Een zacht afscheid

“Het is je alweer niet gegund, dat zachte afscheid”, zei L. me onlangs toen ik tegenover haar zat. Ze doelde op mijn nonkel Johan die in maart op een week tijd van diagnose naar overlijden ging. Ik heb sindsdien nog vaak aan haar woorden terug gedacht, aan dat zachte afscheid dat er weer niet kwam.

Veel zag ik hem niet, die nonkel van mij. Hij wou dat graag zo, hij was op zichzelf. Dat hij wat anders was, dat heb ik altijd zo ervaren. Zo spraken mensen over hem. Niet altijd met slechte bedoelingen, zeker niet. Maar het viel op. Hij kon lange lange mails sturen over het sterrenstelsel. De hele tekst stond in een fluogeel dat met het menselijk oog amper waar te nemen was. Ik markeerde alles – kopieerde en plakte in Word. Na drie alinea’s kon ik al niet meer volgen.

Hij gaf niet veel om hoe hij erbij liep. Toen papa stierf, koos hij wat kleren uit. Die moeten hem allemaal verschrikkelijk veel te groot geweest zijn. Hij was kleiner en magerder dan papa. Maar hij droeg ze. Dat weet ik, want ik heb ze enkele weken geleden uit zijn kleerkast gehaald en ze in zakken gestopt om weg te geven.

Hij was niet helemaal mee met bepaalde conventies. Als we op bezoek gingen, gaf hij op voorhand aan dat hij niets van koeken in huis had. We mochten zelf meebrengen wat we wilden en hij zou het ons betalen. We zagen hem niet veel, maar als we gingen dan trakteerde hij. Hij at zelf het meest: twee pannenkoeken met boter. Hij schepte het bakje zorgvuldig leeg, liet de boter traag smelten en trok er nog een open. De koekjes van de koffie schoof hij door naar Kasper.

De laatste jaren lette ik goed op wanneer ik hem zag. Ik speurde zijn gelaat af, op zoek naar gelijkenissen met papa. Vroeger waren die er amper. De laatste jaren begonnen de broers meer op elkaar te lijken. Zijn haarlijn week terug op dezelfde manier. Hij zette zijn bril weer op de juiste plek op zijn neus met hetzelfde gebaar. Hij zei “niewaar”, aan het einde van de zin en ik herinnerde me weer hoe papa dan antwoordde van “welwaar”.

Ik vroeg hem vorig jaar of hij voor mij misschien wat herinneringen aan papa wilde opschrijven. Ik kan geen nieuwe verhalen meer maken met mijn vader, maar ik kan wel proberen er oude te verzamelen. Hij vond het een hele eer, zei ie en hij ging aan het schrijven. Zes weken lang kreeg ik elke zondagvoormiddag een lange e-mail. Hij had mijn vaders leven opgedeeld in stadia en hij had voor elk stadium één van papa’s bijnamen gebruikt. Hij beschreef momenten uit papa’s leven, kleine dingen die ik niet wist en sommige die ik al heel vaak heb gehoord. Ik las de mails altijd eerst heel snel – mijn ogen spurtten over de zinnen – en daarna nog twee of drie keer heel traag. Ik las stukken hardop voor, voor mezelf. Alsof ik zo weer wat leven in hem kon praten.
Ik las – zonder dat hij dat telkens letterlijk zei, hoewel hij het ook letterlijk zei – dat hij mijn papa miste en ik voelde plots heel erg dat het natuurlijk zijn broer was. Ik wist dat al, maar toen voelde ik het echt. Broers. Het waren broers.

Enkele weken geleden maakten we zijn appartement leeg: ik en de jongens waar ik mee groot geworden ben. De zon scheen loeihard en het was warm. We lachten om gekke dingen die we vonden, we hoestten omdat er stof in ons gezicht vloog. We namen een aanloop om zware kasten op een plank met wielen het bergje naar de container op te duwen. We aten in de speeltuin waar we vroeger sigaretten gingen roken, of neen, spelen bedoel ik. Op het einde van de dag sloegen we de container – die stampvol zat – dicht. Daarna moest ie nog eens open omdat J. een kast ontdekte die nog een schat aan oude cassettes bevatte. “Ik heb niet eens een cassettespeler”, zei ie, en hij nam tien cassettes mee naar huis. Toen sloegen we hem nog eens dicht – de container. Met veel lawaai viel de zware deur in het slot. 60 jaar opgeruimd in één dag.

