Life according to Kas

Mijn oudste zoon is ondertussen 20 maanden oud en wat mij betreft is het zijn beste leeftijd tot nu toe. Zijn bebber staat geen twee seconden stil, hij is pienter en hij heeft alles gezien. Bij momenten is dat behoorlijk vermoeiend – bijvoorbeeld wanneer hij in de auto in de mot heeft dat ik NIET van plan ben om langs het paard te rijden en hij rel schopt tot ik het wel doe. Maar door de band genomen is het heel fijn om mee te gaan in zijn wereld.
Ik sta er vaak zo van te kijken hoe die kleine protzak ervoor zorgt dat ik zoveel meer rond mij kijk en zoveel kleine dingen opmerk waar ik anders gewoon aan voorbij zou gaan. Ik wil niet zweverig doen, maar het is toch een heel schoon voordeel aan kinderen hebben: je mag alles om je heen opnieuw mee ‘voor het eerst’ zien. Elke dag zijn er zo wel nieuwe dingen die we samen ontdekken. Hier een greep uit het aanbod van de laatste dagen:

Kaarsen aansteken in de kerk

Een week of twee geleden wandelde ik op zondagmorgen met Kasper naar de bakker. Op onze weg naar daar passeren we de kerk en ik zag dat de deuren open stonden want over een kwartier zou de mis beginnen. Dat werd nog eens extra onderstreept door de kerkklokken. Wij wonen kort bij de kerk dus Kasper kent dat geluid heel goed. Zijn vingertje ging de lucht in – MAMA, KLOK (mijn kind roept als hij enthousiast is) en nogal impulsief ging ik met hem de kerk binnen. Het was daar stil, op de klassieke muziek na. Enkele kerkgangers zaten al klaar op de kerkstoelen. Kas kreeg van mij twee centjes die hij in het bakje mocht gooien: één voor een kaars voor hem en eentje voor zijn broer. Al fluisterend vertelde ik hem dat we in de kerk waren, dat je daar best stil bent omdat dat eerbiedig is en dat het fijn is als je een kaarsje voor iemand aansteekt want dat betekent dat je aan hem denkt. Kas stak flink de kaarsjes aan, liet zich gewillig terug in zijn buggy gespen, fluisterde de hele tijd erg flink van ‘ja’ en ‘nee’ als ik hem iets vroeg. Op weg naar buiten nam zijn enthousiasme het over en riep hij nog even DADA KLOK. Héérlijk! Sindsdien glippen we elke week voor de mis even binnen en dan mag Kas twee kaarsjes aansteken. Deze week was het voor Elias (die koos ik) en voor de poes (die koos hij).

IMG_1564

Zelf met de kar rijden in de winkel

Veel uitleg behoeft het niet want met de kar rijden dat is gewoon met de kar rijden. Ik ben overigens een heel slechte karrijder. Er draait altijd wel een wiel de verkeerde kant uit, ik gooi alles gewoon in mijn kar waardoor ze aan de kassa in de Colruyt hun ergernis amper kunnen verbergen en laatst reed ik tegen de hielen van een trage bomma (dat was echt per ongeluk). Maar Kas, die is geboren om met de kar te rijden. Sinds kort mag hij het helemaal alleen en hij glundert zo hard dat ze de winkelverlichting net zo goed kunnen uitdoen. Hij draaft de winkel door met zijn kar (hij stapt tegenwoordig niet meer, hij loopt), hij legt alles wat ik aanwijs in de kar en dan stopt hij 5 stappen verder om het eruit te halen en het er nog eens in te leggen, maar dan beter. Hij zet na het winkelen flink zijn kar terug bij de andere karren, aait de levensgrote plastieken leeuw die aan de inkom staat en roept DADA KAR.

Processed with VSCO with c1 preset

Alles wat te maken heeft met wawa

Kasper vindt wawa (water gelijk wij hier in Limburg zeggen) één van de beste dingen op aarde. Het is tof om wawa te drinken, maar veel toffer is het nog om wawa uit te gieten, rond te gooien en om te kappen. Wawa biedt tal van mogelijkheden. Je kan naar wawa kijken, je kan wawa voelen, je kan wawa proeven, je kan in wawa gaan liggen en je kan in wawa gaan staan. En het allerbeste: wawa is OVERAL. Hoeveel wawa er precies is, dat weet ik pas echt sinds Kasper er is. Wawa op de grond, in de goot, op de auto’s, in emmers, in rivieren, op kleren, op karren, in haren, in bekers, in glazen, in flessen, op struiken en takken, … Zei ik al dat wawa overal is? Alle spectaculaire dingen met water onthoudt hij trouwens heel precies. Eén keer ben ik met hem de auto gaan wassen en sindsdien zegt hij al van een kilometer op voorhand ‘wawa op auto’ als we bijna aan de carwash passeren.
Hij weet de verschillende manieren waarop je naar de rivieren en beken in onze buurt kan stappen en hij heeft het meteen in de gaten als ik met opzet een andere route pak zodat ik niet 40 minuten op een brug in de verte sta te kijken tot mijn kind klaar is met naar wawa te kijken. Uiteindelijk eindigt het meestal zo dat ik hem in de buggy zet en hij mij in onverstaanbare gewauwel uitscheldt voor rotte vis. DADA WAWA roept hij dan wat mistroostig nog net voor we de bocht om gaan.

