Loslaten.

Het is hier stiller dan gewoonlijk.

Ik zoek wat de laatste maanden. Naar rust temidden van onrust. Naar zekerheden die rechtop blijven in deze rare tijden. Ik vind het erg uitdagend allemaal. De ene dag lukt het me goed, voel ik me veilig en ben ik dankbaar. Een dag later voel ik me angstig, onzeker en wil ik dat het stopt allemaal.

Ik kan me verliezen in piekeren, in ‘wat als-scenario’s’. Ik vraag me af hoe mijn werk eruit zal zien. Of het me in zo’n sterk aangepaste vorm evengoed voldoening zal geven. Ik ben bezorgd over mijn kinderen en welke impact deze maanden op hen zal hebben op lange termijn. Ik wil dat ze vrij en zorgeloos kunnen zijn – zoals dat hoort voor een kind. Ik wou dat ik mijn geliefden kon beschermen of dat een toekomstige versie van mezelf me even kon laten weten dat we hier allemaal gezond en wel weer uit zullen komen. Ik wou dat er zekerheid was zodat er terug rust kon komen in mijn hart.

Ik herinner mezelf aan wat ik eerder al leerde: zekerheid bestaat niet. Controle is een illusie. Levenservaringen leerden me dat al op heel pijnlijke manieren, maar toch blijven mijn hersenen me koppig wijsmaken dat ik wél controle kan hebben als ik maar genoeg dit of als ik maar genoeg dat.

Ik probeer lief te zijn voor mezelf: ik hoor je, stem in mijn hoofd, maar ik beslis niet naar je te luisteren. Controle bestaat niet – laat het los. Adem in en uit en leef hier in het nu. Kijk naar wat er zich nu rond je afspeelt en ga van daaruit verder.

Ik wandel door onze tuin. De munt groeit overal, de zonnebloemen zijn anderhalve meter hoog. Aan onze nieuwe vlinderstruik groeien steeds meer paarse bloemen. De bijen zoemen door de lavendel. Ik hoef zelfs niet stil te zijn om ze te kunnen horen.

Ik ga met mijn handen door de basilicum. Enkele meters verder kan ik het nog ruiken. Het ruikt naar zomer, naar mozzarella en naar sla. Ik giet water in de bakken en zie dat er kleine tomaten aan onze nieuwe plant groeien. Nochtans hadden ze me vaak gewaarschuwd dat het misschien niet zou lukken met die tomaten.

Ik stuur een foto van onze plant naar iemand die me erg dierbaar is. Ik kan soms maar vijf minuten met haar praten en in die vijf minuten heeft ze zeker tien dingen gezegd die me vooruit helpen of troosten. Ze antwoordt snel: “nu de zon nog! Maar die komt. En dan is het afwachten welke kleur de tomaatjes zullen hebben. Dat wordt nog een verrassing!”

Precies wat ik al dacht: loslaten.

IMG_7187

Te Deum

Mijn grootvader dook onder tijdens Wereldoorlog II. Hij weigerde te gaan werken in wapenfabrieken voor de Duitsers. Alle jonge mannen werden toen opgeroepen om dat te doen. Later werd hij rijkswachtscommandant. Zo diende hij zijn hele leven het land waar hij van hield.

Hij had verschillende medailles die hij op spelde op 21 juli om naar het Te Deum te gaan. Bij de Brabanconne stond hij fier rechtop. Hij salueerde de vlag – zijn linkerhand op de naden van de broekspijp van zijn linkerbeen.
Dat deed hij elke keer als het lied ergens weerklonk.
Hoe moeizaam ook – rechtstaan deed ie.

Op zijn begrafenis schuifelden twee oud-strijders naar voren. Elke begrafenis kwamen ze – telkens met minder. Ene hield de vlag vast. De andere haalde een draagbare cassettespeler boven en duwde op play.

De Brabanconne begon. Zijn strijdmakkers salueerden zijn kist.
Dat ga ik nooit meer vergeten.

Dus elk jaar hang ik de vlag.
En salueer ik zijn graf.

Voor vorst – voor vrijheid en voor recht.
En voor bompa.

IMG_5821

 

Een vreemd einde

Het is het einde van het meest rare schooljaar uit mijn hele carrière. Het is een gek einde. Het voelt raar om de juf die we nog maar net weer tegemoet konden zwaaien, nu alweer uit te zwaaien. Het is vreemd dat mijn jongste die het ritme net te pakken had, het nu alweer los moet laten. Het is lastig om mijn oudste die zo graag leert en speelt nu weer wat van zijn hersenvoeding en prikkels te ontnemen.