Alweer geen zacht afscheid dus. Geen handen vasthouden, geen afscheidsgroet, geen laatste woorden. Maar gelukkig kom ik de twee broers nog wel eens tegen. Ik zie ze in de man bij de apotheker die met hoog opgetrokken sokken in moccasins zijn Dafalgan bestelde. Ik hoor ze in West-Vlaamse klanken – “mo ba nink!”. Ik ruik ze in lindebomen, in echte scheerzeep en ook in sigarettenrook. Ik kan ze ook voelen. Als ik mijn ogen sluit, dan kan ik precies wijzen waar ze zitten. Vanbinnen.

Processed with VSCO with c1 preset

Advertenties

Ik zocht mijn vader

Intussen is ie er al meer dan 12 jaar niet meer, maar er gaat nog steeds geen dag voorbij waarop ik niet aan hem denk. De scherpe kanten zijn van het verdriet af. Het verdriet is niet weg (ik denk niet dat het ooit weg gaat), maar het heeft een plaats gekregen in mijn leven. Ik kan er mee omgaan. Ik heb mijn realiteit aangepast aan het feit dat hij er niet meer is en dat hij nooit meer terug komt.

Elke dag nog denk ik aan hem. Aan hoe hij er plots niet meer was en ik mij zo lang ontworteld voelde. Vroeger ging dat gepaard met allesverzengende woede, ontroostbaar verdriet en algehele ontreddering. Tegenwoordig denk ik vooral nog elke dag ‘dju toch, papa’ en ‘he toch’ en ‘hai toch’ en ‘man man man’.

Er zijn zoveel dingen die me aan hem doen denken. Iemand die op hem lijkt. Mijn boterham in vierkantjes snijden en op elk vierkantje een stukje chocolade leggen. De Knack. Duitse televisieprogramma’s. Molière. Toneel in het algemeen. BB King. Bluesharp. West-Vlaams. Mannen met een ring aan hun pink. Mannen met een stoppelbaard en een bril. Eric Clapton Unplugged. Hoegaarden. Allemaal dingen die bij hem horen.

Maar net zo goed dingen die ik graag bij hem had willen laten horen – dingen die ik had willen vertellen, had willen tonen. Mijn kinderen. Het feit dat wij in het ouderlijk huis wonen. Mijn man. Mijn job. Mijn ideeën voor in de les. De boeken die ik lees. Mijn leesclub. Kasper die zo muzikaal is.

Onlangs verloor één van mijn dierbaarste collega’s haar papa. Dat is zo verschrikkelijk hard. Ze schreef een wonderschone tekst die ze heel moedig voorlas in de kerk. Ze draagt haar verlies en haar leed zo waardig. Zelfs in deze periode – die ongetwijfeld één van de moeilijkste uit haar leven is – blijft ze zichzelf: vrijgevig, joviaal, gul. Ik wil haar zo graag iets terug geven en liefst nog haar papa.

Veel is het niet, maar misschien vindt ze hem even hier in deze tekst – zoals ik de mijne er al vaak in gevonden heb.

 

Ik zocht mijn vader.
‘Waar is mijn vader?’ riep ik. ik zocht overal. ‘Heeft iemand mijn vader gezien?’

Wat moet ik beginnen zonder vader, dacht ik: ‘Mijn vader!!’

‘Hier!’ hoorde ik opeens zijn stem.
‘Waar?’

‘Hier!’ Ik hoorde hem roepen uit mijn broekzak. Ik haalde hem tevoorschijn.
Hij was het echt, maar heel klein.

Wat moest ik daar nu van denken?

‘Let op, zei hij.
En plotseling was hij groot en boog zich over mij heen.
‘Dag mijn kind’ zei hij.
Hij glom.

‘Hoe doe je dat toch?’ vroeg ik.

‘Ja…’ zei hij. Hij glimlachte geheimzinnig.

‘Kan je mij dat ook leren?’

‘Nou….’ Zei hij ‘Later misschien.’

‘Wanneer is later?’….

‘Ja….’