 

 

Dieren en voertuigen

Overal waar we komen, heeft Kas – naast natuurlijk al het wawa – meteen gezien waar er dieren staan. Hetzelfde geldt voor tractors, vrachtwagen, auto’s, brommers, fietsen, … you name it. Hij wijst aan wat hij ziet en roept het nog even, gewoon voor de zekerheid: VAAP! (schaap) – PAAD! (paard) – TITUI (vliegtuig) – AUTO! – SLAK!
Plaatsen zijn voor hem verbonden aan de dieren en de voertuigen die ze daar in de aanbieding hebben. Als we gaan wandelen in het bos, dan roept ie VAAP omdat hij er daar ooit een zag. Al weken moet ik naar een lege wei wandelen met hem omdat daar de koe stond, maar het beest is intussen spoorloos verdwenen. De poort van de wei staat open – geen idee waar de koe naartoe is. Elke keer als we in de buurt zijn moeten we naar daar gaan zodat hij kan kijken of ze al terug is. “Koe’s weg” zegt hij en hij toont mij zijn lege handen. “Ja, schat, ik zie het.”
Net voor ik de buggy terug richting huis draai roept ie van “PAK” (kip gelijk ze hier in Limburg zeggen). Hij had blijkbaar onthouden dat in de tuin van een huis wat verderop kippen zitten. En dus worden de kippen toegevoegd als een nieuwe stop van onze wandeling. Daar sta ik dan, tegen de draad van mensen hun achtertuin naar de kippen te wijzen. Het duurt vast nog maar enkele dagen vooraleer de politie mij komt vragen naar mijn intenties. DADA PAK! DADA NIJN!, roept hij wanneer ik hem toch eindelijk kan overhalen om huiswaarts te keren.

IMG_1782

Door te gaan wandelen, kon ik sowieso mijn hoofd al leegmaken. Maar met Kas gaan wandelen is bevrijdend en verrijkend tegelijk. Ik zie meer en ik ben zoveel minder met mezelf bezig, met wat er speelt in mijn leven en met wat er omgaat in mijn hoofd. Hij wil voortdurend dat ik meekijk en even verbaasd ben over alles wat er nu weer ons pad kruist. Ik kan me wel eens opnaaien in het extreem trage tempo van onze wandelingen (soms ben ik meer dan een uur weg en dan heb ik nog geen halve kilometer gedaan), maar als het me lukt om dat los te laten dan is het héérlijk om samen met hem het leven te ontdekken.

Gisteren gingen we met ons vieren wandelen in het bos. Elias in de draagzak tegen mij aan, Kas met zijn groene botten. We wilden hem oppakken op de moeilijke stukken want het was soms wel klimmen en de ondergrond was niet altijd even ideaal. Maar hij wou niet. “Nee, zellef”, zei ie.
En zo stapte hij 3 km met ons het bos door op zijn groene botten. Hij zwaaide naar het titui (vliegtuig), het vaap (schaap), de boo (boom), het paad (paard), de maais (maïs) en de popoen (pompoem). En zo begrijp ik eindelijk helemaal waar Paul Van Ostaijen het over had.

Marc groet ‘s morgens de dingen

Dag ventje met de fiets op de vaas met de bloem
ploem ploem
dag stoel naast de tafel
dag brood op de tafel
dag visserke-vis met de pijp
en
dag visserke-vis met de pet
pet en pijp
van het visserke-vis
goeiendag

Daa-ag vis
dag lieve vis
dag klein visselijn mijn

Advertisements

Pieter Jan is jarig!

Ik sprak over hem als mijn grote broer en ik vertelde er altijd bij dat hij ook echt héél groot was. Meer dan één meter negentig – en dan wees ik de lucht in.

Ik zei dat hij goed op zijn gitaar kon spelen en dat hij zelfs een eigen band had. Hij stampte de maat mee op de vloer van zijn kamer en gezien dat mijn plafond was kon ik niet slapen. Maar ik stelde het uit om mama te roepen want ik wilde niks doen wat hij niet leuk vond.

Ik toonde in mijn poëzie dat hij goed kon tekenen en wees daarbij naar de tekening van de pili’s. Ik ken het versje dat hij erbij schreef nog steeds uit mijn hoofd (Kinderen uit Pili-land, vind je zelden in de krant. Maar wel in poëziekes, van kleine Saremiekes).

Ik demonstreerde hem dat mijn rokjes konden draaien en dat mijn haar lang was en hij keek altijd vooraleer hij ‘Ja, mooi!’ zei – in tegenstelling tot sommige andere broers die ik heb.

