Op papa’s bureau

“Ik ga boven schrijven”, zeg ik. Ik nestel me op papa’s bureaustoel. Ik draai wat rond en neem de kamer in me op. Ik zie de poster die Annelies ooit maakte, foto’s en affiches van toneelstukken waar hij goede herinneringen aan had, een grote foto van mezelf – ik moet een jaar of 1 geweest zijn. Als ik er nu naar kijk, dan lijkt het wel Elias met een kleedje. Er hangt een klein kadertje dat vrienden maakten toen hij 50 jaar werd. “Een halve eeuw Jos!”, staat er. Ernaast de foto die op zijn gebedsprentje zou komen en die ik nu voor altijd daarmee verbonden heb in mijn hoofd. We kozen een goeie foto toen van jou omdat het jou zo goed vat in één beeld – je gezicht zoals het eruit zag wanneer je uitdrukking nog alle kanten op kon. Ik zie bijna de kriebel in je mondhoek vooraleer je openbreekt in een bulderlach.

Ik trek de schuif open. Er liggen wat oude potloden, inktbuisjes voor vulpennen waar al jaren niet meer mee geschreven is. Een vreemd potje zie ik ook, met schroeven in – altijd handig in een bureauschuif – en nietjes om honderden pagina’s mee aan elkaar vast te maken. De regisseursstoel staat er, waar de kat vroeger in lag en waar een andere kat zich nu genesteld heeft. Aan de muur een bord dat in het Italiaans zegt dat het verboden is er te jagen. Je nam het ooit mee vanop vakantie tijdens een avondwandeling. De volgende dag ging je terug om er ook voor Simon eentje mee te gritsen.

Achter mij in het rek staan je cd’s met klassieke muziek. Die draaide je wel eens zo luid dat je het niet hoorde als ik van school thuis kwam en op je riep aan de trap. PAPAAA! Geen reactie. De voorbije jaren heb ik al vaak gedacht dat ik het nog altijd zo moeilijk vind dat ik dat woord naar niemand meer kan roepen.

Op de radiator hangt nog een briefje waar je ooit vluchtig iets op kribbelde. Ik kan niet opmaken wat je precies noteerde. Maar het blijft er hangen. Zoveel papiertjes met jouw geschrift op heb ik niet meer. Sinds jou heb ik een archief met kleine briefjes van mijn geliefden. Een verjaardagskaart waar iedereen op signeerde, een briefje van mama dat zegt wat ik moet kopen in de Spar en wanneer ze terug zal zijn, een tekening van het vakantiehuis in Frankrijk van Kaatjes hand. Wat dat betreft gaan ze mij niet meer liggen hebben.

Toen ik het ouderlijk huis kocht, vroeg men mij vaak of ik het moeilijk had om kamers van uitzicht te doen veranderen. Het enige wat me daarin vooralsnog belemmert is het gebrek aan financiële middelen. Aan mijn hoofd of mijn hart ligt het niet.
Behalve hier, in jouw bureau. Mijn cd’s met klassieke muziek kwamen bij de jouwe te staan. Er slingert wat speelgoed van de kinderen rond. Je oude computer is weg. Maar verder ziet het er hier nog steeds uit als toen. Het is de kamer in huis waar ik me het dichtste bij jou kan voelen. Als ik hier zit en kijk naar je spullen om me heen, dan voel je weer heel dichtbij.

Rouw dat is iets heel geks. Naar mijn aanvoelen gaat het nooit voorbij. Het begint met heel veel scherpe, lange, pijnlijke, eindeloze dagen. Na een tijdje komt er af een toe een zachte dag tussen. Het is er maar eentje in’t begin, maar die heb je dan toch maar mooi gehad. Het verdriet ervaar ik nu niet meer in dagen. Ik voel het in momenten, in ervaringen waar ik je zo graag deel van had laten uitmaken. In grote dingen, maar meer nog in de kleine, heel gewone dingen van alledag. Het is niet meer dat allesverzwelgende verdriet van nu al 13 jaar geleden (seriously?!) – niet meer dat gat dat ik echt kon voelen in mijn hart. Het overvalt me wanneer dochters dansen met hun vader, wanneer ik denk aan hoe je zou zijn als grootvader, en ook elke elke keer wanneer ik natel hoe lang het al geleden is.

Gemis, dat is niet iets wat voorbij gaat of verdwijnt. Het is iets wat sluimert en zeurt. Het gat in mijn hart voel ik niet meer zo vaak.

Ik vulde het op.

Met jou.

IMG_9783

 

Advertenties

Kiezen. Koos. Verkozen.