Ik denk vandaag aan mijn nichtje die nu haar lager onderwijs heeft afgewerkt in deze rare tijd. Ze moest heel wat van die typische zesdeleerjaarsactiviteiten missen. De laatste maanden op de lagere school bracht ze noodgedwongen in haar kamer thuis door. Gisteren had de school toch een mini-proclamatie voorzien en ze straalde, de mouche. Hoe is dat in godsnaam zo snel kunnen gaan, dacht ik toen ze vertelde hoe de avond was verlopen.

Ik denk vandaag aan zesdejaarsstudenten van het middelbaar die nog méér van die belangrijke activiteiten moesten missen. Geen chrysostomos, geen fuiven, niet samen rondhangen aan het studentencafé op vrijdag, geen zesdejaarsreis – wat een gemis. Mijn zesde middelbaar was het pijnlijkste jaar van mijn schoolcarrière (papa was net overleden). Die afleiding en dat schoolstramien gaf mij toen zekerheid, ritme en een veilige plek waar ik elke dag kon kiezen hoe ik me zou voelen. Dat allemaal niét hebben is voor zoveel jonge mensen een bijzonder groot gat en betekent een half einde van die lange zes jaar in het secundair onderwijs.

Ik denk vandaag aan mijn eigen studenten – wat heb ik ze gemist! Ik had ze regelmatig door het computerscherm willen sleuren. We hebben er samen het beste van gemaakt in onze online klassen. Ik gaf digitaal les, ik sprak filmpjes in, ik bracht uren en uren lezend door achter mijn pc tot mijn ogen er van gingen tranen. Ik deed mijn best om er voor hen te zijn. Om hen te zién en te vragen hoe het ging – niet met hun schoolwerk, maar met hen. Ze vonden het lastig allemaal. Ze vonden het véél leuker gewoon in de klas en ik knikte van ja. Ik denk aan mijn derdejaars die ik normaal gezien mee mag uitzwaaien op de officiële proclamatie. Ik besef hoe die proclamatie ook voor mij telkens een afronding is – een slotstuk dat mijn hoofd en lijf signaleert dat het nu echt tijd is voor ontspanning. Ook ons einde voelt half. We houden bij ons op de hogeschool bewust de lijn nog open zodat we in september wél echt afscheid kunnen nemen. Na drie jaren van hard werken – en wérken moeten ze bij ons – hebben ze dat plechtig moment meer dan verdiend.

Ik denk vandaag aan de juffen van mijn zonen. Die twee juffen die mijn jongste zoon moesten opvangen in een school waar hij nog nooit een voet had binnen gezet. Een school die er bovendien plots anders uitzag en nieuwe extra regeltjes had. Hoe ze naar hem zwaaiden via de computer zodat hij hun gezicht toch al eens had gezien voor hij begon. Ik denk aan de juffen die aan de schoolpoort stonden elke ochtend – om de kindjes op te vangen, om hen vast te houden. Wat deed dat mijn hart deugd dat ze hem optilden en samen met hem gingen kijken naar zijn klas die eerste dag. Ik denk aan de juf van mijn oudste zoon die de corona-periode gebruikte om een digitale kunstenaar te worden. Ze stuurde ons filmpjes van de klasmuis die in een Playmobil helikopter door het beeld vloog. Kasper lachte tot er tranen uit zijn ogen liepen omdat hij zijn vriendjes en zijn juf zo miste en het beu was om te wachten wachten wachten.

Al die juffen ademen de liefde voor het vak en tonen elke dag in hun lesgeven de liefde voor hun kleuters. Ik hoop dat we heel wat gaan overhouden aan die corona-periode. Minder zot vliegen, less is more op zoveel vlakken en wat meer zorgzaamheid voor elkaar om zomaar wat dingen op te noemen.

Maar ik hoop vooral dat we nooit meer gaan vergeten hoe belangrijk een school, een klas, een leerkracht is in het leven van een kind. Ik hoop dat we de mensen die daar iedere dag aan werken wat meer op handen zullen dragen. Zij zorgen immers elke dag met veel liefde en toewijding voor datgene wat ons zo heel erg dierbaar is.

IMG_4774

 

 

Twee

Dit jaar is het vijftien jaar geleden dat mijn papa stierf. Ik schreef eerder al dat ik daarom op zoek wil gaan naar vijftien nieuwe verhalen van mensen die mijn papa op een andere manier hebben gekend dan ik. Het eerste verhaal liet ik me vertellen door de spullen die ik vond in zijn bureau.  Voor het tweede verhaal neem ik je graag mee terug naar papa zijn chiroverleden.