Soms komt hij op televisie en dan zet ik het beeld op pauze. Ik bekijk hem als toeschouwer. Hij ziet er ernstig uit, geconcentreerd ook. Daarna kijk ik opnieuw als zus met ogen die al bijna 30 jaar naar hem kijken. Dan weet ik dat ik niemand anders ken die beter past waar hij daar zit. Want hij is de rede. Hij is rechtvaardigheid en integriteit.

 

Regelmatig staat hij op een podium. Ik bekijk hem als toeschouwer. Ik zie een goede muzikant, zo eentje met hart en ziel – de focus op zijn gitaar. Daarna kijk ik opnieuw als zus met ogen die al bijna 30 jaar naar hem kijken. Ik weet dat hij – ondanks zijn concentratie – vermoedelijk alles gezien heeft wat er rond hem gebeurde. Ik weet dat hij content is want gitaar spelen, dat doet ie graag. Ik weet dat hij straks – na de show – wat opmerkingen zal maken waar ik verschrikkelijk om zal moeten lachen. Ik weet dat ik zal zeggen van “goed gespeeld!” en hij zal antwoorden van “ja?” en ik zal blij zijn omdat hij mijn mening belangrijk vindt. Ik zie de mensen klappen als zijn naam passeert bij de bandvoorstelling en ik wil roepen ‘DA’S MIJN BROER DAN HE!’ want ik ben knettertrots.

Vandaag is hij jarig. Ik besef dat er jaren bijkomen, maar het voelt niet meer zo. Na al die tijd hebben we ons leeftijdsverschil overbrugd en zijn we eindelijk even oud. Gelukkige 29e verjaardag dus, Pieter Jan!

(Uit)koken

Traag ga ik met de dunschiller over de zwarte rammenas. Met lange halen ontdoe ik hem van zijn schil. In de andere kamer speelt mijn zoon met zijn vader. Ze hebben het over auto’s en hij zegt van ‘kijk’ en de andere antwoordt van ‘waaauw’.
Ik haast me niet. Dat is uitzonderlijk – zeker de laatste weken. Elias slaapt nog. Ik bedenk me dat ik me ook nog zou kunnen douchen en aankleden voor hij wakker wordt als ik nu gewoon nog even snel snel… Ik onderbreek mezelf. Neen, doe maar traag.

Met het groentemes snijd ik de rammenas in rondjes en daarna maak ik er nog kleinere stukjes van. Ik bedenk dat het soms zo voelt. Het leven in kleine stukjes want we moeten rekening houden met flesjes en dutjes. Ik zucht. Was ik maar een avontuurlijkere moeder – zo eentje die langs de kant van de weg flesjes geeft. Eentje die glimlachend de huilbuien op de achterbank pareert als het kind niet op tijd in zijn bed ligt of eten krijgt. Ik onderbreek mezelf. Kom, niet doen. Duw jezelf niet weer in dat hoekje.

Want het is echt anders. Ik laat meer los dan ik ooit deed bij kind 1. Ik durf uit handen geven – niet alles, maar dat hoeft ook niet. Ik kom buiten. Ik stouw de koffer vol met alles wat we nodig hebben, klap hem dicht en ik rijd. In mijn hoofd is het rustiger. Mijn verwachtingen klopten beter dit keer. Er waren er minder en dus waren er minder teleurstellingen. Ik doe dingen die ik bij Kasper nooit deed en ik doe het nu met nog een peuter erbij. Geen grootse dingen, maar ik tackle handig kleine alledaagse obstakels die vorige keer als grote bergen voelden waar ik soms moeizaam overheen geraakte. Dat die bergen zich vooral in mijn hoofd zo groot hadden gemaakt, dat zag ik pas een hele tijd later.

De groenten gaan de pot in en ik giet er water over. Ik sus mezelf. Ik blus mezelf. Ik weet dat ik gegroeid ben in heel dat moederding. Het is nu één van de jassen die in mijn kast hangt – naast die van zus, vriendin, vrouw, partner, lector, kennis, .. En ik trek hem aan – soms met een zwier en soms deed ik liever een andere jas wat vaker aan. Maar hij past mij als gegoten want het is de mijne. Ik heb hem zelf ontworpen. Ik vergelijk hem alsmaar minder met andere jassen  n dat op zich is al heel wat.

Ik wacht. Ik prik en alles is nog hard. Ik leun tegen het aanrecht. Ik knijp mijn ogen wat samen. De dagen gaan voorbij. Er komt weer wat structuur om op terug te vallen. Ik word rustiger als er af en toe wat herhaling in zit. Als er dingen zijn die ik kan doen op automatische piloot.  Zoals dit, groenten snijden, pot in, wachten, klaar. Het geeft me de tijd om ook mijn gedachten even toe te laten. Ik prik nog eens en alles is zachter. Gewoon wat wachten doet het ‘m doorgaans. Dat wist ik al, maar ik vergeet het soms.

