gehoord ben: ‘besmettingen’ of ‘bubbels’. Sommige dagen denk ik nog aan de extra miserie die amper belicht wordt maar waarvan ik wéét dat die er is: kinderarmoede (man, mijn hart), eenzaamheid, misbruik en verslaving. Ik vraag me luidop af wiens vel hier eigenlijk wél dik genoeg voor is.

Maar ik weet dat het aan mij is om hier mee om te gaan, om een manier te zoeken. Dus ik laat het toe – in mondjesmaat – en zoek elke dag naar precies de juiste (hoeveelheid) informatie. Ik detecteer energielekken en schrap ze. Ik zoek naar inspirators, beluister genuanceerde podcasts, speel met mijn kinderen en ’s avonds duik ik in een boek.

Met een dun vel is het makkelijk om je hart te laten raken. Het pantser dat het hart afschermt is slechts een dun vlies. Mijn hart voelt soms broos. Ik kan het voelen zwellen (als ik mijn jongens zie groeien en leven) of krimpen (het idéé dat mijn geliefden iets overkomt).
Het is bij momenten echt eng om zo te leven. Ik denk dat het makkelijker is om niét te denken, om niét te voelen. Maar het laatste wat ik wil, is dat ik het sluit om pijn of verdriet te voorkomen. Een open hart leeft, ademt, groeit, mist, lacht, rouwt en heeft lief.

In mijn hoofd hoor ik de gitaarrif al. Thé had gelijk.

Vier

Dit jaar is het vijftien jaar geleden dat mijn papa stierf. Ik schreef eerder al dat ik daarom op zoek wil gaan naar vijftien nieuwe verhalen van mensen die mijn papa op een andere manier hebben gekend dan ik. Het eerste en het tweede verhaal liet ik me vertellen door de spullen die ik vond in zijn bureau en door mensen die hem kenden uit zijn Chiro verleden.  Voor het derde verhaal nam ik je mee terug naar papa zijn tijd bij het Koninklijk Vlaams Toneel in Diest. Ook dit verhaal brengt ons terug naar papa’s liefde voor het theater.

De flesjes Hoegaarden klingelen wanneer ik over de vluchtheuvel rijd. Mijn gsm-scherm licht op – mijn lief stuurt me drie hartjes. Ik stap uit de auto en wandel naar het terras waar ik heb afgesproken met Raf. Hij was één van papa’s beste vrienden in de laatste jaren van zijn leven.

In het schemerdonker speur ik de tafels af tot ik de juiste gevonden heb. Ik herken hem onmiddellijk. Hij ziet er nog precies zo uit zoals ik me hem herinner. We kijken elkaar even aan – nemen op wat de tijd met ons beiden heeft gedaan. Uit mijn tas diep ik de kaart op die hij ons schreef na papa’s overlijden. Hij vermeldt er een avond in waarop papa zijn parasol kwam repareren – een werkje van tien minuten – en hoe ze daarna nog tot middernacht aan de keukentafel hadden zitten praten. Die avond was er een legendarische voetbalmatch op de televisie en Raf – die anders geen match van de Champions League mist – heeft geen minuut gekeken. “Zo ging dat als Jos er was“. Ik lach. “En da’s nu straf he Saar, maar gisteren was er een documentaire precies over dié match op tv. Da’s toch straf? Ik vind dat straf.

Hij herinnert zich nog precies hoe hij vernam dat papa overleden was. Hij beschrijft het huis waar hij voor stond toen zijn telefoon ging. Onmiddellijk zegde hij al zijn afspraken voor die dag af en kwam hij naar ons toe. Vermoedelijk heeft hij er wat wezenloos voor zich uit zitten kijken – zoals zowat iedereen die thuis aangespoeld kwam. We dronken sloten koffie, we zaten samen, we zegden van ‘maar alle, dat kan toch niet’ en stelden samen telkens opnieuw vast dat het toch niet anders was.

En Raf vertelt. Over de lange gesprekken die ze hadden – over taal, over het onderwijs, over toneel, over het leven, over ons gezin, over wat er in hun beider levens speelde op dat moment. Urenlang konden ze samen filosoferen en lachen – lachen, dat ook. “Mannekes, wat hebben wij gelachen. Hij was niet alleen een vriend voor mij, maar ook een beetje als een vader.” Papa was er voor hem toen het leven even niet op wieltjes liep. “Ik keek daar echt naar op“, zegt ie, “naar Jos“. Hij zegt z’n naam zoals ik hem zelf het liefste hoor; met de ‘j’ van ja.