O, altijd dat geheimzinnige ja…. Van mijn vader. Daar hield ik helemaal niet van. Dat wilde ik hem ook zeggen.

Maar plotseling kromp hij weer in elkaar en was hij weg.

Ik voelde in mijn broekzakken. Daar was hij niet.

‘Waar ben je nu?’ riep ik.

‘Hier.’

‘Waar is hier?’

‘Later.

‘Later? Hoe kan dat nou weer?’

‘Ja….’

Hij was dus ergens later, waar het niet nu was. Ik had nog nooit zo iets ingewikkelds meegemaakt.
‘Is het daar mooi?’ vroeg ik.

‘Heel mooi, zei hij.

‘Wat is daar te zien?’ vroeg ik.
‘De zee, zei hij ‘Kleine scheepjes. Meeuwen’.

Ik kon zijn stem nauwelijks meer horen.

‘Waar ben je nu?’ riep ik…

‘Veel later, veel, veel later…’

‘Vaar je soms weg? Riep ik.
Toen hoorde ik hem niet meer.
Ik zuchtte.
Ik dacht: wat ze ook zeggen: ik heb de ingewikkeldste vader van de wereld, dat is zeker;

En ik was niet bang dat hij misschien niet meer terug zou komen. Hij komt altijd terug. Hij weet daar duizend manieren voor.

Toon Tellegen

Playin’ with my friend

We stappen in de auto. Het is zaterdag en er zijn wat boodschappen te doen. Ik weet niet meer in welke volgorde maar vermoedelijk gaan we iets wegbrengen, iets halen en iets wassen (in casu: de auto). We zijn onder ons twee en daar hoort muziek bij.
Ik rommel wat met de cd’s. Die zitten overal: in de twee deuren, in het handschoenkastje en in het opbergvakje in het midden. Ik tik tegen zijn elleboog want die verhindert mij van het opbergvakje te openen. Ah, hier zit ie.
Ik vis de cd op uit het bakje en toon hem aan papa. Hij kan zich helemaal vinden in mijn keuze. Terwijl de radio de cd leest, zet hij het volume alvast op maximum. (Je kan via deze link meeluisteren).

I’m gonna call up all of my buddies
And a few of the ladies I know
I’m gonna rent a hall and get them all and
Put on a heck of a show

Make sure we got a kitchen
With an oven and a stove
We’ll all get in there cookin’
Then we’ll throw open all the doors

Playin’ with my friends
Playin’ with my friends
We’ll have a good time
Playin’ with my friends

De radio staat zo luid dat ik de boxen voel trillen in de deur. Papa zingt de strofes want hij is BB King. Het refrein zingen we allebei heel hard mee, zonder schroom. Ik geneer mij eigenlijk nooit bij papa, besef ik. Ik ben 17 jaar dus dat betekent wel iets. Maar ik vind mijn vader cool. Hij speelt bluesharp in een bandje bij mijn broers. Hij kan mensen aan het lachen brengen. Hij draagt een pak om te gaan lesgeven want dat hoort zo vindt hij. Als hij thuiskomt doet hij gemakkelijke kleren aan – een zwarte jeans met een trui erop. “Mijnen boy” zegt ie, want hij is een West-Vlaming. “Mijn speelkleren”, zegt ie, want hij is een grappenmaker.

I’m gonna buy a hundred pounds of catfish
Cook it all up on the grill
Make some beans and corn bread
Everybody’s gonna get their fill

Then we’ll grab all the guitars
Greasy hands and all
Someone’ll count off a shuffle
And man, we’ll have a ball

Playin’ with my friends
Playin’ with my friends
We’ll have a good time
Playin’ with my friends

Dit stuk zing ik want Robert Cray heeft een hogere stem dan BB King dus het was een uitgemaakte zaak dat ik Robert was en hij BB. Hij zet op pauze na de eerste strofe. “Wat is catfish?”, vraagt hij mij. Hij vertelde mij intussen al honderdvijftig keer wat catfish is en ik zeg hem dat ook. “Ja maar, ik moet toch zeker zijn dat je luistert”. Ik rol met mijn ogen. “En wat is dan corn bread?”, vraagt hij nog. “Papaaaaaa”, zeg ik en ik duw weer op play. “Maar weet je wel wat ‘to have a ball’ betekent?”, roept hij boven de muziek uit. Hij moet hard lachen omdat ik blijf verder zingen en zijn vraag negeer. Ik zwaai naar buiten en hij vraagt me wie ik zag. “Niemand”, zeg ik, “maar die meneer dacht dat het naar hem was en die zwaaide terug. Die zal zich nu de ganse voormiddag afvragen wie hij toch gepasseerd is.” Daar moet hij zo hard om lachen dat het sindsdien iets wordt wat we vaker doen: we zwaaien zomaar naar iemand die geconcentreerd aan het rijden is en lachen wanneer die verschrikt – en vaak verward – terug zwaait.