Ik giet af en ik zucht. Het zal wel weer te weinig zijn. Ik sakker alvast wat op mezelf.
Maar als ik het kommetje op de weegschaal drie keer vol kan scheppen, dan zie ik dat het meer is dan ik dacht.

Processed with VSCO with c1 preset

 

Wie zijn de mensen die je tegenkomt..

Ik vertelde eerder al dat buiten komen, bewegen en een frisse neus halen de kleine trucjes zijn die mij de eerste weken met een nieuwe baby helpen overleven. Ook de voorbije twee weken paste ik mijn hulpmiddeltje regelmatig toe. Het was minder met de fiets (want het is zeikweer geweest), maar wandelen probeer ik elke dag te doen. Soms met één kind, soms met twee. Ik schreef al vaker dat ik op die manier veel meer oog heb voor de dingen om mij heen (de bomen, de eenden, de natuur in het algemeen) maar dat geldt net zo goed voor de mensen. Een klein overzicht van de mensen die ik zag en de gesprekken die ik opving:

  • De vrouw die wacht op de postbode.
    Deze dame doet altijd geheel toevallig de deur open op het moment dat de postbode de brieven bij haar door de brievenbus duwt. Uiteraard zit ze al van uren op voorhand te kijken tot hij eraan komt. Ze zou zich kunnen aankleden, maar dat doet ze niet. Ik zag haar alleen nog maar in peignoir ongeacht het uur. Het moment dat de deur open zwiert weet de postbode dat hij eraan hangt voor minstens 5 minuten van chitchat die hij vermoedelijk liever niet had gehoord. Volgende onderwerpen komen regelmatig aan bod: het weer, het weer en soms ook het weer.
    Ik moet altijd hieraan denken:
    7140b2c86fd40fbbc48f5b3318dd1a95
  • De twee buurmannen
    Deze twee individuen wonen naast elkaar. Het enige wat hen scheidt is een haag. Die haag is ongeveer 1m70 hoog. De twee mannen zijn volgens mijn schatting allebei 1m75 hoog. Dat betekent dat ze alle twee geweldig oncomfortabele houdingen moeten aannemen om met elkaar te kunnen praten. Veel makkelijker zou zijn om elk vijf stappen naar links/rechts te zetten, om de haag heen te stappen en elkaar toe te spreken zoals normale mensen dat doen. Maar daar zijn ze zelf nog niet opgekomen. Ongeveer elke keer als ik ga wandelen, staan de twee mannen met hun neuzen elk op hun stuk van de haag met elkaar te praten over allerhande belangrijke zaken. Gisteren hoorde ik bijvoorbeeld dat man 1 geen televisie, internet en telefoon meer had. Bij man 2 werkte alles wel nog want hij had ‘pertank net nog computer’.
  • De kleine kefhond
    De kleine kefhond woont niet ver bij ons vandaan. Op de route naar de speeltuin passeren wij altijd het domein van de kleine kefhond. De kefhond woont op een appartement op 1 hoog met een mini-balkon aan. Maar de kleine kefhond is zo klein dat het balkon voor hem zal aanvoelen als 100 voetbalvelden groot die hij allemaal moet afbakenen met zijn irritante gekef. Als wij er passeren, probeer ik geen geluid te maken zodat de sjakoshond het niet nodig vindt om aan te geven dat hij een hele baas is. Toch komt hij het elke keer doen. Kasper zegt dan dat het een muisje is en ik kan me er niet toe brengen om hem te verbeteren.
  • De man die water pikt uit de Velp
    Door ons dorp stromen verschillende rivieren waarvan de Velpe een van de grootste is. Het was ook deze klootzak die Halen onder water zette in het jaar des Heeren 1998. Heden ten dage staat er in de Velpe amper water waardoor de eenden Jezus-gewijs over het water lijken te lopen. Maar ik vermoed dat de waterpikker er toch ook voor iets tussen zit. Al verschillende keren zag ik een man met een zelfgeknutselde installatie een gigantisch vat water vullen met water uit onze belangrijkste stroom. Geen idee of dat eigenlijk toegestaan is of niet maar de parkwachter en ik houden de situatie nauwlettend in de gaten.

Terwijl ik zo door Halen slenter en regelmatig gniffel om wat ik zie of om de gesprekken die ik opvang, hoor ik dit geweldige nummer van Sesamstraat in mijn hoofd. Tussen mijn stappen door huppel ik af en toe. Ik glimlach om de gedachte dat misschien één van die mensen mij vermeldt in zijn blog als ‘het meisje met dat kind dat altijd van IE-JAA-DEE_JAA wil zingen.’ Dorp life, I love it.

Ademen.

