Fiere gieters

“Ik ben fier”, zei mijn lieve collega N. tegen mij na afloop van een presentatie van een van onze laatstejaarsstudenten. De tranen prikten in haar ogen. “Als ik niet hier was, dan zou ik wenen, denk ik”, fluisterde ze. “Je weent al”, antwoordde ik. Ze lachte en zei nog eens dat ze echt ontroerd was.

Onze derdejaarsstudenten stelden op 20 juni hun Bachelorproef voor. Dat betekent dat ze na een jaar zwoegen en zweten ongeveer 15 minuten krijgen om heel hun verhaal te komen doen. Ze vertellen over hoe ze bronnen moesten zoeken en teksten moesten lezen waar ze al van zuchtten nog voor ze begonnen. Ze vertellen over hoe ze mails en mails stuurden en soms geen reactie kregen. Ze vertellen over hoe ze dingen gingen uittesten in de praktijk. Stralend zeggen ze ons dat de kleuters het zo leuk vonden – en wij ook mevrouw!

Zakken vol materiaal slepen ze mee naar hun presentaties. Mama’s en liefjes worden gemobiliseerd om te helpen dragen. Onze externe juryleden moeten er wat om lachen. Wij zijn het al gewend. In andere studentensteden haal ik ze er zo uit – de studenten kleuteronderwijs. Het zijn de studenten die gepakt als muilezels de school buiten stappen. Het zijn de studenten die verkleed over de straten lopen wanneer ze terugkomen van één of andere speciale dag op school. Het zijn de studenten die prachtig materiaal uit hun tassen toveren en me achteloos zeggen dat ‘dat echt niet zo heel moeilijk was om zelf te maken hoor’. Het zijn de studenten met blinkende ogen – vol idealen en vol geloof in de talenten van de kinderen die ze dag in dag uit met veel liefde laten groeien tot de beste versie van zichzelf. Het zijn de studenten die glimmen wanneer ze spreken over ‘hun kleuters’ en extra hard glimmen wanneer ze toelichten hoe ze ook die éne kleuters zagen openbloeien, die ene waarover ze zich zorgen maakten. “Ik heb hem veel geknuffeld mevrouw”, zeggen ze, “en stilaan ging het beter. Nu is hij bijna de luidste van de klas.”

En ons – hun lectoren – haal je er ook zo uit. Wij zijn diegenen die met tranen in de ogen tegen elkaar zeggen dat we weer zo fier zijn. Zo fier.

 

 

Advertenties

Doktersbezoek

Hij zeulde rond met een dokterstas – zo’n zwarte die je in het midden open klikt. Het was een oude tas. De randen waren niet meer zwart, maar grijs. Hetzelfde gold voor zijn haar. Ik vermoedde dat hij ergens eind in de zeventig was, misschien zelfs al begin tachtig.

Er klopte iets niet. Ik zag het meteen, maar ik kon er de vinger niet op leggen. Het zat in kleine dingen. Hij wandelde bijvoorbeeld altijd op een huis af en draaide terug net voor de deur. Hij had een pak aan en nette schoenen, maar geen jas of sjaal en het regende. Zijn tas was leeg ook denk ik, want hij zwierde er nogal mee. Ik zag het nog het meeste in zijn ogen. Hij keek alsof hij eerst nog door een streep mist moest turen.

Ik sprak hem aan in de hoop meer zicht te krijgen op de situatie. “Dag meneer,” zei ik, “zoekt u iets?”. “Oh jongedame” Hij keek verschrikt. Hij had me niet opgemerkt en ik liep al zeker 300 meter quasi naast hem. “Neen, ik ben op zoek naar euhm, klanten, zeg maar.” “Kan ik u eventueel de weg wijzen?” probeerde ik opnieuw. “Neen, ik vind het wel”, repliceerde hij. Hij liep verder. Hij versnelde zijn pas.