Gisteren beloofde het nog een laatste keer heel schoon weer te zijn. Maar gelukkig was daar de democratie en een sporthal zonder ramen waardoor ik daar pas vanaf 14.00 deel van mocht uitmaken. Want ondergetekende was voor de eerste keer voorzitter van een stembureau. Ik zou u nu een lange blogpost kunnen schrijven over hoeveel papieren ik moest invullen, over wie er in onze gemeente met de meeste stemmen aan de haal ging of over hoe het was om voorzitter te zijn. Maar wat ik vooral leerde vandaag, was hoeveel verschillende soorten kiezers er bestaan.
Luistert u even.

  1. Veruit de meest voorkomende kiezer, is de onopvallende schuifelaar. Het is de vrouw die in stilte haar pas en oproepbrief onder mijn neus schuift. Het is de man die een soort van berengrom antwoordt op mijn groet. Het is de Vlaming die vooral niet wil opvallen, geen tijd wil verprutsen en in stilte wil doen wat hij moet komen doen. In mijn kiesbureau waren er heel wat schuifelaars. Eentje had een trui met rits aan, en geen t-shirt. Dat was bijzonder.
  2. De tweede grote groep kiezers, zijn de pas-bewakers. Het zijn de kiezers die met héél veel tegenzin hun paspoort afgeven. Het zijn de mensen die ons bleven aanstaren tot we garandeerden dat ze hun paspoort zéker zouden terugkrijgen nadat ze gestemd hadden. Ze wierpen nog een laatste angstige blik op hun paspoort dat nu zo moederziel alleen op onze tafel lag en stapten dan het stemhokje in. Nadat ze hun bolletjes gekleurd hadden, riepen ze “mijne pas!” van zodra ze het stemhokje weer verlaten hadden. Dat moeten drie angstige minuten geweest zijn.
  3. De derde groep, is ongeveer even groot als de pas-bewakers. Het zijn de pas-vergeters. Dat zijn de mensen die net zo angstig als de leden van groep twee hun pas op tafel leggen. Ze kijken me misnoegd aan wanneer ze horen dat ze hem nog niet meteen terug krijgen maar besluiten dat verzet zinloos is en gaan dan toch maar stemmen. Eenmaal uit het stemhokje gekomen, steken ze hun brieven in de juiste doos. En dan moeten wij ze terug roepen terwijl we wapperen met oproepbrief en paspoort. “JUST – MIJNE PAS!”.
  4. Aansluitend bij deze groep: de mensen voor wie het evidente niet duidelijk is. Dit soort kiezer stapt uit het stemhokje en vraagt: “dus de groene papieren in de doos met de groene letter en de witte in de doos met de witte letter?” waarop hij het witte blad in de groene doos steekt of alles tesamen in de witte doos. Top!
  5. Kan ook niet ontbreken: de flauwe plezante. Het is de man die ons smalend zegt dat het buiten nog zo’n schoon weer is. Het is de man die naar onze belegde broodjes wijst en vraagt welk broodje er voor hem is. Het is de man die iemand van mijn stembureau herkent en al bulderlachend zegt: “da’s hie de job van ulle leven zekers!” (verder lacht er nie-mand want hij is tenslotte al de driehonderdeendertigste die het mopje maakt). Het is trouwens altijd een man.
  6. Tekent ook present (op elk dorpsfeest overigens): de mens die zorgt voor de overbodige vragen. Het is de kiezer die mij overduidelijk kan zien zitten en dan toch voor de zekerheid vraagt: ‘Ah, gij zit hier?’. Het is de mens die tegen iedereen voor hem en achter hem bulderlachend zegt: “voor de goei he!” (verder lacht er nie-mand want hij is tenslotte al driehonderzevenvijftigste die het mopje maakt).
  7. En dan – last but not least – : de paniekerige vrouw. Dat is een geval apart. Vermoedelijk is ze heel vroeg opgestaan zodat ze als eerste om 8 uur kon komen stemmen. Daar liep het al mis want aan ons bureau stond meteen een erg lange rij. Toen ze dan eindelijk aan onze tafel stond, bleek dat haar volmacht niet in orde was. Haar stem ging meteen wat de hoogte in. We probeerden haar rustig uit te leggen welk document er ontbrak en verzekerden haar dat de wereld zou blijven draaien.
    Ze vertrok en kwam een half uur later licht bezweet terug en nog wat paniekerig terug. Toen we haar zegden dat ze ook haar eigen oproepbrief moest afgeven om te kunnen stemmen met volmacht, ging ze zo hoog spreken dat enkel de honden en de vleermuizen in de gemeente nog echt konden begrijpen wat ze stond te piepen. We probeerden haar rustig uit te leggen dat het echt niet anders kon en verzekerden haar dat de wereld zou blijven draaien.
    Nog 20 minuten later kwam ze terug – eindelijk met alle documenten. Ik denk niet dat ze nog iets zei – en anders was het zo hoog dat ik het niet meer kon begrijpen. Ze stemde dan toch met volmacht en gritste haar oproepbrief terug van de tafel. Sorry mevrouw, dura lex – sed lex.