Er komt een lang instrumentaal stuk nu. De rollen zijn ook hier weer duidelijk: als hij BB is ben ik de drum. Als ik Robert ben, is hij één van de blazers of de pianist. Hij kan fantastisch luchtorgel spelen en hij gebruikt daarbij het hele dashboard – zelfs mijn stuk.

Yes, we’re gonna buy some of that red, red wine
The best that money can buy
You gotta drink it all from a paper cup
That this here Saturday life is right

Everybody’s gonna stand up
Play their favorite tune
You can pick any tune you want to
As long as it’s the blues

Playin’ with my friends
Playin’ with my friends
We’ll have a good time
Playin’ with my friends

BB roept van “Yeah!” en het is papa zijn favoriete stukje. Het nummer gaat in crescendo nu. De gitaristen strijden om de mooiste solo. Wanneer het niet aan mij is, doe ik de blazers na. De laatste 40 seconden zijn de allerbeste. Robert Cray speelt met het ritme en lijkt te hakkelen in zijn solo. Schitterend vindt hij het en soms spoelt hij het wel drie keer terug. Altijd nog eens die tien seconden. Het nummer heeft geen einde, het stopt niet – fade out en het nummer is voorbij.

“Nog eens?”, zegt hij. Hij heeft het al opnieuw opgezet zonder mijn antwoord af te wachten.

Tuurlijk nog eens. Ik zou nu alles geven voor nog eens. Nog één keertje.
“Playin’ with my friends” is van ons. We hebben het samen zoveel gespeeld en gezongen in de auto. Loeihard. Superuitgelaten. “Playin’ with my friends” is het nummer waarmee ik papa vier. Ik heb er andere om bij te wenen, om bij te missen. Maar deze schijf is er eentje om hem te vieren. Na twaalf jaar vier ik hem nog elke dag – maar vandaag heel speciaal.

You can pick any tune you want to
As long as it’s the blues

IMG_0752

 

 

Nuts.

“Uw papa, at die eigenlijk graag noten?”, vraagt Wout wanneer hij de keuken terug binnenkomt. “Noten?”, zeg ik enigszins verbaasd. Ik graaf in mijn herinneringen.
At papa graag noten? Ik denk aan de noten die rond deze tijd vanuit bompa’s tuin mee naar Halen kwamen. Ze stonden in een mandje op de rand van het aanrecht. In het mandje lag de notenkraker. Het was een heel zwaar exemplaar. De handvaten waren rood en het ‘kraakstuk’ was wit. Ik stak er als kind mijn vingers tussen. Die waren zo klein en smal dat er dan niks gekraakt werd. Ik moest er twee vingers in steken om de ribbels aan de binnenkant te voelen.
Ik herinner me hoe hij de noten voor me kraakte omdat mijn hand nog te klein was om de handvaten toe te krijgen als er een noot tussen zat. Ik had de ‘fors’ nog niet. Hij kraakte en de noot spleet open – netjes in het midden. Hij toonde me hoe je de vliesjes ertussenuit kon pulken en zo enkel het gladde, lekkere stuk noot moest opeten. In elke helft één stukje. Hij at de noten op die we samen kraakten.
“Ik weet eigenlijk niet of hij dat graag at, maar ik denk het wel”, zeg ik eindelijk. “Maar waarom vraag je dat?” Mijn lief vertelt dat hij regelmatig halve okkernoten vindt in onze tuin. Hij raapt ze altijd op, maar ze blijven telkens terugkomen. Alsof ze zich per se willen manifesteren in onze tuin.
Er is geen logische verklaring voor, zegt ie, want wij hebben helemaal geen okkernotenboom. En dus had hij zelf al bedacht dat het misschien wel een zwaaike van papa kon zijn, een groet in de vorm van een halve okkernoot die maar blijft terugkomen. Ik vind het onmiddellijk een schoon gedacht dat papa tegenwoordig zijn groeten zou overbrengen via noten. Of is dat nuts?