Ik twijfelde. Was hij toch ok? Was het misschien zo’n werkpaard dat maar van geen ophouden wist? Zag ik dingen die er niet waren? Ik kon het gevoel niet van me afschudden dat er iets vreemd was aan het plaatje.

Maar ik liet hem gaan. Wat kon ik ook anders? Maar hij spookt al de hele dag rond in mijn hoofd – met zijn oude dokterstas, op zoek naar het juiste huis.

Ouderzonden: Avaritia

Avaritia ofte hebzucht, gierigheid.
Ik ken dat niet – gierig zijn. Ik ken dat zelfs zo weinig dat het bij momenten problematisch is. Tel daarbij op dat ik getrouwd ben met iemand die ook nog nooit van gierigheid gehoord heeft en dan zal je begrijpen dat wij vaak versteld staan van wat we opdoen of weggeven.

Ik wil nochtans best veel hebben, daar niet van. Ik wil graag een versterker en fatsoenlijke boxen zodat ik eindelijk mijn platenspeler terug kan gebruiken. Ik wil een nieuwe badkamer en een nieuwe keuken. Ik wil andere vloer in ons huis leggen. Ik wil kinderen die alleen spelen voor minstens de helft van de tijd. En kinderen die zonder smossen kunnen eten. Ik wil in mijn boek kunnen lezen zonder dat er iemand weent door de babyfoon. U ziet, een beetje hebzucht is mij niet vreemd.

De vraag voor deze week is: “Wat deel je nooit met je kind(eren)?”
Ik heb hier echt héél lang over moeten nadenken. Ik ben sinds de geboorte van Elias thuis met de kinderen en ik kan u een waslijst geven van dingen die ik wel moet delen met de kinderen:
– tijd in de badkamer (“Kas mee boven”)
– tijd in de keuken (“ikke ook mee”)
– alles wat ik in mijn mond wil steken (“mama, wat is dat?” “Dat is keihete thee die je al 20 keer geproefd hebt en elke keer vind je het vies, lieve schat” “mama, Kas ook thee drinken” *moeder rolt met ogen*)
– alles wat ik in de nabije toekomst wil doen (“mama, dooooooeee jij??”)
– alles wat ik in huis probeer rond te krijgen (“mama, Kas ook emmer wataat” (water dus) en dan vervolgens om de vijf minuten “nog wataat”)
– mijn boeken (“mama, kijk, Kas ook boekje lees”)
– de liedjes die ik wil zingen (“mama, ander liedje zingen”)
– waar ik naartoe ga (“mama, tooeeeee?” – “Kas meeeeee”)

Over het algemeen heb ik quasi constant twee kindjes aan of rond mij hangen. Dat is wel eens zwaar. Ik kan niet zeggen dat ik het erg vind wanneer Wout ’s avonds thuis komt. Elke avond verstop ik mij even op de badkamer alwaar ik voor het elektrisch vuurke ga zitten en soms 15 minuten gewoon voor mij uit zit te staren. Tegelijk weet ik ook dat het niet voor altijd zo zal zijn en dat zeg ik mezelf ook wel eens op momenten dat ik echt denk dat ik een gigantische loser ben omdat de dag helemaal niet loopt zoals ik gehoopt had.

Tel daar nog bij op dat ik het niet moeilijk vind om de voor de hand liggende dingen te delen: mijn koekjes, chocolade, appels, water, mandarijntjes, peren, zakdoeken, … Ik ga er al van uit dat hij van de meeste dingen ook een stuk wil. Ik jaag me er niet in op. Wanneer Wout vanvoor in de auto een appel eet, dan wil hij ook een stuk. Dus bijt ik stukken af, waar ik dan de schil vanaf knaag alvorens ik hem het stukje appel aanreik. Hij schijnt die afgeknaagde stukken appel liever te hebben dan die perfect gesneden stukjes die ik in een vrolijk doosje voor hem heb meegebracht. Hebzucht, gierigheid, nope, ken ik niet.