Als jonge knaap was papa lid van de Chiro in het kleine West-Vlaamse dorp waar hij opgroeide. Ik heb daar weinig verhalen over. Hij heeft me er nooit over verteld en ik heb er nooit naar gevraagd. Hij was bij de Chiro geweest – dat wist ik en verder had ik geen interesse. Sommige verhalen worden pas interessant wanneer blijkt dat je ze nooit te horen zal krijgen.
Er bestaan een aantal foto’s van hem als kleine jongen in zijn chiro-uniform. De plaatselijke Facebookgroep deelde ze al verschillende keren. Ik download ze en zoom in op het kleine jongetje dat later mijn papa zou worden. Ik bestudeer zijn gezicht en vind het moeilijk om de man erin te zien die ik zo goed kende. Uit de foto’s en de commentaren eronder kan ik afleiden dat ze op de Chiro heel gewone dingen deden: in grachten springen, kampen bouwen, voetballen – jongens en meisjes strikt gescheiden, dat spreekt. Hij moet het er in ieder geval leuk gevonden hebben, want hij bleef er jaren bij. Ik vind nog een foto van hem uit 1971. Ik tel uit dat papa daar 18 jaar is. Nu heb ik geen moeite meer om hem te herkennen. Het is alsof mijn broer me aanstaart vanuit een keukentent. Hij houdt een sigaret vast en glimlacht wat schaapachtig naar de camera.

In het midden van de corona-crisis diepte ik vanop onze zolder de bakken met dia’s op. Mijn lief installeerde de dia-projector en het scherm. De laatste keer dat ik dat ding had zien draaien was toen ik in het zesde middelbaar zat en een presentatie zou geven over Firenze. Mijn vader sleepte er de projector bij en toonde op de witte deur van mijn oudste broer zijn slaapkamer foto’s van de verschillende belangrijke gebouwen. Hij had die foto’s gemaakt tijdens Italië-reizen die hij mee begeleidde samen met mijn mama. Het was nog in de tijd dat ik een Encarta-CD in de computer duwde als ik iets wilde opzoeken, dus ik was blij met zijn foto’s en zijn uitleg. Qua bronvermelding stak het toen gelukkig nog zo nauw niet, want alles wat ik noteerde voor mijn presentatie had hij me verteld.

Maar dus. Temidden van die corona-crisis zetten we het ding nog eens aan om door al die foto’s te gaan. Er zat niet altijd een duidelijke rangschikking in en plots stootten we op een foto van mijn papa als twintiger – springend naar een bal. Hij was niet meer echt lid van de Chiro maar ging nu mee als volwassen begeleider.

IMG_1197

Ook daar had ik nooit vragen over gesteld. Dat kon beter, dacht ik, en ik nam contact op met enkele mensen die papa ook gekend hebben als volwassen begeleider (VeeBee) van de Chiro. Toen hij in de vijftig was, ging hij immers terug bij de Chiro. Dit keer in de kleine Limburgse gemeente waar wij groot werden. Ze waren nog op zoek naar iemand die die rol op zich wou nemen en hij zag dat wel zitten. Dat hij zo ook mijn broer wat in het oog kon houden die niet vies was van wat streken hier en daar, was handig meegenomen.

Het duurde niet lang of Steven stuurde me enkele leuke verhalen door. Hij vertelde me hoe papa in de keukentent eerst grote ogen getrokken had, maar al gauw mee kon en zijn plek vond. Hij leerde de leiding het dranklied ‘Berten Rodenbach’ (Albrecht Rodenbach is een grote held in Roeselare, zoek maar eens op) waar je op de tonen van ‘The Battle Hymn of The Republic’ het zinnetje ‘Berten Rodenbach heeft een vogel in zijn hand’ vier keer na elkaar zingt maar telkens het laatste woord weg laat. Wie mist, moet drinken.
Hij schreef over hoe papa wat extra drama toevoegde aan de overvalsnacht waar de oud-leiding naar aan het opbouwen was door ’s avonds oude kampbedden in de fik te steken. Daar werd natuurlijk druk over gespeculeerd in de leidingstent (wie doet nu zoiets?!) en papa voegde in het gesprek achteloos toe dat er een kampplaats in de buurt onlangs nog overvallen was door hangjongeren. Hij vertelde over de woordgrapjes die papa maakte bij het voorlezen van het menu aan de burggravin. Zo werd er miratisu gegeten als dessert of mocochousse. Een van mijn beste vrienden vertelde me eerder al verschillende keren hoe papa hem de put voor de hudo hielp graven toen hij als enige aspi-jongen die taak toegewezen kreeg.