Soms vallen we even stil. Omdat het ons allebei nog zo raken kan. Omdat het nog steeds voelt als ‘maar alle – dat kan toch niet’. Ik vind het altijd veelzeggend als mensen stilte in een gesprek kunnen verdragen – als ze niet meteen de nood voelen om die onmiddellijk op te vullen.

Dit keer vertel ik ook. Heel veel zelfs. Over hoe bijzonder die band voor mij voelde. Hoe papa vaak echt tijd en aandacht had voor mij. Bijvoorbeeld wanneer we op zaterdag kleine volstrekt niet-extravagante dingen deden samen zoals daar zijnde: naar de carwash of het containerpark gaan. Met papa vond ik zo’n dingen fantastisch: de muziek loeihard in de auto en uitgelaten zijn. Ik voelde me echt gezien en geliefd. Uitleggen hoe dat precies komt, lukt me niet helemaal. Maar papa legde daarmee de blauwdruk voor hoe ik liefde het liefst ervaar: door tijd en aandacht. We genieten van elkaars verhalen over die lieve mens die wij allebei zo graag gezien hebben.

Hij zag u graag – jullie allemaal. Hij sprak vol liefde over je mama, over je broers en over jou.” Dat iemand dat nog eens luidop zegt, iemand die dat zelf gezien en opgemerkt heeft, is zo bijzonder. Die zinnen hebben een onmetelijke kracht omdat ze een realiteit bevestigen die ‘in het echt’ al een hele lange tijd niet meer bestaat. Mijn papa kan het mij – ons – niet meer zelf zeggen. Wij moeten dat doen in zijn plaats. Soms lukt dat, soms niet. Dat iemand anders die het ook kan weten het eens doet, raakt me heel diep.

De tijd vliegt om. Opeens is het opnieuw bijna middernacht – zoals toen hij en niet ik bij Raf aan tafel zat. Het gesprek komt vanzelf – er is niks geforceerd of ongemakkelijk. Ik voel een grote vertrouwdheid bij deze man die met zoveel liefde over mijn vader spreekt. Er is geen angst. Ik spreek vrijuit over verdriet, over die levensbepalende nacht en over alles wat daarna kwam. Ik voel nog eens hoe het deugd kan doen om dat toe te laten, om daarover te praten, om dat te delen met iemand die het begrijpen kan.

We ronden onze avond af. We zeggen nog maar eens dat het ons zo goed gedaan heeft en ‘groeten thuis!’. De flesjes Hoegaarden klingelen als hij er mee weg wandelt.

Ik stuur hem nog een berichtje – om hem te bedanken. Hij gaf me niet één lucifer, maar een heel doosje. Zo van die goeie ook, die je maar even zacht tegen het doosje moet strijken om een grote vlam te krijgen.

Merci, Raf, voor zoveel warmte. Je hebt geen idee wat dat voor mij betekent.

Marcel, papa en Raf.

Vieren.

“Hoe oud zou hij morgen geworden zijn?” – vraagt ze.
Ik moet tellen. 52 + 15.
Ik slik
zevenenzestig. 67.

Ik probeer me voor te stellen hoe hij eruit zou gezien hebben. Een grijze baard? Nog wat minder haar op zijn kruin? Zou hij last hebben van zijn rug? Wat meer rimpels misschien en die in zijn voorhoofd er nog wat dieper ingegroefd – alle waarschuwingen van mijn moeder ten spijt (“Jos, maakt zo geen rimpels!).

Ik zoek naar foto’s van één van zijn verjaardagen en besef dat er enkel gemaakt zijn op het feest voor zijn vijftigste verjaardag. Het waren andere tijden. Foto’s stonden nog op filmrolletjes en je was er dus spaarzaam mee. Er zijn geen foto’s van waar hij kaarsjes uitblaast – ook niet als kind.

Hoe vierden we die eerste september? Hij had nooit iets nodig. Dus kochten we elk jaar hetzelfde: een fles porto. Het was overigens het laatste wat hij ooit dronk: een scheutje porto omdat hij niet goed kon slapen.