Of toch. Er is één ding waar hij met zijn kleine tengels écht vanaf moet blijven en dat is mijn pennenzak. In mijn pennenzak zitten enkel de beste pennen. Van die pennen die niet te dun zijn, maar die met een soort van lichtromige dikte over het blad dansen wanneer ik schrijf. Ze liggen niet te zwaar in de hand – je kan er niet vervelend mee klikken – de inkt veegt niet uit en drukt niet door. Het is het juiste soort blauw, het juiste soort rood en het juiste soort groen. Er zit een latje in dat ik al gebruik sinds het eerste leerjaar. De gom is niet vuil, maar schoon wit. Er zitten enkele stiftjes in, maar niet teveel; enkel de kleuren die ik vaak gebruik. De pennen lopen niet uit. Ze zijn mooi. Ze hebben een zacht stukje daar waar ik mijn vingers zet. Kortom, mijn pennenzak is de meest perfect samengestelde pennenzak van de hele wereld. Ik hou van mijn pennenzak. Mijn pennenzak is flexibel en laat zich moeiteloos in mijn rugzak rammen. Mijn pennenzak en ik, we go way back.

Ik begrijp dat dat lastig is voor kindjes van twee jaar als ze ergens niet mogen aankomen. Dus er staat thuis een hele mooie gele pot met daarin alle stiften, kleurpotloden, pennen, potloden, wasco’s en gommen die je je maar inbeelden kan. Die pot staat perfect binnen handbereik en hij mag die al-tijd gebruiken. Hij heeft dus niks te klagen en toch wil hij uiteraard altijd schrijven met dingen uit mijn pennenzak. Ik zeg hem heel kalm dat dat niet kan, lieve jongen, want mama is een beetje psycho als het op haar pennenzak aankomt. Dus, kleine man, als ik je daar nog één keer zie aankomen DAN GAAN ER KOPPEN ROLLEN.

Processed with VSCO with c1 preset

Het vaderland

Van zodra ik West-Vlaanderen binnen rijd, overvalt er mij een soort van tristesse.
Het is de plek waar mijn vader vandaan komt en waar een stuk van mijn roots liggen. Dit is mijn vaderland. Van zodra ik in de buurt van de Westhoek kom, loert de melancholie onverbiddellijk om de hoek.

Ik voel het in een gulp omhoog komen als ik in de apotheek oogzalf voor mijn zoon koop. “Ik ben ook een beetje van hier!”, wil ik zeggen. Ik stap de auto weer in en Wout vraagt of de apothecaris vriendelijk was. “Hij was als een West-Vlaming”, zeg ik. En ik wou dat ik het tegen papa kon zeggen.  Die zou er smakelijk om lachen. Of mij misschien diepzinnige vragen stellen waar ik me aan zou storen maar toch nog lang over zou nadenken.

Als we vroeger naar het Westen reden, dan reden we naar de plek waar mijn vader was opgegroeid. We bezochten de vrienden die hij moest missen. We speelden gezelschapsspelletjes tot middernacht met hun kinderen – tot onze ouders klaar waren met heel hard te lachen en te veel trappist te drinken. We logeerden bij onze grootouders. Ik sliep er tussen mijn ouders in. Ik lag er in het pikkedonker naar het plafond te staren. Ik luisterde naar de stemmen van mijn familieleden die elkaar vertelden over wat er gaande was in hun leven. Ik moest als eerste gaan slapen en ik luisterde dus het langst. Ik bleef altijd wakker tot ik op zijn minst mijn broers naar boven hoorde komen.

Ik heb geen herinneringen met mijn ouders aan zee. Hier zou de melancholie me vast niet weten te vinden, dacht ik nog. Maar ik had het mis. Ook hier kreeg ze me moeiteloos te stekken. Ze vond me – temidden van mijn drie jongens – en ze tikte op mijn schouders.

