Camera obscura

In maart overleed mijn nonkel Johan, daar schreef ik eerder al wat over. Ik denk nog vaak aan hem. Want hoewel wij elkaar amper zagen, was hij toch aanwezig in mijn leven. We stuurden elkaar e-mails. De ene keer begreep ik wat ie zei, de andere keer moest ik lezen met het woordenboek ernaast of ging ik in elke zin eerst op zoek naar het vervoegde werkwoord om zo de zinsconstructie enigszins te achterhalen. Het was dus geen ‘gewone’ familierelatie, maar bon. (Bestaan die wel?) Ergens onderweg had ik besloten te handelen naar mijn gevoel en niet zozeer naar wat als ‘normaal’ beschouwd zou kunnen worden. Dat creëerde een vrijheid en die heeft ons – toch zeker in de laatste jaren – wat korter bij elkaar gebracht.

Toen hij in maart zo heel erg snel van diagnose naar overlijden ging, konden mijn hoofd en hart dat tempo niet helemaal volgen. Ik had het al eens meegemaakt – iemand die er altijd geweest was naar iemand die er nooit meer zou zijn – maar ik was er klaarblijkelijk niet beter in geworden. Een maand of twee later ging ik met mijn broers, mijn neven en mijn tante en oom het huis van nonkel Johan leegmaken. We vonden bizarre dingen (lege afgewassen doosjes waar in 2000 filet americain had ingezeten – mannen alleen, wie begrijpt ze?), echte schatten (cassettes van Pink Floyd! En van Randy Newman! Het trouwboekje van mijn grootouders! nieuwjaarsbrieven van ons alle vijf!), grappige dingen die we herkenden (zijn flashy fuchia trainingspak mét bijhorende zweetband) en dingen die we zonder nadenken in de container gooiden (hopen hopen hopen gazetten, Knacks, parochiebladen, you name it). Enkele spullen namen we mee. Die kregen een nieuwe bestemming in onze huizen. “’t Is gek,” zei ik tegen mijn tante, “maar doordat hij er nu niet meer is, zien we elkaar wat vaker en ik ben altijd zo blij als ik samen ergens ben met alle jongens. Dan ben ik echt helemaal op mijn plek.”

Ergens in een kast vonden we nog een oude camera. Zo’n exemplaar dat je nog moest doordraaien na het nemen van een foto. Wel al zo’n – toen toch – hip ding dat een klein zwart venstertje voor de lens sloot wanneer je de camera niet gebruikte. Ik nam het mee om de foto’s te laten ontwikkelen. Maanden heeft het hier op de kast gestaan. Ik pakte de camera af en toe eens vast. Achteraan hing een kleine post-it met cijfers op. Een telefoonnummer? De datum waarop het rolletje in de camera ging? Afmetingen van iets? Ik heb het nooit kunnen uitvogelen wat het precies was. Ik draalde om de camera naar de fotograaf te brengen. Ik wilde weten wat erop stond en toch weer niet.

Maar afgelopen week deed ik het eindelijk. Ik bracht het cameraatje binnen. “Volgende week vrijdag zal het klaar zijn”, zei het meisje aan de toonbank. “Da’s best lang”, dacht ik bij het buiten stappen. Maar in de loop van de week kwamen de herinneringen terug aan foto’s ontwikkelen zoals dat vroeger ging: twee wegwerpkodakjes mee op kamp – eentje voor binnen, eentje voor buiten. De flash die moest opladen en rode pinkende lichtje wanneer het klaar was. Pas doordraaien wanneer je een foto wilde maken want anders maakte je waarschijnlijk foto’s van de binnenkant van je rugzak. Enkele foto’s die ik maakte kon ik onthouden en ik hoopte vurig dat ze goed gelukt waren (die van mijn lief met zijn blonde krullen aan de fontein in Frankrijk), anderen waarvan ik vergeten was dat ik ze gemaakt had (selfies avant la lettre met Paulien op een plein in Krakau). De week wachten op het ontwikkelen en dan nog voor ik goed en wel buiten stond de foto’s bekijken: eerst razendsnel de hele stapel, daarna allemaal nog eens één voor één – op zoek naar details.