Ik bel mama even. Haar olifantengeheugen spijkert het mijne bij. We kookten thuis op zijn verjaardag. Mijn grootouders kwamen dan eten. ’s Morgens belde mijn grootmoeder al naar haar schoonzoon om hem te feliciteren – nog voor hij naar school vertrokken was. “Ozze Jos” noemden ze hem wanneer ze naar hem verwezen.

1 september is een bijzondere dag en dit jaar al helemaal.
De oudste kleindochter begint aan het middelbaar onderwijs (hoe kan zoiets zelfs?!).
De jongste kleindochter start voor het eerst op school . Al de rest is klaar om hun schoolcarrière weer verder te zetten. De tijd vliegt. (Behalve als je zes maanden elke dag thuis bent met je kinderen, dan wil het soms al eens wat trager gaan).

Ik vertel de oudste dat mijn papa morgen jarig is.
“Opa? Maar die is toch dood?”
Hij zegt het heel feitelijk.
“Ja, het is waar wat je zegt.”
“Je kan toch geen taart eten als je dood bent?”, vraagt hij.
Ik zeg hem dat dat inderdaad niet kan. En ook geen kaarsen uitblazen. Opa doet niets meer want hij is er niet meer, zeg ik. Maar ik kan hem toch zelf vieren?
Dat vindt hij moeilijk. Ik hoor zijn hersenen kraken. Jarig zijn zonder taart, kaarsen, cadeaus en grenzeloze aandacht? – het onbegrip staat op zijn snoet te lezen.

Opa zit in mijn hart – zeg ik. En als ik héél hard aan hem denk – zoals op zijn verjaardag – dan voel ik hem daar wat beter zitten. Zo vier ik zijn verjaardag.
Zo denk ik ook aan jullie morgen – ga ik verder – wanneer jullie op school zijn. Dan denk ik héél hard aan jullie en dan voel ik jullie wat beter zitten. Zo weet ik dat alles goed zal gaan.

Hij knikt. “Oké”, zegt hij.
En dat is dat.

IMG_8417Een tekening die ik maakte voor papa en die ik terugvond in zijn bureau. 

 

Drie

Dit jaar is het vijftien jaar geleden dat mijn papa stierf. Ik schreef eerder al dat ik daarom op zoek wil gaan naar vijftien nieuwe verhalen van mensen die mijn papa op een andere manier hebben gekend dan ik. Het eerste en het tweede verhaal liet ik me vertellen door de spullen die ik vond in zijn bureau en door mensen die hem kenden uit zijn Chiro verleden.  Voor het derde verhaal neem ik je graag mee terug naar papa zijn tijd bij het Koninklijk Vlaams Toneel in Diest.

Met een 6-pack Hoegaarden stap ik de auto in. Mijn broer grapt dat die brouwerij vast failliet ging nadat papa stierf aangezien niemand anders dat pisbier te zuipen vindt. Ik reageer wat kribbig omdat ik een beetje zenuwachtig ben.

Ik rij langs kleine baantjes naar een dorp niet zo heel ver hier vandaan. Stipt op het afgesproken uur duw ik op de bel. Iedereen die me kent weet dat ik een notoire laatkomer ben, dus dat ik er op tijd geraakt ben is al veelzeggend.
“Kom erin,” zegt ie en hij zwaait de voordeur voor me open.

Tegenover me in de zetel zit regisseur Wannes Vanderstukken. Bij jou doet die naam misschien geen belletje rinkelen maar in ons gezin was het een naam die regelmatig viel wanneer het over toneel ging en meer bepaald over het regisseren van toneelstukken. Wannes is een professionele regisseur die er in zijn weinige vrije tijd van houdt om ook nog amateurtheater te regisseren. In die hoedanigheid kruiste hij in 1999 het pad van mijn papa. In dat jaar speelden ze in Diest “Au Bouillon Belge”. ‘Au Bouillon Belge’ is de naam van het café dat vader nalaat aan zijn drie kinderen: de Vlaming Jos (die het café is blijven uitbaten omdat hij het op school niet al te makkelijk had), de Waal Astère (die het goed kan uitleggen en zogezegd iets in PR doet) en de Brusselse Marie die zich aansluit bij de hoogste bieder. Jammer genoeg heeft vader zijn drie kinderen vooral schulden nagelaten. Ze gaan samen op zoek naar het fel gegeerde recept van vaders bouillon in de hoop daar geld mee te kunnen verdienen.