Het enige wat ik echt consequent deed in de eerste 6 maanden van Kasper zijn leven was permanent mijn adem inhouden. Als hij sliep, hield ik mijn adem in voor de uren die kwamen waarin hij niet zou slapen. Als hij niet huilde, hield ik mijn adem in voor de uren waarin hij het wel zou doen. Tijdens het weekend hield ik mijn adem in, voor de dagen die kwamen waarin ik alleen voor hem zou moeten zorgen. Als ik eens rustig kon eten omdat hij toevallig sliep, hield ik alvast mijn adem in voor de volgende maaltijd waarin ik dat niet zou kunnen doen.

Ik was bang. En ik geloofde niet in mezelf. Ik heb dat toen nooit zo letterlijk kunnen benoemen, maar als ik er nu op terug kijk dan was het dat. Te weinig zelfvertrouwen. Te vaak mezelf het gevoel aangepraat dat het waarschijnlijk niet goed was want ik deed het niet zoals die of die. Te veel mezelf de put in gepraat in de uren dat ik alleen thuis was met een kleine baby (en dat waren er veel). Het duurde een hele tijd voor ik terug graag alleen was met mezelf. Niet onlogisch als je weet dat ik het was die mijzelf zo vaak géén schouderklopje gaf wanneer ik het wel had moeten doen. Bovendien ben je die eerste maanden met een kleine baby altijd wel een beetje geïsoleerd, hoe vaak je ook buiten gaat. Die nieuwe gedachten en gevoelens in je hoofd, daar moet je op zekere hoogte zelf mee in het reine komen. Ik heb dat toen verkeerd aangepakt. Ik ben te weinig mijn eigen vriend geweest.
Dat wilde ik dit keer anders doen. Ik nam mezelf voor dat ik de tweede keer meer mijn eigen maatje zou zijn. Dat ik tegen mezelf zou praten zoals ik dat doe tegen mijn vrienden. En als ik nu vrienden met een kleine baby zou hebben, dan zou ik zeggen tegen moeder de vrouw: doe elke dag iets wat jij graag wil doen – en douchen telt niet.

Wat mij altijd helpt als er even wat te veel in mijn hoofd zit, is buiten zijn en bewegen. En dus trok ik er de voorbije dagen elke avond op uit met kind 1. Op die manier kon Wout wat exclusieve aandacht geven aan kind 2 én tegelijkertijd naar het nieuws kijken (lees: op zijn Iphone hln.be lezen en met zijn smoel open in slaap vallen). Zo rond de klok van zeven bollen Kas en ik rustig onze straat uit. Hij roept dan wat hij allemaal wil zien: KOE! PAA! PAKKA! (dat zijn kippen, nvdr.) en vooral BOENG (dat is een luchtballon, nvdr.).

We doen meestal dezelfde tour: eerst langs het paard, dan langs de kippen, dan langs de boerderij met de tractor, dan langs de appelbomen, dan langs opa en dan nog langs de uil. Net zoals in die eerste maanden bij Kasper vind ik die herhaling niet vervelend. Ze brengt rust. Ik hoef niet na te denken over de route, ik fiets en fiets en trap vervelende gedachten zo mijn hoofd uit.
Het helpt dat er iemand achterop zit die bij elke hobbel in de weg van ‘Mama toch’ zegt. Iemand die me elke vogel aanwijst. Iemand die héél ginds in de verte een luchtballon ziet. Iemand die bijna omvalt van vreugde als ik een stukje kinderchocolade uit mijn handtas tover. Iemand die daarna van het flesje water drinkt alsof hij al jaren niks meer gedronken heeft. Iemand die vol verwondering kijkt naar alles wat voor mij zo gewoon lijkt. Iemand die mij op die manier beter leert kijken en opnieuw leert zien.

We stoppen om naar de ballon te kijken en ik vertel hem wat ik weet over maïs. Dat het geel is. Dat je er popcorn van kan maken. Dat juffrouw Sabine in de kleuterklas het deksel te vroeg van de pan haalde en dat de popcorn in het rond knalde.
We stoppen aan de Helmen en ik pak hem van de fiets. Hij loopt door het hoge gras. Hij roept “DADA KOE”. Hij smikkelt zijn koekje op. Hij wil een handje om de trapjes op te gaan. Hij roept van MAMA MAMA! als er een vliegtuig over vliegt. Hij wil tegen me aan plakken omdat hij bang is. Heerlijk. Processed with VSCO with c1 preset

We fietsen verder naar opa. Hij scharrelt er wat rond. Hij geeft de bloemen water. Eerst bij papa, daarna bij mijn grootouders. En daarna bij alle andere graven waar de bloemetjes uitgedroogd zijn. Ik vertel over opa. Dat hij van muziek hield. En dat hij het zeker en vast fijn vindt dat Kasper alle bloemetjes zo flink water geeft. “Wawa!”, zegt Kas. “Ja lief, wawa”. Ik zit op de bank naar hem te kijken. Ik merk dat mijn hoofd ongeveer leeg is. Ik kan gewoon in de verte staren. Ik ben mezelf geen werkpunten aan het opleggen. Dat zal straks vast wel weer anders zijn, maar nu dus niet. Als ik hem weer in zijn stoeltje vastklik en we naar beneden bollen, roept hij nog “dada wawa!”. Ik zwaai ook.