Ik keek er eerst nogal tegenop, tegen dat voorzitten. Ik ben graag de baas, maar liefst op eigen initiatief. Maar gelukkig wilde mijn BFF een nieuw avontuur met mij instappen en mijn secretaris zijn en dat verlichtte de pijn aanzienlijk. Mijn bijzitters bleken ook erg toffe mensen en zo werd het zelfs een aangename zondagvoormiddag daar in onze zuurstofloze sporthalbunker.

Voorwaar ik zeg u, lieve lezers, de democratie was in onze gemeente in goede handen.
En het deed deze voorzitter veel plezier te zien dat de belangrijkste instructie nog steeds gewoon op het stemhok geschreven staat.

IMG_3352

In mijn hoofd/ In mijn hart

Dat sommige dingen voor altijd in je hoofd zitten, dan merk ik de laatste tijd meer dan ooit. Sinds kort is mijn oudste zoon namelijk opeens me-ga-fan van de muziek van Samson & Gert.

Een tijdje geleden stak ik op een vrolijke zaterdagochtend de eerste cd in onze cd-speler (overigens de enige waar ‘Samson’ opstaat en niet ‘Samson & Gert’). Hij was echt meteen verkocht. De volle 48 min en 36 seconden heeft hij rondjes gedanst voor de boxen van de radio. Sindsdien moet er overal en altijd Samson opstaan: in de auto, tijdens het eten, twee seconden nadat we wakker zijn, al-tijd.

En zo komt het dus dat ik besefte dat het blijkbaar perfect mogelijk is om tegelijk géén geheugen te hebben (lees: één ding moeten hebben van de winkel en daar aangekomen totaal niet meer weten wat je kwam kopen) en een olifantengeheugen (lees: alle nummers nog kunnen meezingen). Ik herinner mij per-fect de mopjes in de liedjes (“Ja! We gaan swingelen!” in de Samsonrock), de liedjes die ik oversloeg want eng (nummer 3 Slaapliedje en nummer 11 neefje Kwik) en de stukken die we naspeelden op de speelplaats (het aftellen bij ‘In de disco). Ik kan bijna zien hoe mama de cd voor mij in de cd-speler stopt en hoe ik daarna rondjes rond onze ronde salontafel dans. Ik zie mezelf op zondagmorgen de trap afkomen en meteen de zetel induiken om Samson te kijken. Ik voel weer de grote, zware, glazen kom op mijn schoot die ik onder mijn pistolets (een keizerpistolet want die kon ik zelf in maantjes trekken) moest houden tegen het kruimelen. Ik kan mijn broer zien komen binnenschuifelen – voor de vorm zegt ie dat hij Samson stom vindt en voor kinderen. Daarna kijkt ie gewoon mee.
Nu ik het zo na ga bij mezelf, zijn er stukken van Samsonliedjes die nog steeds spontaan naar boven komen bij bepaalde momenten in mijn leven. Het is sterker dan mezelf. Toen we de voorbije jaren niet op vakantie gingen maar gezellig van Staycation deden, neuriede ik “Niet ver weg” terwijl ik het zwembad van de jongens vulde. Als ik een stevig staptempo probeer aan te houden, dan zing ik in mijn hoofd van “Wij zijn piraten van de zee en al wie zin heeft vaart maar mee” (ik kan er ongeveer 6,4 km per uur mee halen als ik wat door zing). En als ik zonder duidelijke reden erg vrolijk ben, dan zing ik van ‘krakzodemattebomladeropka fluitappekruttekui grotse knoot’ (vindt Kas werkelijk hi-la-risch). Mijn platencollectie als kind bestond uit 6 cd’s van Samson & Gert en die heb ik allemaal grijs gedraaid. En al die oorwurmen hebben zich onlosmakelijk in mijn hersenpan vastgezogen. Voor eeuwig Samson neuriën, het zal mijn deel zijn.