Mijn vader speelde – van naamsverwarring was alvast geen sprake – de goedzak Jos die zich nogal de kaas van zijn brood laat eten. En het was Wannes die de drie acteurs – waaronder zijn eigen echtgenote Anita – regisseerde bij het spelen van dit toneelstuk.

Je vader was een goed acteur“, vertelt hij, “en hij had tegelijk ook zelf wat regie-ervaring en dat kwam hem regelmatig wel eens van pas op de scène.” Wannes vertelt hoe het vat waaruit papa moest tappen tijdens het stuk niet aangesloten was – een vergetelheid. De drie acteurs begonnen te improviseren terwijl Wannes snel de zaal uit kroop, op zoek naar een oplossing. “Hij heeft zich daar prima uit de slag getrokken. Je merkte dat hij tegelijk kon improviseren en het overzicht kon behouden over waar het stuk wel naartoe moest blijven gaan.” Ik lach en bedenk me dat ik daar misschien bij was toen die ene speelavond dat het vat niet aangesloten was. Of misschien herinner ik het me omdat ik het verhaal hoorde aan de eettafel en heb ik mezelf er intussen een rol in gegeven.

Je merkte het onmiddellijk als je papa op zijn gemak was in een productie. Dan kon hij dat regie-stukje loslaten in zijn spel en dan werd hij écht het personage dat hij aan het spelen was. Hij kon daar ook voor en na het stuk nog even mee doorgaan.” Ik probeer het me in te beelden – hoe hij na het optreden nog een personage uit een stuk van Molière was. Of hoe het was om hem stilaan weer Jos te zien worden naarmate het doek langer gevallen was op het toneel.

Hij was grappig ook, je vader.” Ik knik en gniffel al een beetje. Dat was hij – of ik vond dat althans. Papa was een taalvirtuoos en niet zelden waren zijn grapjes talige situatiehumor. Hij was geen moppentapper, maar hij kon op perfect het juiste moment iets zeggen of iets opmerken in het gedrag van een ander wat me erg aan het lachen bracht. “Maar hij maakte nooit grappen op de kap van een ander”, nuanceert Wannes. “Hij kwetste niet met zijn humor.” Dat dat een gave is, leer ik met ouder te worden.

Na papa’s dood omschreven veel mensen hem elk afzonderlijk als een ‘minzame man’. Ik ging het woord opzoeken om zeker te zijn dat ze allemaal hetzelfde bedoelden. Zo vaak wordt het woord ‘minzaam’ nu eenmaal niet gebruikt in gewone spreektaal. Maar de definitie bleek perfect te passen bij mijn papa: vriendelijk, beleefd, innemend, beminnelijk, aardig. Papa kon ook streng zijn, maar god wat heb ik hem zo vaak aardig zien zijn.

Hij was graag creatief bezig, op alle vlakken in zijn leven. Hij was erg blij met het bandje van je broers en hoe hij daar ook in mee mocht spelen.” Ik vertel hem dat ik dat ook zo ervaren heb. Papa beleefde zijn tweede jeugd als jonge vijftiger in het rock ’n roll coverbandje van mijn broers. Hij speelde mondharmonica en na een tijdje zong hij zelf ook enkele nummers. Elke gelegenheid om muziek te maken (en een pint te drinken, eerlijk is eerlijk) greep hij graag met beide handen.

Jij nam het stuk over dat papa aan het regisseren was toen hij stierf,” zeg ik tegen Wannes. Hij knikt. Dat weet hij nog. ‘Beet’ heette dat – over twee vrienden die samen aan de waterlijn zitten te vissen. “We kwamen naar de première kijken met ons gezin,” vertel ik. Hoe dat lastig was en pijn deed en schuurde langs alle kanten. Zijn naam stond nog op de affiche met die van Wannes in het klein eronder. Op het einde van het stuk werd het pikdonker in de zaal. Een spot scheen een helwitte cirkel op het podium en de twee acteurs legden elk een witte roos in de cirkel. Ze bogen het hoofd. Het was stil in de zaal.

Je hebt dat mooi gedaan toen“, zeg ik. “Dat was vast niet makkelijk voor jou.”

We praten nog wat. Over mijn kinderen, over zijn zoon en zijn kleinkinderen. Over zijn job. Over hoe kinderen eerst een tijd vinden dat hun ouders van niets weten om daarna toch bij een gelijkaardig antwoord uit te komen. Anita komt thuis en rommelt in haar kasten – op zoek naar enkele foto’s van dat grappige toneelstuk dat ze 21 jaar geleden samen speelden. Het was een van de fijnste stukken die ze ooit mocht spelen, zei ze. “Dat kleedje dat ik daar aanheb, dat hangt hier nog. Dat doe ik van z’n leven niet weg.”