Processed with VSCO with c1 preset

Intussen weten we natuurlijk hoe het zit. We zagen de logische verklaring met onze eigen ogen: vogels gebruiken die noten om nesten mee te maken. En regelmatig zijn die sjarels niet in staat om die zware okkernoot daar te krijgen waar ze hem hebben willen. De okkernoot valt en splijt in twee – netjes in het midden. Dus de rede heeft ons een uitleg gegeven die al die halve okkernoten verklaart. Maar toch, maar toch. Telkens als ik er eentje zie liggen, kan ik niets anders denken dan: dag papa.

Bij opa

Processed with VSCO with c1 preset

Voor Kas is het kerkhof geen vreemde of droevige plaats.
Hij mag er altijd water geven aan de bloemetjes bij mijn papa en mijn grootouders. Met veel toewijding geeft hij water aan elk potje en daarna ook nog aan alle potjes die droog staan op alle andere graven kortbij papa.

Hij ziet er vogels (VO!) en tractors (tracto!) passeren. Hij zit er in het gras en hij kan er vrij rond stappen want er zijn geen auto’s.

Als we weer weg gaan, wuift hij ‘dada’ naar opa. En als hij er al eens weent, dan is het omdat ik sneller wil vertrekken dan hij in zijn planning voorzien had. Zo associeert hij zijn opa hopelijk niet alleen met verdriet, maar vooral met positieve dingen.

Ik vraag hem in de auto of we nog naar opa zullen gaan. Hij begrijpt wat ik zeg, want hij steekt zijn vingertje in de lucht en hij zegt: ‘Vo!’ (Ja, schat, daar zijn vogels he) en ‘Wawa!’ (Ja, en jij mag dan de bloemetjes water geven). Daar zijn is voor hem zo gewoon als in de tuin rondlopen. Hij ziet er dingen die hij herkent, hij mag er vrij zijn en dingen zelf doen.

Ik ga er niet van uit dat papa ons horen kan. Ik denk niet dat ik dat echt geloof. Maar toch vind ik het een fijne gedachte dat Kas en ik regelmatig gewoon daar zijn, in zijn buurt. Niet om te treuren, niet om stil te staan, maar om te doen wat we thuis ook doen: om te leven.

Traag.

35 km/uur geeft de snelheidsmeter aan. Ik rijd achter een tractor en ik kan er niet voorbij. In tegenstelling tot de voorbije weken, stoort het me allerminst. Ik geniet van de traagte. De chauffeur achter me duidelijk iets minder, maar het deert me niet. Geduldig blijf ik achter de tractor rijden. Ik tik mee met de muziek en ik zet mijn raam op een kiertje om wat frisse lucht binnen te laten. Samen met de drukte is ook de drukkende warmte verdwenen. Ik adem – op alle vlakken – weer vrijer.

Nu er weer tijd is en niet alles snel en functioneel en efficiënt moet zijn, kan ik er weer voor kiezen om ons eten zo veel mogelijk lokaal te kopen. Fruit en groenten op de markt op woensdag – behalve de aardbeien, die koop ik rechtstreeks bij de teler. Al jaren gaan we daarvoor naar dezelfde man.
Ik herinner me nog dat ‘aardbeikes kopen’ telde als mijn ontspanning tijdens de juni-examens in het vijfde middelbaar. Het kan niet later dan dat geweest zijn, want ik ging samen met papa en die was er in het zesde al niet meer.
We stappen in de blauwe Mercedes en het dak ging open want het was warm. De muziek staat luid. We draaien ‘Me & Mr. Johnson’ van Eric Clapton grijs. We zetten “They’re red hot” telkens opnieuw op. Twee keer op de heenrit, twee keer op de terugrit. Het album is nog niet lang uit wat betekent dat papa de tekst nog niet helemaal kent. Hij zingt sommige stukken juist en andere wauwelt hij mee. “Nog es?” vraag hij en het stoort niet dus ik duw op repeat. Hij speelt luchtpiano op het dashboard en ik glimlach een beetje (maar niet voluit want ik ben 16 en cool weetjewel). Hij knijpt in mijn knie en dan moet ik wel lachen want het is ons dingetje als hij mij wil laten lachen. Ik speel mee luchtpiano en luchtbluesharp en papa zingt over het meisje dat in de keuken slaapt met haar voeten in de hal. De rest is nog gewauwel.