Mijn verwachtingen gingen alle kanten op dit keer. De fotograaf had al aangegeven dat de foto’s waarschijnlijk kwalitatief niet zo goed zouden zijn omdat het rolletje al zo lang in de camera zat. Dat kon me niet zo deren. Want er zou hoe dan ook wel iets opstaan wat ik zou herkennen. Misschien stonden er wel leuke familiefoto’s op van ergens in de jaren ’90. Misschien had nonkel Johan ooit een geheim lief gehad en zouden we haar te zien krijgen. Of hem, wie weet. Misschien had hij foto’s gemaakt op een lezing over Steiner en zou ik gezichten kunnen plakken op de mensen die hij sporadisch vermeldde in e-mails. Misschien maakte hij lange wandelingen en kiekte hij ‘skone vuuwe’ zoals mijn West-Vlaamse grootmoeder het altijd zei. Misschien had hij een vreemde hobby waar ik liever niks over zou weten en zou ik daar nu mee geconfronteerd worden. Misschien had hij wel foto’s gemaakt van het huis van mijn grootouders voor het tegen de vlakte ging (ik deed het zelf niet en ik vind dat nog altijd zo heel erg jammer). Of misschien – en die verwachting was natuurlijk het scherpst van ze allemaal – stonden er wel foto’s op van papa die ik nog nooit gezien had. Nieuw voer uit het verleden voor een hongerige verzamelaarsziel zoals de mijne.

Wat het uiteindelijk werd, daar had ik geen rekening mee gehouden: het rolletje bleek leeg. Het was een ongebruikt exemplaar dat hij in de camera had gestoken ergens in de jaren ’90. Hij was misschien vergeten dat het erin zat. Of hij had niets de moeite waard gevonden om te fotograferen, dat zou ook kunnen. Of fotograferen was gewoon zijn ding niet geweest. Ik ga voor optie nummer drie – omdat dat de mooiste uitleg is en omdat het wel past bij hoe ik hem kende.

Ik kreeg geen foto’s dus, ik ontdekte geen geheimen, geen schatten, geen nieuwe beelden om te koesteren. Maar wat ik wel kreeg, was nog eens het gevoel van ergens op te wachten. Van uitkijken naar, van voorstellen en inbeelden, van geduld – ook al werd het niet echt helemaal beloond. Ik verkies om de ervaring op die manier om te buigen tot iets positiefs. En in de tussentijd maak ik – waar ik ook kom – foto’s van oude kapperszaken, bij gebrek aan foto’s van die éne kapperszaak die ik zo graag zelf gefotografeerd had toen het nog kon.

IMG_0889

 

Advertenties

65 jaar papa.

In onze straat wonen toevallig de allerleukste mensen van H. Al jarenlang kennen wij elkaar. We hebben samen heel veel fijne tijden beleefd: de grote mensen aten en dronken, de kleine speelden samen en probeerden zich zo gedeisd mogelijk te houden om het einduur van de avond zo lang mogelijk uit te stellen.
Om onze verbondenheid nog extra te onderstrepen, hebben wij ons best gedaan om zoveel mogelijk op dezelfde dagen te verjaren.

Zo uit het hoofd geteld, zijn er al minstens 4 verjaardagsmatchen in die vrolijke straat van ons. Het toeval wil dat ik op dezelfde dag jarig ben als mijn lieve overbuurvrouw. 17 augustus – da’s onze dag. Echte leeuwkes, twee zomerkinderen.

Elk jaar steken we de straat over om elkaar een heel erg fijne verjaardag te wensen. Dit jaar was zij eerst. Ik werd 30 en ik kreeg een heerlijke bos bloemen. Later op de dag trok ik ook naar haar voordeur met een boeketje voor haar. Wij houden nogal van tradities.
Zoals elk jaar vertelde ze ook dit keer opnieuw hoe het eraan toe ging, die 17e augustus, zo’n dertig jaar geleden.