“Ik mis papa vandaag,”, zeg ik in de auto. “Ik wou dat ik hem kon vertellen dat we hier op vakantie komen nu. Ik wou dat ik hem kon zeggen hoe West-Vlaams klinkt voor mij. Hoe mensen opkijken in de winkel als ze me horen praten tegen mijn kinderen – hoe ik onmiddellijk als ‘van verre’ word herkend. Ik wil hem vertellen dat sommige mensen nors lijken en gesloten. Ik praat vriendelijk tegen hen en vanbinnen glimlach ik, omdat ik weet dat ik daar met papa een grappige conversatie over zou kunnen hebben. “Ha,” denk ik “die gaat straks nogal lachen met mijn observaties”. Maar daar is miss Melancholie weer: “dat zal niet gaan”, zegt ze, “want hij is er niet meer.” Juist ja.

“Ik mis papa vandaag”, zeg ik in de auto. “Gaat het?”, vraagt hij.
“Het gaat”, zeg ik, “maar het is droevig.”

Processed with VSCO with c1 preset

 

De bijhouder

Ik ben de bijhouder.

Ik ben de bijhouder van schema’s. Van doktersafspraken. Van consults bij Kind en Gezin. Ik weet de uren van de dutjes. Ik weet wanneer het te vroeg is. En ook wanneer het te laat is.

Ik ben de bijhouder van alle soorten informatie. Ik weet wie wanneer wat graag wil eten. Ik zie wanneer tantrums nog nét vermeden kunnen worden met de juiste aanpak. Ik weet hoe die juiste aanpak eruit ziet.  Ik merk rode blosjes op die wijzen op vermoeidheid. Ik weet welke kleren gewassen moeten worden en op hoeveel graden. Ik weet wat er in de droogkast kan en wat niet. Ik weet welke rekeningen wanneer in de bus vallen en hoe hoog ze zullen zijn. Ik weet wanneer ze betaald moeten worden. Ik weet wat er op het boodschappenlijstje moet en welke dingen er stilaan vervallen zijn in de koelkast. Ik weet wie wanneer jarig is. Ik weet welke pakjes wanneer gekocht moeten worden. Ik schrijf de kaartjes en stuur ze op.

Ik ben de bijhouder van oplossingen. Ik weet de juiste pleisters liggen. Ik weet de tutjes te vinden die troosten kunnen. Mijn kusjes toveren pijntjes weg. In mijn handtas zitten noodkoekjes en noodtutjes en noodzakdoeken. Ik weet welke liedjes ik moet zingen om kindjes rustig te krijgen, of in slaap. Ik ben de vinder van zoekgeraakt speelgoed. Ik ben de opzetter van muziek. Ik ben het metaforische deken dat bange kindjes warm kan houden.

Ik ben de bijhouder van voorkeuren. Ik weet wie wat op zijn boterhammen wil en hoe die gesneden mogen worden. Ik weet in welk kommetje de peer moet en welke lepel bij de yoghurt hoort. Ik weet hoe het handje vastgehouden moet worden terwijl de fles gedronken wordt. Ik weet de volgorde van het aantrekken van de kledingstukken. Ik weet welke sjaal prikt en welke niet. Ik weet hoe de avondrituelen eruit zien en welke groenten er niet op het bord mogen blijven liggen.

Ik ben de bijhouder van rituelen en herinneringen. Ik neem de foto’s, ik druk ze af, ik plak ze in. Ik houd de tekeningen bij en schrijf er de datum op. Ik verzamel ‘eerste keren’ in boekjes en ‘grappige uitspraken’ in andere. Ik houd de dagboeken bij voor elk kind. Ik ben de verzamelaar van kleine spulletjes waar werelden mee staan of vallen. Ik ben de brievenschrijver. Ik ben de verslaggever en de historicus.