13 jaar later is ‘aardbeikes kopen’ nog steeds ontspannend. Niet altijd – soms is het gewoon haasten en een taakje op mijn to do-lijst. Maar vandaag is er tijd. De tractor rijdt voorbij de straat waar ik rechts moet. Ik draai de verbindingsweg in, klaar om nog eens naar tweede te schakelen maar het volgende trage voertuig houdt me al tegen. Dit keer is het een oude vrouw in een elektrische rolstoel. Ze rijdt in het midden van de weg aan een snelheid van zo’n 15 km/uur. De weg is smal en ik kan er niet voorbij. Ik wil niet toeteren omdat ik vermoed dat ze zich ofwel dood schrikt ofwel potdoof is en het niet horen zal.

Processed with VSCO with c1 preset

Traag was ok voor 3 km maar zo traag hoefde nu ook weer niet. Vooral het stuk waar ik extreem traag langs de goorste beesten ter wereld moet passeren, had ik liever anders gezien. Ze staren me aan, allemaal tegelijk. Ik bereken of hun nek lang genoeg is om hun kop binnen te kunnen steken. Ik ben niet goed in wiskunde, maar als mijn inschatting enigszins klopt dan weet ik quasi zeker dat het onmogelijk is. Ik doe mijn raam toch maar dicht. Je weet maar nooit met die vuile beesten.

Processed with VSCO with c1 preset

Ik draai eindelijk de oprit op bij de fruitboer. De laatste jaren krijgt hij tijdens de drukke aardbeimaanden hulp van Poolse arbeiders. Hij is zelf ver in de tachtig en niet meer in staat om het zelf te doen. De vorige keren dat ik aardbeien kwam halen, werd ik telkens geholpen door een Pools meisje dat me de bakjes liet kiezen en daarna zei dat het me “zeks oiro” kostte. Dit keer is het de boer zelf. Ik zie hem al zitten op een stoel wat verder op het erf. Traag staat hij op en begint hij zijn rolwagen vooruit te duwen. Ik wil naar hem toekomen om hem de afstand te besparen, maar hij wuift me achteruit. “Ich koom zellef maske”, zegt ie en ik blijf staan onder de poort. Zoals altijd bungelt er een gerolde sigaret aan zijn lippen. Zijn roltabak ligt op het plankje van zijn rolwagen.

“Das verzekers os Hildeke”, zegt hij als hij voor me staat. Hij komt kortbij want hij ziet niet meer goed. Ik zeg hem dat ik niet Hilde ben, maar wel de dochter van Renilde en of hij dat misschien bedoelt. Hij kijkt me aan maar reageert niet. Misschien heeft hij me niet verstaan. “De kleindochter van Roger D’Exelle”, roep ik. Er zijn weinig andere plaatsen waar ik me in die hoedanigheid kenbaar moet maken, maar bij mensen van 80 plus wil er dan al wel eens een licht gaan branden. Dit keer niet. Ik zie dat hij het verstaan heeft, maar niet meteen weet wie ik bedoel. Het geeft niet.
“Vier bakskes alstublieft, meneer”, vraag ik. Hij wijst naar de koelkast: “Dan moeder ze pakken kind”. Ik neem vier bakjes aardbeien en zet ze op het deksel van de koelkast. Ik wijs en tel luidop. “Een, twee, drie, vier”, roep ik. “Hoeveel ist?”, vraagt hij me. Ik wijs en tel luidop: “vier keer twee en half da’s 10”. Ik roep nog steeds. Hij houdt zijn hand als een schelp achter zijn oor omdat hij me niet begrepen heeft. “TIEN” schreeuw ik nu terwijl ik hem 10 euro aanreik. “Merci, maske.”