Als we dan toch bezig zijn met dingen voor altijd in te kapselen in mijn hersenpan, dan zijn er nog wel een aantal zaken die ik graag nooit wil vergeten.
Hoe Kasper zegt dat hij graag naar “Sukse en Wikse” kijkt en dat hij samali op zijn boterhammen wil. Of hoe hij me bij elk nummer van Samson vraagt: “Ken jij dit liedje, mama? Dat is van Samsom!”. Of hoe hij elke dag wel honderd keer zegt dat hij nog iets aan juf Annelies moet vertellen, of aan oma, of aan nonkel Pieter Jan of aan papa. Of hoe hij me zijn eigen wensen als “goede afspraken” verkoopt (“We zullen samen één koekje eten en dan is het genoeg. Is dat een goede afspraak, mama?”). Of hoe hij gisteren voor het eerst met “ik zie jou ook zo graag” antwoordde toen ik bij het slapengaan vertelde hoe graag ik hem zie. Of hoe hij naar zijn broer toeloopt en hem een handje wil geven, of Elias dat nu zelf wil of niet. Of hoe hij naar schaapjes wijst en “ooh! hoe lief!” zegt.

Ik hoop dat ik nooit zal vergeten hoe we samen naar de bakker gaan, hoe we blaadjes van de brug in de rivier gooien en dan naar de andere kant lopen om ze nog eens te zien passeren, hoe hij ‘sneller, mama!’ roept als ik alweer moet hollen om op tijd op school te zijn, hoe we naar de kinderboerderij gaan en hij ons telkens een rondleiding geeft alsof we er nooit eerder waren en hij er dagelijks komt. Ik hoop dat ik nooit vergeten zal hoe het voor hem evident is wie er overal mee naartoe gaat met hem en hoe hij er toch op staat om telkens iedereen op te sommen – om zeker te zijn dat we allemaal weten om wie het gaat: mama, papa, Kas en Eli. Ik hoop dat ik nooit vergeten zal, dat ik ook weet om wie het allemaal gaat: om papa, mama, Kas en Eli.

Processed with VSCO with c1 preset

 

Camera obscura

In maart overleed mijn nonkel Johan, daar schreef ik eerder al wat over. Ik denk nog vaak aan hem. Want hoewel wij elkaar amper zagen, was hij toch aanwezig in mijn leven. We stuurden elkaar e-mails. De ene keer begreep ik wat ie zei, de andere keer moest ik lezen met het woordenboek ernaast of ging ik in elke zin eerst op zoek naar het vervoegde werkwoord om zo de zinsconstructie enigszins te achterhalen. Het was dus geen ‘gewone’ familierelatie, maar bon. (Bestaan die wel?) Ergens onderweg had ik besloten te handelen naar mijn gevoel en niet zozeer naar wat als ‘normaal’ beschouwd zou kunnen worden. Dat creëerde een vrijheid en die heeft ons – toch zeker in de laatste jaren – wat korter bij elkaar gebracht.

Toen hij in maart zo heel erg snel van diagnose naar overlijden ging, konden mijn hoofd en hart dat tempo niet helemaal volgen. Ik had het al eens meegemaakt – iemand die er altijd geweest was naar iemand die er nooit meer zou zijn – maar ik was er klaarblijkelijk niet beter in geworden. Een maand of twee later ging ik met mijn broers, mijn neven en mijn tante en oom het huis van nonkel Johan leegmaken. We vonden bizarre dingen (lege afgewassen doosjes waar in 2000 filet americain had ingezeten – mannen alleen, wie begrijpt ze?), echte schatten (cassettes van Pink Floyd! En van Randy Newman! Het trouwboekje van mijn grootouders! nieuwjaarsbrieven van ons alle vijf!), grappige dingen die we herkenden (zijn flashy fuchia trainingspak mét bijhorende zweetband) en dingen die we zonder nadenken in de container gooiden (hopen hopen hopen gazetten, Knacks, parochiebladen, you name it). Enkele spullen namen we mee. Die kregen een nieuwe bestemming in onze huizen. “’t Is gek,” zei ik tegen mijn tante, “maar doordat hij er nu niet meer is, zien we elkaar wat vaker en ik ben altijd zo blij als ik samen ergens ben met alle jongens. Dan ben ik echt helemaal op mijn plek.”

Ergens in een kast vonden we nog een oude camera. Zo’n exemplaar dat je nog moest doordraaien na het nemen van een foto. Wel al zo’n – toen toch – hip ding dat een klein zwart venstertje voor de lens sloot wanneer je de camera niet gebruikte. Ik nam het mee om de foto’s te laten ontwikkelen. Maanden heeft het hier op de kast gestaan. Ik pakte de camera af en toe eens vast. Achteraan hing een kleine post-it met cijfers op. Een telefoonnummer? De datum waarop het rolletje in de camera ging? Afmetingen van iets? Ik heb het nooit kunnen uitvogelen wat het precies was. Ik draalde om de camera naar de fotograaf te brengen. Ik wilde weten wat erop stond en toch weer niet.