Ik herkende papa in al deze verhalen en voelde me onmiddellijk terug vijftien jaar – ergens op kamp in een gat in Wallonië met mijn broer als mijn leider en mijn vader als VeeBee. Dat was een pint drinken en hopen dat hij het niet zou ruiken (wat hij uiteraard wel deed), dat was na het avondgebed in het schemerdonker nog een knuffel geven aan papa, dat was hem over de kampplaats zien hossen netjes in uniform inclusief legerbottinen ongeacht de temperatuur. Dat was het kamplied zingen dat hij schreef met woorden erin die niet iedereen snapte (verdonkeremanen om zomaar iets te zeggen), dat was hem grapjes zien maken met andere kinderen die eerst nog wat argwanend keken naar die grote man met zijn prikkelbaard. Dat was het gevoel van niet echt van thuis weg te zijn – daar in dat hol in Wallonië – ik had immers de helft van ons gezin gewoon bij mij.

Ik zoek het fotootje dat al bijna 15 jaar in mijn portefeuille steekt. Ik ben vijftien jaar en ik sta naast papa op de kampplaats. Het gras is bruin geworden van de zon. Op mijn rug hangt mijn rugzak om op dagtocht te vertrekken. Hij wandelt voorbij in zijn uniform – we hebben net met z’n allen de vlag gehesen. Ik vraag hem of hij met mij op de foto wil. Hij trekt me dicht tegen zich aan en hij glundert. Ik zeg hem dat we op dagtocht gaan en hij kijkt me aan van top tot teen. “Dat zal niet meevallen,” zegt hij, “op zo’n onnozele sloefkes. Dit – hij wijst naar zijn botinnen – zijn dagtochtschoenen.” Hij knipoogt en host verder naar de keukentent.

IMG_4667

De oren van mijn kop.

Er wordt hier – zoals gewoonlijk – erg veel gepraat. Mijn kinderen praten echt constant. Het voelt soms alsof ik twee hyperactieve papegaaien op mijn schouder heb zitten. Iedereen onderbreekt elkaar ook voortdurend – in die mate dat ik me afvraag of wij elkaar dan ook niet laten uitspreken want waar halen ze’t anders? Enfin, we oefenen erop maar er is nog enige onvrede omdat hun verhalen gewoon echt extreem lang duren en wij altijd na twee minuten worden aangemaand om af te ronden.

Enkele pareltjes uit de afgelopen weken:

  • E: Ik wil ook een boterham met korrels!
    Ik: komt eraan!

    E: Oké! Succes!
    Aanmoediging komt soms uit onverwachtse hoek.
  • K: Jij bent echt de allerliefste mama omdat jij het meeste voor mij zorgt!
    Erkenning komt soms uit onverwachtse hoek.
  • Tijdens een wandeling passeren we een bouwwerf. Er is duidelijk net een huis platgegooid en de jongste vraagt of er een nieuw in de plaats zal komen. Ik leg hem uit dat mensen dat eerst moeten vragen aan de baas van de gemeente. Hij stelt nog duizend bijkomende vragen waar ik zelf vaak het antwoord niet op weet. Uiteindelijk eindigt hij met:
    Dat begrijp ik niet. Maar aaaals er een nieuw huis komt, dan vind ik dat PRACHTIG.
  • De jongste al zingend:
    Vuilnisman, kom je mijn korst opruimen want ik lust geen korst!
    Ik ben niet bijzonder blij met mijn nieuwe titel.
  • Kas zuigt het laatste beetje vanilleijs uit zijn hoorntje:
    Zo! Helemaal opgeslurft!
  • De oudste is de laatste tijd heel erg zorgzaam. Je merkt dat hij steeds beter zich kan inleven in hoe anderen zich voelen.
    Ik kies dit spelletje want ik vind dat mijn broer dat al heel goed kan meespelen.
    En tegen mij toen het me allemaal even tot hier zat:
    Ik wil iets zeggen om je op te vrolijken…. Ik vind jouw sandalen mooi!
  • De jongste hupt mee op het ritme van de oudste en groeit ook erg in zijn empathisch vermogen.
    Graag gedaan mama dat ik even mijn mond hield tijdens het nieuws.
    Hallo, spiegel. In my defence, het was op de dag dat alles me tot hier zat.
  • Hij kan ook steeds beter mee in het fantasiespel van zijn broer. Ze zijn nu allebei samen into Paw Patrol. Het is echt fijn om te zien hoe ze dat delen en hoe ze samen allerhande verzonnen problemen oplossingen als hun honden alter ego. E. neemt de identificatie wel erg serieus:
    Slaapwel leeuw!
    Ik ben niet leeuw!

    Slaapwel E!
    Ik ben niet E! Ik ben Marshall!
    Slaapwel Marshall!
    Slaapwel!

Verder wordt er hier nog regelmatig gevraagd naar “de kerona” en of de mensen elkaar nog “kerona” kunnen geven. Nu de school binnenkort haar deuren eindelijk weer opent, vertel ik hen regelmatig wat ze kunnen verwachten. Enige voorspelbaarheid maakt een en ander doorgaans wat makkelijker voor mijn jongens.