Het was zo rond een uur of 8, 9 ’s avonds. Ze was een nieuwe etalage aan het maken voor haar klerenwinkel. Dat moest ’s avonds want dan sliepen haar twee zonen en dan had ze de handen vrij. Ze had mijn ouders ’s morgens samen zien vertrekken en hen niet meer zien terug komen. Ik zou dus ook een 17-augustus-kindje worden. Toen mijn vader ’s avonds terug de straat in reed en voor de deur parkeerde, tikte ze op het raam. “En?!” gebaarde ze. “Zo’n dochter!” antwoordde mijn vader en hij spreidde zijn armen uit.

Het laatste zinnetje van haar verhaal zegt ze altijd twee keer. “Zo’n dochter!”, zei ie. Zo’n dochter!”. Ze moet er – 30 jaar later – nog altijd om lachen. “Zo fier dat hij was, Saar”, zegt ze. “Ja, hij was echt heel blij met zijn dochter.” Ik knuffel haar nog eens goed en zeg haar dat ik dat ook altijd zo ervaren heb.

Vandaag ben jij jarig, papa. Ik kan geen verhalen vertellen over hoe het was toen jij geboren werd want daar was ik niet bij. Ik heb het ook niet van horen zeggen want mijn grootouders waren er de mensen niet naar om zulke ervaringen te delen. Wat ik wel kan vertellen, is hoe wij altijd je verjaardag vierden.

Dus ik neem de jongens bij mij en ik vertel over 1 september. Over hoe je zei dat je met de boekentas geboren werd. Over hoe we op voorhand aan mama vroegen wat je hebben wilde en dat ze altijd zei: “hij wilt weer niks.” Over de fles porto die we dan voor je kochten – het was het laatste wat je ooit dronk, besef ik net, een porto’ke omdat je niet kon slapen. Over hoe jij vaak zelf kookte op je verjaardag – met die witte schort met in blauwe letters ‘Jos’ op – een cadeau voor alle mannen op oudjaar ergens in de jaren ’90. Over hoe we na het eten naar meter en bompa reden want ook daar werd je verwacht om je verjaardagswensen in ontvangst te nemen. Over hoe meter je dan een cent in je pollen moffelde en zei “Neh, da’s voor ullie getweeën.” Over hoe wij op de terugweg de muziek héél luid zetten en meespeelden met BB King zoals we zo vaak deden. Over hoe ik me vermoedelijk meer jarig voelde dan jij, zo op jouw verjaardag.

“Ja, jongens”, zeg ik, “ik was echt heel blij met mijn papa”. Ik knuffel hen nog eens goed en zeg hen dat ik hoop dat jij dat altijd zo ervaren hebt.

Gelukkige 65e verjaardag, lieve onvervangbare papa.
Er gaat geen dag voorbij waarop ik niet aan je denk.

HPIM1934

Doodnormaal

Mijn kinderen gaan bijna wekelijks naar het kerkhof. Aangezien mijn papa en hun grootvader daar rust, is dat niet abnormaal.

Het is iets wat voor hen bij het leven hoort. Zoals we naar oma gaan, zo gaan we naar opa. Hoewel zo verschillend, is het voor hen eigenlijk hetzelfde.
We laden onze kindjes achterop onze fiets, we gespen hun helmpjes vast en we zijn weg. Onderweg wijzen we naar de dieren die we zien. Richting oma zien we struisvogels en paarden, we zien schapen, we fietsen over een bruggetje en tussen de perenbomen. Elke keer verzekeren we Kas dat de peren inderdaad nog wat moeten groeien. En ja, daarna komt de boer ze plukken en hij brengt ze naar de winkel. Daar kunnen wij ze kopen. “Mama en Kas?”, vraagt ie. “Ja lief, mama en kas en alle andere mensen die graag peren eten.”
Richting opa zien we twee uilen. Ze wonen in een veel te laag afgespannen stuk grond. Het is eigenlijk zielig. Ik vraag hem of hij denkt dat de uiltjes niet liever willen vliegen. Hij antwoordt dat ze misschien willen slapen. Dat ze niet veel anders kunnen doen daar op die 10 vierkante meter, dat zeg ik hem niet. Daarna passeren we meer perenbomen (ja, die moeten ook nog wat groeien), koeien met kalfjes (hij legt veel klemtoon op de F – kal-fjes zegt ie), een groot paard en een klein paard en veel velden met maïs. Hij wijst alles aan, benoemt en wij bevestigen.