Ik bedank hen – voor hun tijd, hun verhalen, hun herinneringen.
Hij voelt weer even heel dichtbij, die papa van mij. Moest ik niet beter weten, ik zou geloven dat hij gewoon even naar het toneel was. In de auto zet ik het debuutalbum van Randy Newman op. Hij zingt eerst Love Story en dan komt Living without you. 

It’s so hard
Baby, it’s so hard
Living without you.

Be/Ver-zorgd

Ik lig op mijn buik plat op mijn yoga-mat. Ik voel me een beetje opgelaten omdat hij het ontspanningsoefeningetje niet mee wou doen. De yoga-juf zegt dat het nu aan de kindjes is en hij fleurt helemaal op.

Met veel toewijding wrijft hij over mijn rug als de wind, tikt hij op mijn benen als de regendruppels, hupt hij met zijn vingers over mijn schouders als een vogeltje. Hij is heel voorzichtig – als het te hard is, ga je’t dan zeggen mama?

Ik knik. Ik sluit mijn ogen. Een traan loopt tussen mijn wimpers heen. Het raakt me – hoe hij voor me zorgt, hoe ik even de spanning uit mijn schouders voel glijden, hoe blij hij is met wat exclusieve tijd en aandacht.

Hij wrijft zijn handpalmen snel tegen elkaar. “Nu worden ze echt heel warm mama. Dat ga ik over je heen gooien en dan ben jij beschermd. Kies maar een kleur!”. Oranje – zeg ik – en hij strooit een onzichtbaar oranje laagje over me uit.

We knuffelen. Thuis tonen we onze rugrol, ons dubbel stapelbed en hoe ik hem kan laten vliegen op mijn voetzolen. Hij komt me zeggen dat het zo leuk was. En dat hij van me houdt – zélfs wanneer ik even boos op hem ben.

Ik vraag of hij het echt leuk vond en waarom hij het oefeningetje niet wou doen. Of het misschien kietelde, of wilde hij misschien liever zitten in plaats van liggen? Of kriebelde het deken in zijn nek?

Oh – zegt ie – omdat ik altijd liever eerst voor jou wil zorgen.

En nu zit ik hier en bedenk ik me dat het een helse opdracht wordt om hem te leren die prachtige eigenschap juist te gebruiken.

B4DAE3E8-79E6-43A6-89AB-90402D3AE14C

Waarom?

“Mamaaaa…” – je ogen zijn nog maar net open, of de eerste van de dag komt er al aan. Vragen – je slaat me er voortdurend mee om mijn oren.

Alles wil je weten. Hoe ketchup gemaakt wordt en hoe het in een fles komt. Hoe het komt dat tandpasta schuimt en hoe hard je daar dan precies voor moet poetsen. Hoe het komt dat mensen zweten. (Je huilt als ik je het antwoord geef, want je vindt het een beetje akelig die kleine gaatjes in je huid). Je wil weten hoe lang je nog moet wachten vooraleer je jarig bent. Je wil weten hoe het komt dat het toch altijd zo lang duurt. Waarom komt eerst de zomer en dan pas de herfst en dan pas de winter? Dat de natuur zo werkt is voor jou niet het finale antwoord. Waarom werkt de natuur dan zo? En ik voel me in het nauw gedreven omdat “Tja, dat is gewoon zo” nooit werkt bij jou.

We lezen een boek samen. Zoals elke avond lees ik eerst een verhaal en daarna doen we nog twee prenten uit een zoekboek. Ik open mijn mond om de titel voor te lezen en je barst los: Waarom kijkt die zo? Waarom weent die? Wat is een titel? Waarom blaft die hond buiten de hele tijd?

Heel de dag door zit je als een soort van vraagzieke papegaai op mijn schouder. Bij elke stap die ik zet, elke beweging die ik maak, elke zin die ik uitspreek tegen iemand anders heb je wel een vraag of een bedenking. Wie? Wat? Waarom? Wanneer? Hoe lang? Hoe lang precies? Waarom zo lang dan? Alles wil je tegen me vertellen. Het moet ook altijd onmiddellijk want als je vergeet wat je wilde zeggen, dan huil je dikke tranen. Ik moet kijken naar alles wat je doet. Het is niet écht gebeurd, als ik het niet uitgebreid geobserveerd heb.