Maar afgelopen week deed ik het eindelijk. Ik bracht het cameraatje binnen. “Volgende week vrijdag zal het klaar zijn”, zei het meisje aan de toonbank. “Da’s best lang”, dacht ik bij het buiten stappen. Maar in de loop van de week kwamen de herinneringen terug aan foto’s ontwikkelen zoals dat vroeger ging: twee wegwerpkodakjes mee op kamp – eentje voor binnen, eentje voor buiten. De flash die moest opladen en rode pinkende lichtje wanneer het klaar was. Pas doordraaien wanneer je een foto wilde maken want anders maakte je waarschijnlijk foto’s van de binnenkant van je rugzak. Enkele foto’s die ik maakte kon ik onthouden en ik hoopte vurig dat ze goed gelukt waren (die van mijn lief met zijn blonde krullen aan de fontein in Frankrijk), anderen waarvan ik vergeten was dat ik ze gemaakt had (selfies avant la lettre met Paulien op een plein in Krakau). De week wachten op het ontwikkelen en dan nog voor ik goed en wel buiten stond de foto’s bekijken: eerst razendsnel de hele stapel, daarna allemaal nog eens één voor één – op zoek naar details.

Mijn verwachtingen gingen alle kanten op dit keer. De fotograaf had al aangegeven dat de foto’s waarschijnlijk kwalitatief niet zo goed zouden zijn omdat het rolletje al zo lang in de camera zat. Dat kon me niet zo deren. Want er zou hoe dan ook wel iets opstaan wat ik zou herkennen. Misschien stonden er wel leuke familiefoto’s op van ergens in de jaren ’90. Misschien had nonkel Johan ooit een geheim lief gehad en zouden we haar te zien krijgen. Of hem, wie weet. Misschien had hij foto’s gemaakt op een lezing over Steiner en zou ik gezichten kunnen plakken op de mensen die hij sporadisch vermeldde in e-mails. Misschien maakte hij lange wandelingen en kiekte hij ‘skone vuuwe’ zoals mijn West-Vlaamse grootmoeder het altijd zei. Misschien had hij een vreemde hobby waar ik liever niks over zou weten en zou ik daar nu mee geconfronteerd worden. Misschien had hij wel foto’s gemaakt van het huis van mijn grootouders voor het tegen de vlakte ging (ik deed het zelf niet en ik vind dat nog altijd zo heel erg jammer). Of misschien – en die verwachting was natuurlijk het scherpst van ze allemaal – stonden er wel foto’s op van papa die ik nog nooit gezien had. Nieuw voer uit het verleden voor een hongerige verzamelaarsziel zoals de mijne.

Wat het uiteindelijk werd, daar had ik geen rekening mee gehouden: het rolletje bleek leeg. Het was een ongebruikt exemplaar dat hij in de camera had gestoken ergens in de jaren ’90. Hij was misschien vergeten dat het erin zat. Of hij had niets de moeite waard gevonden om te fotograferen, dat zou ook kunnen. Of fotograferen was gewoon zijn ding niet geweest. Ik ga voor optie nummer drie – omdat dat de mooiste uitleg is en omdat het wel past bij hoe ik hem kende.

Ik kreeg geen foto’s dus, ik ontdekte geen geheimen, geen schatten, geen nieuwe beelden om te koesteren. Maar wat ik wel kreeg, was nog eens het gevoel van ergens op te wachten. Van uitkijken naar, van voorstellen en inbeelden, van geduld – ook al werd het niet echt helemaal beloond. Ik verkies om de ervaring op die manier om te buigen tot iets positiefs. En in de tussentijd maak ik – waar ik ook kom – foto’s van oude kapperszaken, bij gebrek aan foto’s van die éne kapperszaak die ik zo graag zelf gefotografeerd had toen het nog kon.

IMG_0889

 

65 jaar papa.

In onze straat wonen toevallig de allerleukste mensen van H. Al jarenlang kennen wij elkaar. We hebben samen heel veel fijne tijden beleefd: de grote mensen aten en dronken, de kleine speelden samen en probeerden zich zo gedeisd mogelijk te houden om het einduur van de avond zo lang mogelijk uit te stellen.
Om onze verbondenheid nog extra te onderstrepen, hebben wij ons best gedaan om zoveel mogelijk op dezelfde dagen te verjaren.

Zo uit het hoofd geteld, zijn er al minstens 4 verjaardagsmatchen in die vrolijke straat van ons. Het toeval wil dat ik op dezelfde dag jarig ben als mijn lieve overbuurvrouw. 17 augustus – da’s onze dag. Echte leeuwkes, twee zomerkinderen.