Hij gaat vragen of er ijsjes zijn, zegt hij al nog voor we de oprit opdraaien. We bevrijden hem uit zijn fietsstoeltje en hij spurt naar de deur. Oma tovert mini-ijsjes tevoorschijn en voor ongeveer 3 minuten en 23 seconden horen we hem niet. Daarna wil hij nog water, een koekje, het kleine balletje, of nee toch de grote. Elias kruipt in zijn kielzog – volgt zijn grote broer als een schaduw. Hij zet zich op zijn zachte pamperpoep en probeert met zijn kleine, korte vingertjes de kruimels van Kasper zijn koekje op te rapen.

Bij opa is het meer van hetzelfde – al moet ik hier zelf voor de snackjes zorgen. Voor we vertrekken, moffel ik nog gauw twee reepjes kinderchocolade in mijn handtas en een flesje water. Ik bevrijd hem uit zijn fietsstoel en hij spurt naar het graf van opa. Ik zet hem neer op het stukje gras, zijn kleine broer naast hem. Wanneer ze het papiertje van de kinderchocolade horen ritselen, kunnen ze allebei niet snel genoeg op mijn schoot zitten. Langzaam eten we samen – blokje voor blokje – de chocolade op. We breken de reep in stukjes en laten allemaal een stukje smelten op onze tong. Het is even stil en rustig. De wind waait door onze haren. “Het windt!”, zegt Kas en ik wil hem niet verbeteren want ik vind het juist.

De dingen die ze doen zijn hetzelfde bij oma en bij opa: koekjes ontfutselen, hard lopen en knieën openvallen, bloemetjes water geven, helpen met poetsen, kijken naar vogels en zwaaien naar dieren. Elias zoekt op beide plaatsen dingen om in zijn mond te steken: kruimels bij de ene, stenen bij de andere.
Ook de dingen die ze voelen zijn – tot hiertoe – gelijkaardig. Ze kijken ernaar uit om hun grootouders te zien. Het ritje naar daar is altijd heerlijk. “Wij zijn met ons viertjes!”, zegt Kas – en hij somt ons allemaal op zodat er geen twijfel over bestaat wie hij bedoelt. We komen aan met veel lawaai – op beide plaatsen. We vertellen wat we meemaakten, dat de juf langs kwam, dat we nieuwe schoenen kochten, dat de zon schijnt en dat alle bloemetjes veel dorst hebben. Het afscheid is ook hetzelfde: een kus voor oma en ook een kus voor opa. Hij zag mij ooit papa’s foto kussen en sindsdien hoort het ook bij Kas z’n afscheidsritueel.

Hun grootouders opzoeken, dat is voor mijn kinderen bijna dagelijkse kost. Dat hoort erbij. Dat is – gelijk ze zeggen – doodnormaal.

Processed with VSCO with c1 preset

Een zacht afscheid

“Het is je alweer niet gegund, dat zachte afscheid”, zei L. me onlangs toen ik tegenover haar zat. Ze doelde op mijn nonkel Johan die in maart op een week tijd van diagnose naar overlijden ging. Ik heb sindsdien nog vaak aan haar woorden terug gedacht, aan dat zachte afscheid dat er weer niet kwam.

Veel zag ik hem niet, die nonkel van mij. Hij wou dat graag zo, hij was op zichzelf. Dat hij wat anders was, dat heb ik altijd zo ervaren. Zo spraken mensen over hem. Niet altijd met slechte bedoelingen, zeker niet. Maar het viel op. Hij kon lange lange mails sturen over het sterrenstelsel. De hele tekst stond in een fluogeel dat met het menselijk oog amper waar te nemen was. Ik markeerde alles – kopieerde en plakte in Word. Na drie alinea’s kon ik al niet meer volgen.

Hij gaf niet veel om hoe hij erbij liep. Toen papa stierf, koos hij wat kleren uit. Die moeten hem allemaal verschrikkelijk veel te groot geweest zijn. Hij was kleiner en magerder dan papa. Maar hij droeg ze. Dat weet ik, want ik heb ze enkele weken geleden uit zijn kleerkast gehaald en ze in zakken gestopt om weg te geven.