Ik kijk ernaar uit met een klein hartje. Ik hoop dat het hen deugd zal doen (ik weet dat het zo zal zijn), dat ze zich veilig voelen (ik weet dat er veel mensen daar hun uiterste best voor zullen doen) en dat ze bij hun thuiskomt de oren van mijn kop praten.

 

Om te (ont)houden

Ik kan boeken vol schrijven over de voorbije weken.
En langs de andere kant heb ik er soms gewoon niks nieuws meer over te zeggen. De dagen gaan soms goed en soms niet zo goed en soms een beetje van allebei. Maar vandaag was een dag om een kadertje rond te trekken.

Dit wil ik onthouden:

  • Mijn jongens die op de markt de pijlen lezen en kort bij me staan. “Maak je geen zorgen,” zegt mijn oudste, “ik raak hier echt niks aan.” Hij ziet het op mijn gezicht wanneer ik meer op mijn hoede ben. Ze blijven de hele tijd (extreem) kort bij mij, ze houden afstand (goed afstand houden! zegt de oudste tegen zijn broer). Als we thuiskomen gaan ze zelf hun handen wassen.
  • Hun enthousiasme op weg naar de speeltuin. De hekken staan er nog rond, maar de verantwoordelijke spreekt ons aan en vertelt dat het mag en dat ze de hekken komen ophalen. Ze lopen wat onwennig rond die eerste minuten, maar daarna is het spelen spelen spelen. Er zijn nog kindjes van op school en ik zie hoe hun spel meteen helemaal verandert – ieder zijn rol, ieder zijn aanpak.
  • Mijn jongste die zich op zijn buik van de glijbaan laat glijden. Hij lacht. Zijn gezicht heeft al wat zomergloed en zijn haar glanst goud in de voormiddagzon. “KIJK MAMA!” roept hij, net voor hij zich loslaat. “IK ZIE JOU!”, roep ik terug.
  • Hoe hij plots het spel onderbreekt, naar me toegelopen komt en vraagt of ik me even wil bukken. Hij fluistert in mijn oor dat hij het zo heel erg leuk vindt dat hij met andere kindjes kan spelen. Ik zie de sterren in zijn ogen en hij rent weer terug weg.
  • Drie jongens op fietsjes onderweg naar de ijsjeskraam. Ze spelen Paw Patrol. Uit hun armen groeien touwen waar ze mee kunnen slingeren, als ze op een knopje op hun elleboog duwen dan komt er een voor mij onzichtbare verrekijker tevoorschijn. Als ze twéé keer ‘woef woef’ zeggen dan gaan ze supersnel, maar als ze drié keer ‘woef woef woef’ zeggen dan gaan ze supermegasnel.
  • Onze vrienden die we kozen als tweede bubbel. Ze zitten aan tafel terwijl ik de groenten in de oven schuif. Ik hoor glazen die neergezet worden, chips die kraakt, onze kinderen die lachen en Mila die achter onze poes aanholt.
  • Onze straat in de avondzon. Op de gebruikelijke nummers gaan om acht uur de voordeuren en de ramen open. We klappen nog altijd elke avond. Ik denk niet dat we het nog enkel voor de zorg doen. Intussen klappen we voor onszelf, voor onze kinderen, voor de postbode, de mensen die in de winkels werken, de leerkrachten en voor elkaar. Het klappen is de aanleiding om daarna vanop afstand even met elkaar te babbelen. Een klein sociaal ankerpunt dat er al die weken elke avond in weer en wind geweest is.
  • “Dat vond ik leuk, zeg”, zegt de oudste wanneer hij in bed ligt. “Wat bedoel je?”, vraag ik. Gewoon – zegt ie – alles.
    Ik ook.
    4E761880-C74C-4CC0-A06C-B19B501F0B30

Geademd.

Ik ben net terug van mijn eerste les yoga sinds de lockdown die geen lockdown wordt genoemd. We zaten allemaal op veilige afstand van elkaar – in de buitenlucht. Ieder op zijn eigen matje. Ik kijk wat onwennig om me heen.

Het is weken geleden dat ik nog op mijn yogamat stond. Aan mijn lieve juf zal het niet gelegen hebben. Ze stuurde wekelijks yoga-filmpjes door die we konden downloaden. Ik ben aan het downloaden geraakt en toen besefte ik dat ik fulltime moest werken met twee kleuters thuis en van yoga kwam niet meer zo veel in huis.

Maar vandaag sta ik terug op mijn mat. Ik voel hoe de wind door mijn haren blaast en hoe de avondzon op mijn gezicht schijnt terwijl ik voor het eerst in weken heel bewust en heel langzaam in en uit adem.