Als ik in de auto zit en terug de baan opdraai, zie ik dat hij nog steeds onderweg is naar zijn stoel vanachter op het erf. Hij is nog niet eens halfweg. Ik besluit te wachten tot hij terug zit. Het gaat nu toch al traag vandaag.

Cartoon voor papa

Het moet zo’n twaalf jaar geleden zijn (say what?!) dat ik deze cartoon in de krant zag staan:

img_5366

Ik knipte hem uit en legde hem op papa’s bureau voor wanneer hij thuis zou komen. Ik liet de deur van mijn kamer wat openstaan, zodat ik alles goed kon horen. Ik hoorde hem thuiskomen en wat rommelen beneden. Ik hield het bijna niet meer van de zenuwen.
Ik hoorde hem de trap opkomen en kreeg al bijna zelf de slappe lach – zoals wanneer je ergens supergoed verstopt zit, iemand wil doen schrikken en van de nervositeit zelf moet lachen. De deur van zijn bureau ging open en enkele seconden erna hoorde ik zijn bulderlach. Ik stoof de trap op. Toen ik boven kwam, was hij de cartoon net met een magneetje op zijn chauffage aan het hangen. De tranen stonden hem in de ogen. Hij keek me stralend aan en we gniffelden nog even samen verder.

Toen papa in hetzelfde jaar stierf, plukte ik de cartoon terug van zijn verwarming af. Met een wasspeld hing ik hem tegen mijn eigen slaapkamermuur. Hij kreukte er door de wind wanneer het raam open stond. Hij vergeelde er door de zon die er in de namiddag pal op scheen. Maar wat hij vooral deed was troosten wanneer ik ‘aan papa denken’ enkel nog kon associëren met verdriet. Hij herinnerde mij eraan dat papa en ik, dat wij vooral lachen waren geweest. Zeker de laatste twee jaren.
Ik was oud genoeg geworden om iets terug te kunnen kaatsen op zijn spitsvondigheden. Hij vond het altijd fantastisch als ik dat deed – dat kon ik zien aan zijn reactie. Zijn gezicht toonde eerst verbazing – alsof hij telkens weer vergeten was dat ik nu ook grappig kon zijn. En daarna brak het open en weerklonk zijn luide bulderlach. Hij was blij dat ik blijkbaar humor in me had zitten.

Het deed hem plezier dat zijn dochter hem aan het lachen kon maken. Hij probeerde het uit te lokken, mijn terug-kaatsen, mijn mopjes. Meestal ging ik erop in. Maar soms – wanneer er zich in mijn puberwereld weer één of ander drama voltrok – dan toonde ik enkel een flauw lachje en zei verder niets terug. Hij vroeg wat er was en ik zei van niks.
Hij vroeg me om mijn pruillip te trekken – zoals ik dat als klein meisje deed wanneer ik iets gedaan wou krijgen. Ik weigerde want ik was natuurlijk groot en boos en ik zou zeker en vast geen pruillip trekken. Maar hij trok zo lang een pruillip en pinkelde met zijn ogen – zoals ik vroeger deed – tot ik half moest lachen en alsnog mijn beste pruillip trok.
Dan kneep hij in mijn been of in mijn arm, zo’n varkensbeet die pijn doet en kriebelt tegelijk. Dan zei hij van: “Saartje, geef mij eens een kus” en dat deed ik. Ik haakte mijn arm in de zijne en we wandelden samen verder. “Zo, nu denkt iedereen dat ik wel een héél jonge vrouw heb”, grapte hij. En ik verzekerde hem dat iedereen zag dat hij mijn papa was en dat ik daar blij om was. “Mijne papa,” zei ik, terwijl ik op zijn hand klopte. Hij snapte het mopje – ik verwees immers naar een toneelstuk dat hij ooit speelde. Hij gniffelde en we wandelden verder. Meestal werd het dan weer stil want een babbelaar was hij niet.

Vandaag zag ik deze cartoon:

img_5364

Ik knipte hem uit. Ik trok boven mijn grote papa-doos uit de kast. Toen ik het deksel eraf deed, rook ik zijn scheerzeep. De doos ruikt na al die jaren helemaal naar papa sinds ik de resterende zeepjes erin legde. Ik legde mijn cartoon bovenop de andere cartoon, ik gniffelde. Met mijn ogen dicht kon ik hem bijna horen bulderlachen.