Hij was niet helemaal mee met bepaalde conventies. Als we op bezoek gingen, gaf hij op voorhand aan dat hij niets van koeken in huis had. We mochten zelf meebrengen wat we wilden en hij zou het ons betalen. We zagen hem niet veel, maar als we gingen dan trakteerde hij. Hij at zelf het meest: twee pannenkoeken met boter. Hij schepte het bakje zorgvuldig leeg, liet de boter traag smelten en trok er nog een open. De koekjes van de koffie schoof hij door naar Kasper.

De laatste jaren lette ik goed op wanneer ik hem zag. Ik speurde zijn gelaat af, op zoek naar gelijkenissen met papa. Vroeger waren die er amper. De laatste jaren begonnen de broers meer op elkaar te lijken. Zijn haarlijn week terug op dezelfde manier. Hij zette zijn bril weer op de juiste plek op zijn neus met hetzelfde gebaar. Hij zei “niewaar”, aan het einde van de zin en ik herinnerde me weer hoe papa dan antwoordde van “welwaar”.

Ik vroeg hem vorig jaar of hij voor mij misschien wat herinneringen aan papa wilde opschrijven. Ik kan geen nieuwe verhalen meer maken met mijn vader, maar ik kan wel proberen er oude te verzamelen. Hij vond het een hele eer, zei ie en hij ging aan het schrijven. Zes weken lang kreeg ik elke zondagvoormiddag een lange e-mail. Hij had mijn vaders leven opgedeeld in stadia en hij had voor elk stadium één van papa’s bijnamen gebruikt. Hij beschreef momenten uit papa’s leven, kleine dingen die ik niet wist en sommige die ik al heel vaak heb gehoord. Ik las de mails altijd eerst heel snel – mijn ogen spurtten over de zinnen – en daarna nog twee of drie keer heel traag. Ik las stukken hardop voor, voor mezelf. Alsof ik zo weer wat leven in hem kon praten.
Ik las – zonder dat hij dat telkens letterlijk zei, hoewel hij het ook letterlijk zei – dat hij mijn papa miste en ik voelde plots heel erg dat het natuurlijk zijn broer was. Ik wist dat al, maar toen voelde ik het echt. Broers. Het waren broers.

Enkele weken geleden maakten we zijn appartement leeg: ik en de jongens waar ik mee groot geworden ben. De zon scheen loeihard en het was warm. We lachten om gekke dingen die we vonden, we hoestten omdat er stof in ons gezicht vloog. We namen een aanloop om zware kasten op een plank met wielen het bergje naar de container op te duwen. We aten in de speeltuin waar we vroeger sigaretten gingen roken, of neen, spelen bedoel ik. Op het einde van de dag sloegen we de container – die stampvol zat – dicht. Daarna moest ie nog eens open omdat J. een kast ontdekte die nog een schat aan oude cassettes bevatte. “Ik heb niet eens een cassettespeler”, zei ie, en hij nam tien cassettes mee naar huis. Toen sloegen we hem nog eens dicht – de container. Met veel lawaai viel de zware deur in het slot. 60 jaar opgeruimd in één dag.

Alweer geen zacht afscheid dus. Geen handen vasthouden, geen afscheidsgroet, geen laatste woorden. Maar gelukkig kom ik de twee broers nog wel eens tegen. Ik zie ze in de man bij de apotheker die met hoog opgetrokken sokken in moccasins zijn Dafalgan bestelde. Ik hoor ze in West-Vlaamse klanken – “mo ba nink!”. Ik ruik ze in lindebomen, in echte scheerzeep en ook in sigarettenrook. Ik kan ze ook voelen. Als ik mijn ogen sluit, dan kan ik precies wijzen waar ze zitten. Vanbinnen.

Processed with VSCO with c1 preset

Ik zocht mijn vader

Intussen is ie er al meer dan 12 jaar niet meer, maar er gaat nog steeds geen dag voorbij waarop ik niet aan hem denk. De scherpe kanten zijn van het verdriet af. Het verdriet is niet weg (ik denk niet dat het ooit weg gaat), maar het heeft een plaats gekregen in mijn leven. Ik kan er mee omgaan. Ik heb mijn realiteit aangepast aan het feit dat hij er niet meer is en dat hij nooit meer terug komt.