Mijn lichaam neemt als vanzelf weer de juiste poses aan. Ik word een neerwaartse hond, ik word een krijger, ik word een vlinder en een kat. Ik sta minutenlang met mijn hoofd naar beneden in en uit te ademen. Het voelt eerst ongemakkelijk, maar hoe langer ik er sta hoe meer ik ontspan en mijn hoofd echt tussen mijn schouders kan laten hangen. Ik duw mijn voeten in de mat en maak mijn benen krachtig. Ik houd mijn evenwicht. Ik rek langs links en langs rechts en voel hoe alles daar vaster was gaan zitten.

Terwijl ik op mijn rug lig, voetzolen tegen elkaar en armen gespreid, voel ik hoe mijn borst lost. Ik adem spanning weg die ik al weken op en net onder mijn huidoppervlak met me meedraag. Ik kijk naar de lucht en zie een vliegtuig een witte streep trekken. De kat van de yogajuf komt over mijn mat gelopen.

Héhé, zeggen we allemaal na een uur traag bewegen met onze ogen dicht.
Ik kijk de kring rond.
De meeste mensen die er zijn vandaag, ken ik niet.
Maar allemaal kijken ze vriendelijk uit hun ogen.
Ze hebben net zoals ik even adem gehaald.

66DA7788-CE93-4ABA-980A-2A44952DE420

Ged/tij.

Het werd hier even wat stiller. Ik had het gevoel niets nieuws meer te kunnen zeggen – alleen maar meer van hetzelfde. Herhaling zwaait de plak hier in mijn leven.

Ik wandel elke dag dezelfde wandelingen. Mijn dagen zien er qua indeling hetzelfde uit. Ik zie dezelfde mensen. Ik doe dezelfde dingen om mij te ontspannen. Herhaling en routine zijn dingen die me doorgaans tot rust brengen, maar te veel blijkt toch ook niet dat te zijn.

Op sommige dagen kijk ik echt op tegen het avondritueel met de jongens waar ik dat in normale omstandigheden zo gezellig vind. Nu denk ik: alwéér voorlezen, alwéér vragen beantwoorden, alwéér kindjes omkleden, tanden poetsen, knuffels recht leggen en dekens vaststeken.

Op sommige dagen ben ik het beu om de jongens bezig te houden. Ik heb geen zin in een dag die weer hetzelfde zal verlopen. Alwéér verven en daarna alles afkuisen, alwéér spelletjes spelen, alwéér water in de emmer doen en andere kleren want alles is nat, alwéér boekjes voorlezen, alwéér meespelen in de verhaaltjes van brand blussen en missies oplossen die ze voor zichzelf verzinnen.

Op sommige dagen word ik zo moe van zo te werken. Ik wil weer gewoon een dag met een duidelijke grens tussen werk en privé. Een grens waar ik zelf overheen kan, als ik eens tot laat wil werken maar niet constant omdat het niet anders kan. Ik wil niet in brokjes en beetjes moeten werken doorheen de dag. Ik wil niet elke avond tot bedtijd toe achter mijn computer zitten. Ik wil niet met mijn collega’s praten via een scherm. Ik wil niet meer mailen, zoomen, skypen, whatsapp’en – ik wil GEWOON MENSEN ZIEN en die matige koffie met vies melkpoeder drinken uit de koffiemachine in onze lectorenruimte.

Op sommige dagen wil ik NOOIT MEER iets in het huishouden moeten doen. Ik gruwel bij het besef dat ik nog MIJN HELE LEVEN eten moet maken, de keuken moet opruimen en dan terug eten moet maken. Alwéér alle nest onder hun stoelen op stofzuigen, alwéér kleren wassen – opplooien – terugleggen. Alwéér speelgoed terug in de doos, laarzen in de kast, jassen aan de kapstok. Mijn leven lijkt te bestaan uit kussens terug in de zetel leggen.

Net op dié dagen besef ik hoe nodig het is om de dingen te doen waarvan ik weet dat ze mij kunnen helpen. Dus ik ga wandelen, ik verstop me even in de badkamer, ik gun mezelf afhaalkoffie uit een bekertje die ik thuis goedkoper zelf kan maken, ik zet hen voor de tv zodat ik met muziek in mijn oren het eten kan klaarmaken. Ik vertel mezelf niet langer dat dat egoïstisch is – ik zeg net hoe nodig het is om het vol te houden, om voor mezelf te zorgen.