Elk jaar steken we de straat over om elkaar een heel erg fijne verjaardag te wensen. Dit jaar was zij eerst. Ik werd 30 en ik kreeg een heerlijke bos bloemen. Later op de dag trok ik ook naar haar voordeur met een boeketje voor haar. Wij houden nogal van tradities.
Zoals elk jaar vertelde ze ook dit keer opnieuw hoe het eraan toe ging, die 17e augustus, zo’n dertig jaar geleden.

Het was zo rond een uur of 8, 9 ’s avonds. Ze was een nieuwe etalage aan het maken voor haar klerenwinkel. Dat moest ’s avonds want dan sliepen haar twee zonen en dan had ze de handen vrij. Ze had mijn ouders ’s morgens samen zien vertrekken en hen niet meer zien terug komen. Ik zou dus ook een 17-augustus-kindje worden. Toen mijn vader ’s avonds terug de straat in reed en voor de deur parkeerde, tikte ze op het raam. “En?!” gebaarde ze. “Zo’n dochter!” antwoordde mijn vader en hij spreidde zijn armen uit.

Het laatste zinnetje van haar verhaal zegt ze altijd twee keer. “Zo’n dochter!”, zei ie. Zo’n dochter!”. Ze moet er – 30 jaar later – nog altijd om lachen. “Zo fier dat hij was, Saar”, zegt ze. “Ja, hij was echt heel blij met zijn dochter.” Ik knuffel haar nog eens goed en zeg haar dat ik dat ook altijd zo ervaren heb.

Vandaag ben jij jarig, papa. Ik kan geen verhalen vertellen over hoe het was toen jij geboren werd want daar was ik niet bij. Ik heb het ook niet van horen zeggen want mijn grootouders waren er de mensen niet naar om zulke ervaringen te delen. Wat ik wel kan vertellen, is hoe wij altijd je verjaardag vierden.

Dus ik neem de jongens bij mij en ik vertel over 1 september. Over hoe je zei dat je met de boekentas geboren werd. Over hoe we op voorhand aan mama vroegen wat je hebben wilde en dat ze altijd zei: “hij wilt weer niks.” Over de fles porto die we dan voor je kochten – het was het laatste wat je ooit dronk, besef ik net, een porto’ke omdat je niet kon slapen. Over hoe jij vaak zelf kookte op je verjaardag – met die witte schort met in blauwe letters ‘Jos’ op – een cadeau voor alle mannen op oudjaar ergens in de jaren ’90. Over hoe we na het eten naar meter en bompa reden want ook daar werd je verwacht om je verjaardagswensen in ontvangst te nemen. Over hoe meter je dan een cent in je pollen moffelde en zei “Neh, da’s voor ullie getweeën.” Over hoe wij op de terugweg de muziek héél luid zetten en meespeelden met BB King zoals we zo vaak deden. Over hoe ik me vermoedelijk meer jarig voelde dan jij, zo op jouw verjaardag.

“Ja, jongens”, zeg ik, “ik was echt heel blij met mijn papa”. Ik knuffel hen nog eens goed en zeg hen dat ik hoop dat jij dat altijd zo ervaren hebt.

Gelukkige 65e verjaardag, lieve onvervangbare papa.
Er gaat geen dag voorbij waarop ik niet aan je denk.

HPIM1934

Over een tijger die naar school gaat

Gisteren rond een uur of 7 werd ik op Kasper zijn nieuwe school verwacht voor een eerste infomoment. In de polyvalente zaal stonden de eettafels met de stoeltjes al klaar voor de kleuters die er maandag hun drinkbus weer over zullen uitkappen. Andere ouders keken ietwat ongerust over hoe ze in godsnaam op die stoelen zouden passen, maar dankzij mijn werkervaring ben ik het intussen gewend. Ik zit immers de helft van het schooljaar op mini-stoeltjes notities te nemen terwijl ik kijk naar hoe studenten en kleuters samen aan het leren zijn. Ik kan mijn knieën dus in vier vouwen waardoor ik net tussen de stoel en de tafel pas. Op hele goeie dagen kan ik dan nog mijn laptop laten balanceren op mijn bovenbenen. Ik ben werkelijk een acrobaat.

We kregen een korte inleiding waar de bevoegde instanties werden voorgesteld. Ik had mijn oranje schriftje op de tafel liggen en hoopte dat het niet te hard duidelijk was dat ik veel vragen had genoteerd.

Na de korte inleiding werden we door de juf van Kasper meegenomen naar de klas. Mijn hart sprong op toen ik er binnenwandelde. De kring was groot, Jules zat klaar, in de poppenhoek was de tafel gedekt, de auto’s lagen in de bakken, klaar om rondgereden te worden. Ik plofte neer op de bank en ik voelde vanalles tegelijk toen ik me inbeeldde dat hij hier over enkele dagen ook zal gaan zitten. Ik liet mijn ogen gaan over de nog lege plekken aan de muur waar binnenkort tekeningen zullen ophangen – steenhard omdat de kleuters weer drie keer zoveel verf als nodig gebruikt hebben.