Ik ben de bijhouder van emotionele veiligheid. Ik ben de belichaming van de veilige haven. Ik ben het kompas dat ons door de woeste zee net naast de uitbarstingen kan leiden. Ik ben degene die ’s avonds de monsters onder de bedden uit jaagt. Ik steek tutjes terug die uit wenende mondjes vallen. Ik houd kleine handjes vast tot ze de grip lossen en zich overgeven aan de slaap.

Ik ben de bijhouder van vrede. Ik ben de scheidsrechter die tussenkomt. Ik ben de tolk die van taal voorziet. Ik ben de uitlegger van nieuwe en vreemde dingen. Ik ben degene die de verschillende persoonlijkheden met elkaar leert omgaan.

Ik ben de bijhouder van zorgen. De hunne en de mijne.
Ik ben de bijhouder van het goede. Van het kwade. Van het kleine en het grote. Van het schone en het pijnlijke.

Ik ben de bijhouder. Alles wat ik bijhoud, zoemt soms zo hard in mijn hoofd dat ik er niet van kan slapen. De gedachten suizen in mijn oren. “Niet vergeten! Niet vergeten! Zeker doen! Zeker doen!” roepen ze.

Het werk van de bijhouder is onzichtbaar. Het is moeilijker er de vinger op te leggen. Het werk passeert onopgemerkt totdat ik er niet ben om het te doen. Ik krijg er geen punten op. Niemand doet van peer assessment. Ik krijg geen onderscheidingen of felicitaties. Heel vaak wordt het werk van de bijhouder als vanzelfsprekend gezien.

Aan alle andere bijhouders: ik zie jullie.

Ik ken het gewicht van de dingen die jullie bijhouden en dragen in jullie hoofd.

Ik weet van al het onzichtbare werk dat jullie doen – werk dat niet gepaard gaat met een vette cheque aan het einde van de maand. Geen bonussen of ziekteverlof. Geen applaus of felicitaties. Maar het is dat werk – dat stil en ongedwongen alle dagen gedaan wordt – dat de wereld laat draaien.

Ik zie jullie, mede bijhouders.
And I salute you.

SubstandardFullSizeRender

Feeling all the feels

Een tijd geleden volgden we op school een interessante training rond coaching. We leerden heel wat bij over hoe we onze studenten kunnen begeleiden tijdens hun opleiding. Eén ding wat me zo bijvoorbeeld erg is bijgebleven was de volgende uitspraak: “het enige wat gevoelens vragen, is dat ze mogen bestaan en gevoeld worden.” Niet dat ik daar zelf nog niet eerder aan gedacht had, maar soms heeft een mens het nodig dat iemand iets voor jou verwoordt voordat het zo kraakhelder wordt in je hoofd. “Eens gevoelens echt gevoeld zijn geweest, gaan ze meestal weg.” Helemaal waar, dacht ik. Bij wijze van oefening probeerde ik mezelf een moment voor de geest te halen waar mijn gevoelens niét gevoeld mochten worden en ze dus ook niet weg gingen.

Dat was bijvoorbeeld zo op 24 december ergens in de beginjaren van het nieuwe millenium. Zoals ieder jaar vierden we kerstavond samen met ons gezin en met mijn grootouders.  Pakjes geven deed ik nog niet, maar krijgen des te meer. Nochtans waren we intussen allemaal al op zo’n leeftijd gekomen dat de pakjes niet meer het belangrijkste onderdeel van de avond waren maar we waren ook nog niet oud genoeg om niét naar Home Alone te willen kijken. (Ik betwijfel overigens sterk of ik daar ooit oud genoeg voor zal zijn – maar dit geheel terzijde).
Naar goede gewoonte aten we fondue – hét kerstgerecht bij uitstek waar iedereen zich traag maar zeker een stevige indigestie mee vreet. Mijn grootmoeder had speciale fondueborden. Elk bord woog zo’n 2 kilo en was gigantisch groot. Schoon waren ze niet maar er waren speciale vakjes om al de sausjes die je wou in te kappen zonder dat ze in elkaar zouden overlopen.
Als mijn herinnering me niet in de steek laat, stonden er twee fonduepotten op tafel waardoor we elk twéé fonduestokken ter beschikking hadden. Dat versnelde de indigestie aanzienlijk en zo was het dat wij rond de klok van tienen allemaal geen pap meer konden zeggen.