En dan zie ik weer de goede dingen. Ik mis de file naar het werk niet. Ik ben blij met de herontdekte natuur in onze nabije omgeving, van het wandelen en hoe dat deugd doet aan lijf en hoofd. Ik geniet zo heel erg van de jongens van kortbij te zien groeien voor zo’n lange periode. Ik word gelukkig als ik merk hoe zij elkaar in deze periode echt gevonden hebben. Ik zie mijn lief minder opgezogen worden door zijn werk – meer in verbinding zijn met zijn zonen, met zichzelf en met mij. Ik ben zo dankbaar voor de gestolen uren die we krijgen nu we onze bubbel hebben samengevoegd met die van Kasper zijn beste vriend. Ik voel mijn hart vollopen als Viktor me tegemoet komt lopen na al die weken. Na een kutdag word ik weer licht van wat te keuvelen met Dorien, van even te lezen in de zon, van een nieuwe oude vriendin die mijn hart weer binnengeslopen komt. De afstand van alles en iedereen brengt scherper in beeld wat ik kortbij wil houden en wat op termijn gewoon op afstand mag blijven.

En zo gaat het hier als met de zee: het komt en gaat. Ik laat het over me heen stromen – het goede en het lastige. Ik drijf een beetje mee met de golven en ik ben blij dat ik niet kopje onder ga.

Processed with VSCO with c1 preset

Eén

Dit jaar is het vijftien jaar geleden dat mijn papa stierf. Ik schreef eerder al dat ik daarom op zoek wil gaan naar vijftien nieuwe verhalen van mensen die mijn papa op een andere manier hebben gekend dan ik.

Zoals bij zowat al onze plannen van de voorbije weken en maanden, kwam corona roet in het eten gooien. Ik had – net voor de lockdown die we niet zo noemen – concrete plannen om met twee toneelvrienden van papa wat bij te babbelen in de gezelligste koffiebar van Diest. Maar toen at er iemand in China een rauwe vleermuis en we weten allemaal wat er daarna gebeurd is.

Mijn plannen om met mensen af te spreken, staan dus even on hold. Maar ik laat me niet ontmoedigen en ik vroeg intussen al aan enkele andere mensen of ze eens wilden nadenken over wat herinneringen die ze met mij zouden willen delen. Ik ging ook bij mezelf te rade: waar zou ik nog iets nieuws kunnen vinden? Misschien moest ik gewoon dicht bij huis zoeken, als in: in huis (want ergens anders ben ik de laatste weken toch niet meer geweest).

Over het algemeen is papa’s bureau vrijwel hetzelfde gebleven. Aan de muur hangen posters van toneelstukken die hij speelde. Recht voor me of net naast de deur kijk ik mezelf in de ogen. Er hangen wat prullaria aan de balken: sleutelhangers die ik knutselde voor Vaderdag, een bordje met het stadsembleem van Staden waar papa opgroeide, gedroogde bloemen en het deksel van een wijnkist.  Vandaag vond ik de tijd om eens te snuisteren in het hoekje met kleine prulletjes die ik de voorbije jaren nog niet echt had opgeruimd.

Ik vind doosjes met opgedroogde verf en met wasco’s van professionele kwaliteit. In één van zijn tekendozen zitten vulpennetjes – opgestuurd naar het ziekenhuis. Vermoedelijk toen hij de enveloppen schreef voor de geboortekaartjes voor een van ons drie. In een ander klein sigarendoosje zit de versiering die hij knutselde voor op de menukaarten van mijn eerste communie. Ik herinner me nog hoe hij met een breekmes op een zwart oppervlak alles uitsneed en daarna zorgvuldig op elkaar plakte. Wat een gepriegel en een geklooi moet dat geweest zijn.

Achter de radio staat zijn klarinet. Ik heb hem er nooit op weten spelen. Zo lang ik me kan herinneren, ligt die klarinet daar in die versleten muziekkist naast zijn radio. Mijn oom vertelde me ooit toen ik op vakantie was in West-Vlaanderen dat mijn papa klarinet kon spelen en ik viel compleet uit de lucht. Gitaar en mondharmonica, dat zag en hoorde ik hem voortdurend spelen. Maar klarinet?

Onder de stoel leunt zijn boekentas tegen de muur. Ik stak er bij een vroeger opruimbeurt alle toneelstukken in die hij nog aan het lezen was. In een stuk van Molière had hij gemarkeerd en instructies geschreven bij zijn eigen tekst. “Lessen in liefde”, was het en ik zag het hem spelen in 2001. Hij schoor er zijn baard voor af en liep weken met een snor rond. Op weekend aan zee – in oktober 2000, ik was toen twaalf – begon ik te lezen in de tekst van het toneelstuk. Ik las het helemaal uit. Veel begreep ik er niet van. Maar ik herinner me nog levendig hoe hij blij was met mijn interesse en hoe ik me erg verbonden met hem voelde omdat ik iets las wat hij ook aan het lezen was. Ik lachte luidop met mopjes die ik niet begreep opdat hij zou vragen waar ik zat in het verhaal.