De juf vertelde ons hoe het eraan toe gaat op school, wat er in de boekentas mag en wat niet, ze legde uit wie Jules is, hoe verjaardagen worden gevierd. Ze toonde ons foto’s van uitstapjes (naar de fruitboer! naar het bos!) en ik vond het allemaal zo plezierig dat ik wou dat ik er zelf bij kon zijn. Laat dat nu net zijn wat school niet is: een plek waar mama er altijd bij is.

De voorbije dagen heb ik er al vaak bij stilgestaan, wat het precies met mij doet dat mijn eerste zoon binnenkort naar school gaat. Ik voel er heel wat bij. Ik voel me eerst en vooral erg fier. Kasper leert graag, hij luistert graag naar verhalen, hij knutselt graag, hij zou liefst alle dagen papier stijf maken door er vijftien lagen verf op te smeren. Hij is nieuwsgierig naar andere kindjes en hij babbelt mij de oren van het hoofd. De laatste maanden is hij geweldig gegroeid – niet enkel in lengte. Hij kijkt nog amper naar me om wanneer Joris of Eloïse (onze babysits)  de kamer binnenstappen. Met veel moeite zwaait hij nog even, maar dat doet ie vooral omdat hij weet dat ik opflikker daarna. Ik ben ervan overtuigd dat ie op zijn plaats zal zijn op school en ik verwoord dat ook zo wanneer ik met andere mensen erover spreek en hij erbij staat. Zijn oren werken namelijk bijzonder goed (behalve wanneer ik zeg dat hij moet stoppen met speelgoed door de kamer te gooien). Ik hoop dat ie voelt en weet dat wij alletwee heel erg in hem geloven.

Langs de andere kant raakt het me ook op een manier die ik nog al gevoeld heb – bij elke grote stap in zijn tot nu toe korte leven. Elke stap naar voren is er eentje een beetje weg van mama. Hij zal nu alweer een eigen stukje van de wereld veroveren waar ik slechts vanop afstand een deeltje van uitmaak. Ik ben me er ook van bewust dat hij niet alle dagen graag zal gaan, misschien wil hij in het begin zelfs helemaal niet gaan, vindt hij het moeilijk om niét bij mij te kunnen zijn. Op zulke momenten zeg ik hem altijd dat ik zeker weet dat ie een fijne dag zal hebben, dat ik hem snel weer komen halen en dat ik er dan alles over wil horen. En ik wéét dat het waar is, en toch is het soms zo lastig.
Los-la-ten heet dat geloof ik. Ik schrijf het op mijn blad met werkpunten.

En dus zat ik daar op dat bankje, te luisteren naar de juf. Ik keek rond en zag al meteen heel wat spullen staan waar hij geweldig enthousiast over zou zijn. Mijn oranje schriftje lag open op mijn schoot, maar de juf had eigenlijk al mijn vragen al beantwoord. De vragen die ik niet stelde (gaat ie wenen? ga je goed voor hem zorgen? denk je eraan dat hij soms wat meer tijd nodig heeft bij het klimmen?) die beantwoordde ze ook. Daar hoefde ze zelfs niets voor te zeggen.

Net voor het vertrekken, deelde de juf nog de kentekens uit. Kleine figuurtjes waardoor de kleuters weten waar ze hun boekentas kunnen vinden, welke tekening van hun is en waar ze moeten zitten in de kring. Het duurde me jaren om te verwerken dat ik een heel jaar lang een fantasieloze theepot moest zijn dus ik hield mijn hart vast. Maar de juf gaf me een prentje met zijn naam op en daaronder stond een tijger. En het paste perfect.

Go get them, tiger.
Jij gaat dat zo goed doen.

Processed with VSCO with c1 preset

GodverDamme

We slenteren door het dorpje. De markt staat vol fietsers. Ze kijken op kaarten of wijzen naar lege tafels op terrassen. Er is ook één gezin Indiërs dat zich met de taxi liet afzetten. Ik grinnik en kijk rond of nog iemand dat gezien heeft.

Zoals gewoonlijk zoek ik de kerk. Ik wijs de toren aan voor Kas. “Gaan we daar een kaarsje branden?” vraagt ie. Ik knik en samen bespreken we aan wie we dit keer zullen denken wanneer we de lont van de kaars aansteken. ’t Is meestal Kaatje of nonkel Simom. Onder mijn aansturen gaan we ook vaak voor onze buurman die wel wat kaarsjes gebruiken kan.