Elke dag nog denk ik aan hem. Aan hoe hij er plots niet meer was en ik mij zo lang ontworteld voelde. Vroeger ging dat gepaard met allesverzengende woede, ontroostbaar verdriet en algehele ontreddering. Tegenwoordig denk ik vooral nog elke dag ‘dju toch, papa’ en ‘he toch’ en ‘hai toch’ en ‘man man man’.

Er zijn zoveel dingen die me aan hem doen denken. Iemand die op hem lijkt. Mijn boterham in vierkantjes snijden en op elk vierkantje een stukje chocolade leggen. De Knack. Duitse televisieprogramma’s. Molière. Toneel in het algemeen. BB King. Bluesharp. West-Vlaams. Mannen met een ring aan hun pink. Mannen met een stoppelbaard en een bril. Eric Clapton Unplugged. Hoegaarden. Allemaal dingen die bij hem horen.

Maar net zo goed dingen die ik graag bij hem had willen laten horen – dingen die ik had willen vertellen, had willen tonen. Mijn kinderen. Het feit dat wij in het ouderlijk huis wonen. Mijn man. Mijn job. Mijn ideeën voor in de les. De boeken die ik lees. Mijn leesclub. Kasper die zo muzikaal is.

Onlangs verloor één van mijn dierbaarste collega’s haar papa. Dat is zo verschrikkelijk hard. Ze schreef een wonderschone tekst die ze heel moedig voorlas in de kerk. Ze draagt haar verlies en haar leed zo waardig. Zelfs in deze periode – die ongetwijfeld één van de moeilijkste uit haar leven is – blijft ze zichzelf: vrijgevig, joviaal, gul. Ik wil haar zo graag iets terug geven en liefst nog haar papa.

Veel is het niet, maar misschien vindt ze hem even hier in deze tekst – zoals ik de mijne er al vaak in gevonden heb.

 

Ik zocht mijn vader.
‘Waar is mijn vader?’ riep ik. ik zocht overal. ‘Heeft iemand mijn vader gezien?’

Wat moet ik beginnen zonder vader, dacht ik: ‘Mijn vader!!’

‘Hier!’ hoorde ik opeens zijn stem.
‘Waar?’

‘Hier!’ Ik hoorde hem roepen uit mijn broekzak. Ik haalde hem tevoorschijn.
Hij was het echt, maar heel klein.

Wat moest ik daar nu van denken?

‘Let op, zei hij.
En plotseling was hij groot en boog zich over mij heen.
‘Dag mijn kind’ zei hij.
Hij glom.

‘Hoe doe je dat toch?’ vroeg ik.

‘Ja…’ zei hij. Hij glimlachte geheimzinnig.

‘Kan je mij dat ook leren?’

‘Nou….’ Zei hij ‘Later misschien.’

‘Wanneer is later?’….

‘Ja….’

O, altijd dat geheimzinnige ja…. Van mijn vader. Daar hield ik helemaal niet van. Dat wilde ik hem ook zeggen.

Maar plotseling kromp hij weer in elkaar en was hij weg.

Ik voelde in mijn broekzakken. Daar was hij niet.

‘Waar ben je nu?’ riep ik.

‘Hier.’

‘Waar is hier?’

‘Later.

‘Later? Hoe kan dat nou weer?’

‘Ja….’

Hij was dus ergens later, waar het niet nu was. Ik had nog nooit zo iets ingewikkelds meegemaakt.
‘Is het daar mooi?’ vroeg ik.

‘Heel mooi, zei hij.

‘Wat is daar te zien?’ vroeg ik.
‘De zee, zei hij ‘Kleine scheepjes. Meeuwen’.

Ik kon zijn stem nauwelijks meer horen.

‘Waar ben je nu?’ riep ik…

‘Veel later, veel, veel later…’

‘Vaar je soms weg? Riep ik.
Toen hoorde ik hem niet meer.
Ik zuchtte.
Ik dacht: wat ze ook zeggen: ik heb de ingewikkeldste vader van de wereld, dat is zeker;

En ik was niet bang dat hij misschien niet meer terug zou komen. Hij komt altijd terug. Hij weet daar duizend manieren voor.