Ik vis zijn rode agenda uit zijn boekentas. 2005 staat er in gouden letters op. Dat is al lang geleden – een dame op het kerkhof herinnerde me er onbedoeld onlangs nog aan. Ik blader erdoor. Op 22 september schreef ik voor hem op dat mijn oudste broer jarig is. Hij lachte er smakelijk om. Dat het vriendelijk was, maar niet nodig. 22.09 was een mijlpaal – zei ie – dat zou hij nooit kunnen vergeten. Ik blader door. De dag waarop hij stierf, beloofde een drukke schooldag te zijn. Op de dag ervoor schreef hij: “geen les”.
Dat was waar. Ik herinner me nog hoe ik thuiskwam die woensdagmiddag en hem vroeg of hij het voorschot voor de Polenreis van de zesdejaars wou overschrijven. Vol was vol en ik wou zo graag mee. Hij reageerde gepikeerd dat hij geen tijd had en zich niet lekker voelde. Een uur later vond ik hem aan de computer – in zijn bureau waar ik nu ook zit.
Ik ging achter zijn bureaustoel staan en leunde met mijn wang tegen zijn rug. “Papaaa,” vroeg ik. “Ik heb het al lang gedaan”, zei ie.

Als ik alle kasten heb afgestoft, zet ik me op de grond naast de radiator. Daarop hangen nog altijd de briefjes die hij er met magneetjes op vastmaakte. De zon brandde de inkt weg maar zo lang ik zijn geschrift kon lezen, kreeg ik het niet over mijn hart om ze weg te gooien. Er staan paswoorden voor accounts die al lang niet meer bestaan. Ik glimlach omdat hij overal ‘bluesboy’ koos om zich in te loggen.

Voorzichtig maak ik de briefjes los. De inkt is weg. Het zijn nu allemaal gelige blaadjes. Hun afdruk is intussen in de radiator te zien. Er hangen ook twee foto’s: een foto van hem – op reis voor school met één van z’n studenten die in het buitenland studeerde ofzoiets. In de andere hoek een foto van mij. Ik houd een Samsonhond vast zoals elk jaren negentig kind ooit heeft moeten doen.

Ik zet bloemen in een vaasje op de kast. De briefjes gooi ik nu maar eindelijk weg.
Maar zijn foto en die van mij, zet ik naast elkaar op het rek.

Ik kijk nog eens rond. Onze spullen staan er nu door elkaar.
Het is onze bureau nu.
En ik doe de deur dicht.

Processed with VSCO with c1 preset

Dingen die ik hoorde

  1. De oudste herhaalt nog eens het verhaal van toen hij leerde fietsen. “Jij gaf me een duwtje en toen kon ik het.” Ik hol achter hem aan terwijl hij het vertelt. Ik zeg hem dat ik hem zijn hele leven lang duwtjes zal geven en ik word er week van. Hij heeft het niet in de smiezen en roept: “okééé, maar niet te hard he!”
  2. Een boeiende podcast over moederen (Radio Mama) waar verbindend spelen opnieuw besproken werd. “Van lachen komt wenen”, antwoordde Nele Flamang toen haar werd gevraagd waarom fijne spelletjes bij kindjes toch vaak in huilen eindigen. Ze voegde er nog aan toe dat dat niet erg is – integendeel. Het is ontlading. Daarna stroomt alles weer beter.
  3. Kwetterende Vogels. Kwakende kikkers. Jongens toch, nooit eerder had ik zoveel aandacht voor de natuur om me heen. Mijn oudste stelt me ook honderd vragen waar ik het antwoord vaak niet op weet (Wie eet er vlinders? Waarom is een hommel dikker dan een bij? Eet er iemand uilen? Hoe lang leeft een mier? Hoe sterk is een mier? Wie kiest welke mier eerst mag lopen in de rij?). Dat is behoorlijk vermoeiend maar ik vind zijn oprechte nieuwsgierigheid een prachtige eigenschap. Hij dwingt me om zelf ook meer te weten te komen. Ik zeg hem vaak dat ik het eigenlijk niet weet. Geen erg – zegt ie, dan zoeken we het samen op in de boeken die we hebben.
  4. Na het eten gaat onze oudste op zijn stoel staan. Uit het niets stort hij zijn gedachten over ons uit.
    “Dit zijn dingen die ik weet over wortels. Eén (hij telt op zijn vingers): ze groeien in de grond. Twee: je kan ze in stukken snijden. Drie: Je moet ze water geven maar de natuur doet het soms ook zelf. Vier: er zit geen pit in. En nu ga ik nog 5 vertellen: je kan best de schil eraf doen. Dat is wat ik weet over wortels.”

    Ik kan hem wel opeten.

  5. IMG_2375