We zijn bijna thuis nu. Daar wacht de avondrush op mij. Kind 1 wassen en in bed flikkeren. Zelf gauw douchen. Flesjes wassen en steriliseren. Speelgoed opruimen. Kleren klaar leggen. Kind 2 troosten als krampjes het hem lastig maken. Flesjes geven. Kindje rechtop houden. Anders dan bij Kasper ben ik minder bang. Ik kan het. Niet altijd even goed en niet altijd even gemakkelijk, maar ik voel me wel zekerder.

En op momenten dat ik denk dat ik het niét kan (en die zijn er werkelijk dagelijks), dan probeer ik mijn eigen beste vriend te zijn. En die fluistert dan: ademen.

Processed with VSCO with c1 preset

Bedankt.

“Ja kind, wat is pijn voor u en wat is dat voor mij he”, zei ze terwijl ze een Dafalgan voor me neerlegde. Ze ging aan het voeteneind van mijn bed staan. Ze feliciteerde me, zei dat ze vond dat onze jongens zo’n mooie namen hadden. Ze had zelf ook jongens, drie stuks. Een heel gemak, enkel jongens, zei ze. Terwijl ze taterde hield ze af en toe mijn voeten vast – alsof wij elkaar al jaren kenden en het volstrekt normaal was om elkaar aan te raken. Het voelde zo warm, zo menselijk, zo verzorgend, zo normaal, zo bemoederend op een heel lieve manier. Daarna moest ze weer verder hollen – want het is zomer he mevrouw, veel kinnekes en veel verlof. Aan die verpleegster die zorgzaamheid in en uitademde, bedankt.

IMG_0135

“Saartje, het lukt je, laat het even allemaal gebeuren. Jaag je niet op, je doet dat heel goed. En soms moet er ene eventjes wachten en effe wenen”, sms’te ze me. Ik dacht dat ik mijn onrust goed had verborgen in mijn sms, maar uiteindelijk kent ze me al bijna 16 jaar (ik val er zelf van achterover). Ze heeft me gezien bij kind 1 en nu bij kind 2. Ze heeft mijn onzekerheid gezien, twee keer. Ze heeft gezien hoe ik alles overdacht en bij Kasper erg gefocust was op ‘controle krijgen’ omdat ik nog niet wist dat dat zowat het laatste is wat je ‘krijgt’ op een mini-baby. Maar nooit heeft ze geoordeeld, of me het gevoel gegeven dat ik flauw deed, of overdreef of me aanstelde. Aan de liefste vroedvrouw ter wereld die een huisje heeft waarin het altijd warm is, bedankt.

“Oh, kijk, hij is er al!” zei ze toen ik de deur open zwierde en haar Elias toonde die in de draagzak lag te soezen. Net zoals bij Kasper kon ik haar niet overhalen om binnen te komen. Ze stond erop om ons onze rust te gunnen. Ik riep nog dat ze snel maar op bezoek moesten komen. Ze zei dat ze zeker kwam, maar pas als wij elkaar wat kenden. Ik vertelde nog dat ik tot maart thuis ben om voor de kindjes te zorgen. “Da’s goed”, zei ze, “in’t leven moet je één ding per keer doen.” En zo gaat het met haar. Geheel moeiteloos strooit ze wijze levenslessen in het rond die achteraf nog vaak rondspoken in mijn hoofd. “Ze heeft alweer gelijk”, denk ik dan. Het allermooiste aan haar is dat ze die levenslessen nooit meegeeft vanuit arrogantie of betweterigheid. Ik ben er haast zeker van dat ze zelf niet doorheeft hoe wijs ze is. Ze zou het ontkennen of minimaliseren want ze is zo bescheiden als ze groot is (en ze is toevallig heel groot(s)). Aan de mama van mijn babysitkindjes die intussen zelf al babysitten, de mama die zo bijzonder is in al haar gewoonheid, bedankt.

IMG_0578
Dit stak enkele dagen later in onze brievenbus. Ook voor Kasper maakte ze een gepersonaliseerde rugzak.

“Het zal ook nooit meer hetzelfde zijn. Maar het wordt op een andere manier minstens even goed.” Ik lag in bad terwijl haar antwoord binnen rolde op mijn gsm. Kasper was net geboren en ik was even het noorden kwijt. Ik was heel blij met wat ik allemaal gekregen had (een kerngezond kind, nieuw familiegeluk, je kent het wel), maar ik vond toch dat ik ook heel wat had moeten afgeven (tijd om met mijn lief te praten zonder dat iemand moest wenen, vrijheid in mijn hoofd, tijd voor mezelf om mijn eigen dingen te doen, enkel verantwoordelijk zijn voor mezelf of gewoon al tijd om zittend te eten). Daar wordt zo weinig over gesproken dat ik me raar voelde, alsof ik ondankbaar was. Want ik had toch – tesamen met al dat geluk – ook een soort van rouwperiode waarin ik stilaan afscheid nam van mijn leven van ‘ervoor’. Gelukkig kent ze me al mijn halve leven en wist ik dat ik mijn gevoel met haar kon delen en dat ze zeker een zinnige respons voor mij in petto had. Aan mijn schoonzus die zelf twee kleine meisjes heel schoon groot aan’t maken is, bedankt.