Toon Tellegen

Playin’ with my friend

We stappen in de auto. Het is zaterdag en er zijn wat boodschappen te doen. Ik weet niet meer in welke volgorde maar vermoedelijk gaan we iets wegbrengen, iets halen en iets wassen (in casu: de auto). We zijn onder ons twee en daar hoort muziek bij.
Ik rommel wat met de cd’s. Die zitten overal: in de twee deuren, in het handschoenkastje en in het opbergvakje in het midden. Ik tik tegen zijn elleboog want die verhindert mij van het opbergvakje te openen. Ah, hier zit ie.
Ik vis de cd op uit het bakje en toon hem aan papa. Hij kan zich helemaal vinden in mijn keuze. Terwijl de radio de cd leest, zet hij het volume alvast op maximum. (Je kan via deze link meeluisteren).

I’m gonna call up all of my buddies
And a few of the ladies I know
I’m gonna rent a hall and get them all and
Put on a heck of a show

Make sure we got a kitchen
With an oven and a stove
We’ll all get in there cookin’
Then we’ll throw open all the doors

Playin’ with my friends
Playin’ with my friends
We’ll have a good time
Playin’ with my friends

De radio staat zo luid dat ik de boxen voel trillen in de deur. Papa zingt de strofes want hij is BB King. Het refrein zingen we allebei heel hard mee, zonder schroom. Ik geneer mij eigenlijk nooit bij papa, besef ik. Ik ben 17 jaar dus dat betekent wel iets. Maar ik vind mijn vader cool. Hij speelt bluesharp in een bandje bij mijn broers. Hij kan mensen aan het lachen brengen. Hij draagt een pak om te gaan lesgeven want dat hoort zo vindt hij. Als hij thuiskomt doet hij gemakkelijke kleren aan – een zwarte jeans met een trui erop. “Mijnen boy” zegt ie, want hij is een West-Vlaming. “Mijn speelkleren”, zegt ie, want hij is een grappenmaker.

I’m gonna buy a hundred pounds of catfish
Cook it all up on the grill
Make some beans and corn bread
Everybody’s gonna get their fill

Then we’ll grab all the guitars
Greasy hands and all
Someone’ll count off a shuffle
And man, we’ll have a ball

Playin’ with my friends
Playin’ with my friends
We’ll have a good time
Playin’ with my friends

Dit stuk zing ik want Robert Cray heeft een hogere stem dan BB King dus het was een uitgemaakte zaak dat ik Robert was en hij BB. Hij zet op pauze na de eerste strofe. “Wat is catfish?”, vraagt hij mij. Hij vertelde mij intussen al honderdvijftig keer wat catfish is en ik zeg hem dat ook. “Ja maar, ik moet toch zeker zijn dat je luistert”. Ik rol met mijn ogen. “En wat is dan corn bread?”, vraagt hij nog. “Papaaaaaa”, zeg ik en ik duw weer op play. “Maar weet je wel wat ‘to have a ball’ betekent?”, roept hij boven de muziek uit. Hij moet hard lachen omdat ik blijf verder zingen en zijn vraag negeer. Ik zwaai naar buiten en hij vraagt me wie ik zag. “Niemand”, zeg ik, “maar die meneer dacht dat het naar hem was en die zwaaide terug. Die zal zich nu de ganse voormiddag afvragen wie hij toch gepasseerd is.” Daar moet hij zo hard om lachen dat het sindsdien iets wordt wat we vaker doen: we zwaaien zomaar naar iemand die geconcentreerd aan het rijden is en lachen wanneer die verschrikt – en vaak verward – terug zwaait.

Er komt een lang instrumentaal stuk nu. De rollen zijn ook hier weer duidelijk: als hij BB is ben ik de drum. Als ik Robert ben, is hij één van de blazers of de pianist. Hij kan fantastisch luchtorgel spelen en hij gebruikt daarbij het hele dashboard – zelfs mijn stuk.