Aan de kerkdeur worden we aangesproken door een man. Eind in de 60 gok ik. Wit haar. Schoon hemd over zijn dikke buik. Hij spreekt West-Vlaams maar legt zijn accenten wat vreemd. Ik vermoed dat hij Franstalig is. Hij bestudeert de buggy. Kasper zit op het meerijdplankje. Veel bekijks heeft dat ding ons al opgeleverd. “Zullen we dan een kaarsje branden?”, vraag ik aan Kas. “Ah zeker!” antwoordt de witte man in zijn plaats. “Brand er maar twee! Ik zal betalen”, zegt ie. “We zullen wel nu wat stilletjes moeten zijn, jongen,” en ik begin al half te fluisteren. Maar de witte man kijkt me gespeeld verontwaardigd aan: de kerk is er voor iedereen. Stilte vraagt ie enkel wanneer de dienst bezig is. ‘Aha’, denk ik, ‘ ’t Is de pastoor’.  Wie anders trakteert er ook met kaarsen?

Ik duw de buggy de kerk binnen en word onmiddellijk overvallen door het licht. Overal laten de grote ramen de zon gemakkelijk binnen. A-typisch voor een kerk zijn het geen donkere glas-in-loodramen met taferelen van het leven van Christus maar witte kleine ruitjes. Dit is mijn soort kerk. Het is er licht. Ze staat vol bloemen. Geen overschotten van begrafenissen, maar kleurrijke bloemen. Sommigen komen recht uit het veld. Ze zijn geplukt en in een vaas gezet in plaats van perfect ingebonden. Er ligt een strooien hoed aan het altaar op de grond. Er staat een picknickmand met zonnebloemen in. Er mag leven zijn.

Aan het prikbord aan de ingang hangt een tekst over de kerkdeur.

De kerkdeur

Hij stelt ons de vraag:
heb je er wel eens over nagedacht,
wat er gebeurt als je door een kerkdeur naar binnen gaat?
Heb je wel eens aan den lijve ondervonden,
dat zo een deur een verbinding is tussen twee werelden?
Aan de ene kant van de deur
ligt het rumoerige, dagelijkse leven van werken en zakendoen.
Het leven met zijn zorg en zijn gezelligheid,
het leven waarvan wij genieten met zoveel goeds en 
ook met zoveel kwaads, narigheid, leugen, bedrog en achterdocht.
Aan de andere kant, de ruimte waar wij,
met al onze onrust en onze zorgen tot rust kunnen komen.
In die ruimte is het licht anders.
Het wordt getemperd door de sfeer van beschouwing 
en gebed, van dieper en anders zien.
Die ruimte is indrukwekkend door haar sterke muren
de oprijzende pilaren en de hoge gewelven.
Dat is de ervaring van vele toevallige bezoekers, pelgrims en toeristen.
Het moge de ervaring zijn van elke kerkganger, die door de kerkdeur naar binnengaat.

Processed with VSCO with c1 preset

Schoon, denk ik. En waar. Als vanzelf ga ik fluisteren als ik een kerk binnenstap. Mijn kinderen gaan er – meestal – ook stiller praten (behalve wanneer ik hen zeg dat ze geen koeken meer krijgen dan maakt het niet echt uit waar we zijn). Ik zoek automatisch de kaarsjes op. Er staan er meestal kleine ronde rode en lange witte. Twee witte kiest Kas dit keer en we steken ze samen aan. Ik denk aan papa, zoals altijd wat vaker wanneer ik op West-Vlaamse bodem rondwandel. ‘Vadertje’ denk ik en ook ‘Papa’. En voor de honderdduizendste keer vloek ik ook. ‘Dju toch’. Merde.

Ik blijf staan voor een pilaar en kijk naar een wat kitscherige uitvoering van Maria met kind. Mijn Paulien kent alle verschillende Maria’s – handen open, handen toe, met kind, zonder kind, in’t blauw of niet. Deze versie heeft een soort zilveren cape. Het zal Maria van Star Wars zijn, bedenk ik me. Op de grond lees ik nog over Jacobus die daar ligt. Hij was er priester meer dan 200 jaar geleden. Barbara ligt daar ook – de huisvrouw. Ze stierf maar enkele dagen later. Zou het ook liefde geweest zijn tussen die twee, vraag ik me af? Stiekem? Of heel het dorp dat ervan wist? ’t Is ze van harte gegund – die liefde. Misschien stierf ze wel aan een gebroken hart? De steen barst net waar haar leeftijd staat. 31 gok ik. Dan zal het wel een gebroken hart geweest zijn.

Processed with VSCO with c1 preset

Ik duw de kinderen in hun mini-caravaan weer naar buiten.
Ik draai me nog één keer om naar het licht
en stap dan weer
de andere wereld in.