“Als ik nog iets moet meebrengen of moet doen, of als ge nog iets nodig hebt dan moet ge’t zeggen he mieke”, zei ze voor ze de deur van mijn ziekenhuiskamer dicht trok. Er is niks zo zalvend als wanneer ze me ‘mieke’ noemt. Ik verzekerde haar dat ik alles had want ze had alles wat ik nog nodig had al meegebracht. Ze was terug naar huis gereden voor een dekentje, keukenhanddoeken, yoghurt en fruit. Ze had afwasmiddel voor me gefixt zodat ik onze champagneglazen kon afwassen. Ze had Elias vast gehouden zodat ik gauw mijn pyjama kon aandoen en samen met hem aan onze allereerste nacht kon beginnen. Ik had alles wat ik nodig had, maar als ik iets had gevraagd wat toevallig nog thuis lag dan had ze misschien wat gegrommeld en gezegd dat dat dan maar moest wachten. En daarna had ze het waarschijnlijk toch gebracht. Aan mijn moederke, die zoveel talen der liefde spreekt maar de praktische het allerluidst, bedankt.

20770364_1612041815493634_8851458791817206427_n

“Laat het er maar eens allemaal uit. Dat kan echt goed doen!” liet ze me weten. Ik had haar net verteld dat ik een lastige dag had. De hormonenrollercoaster had na een steile beklimming net de afdaling ingezet en ik voelde me moe en uitgewrongen. Ze vraagt me ongeveer elke dag hoe het gaat met ons. En ze maakt daarbij een onderscheid tussen ‘met de kindjes’ en ‘met jou’. Dat klinkt banaal, maar dat is zo belangrijk. Zo vaak wordt er vooral gekeken naar dat nieuwe kindje en ziet men dan de moeder wat te weinig. Maar zij niet. Al anderhalf jaar ziet ze me elke dag ‘s morgens en ‘s avonds en elke keer ziet ze aan mijn gezicht of het een goeie of een slechte dag is. Ze geeft me een dikke knuffel als dat nodig is, of gewoon omdat we dat willen. We horen elkaar bijna elke dag ook wanneer we elkaar niet zien. We sms’en over en weer over kleine en grote dingen. Aan de liefste onthaalmoeder die mij altijd in de gaten houdt, bedankt.

“Doeme, je bent te snel wakker”, zei hij toen ik om half 8 beneden kwam. Hij was om 4 uur met Elias naar beneden gegaan omdat hij merkte dat ik stilaan de wanhoop nabij was. Ik was als een blok in slaap gevallen, wakker geschrokken om kwart over 7 en me op tien minuten gewassen en aangekleed. Ik voelde me schuldig omdat ik hem het lastige kindje had door gegeven. (Stom natuurlijk want het is ook zijn lastig kindje). Kasper zat – helemaal aangekleed – in zijn zetel Bumba te kijken, de flesjes waren gesteriliseerd en hij was Elias aan het aankleden. Ik wou overnemen maar ik mocht niet want hij deed de ochtendshift zei ie, want hij kan overdag al niet helpen. Ik ontspande en mijn schuldgevoel ebde weg. Meer nog dan bij Kas is hij nu van bij de start echt ‘vader’. Hij vergeet nog wel eens wat (het onderstel van de buggy bijvoorbeeld – nochtans cruciaal als je met de buggy wil gaan wandelen) en sommige kleren mag ik niet klaar leggen als hij de kinderen aankleedt (hij krijgt de kleine knoopjes zelden dicht) maar hij doet – net zoals ik – zijn stinkende best voor onze kinderen. Aan mijn lief, mijn beste vriend, die mij kent als geen ander en toch bij mij wilt zijn, bedankt.

Dank jullie allemaal zo wel voor het verschil dat jullie – samen met mijn andere geliefden – maakten voor mij in de eerste weken met Kasper en Elias. Het zijn de mensen die niet doorhebben wat ze doen die vaak het allergrootste verschil maken.

 

 

Elias.