Yes, we’re gonna buy some of that red, red wine
The best that money can buy
You gotta drink it all from a paper cup
That this here Saturday life is right

Everybody’s gonna stand up
Play their favorite tune
You can pick any tune you want to
As long as it’s the blues

Playin’ with my friends
Playin’ with my friends
We’ll have a good time
Playin’ with my friends

BB roept van “Yeah!” en het is papa zijn favoriete stukje. Het nummer gaat in crescendo nu. De gitaristen strijden om de mooiste solo. Wanneer het niet aan mij is, doe ik de blazers na. De laatste 40 seconden zijn de allerbeste. Robert Cray speelt met het ritme en lijkt te hakkelen in zijn solo. Schitterend vindt hij het en soms spoelt hij het wel drie keer terug. Altijd nog eens die tien seconden. Het nummer heeft geen einde, het stopt niet – fade out en het nummer is voorbij.

“Nog eens?”, zegt hij. Hij heeft het al opnieuw opgezet zonder mijn antwoord af te wachten.

Tuurlijk nog eens. Ik zou nu alles geven voor nog eens. Nog één keertje.
“Playin’ with my friends” is van ons. We hebben het samen zoveel gespeeld en gezongen in de auto. Loeihard. Superuitgelaten. “Playin’ with my friends” is het nummer waarmee ik papa vier. Ik heb er andere om bij te wenen, om bij te missen. Maar deze schijf is er eentje om hem te vieren. Na twaalf jaar vier ik hem nog elke dag – maar vandaag heel speciaal.

You can pick any tune you want to
As long as it’s the blues

IMG_0752

 

 

Nuts.

“Uw papa, at die eigenlijk graag noten?”, vraagt Wout wanneer hij de keuken terug binnenkomt. “Noten?”, zeg ik enigszins verbaasd. Ik graaf in mijn herinneringen.
At papa graag noten? Ik denk aan de noten die rond deze tijd vanuit bompa’s tuin mee naar Halen kwamen. Ze stonden in een mandje op de rand van het aanrecht. In het mandje lag de notenkraker. Het was een heel zwaar exemplaar. De handvaten waren rood en het ‘kraakstuk’ was wit. Ik stak er als kind mijn vingers tussen. Die waren zo klein en smal dat er dan niks gekraakt werd. Ik moest er twee vingers in steken om de ribbels aan de binnenkant te voelen.
Ik herinner me hoe hij de noten voor me kraakte omdat mijn hand nog te klein was om de handvaten toe te krijgen als er een noot tussen zat. Ik had de ‘fors’ nog niet. Hij kraakte en de noot spleet open – netjes in het midden. Hij toonde me hoe je de vliesjes ertussenuit kon pulken en zo enkel het gladde, lekkere stuk noot moest opeten. In elke helft één stukje. Hij at de noten op die we samen kraakten.
“Ik weet eigenlijk niet of hij dat graag at, maar ik denk het wel”, zeg ik eindelijk. “Maar waarom vraag je dat?” Mijn lief vertelt dat hij regelmatig halve okkernoten vindt in onze tuin. Hij raapt ze altijd op, maar ze blijven telkens terugkomen. Alsof ze zich per se willen manifesteren in onze tuin.
Er is geen logische verklaring voor, zegt ie, want wij hebben helemaal geen okkernotenboom. En dus had hij zelf al bedacht dat het misschien wel een zwaaike van papa kon zijn, een groet in de vorm van een halve okkernoot die maar blijft terugkomen. Ik vind het onmiddellijk een schoon gedacht dat papa tegenwoordig zijn groeten zou overbrengen via noten. Of is dat nuts?

Processed with VSCO with c1 preset

Intussen weten we natuurlijk hoe het zit. We zagen de logische verklaring met onze eigen ogen: vogels gebruiken die noten om nesten mee te maken. En regelmatig zijn die sjarels niet in staat om die zware okkernoot daar te krijgen waar ze hem hebben willen. De okkernoot valt en splijt in twee – netjes in het midden. Dus de rede heeft ons een uitleg gegeven die al die halve okkernoten verklaart. Maar toch, maar toch. Telkens als ik er eentje zie liggen, kan ik niets anders denken dan: dag papa.