Ik begin de dag telkens met frisse moed: ik laat je zelf nadenken, ik zet je op weg, ik verwoord mijn eigen bedenkingen en we komen samen tot een antwoord. Ik laat je zoeken of vragen aan anderen die het zouden kunnen weten. We kijken filmpjes die je het antwoord kunnen geven en kijken in boeken. Maar door het dagelijkse kruisverhoor dat begint van zodra ik mijn ogen open, ben ik ergens in de namiddag moe. Ik ben het moe. Ik wil niet meer antwoorden – ik wil geen vragen meer – ik wil gewoon twéé minuten niét praten.

Ik hurk bij je neer. Ik zeg het je. Dat mijn hoofd even vol zit. Dat ik stilte-tijd wil. Dat ik soms ook even in mijn eigen hoofd wil zitten en niet in dat van jou. Dat ik het echt fijn zou vinden als je even alleen zou spelen of met je broer. Dat ik van je hou en zo blij ben met al die interessante dingen die je me voorlegt, maar dat het nu eventjes genoeg geweest is.

Je kijkt me aan.

“Maar mama. Waarom?”

0E747D24-4AA2-49F7-9C1D-E78BE642B087-892F9342-3307-4532-A1BC-DEA959B6CD06

Loslaten.

Het is hier stiller dan gewoonlijk.

Ik zoek wat de laatste maanden. Naar rust temidden van onrust. Naar zekerheden die rechtop blijven in deze rare tijden. Ik vind het erg uitdagend allemaal. De ene dag lukt het me goed, voel ik me veilig en ben ik dankbaar. Een dag later voel ik me angstig, onzeker en wil ik dat het stopt allemaal.

Ik kan me verliezen in piekeren, in ‘wat als-scenario’s’. Ik vraag me af hoe mijn werk eruit zal zien. Of het me in zo’n sterk aangepaste vorm evengoed voldoening zal geven. Ik ben bezorgd over mijn kinderen en welke impact deze maanden op hen zal hebben op lange termijn. Ik wil dat ze vrij en zorgeloos kunnen zijn – zoals dat hoort voor een kind. Ik wou dat ik mijn geliefden kon beschermen of dat een toekomstige versie van mezelf me even kon laten weten dat we hier allemaal gezond en wel weer uit zullen komen. Ik wou dat er zekerheid was zodat er terug rust kon komen in mijn hart.

Ik herinner mezelf aan wat ik eerder al leerde: zekerheid bestaat niet. Controle is een illusie. Levenservaringen leerden me dat al op heel pijnlijke manieren, maar toch blijven mijn hersenen me koppig wijsmaken dat ik wél controle kan hebben als ik maar genoeg dit of als ik maar genoeg dat.

Ik probeer lief te zijn voor mezelf: ik hoor je, stem in mijn hoofd, maar ik beslis niet naar je te luisteren. Controle bestaat niet – laat het los. Adem in en uit en leef hier in het nu. Kijk naar wat er zich nu rond je afspeelt en ga van daaruit verder.

Ik wandel door onze tuin. De munt groeit overal, de zonnebloemen zijn anderhalve meter hoog. Aan onze nieuwe vlinderstruik groeien steeds meer paarse bloemen. De bijen zoemen door de lavendel. Ik hoef zelfs niet stil te zijn om ze te kunnen horen.

Ik ga met mijn handen door de basilicum. Enkele meters verder kan ik het nog ruiken. Het ruikt naar zomer, naar mozzarella en naar sla. Ik giet water in de bakken en zie dat er kleine tomaten aan onze nieuwe plant groeien. Nochtans hadden ze me vaak gewaarschuwd dat het misschien niet zou lukken met die tomaten.

Ik stuur een foto van onze plant naar iemand die me erg dierbaar is. Ik kan soms maar vijf minuten met haar praten en in die vijf minuten heeft ze zeker tien dingen gezegd die me vooruit helpen of troosten. Ze antwoordt snel: “nu de zon nog! Maar die komt. En dan is het afwachten welke kleur de tomaatjes zullen hebben. Dat wordt nog een verrassing!”

Precies wat ik al dacht: loslaten.

IMG_7187