Nog niet zo heel lang geleden – zo’n 6 dagen ongeveer – had ik voor de tweede keer het gevoel dat ‘zwanger zijn’ bij mij iets oneindigs is. Alle andere vrouwen kappen ermee na een negental maanden, maar ik niet. Ik doe gewoon voort. Anders dan de eerste keer, kon het me dit keer niet zoveel raken. Kasper was er uiteindelijk ook gekomen dus kind twee zou dat ook wel doen. De ‘extra dagen’ die ik kreeg, heb ik dit keer niet gevuld met wachten. Toen ik eenmaal de 40 weken bereikt had, ging Wout z’n verlof in en was er tijd om met ons drietjes nog wat quality-time te hebben.
We wandelden door Leuven, we gingen elke dag ergens naartoe waar Kas op zijn driewieler kon rond hossen, we zijn gaan foren op de kermis, het kind mocht zich uitleven op zandheuvels met tractoren allerhande en we aten koekjes in hutten die iemand anders zelf gemaakt had.

Het waren schone dagen en ik vond alles heel bijzonder. Want alles was waarschijnlijk de laatste keer met ons drietjes. Ik ben verschillende keren een laatste glacéeke bij Stuckens gaan eten. Ik heb Kasper drie laatste rondes laten draaien op de vliegerkes. Als hij zijn bord ‘s avonds op de grond keilde omdat hij genoeg had, dan raapte ik liefdevol alles op en prevelde ik ‘dat dat de laatste keer was dat hij dat deed met ons driekes’. (Flash forward: hij doet het ook met ons vierkes).

Ik voelde heel wat tegelijk. Er was onrust (zou ik het wel kunnen, zo twee kinderen? – die bevalling, hoeveel pijn gaat die doen? Gaat alles goed gaan? – Hoe zal het Kasper afgaan om een broer te hebben? Gaat hij me niet te hard missen als ik er niet ben?). Er was geluk (want ik hoef maar te kijken naar zijn smoeleke en ik word gelukkig). Er was trots (op hem, want elke dag doet hij nieuwe dingen en hij is lief voor de wereld en flink en schoon en puur en en en – maar ook op mezelf, want ik had de laatste weken alleen voor hem gezorgd en hem (hopelijk) veel leuke dagen gegeven). Er was veel onzekerheid (Gaan we elkaar niet kwijtspelen in de drukte? Ga ik mijn hoofd niet te vol steken met vragen waar ik het antwoord niet op weet?). Die ‘extra dagen’ waren extra dagen vol leuks en tegelijk extra dagen om extra vragen te bedenken. Iets waar deze piekeraar toevallig uitzonderlijk goed in is.

En toen plots besloot kind 2 om in een rotvaart op de wereld te komen en zette hij daarmee even alles stil. Op minder dan 2,5 uur maakte Elias zich een weg naar de echte wereld. Ik had geen tijd meer om vragen te stellen of mogelijke antwoorden en andere scenario’s te bedenken. Het was tijd, zei ie, en gelijk had hij.

10 augustus is bijna 29 jaar lang voor mij een dag geweest zoals elke andere, maar Elias maakte er een mijlpaal van.

Ik maakte me op voorhand zoveel zorgen. Zou ik hem even graag kunnen zien als Kasper? Ik kon me niet inbeelden dat ik NOG iemand zo zo graag zou kunnen zien. Zou er nog wel plaats genoeg zijn in mijn moederhart? Dat grote moederhart van mij werd immers al helemaal ingepalmd door mijn eerstgeborene.
Ik had me helemaal geen zorgen moeten maken. Op het moment dat Elias geboren werd, groeide er in mijn lijf een heel nieuw, groot moederhart. En dat is helemaal voor hem.

En zo leerde elk van mijn jongens mij al iets op de eerste dag dat ze geboren werden. Kasper leerde me om te wachten. Om geduld te hebben en de dingen los te laten, om ze te laten zijn. Elias leerde me om niet stil te staan, om voort te blijven gaan, om er vaart achter te zetten in plaats van te piekeren. Verstandige koters, die van mij.

Gisteren scheen de zon. En wij hadden nu al bijna iedereen gezien – of iedereen ons – , maar opa nog niet. En dus gingen we langs en goten we te veel water over de bloemetjes. En terwijl mijn oudste kindje vol bewondering keek naar de tractor op het veld, slikte ik eens. Zo papa, nog een kleinzoon. Ik weet dat ie fier zou geweest zijn.

Processed with VSCO with c1 preset

Vanaf nu zijn wij een gezin met twee kinderen. Onze achterbank zit meer dan halfvol. We hebben nu aan tafel elk een kindje naast ons zitten. Ik ben totally outnumbered, maar ik voel me heel rijk met mijn drie jongens om me heen. Voorlopig ziet iedereen elkaar heel graag en worden er te pas en te onpas kusjes en (iets te) enthousiaste aaikes uitgedeeld aan onze ‘baba’.
Ik maak me nog steeds zorgen en ik bedenk nog elke dag extra vragen waar ik het antwoord niet op weet. Ik weet niet hoe het zal zijn en of hij zal slapen en of hij zal eten en hoe ik mij ga voelen en en en…
Maar er is heel veel liefde. En dat is genoeg.

IMG_0183