Een verstandig mens zou dan besluiten dat ie genoeg gegeten heeft voor drie dagen, maar zo werkt het niet op Kerstmis – dat weten we allemaal. Bovendien volgde er bij ons thuis na de fonduetraditie nog de Chinese koffie-traditie. (Intussen hebben we ook nog de Ronnie-met-de-Ipad-traditie, maar da’s een ander verhaal) Dat zit zo.
Mijn ouders hadden ooit een Chinese koffiezet gekocht. Dat waren in feite twee grote glazen bollen boven elkaar. In de bovenste bol werd de koffie en het hete water gekapt en dat liep dan traag naar de onderste bol en zo kreeg je dan koffie. Klinkt als een gewone koffiezet, zegt u, en dat klopt afgezien van het feit dat déze koffiezet loodzwaar is, garandeert dat ge uw pollen verbrandt aan de onderste bol en enkel gebruikt wordt op kerstavond. Ik dronk toen nog niet eens koffie, maar toch was ik de eerste die vroeg om dat spel uit de kast te halen. Mijn moeder met tegenzin op haar knieeën voor de kast, eerst honderd dingen eruit halen die voor de Chinese koffiezet stonden – Chinese koffiezet pakken en alles er terug in: the real Christmas feeling!

Nadat wij onze magen to the limit hadden gerokken, was het tijd voor de volgende kerstavondtraditie: de middernachtmis. Begin jaren 2000 werd die waar ik woon nog echt om middernacht gedaan. Die zat ook altijd afgeladen vol en ik vermoed dat het kerststalletje met glühwein en jenever daar voor iets tussen zat. Mijn grootouders hadden de aftocht intussen al geblazen, maar het gezin Steverlinck duffelde zich in en vertrok te voet naar de kerk.

Al het eten van de uren ervoor zal er wel voor iets tussen gezeten hebben, maar al gauw zaten wij – met uitzondering van mijn moeder – daar met z’n allen ongeveer zo in de kerk:

mr-bean-falling-asleep-in-church-video-dailymotion

Mijn mama heeft veel talenten, maar één van haar best ontwikkelde talent is haar gave om met één blik duidelijk te maken hoe ze over een situatie denkt. Het werd ons in dit geval dan ook ogenblikkelijk woordeloos duidelijk gemaakt dat ze het vreselijk gênant vond dat wij daar met z’n vieren half onderuit gezakt zaten te luisteren naar het woord van de Heer. Mijn vader moet mijn moeders geseinde boodschap ook begrepen hebben. Het was tijd om ons zo snel mogelijk weer bij de les te krijgen. Toen de priester de kerkgangers opriep om recht te staan voor het Evangelie greep mijn vader zijn kans.

U weet dat, of u weet dat niet – maar ergens in die periode had Carl Huybrechts een zondagavondprogramma op Eén waar hij met behulp van een oortje en een partner in crime mensen in vreemde situaties bracht. Hij fluisterde die partner in crime dan altijd in wat ie moest zeggen en lachte zichzelf een kriek in de kamer waar hij verscholen zat. In die afleveringen was ook altijd een stukje over kleuters die aan het spelen waren met speelgoed dat dan plots begon te spreken in de vorm van Carl Huybrechts en zijn oortje. Zo was er ook een taart die smeekte aan de twee kleuters voor hem om de juf te overhalen om hem niet op te eten. Die kleuters namen dat verzoek erg serieus want toen ze met z’n tweetjes stevig discussieerden over of ze al dan niet zouden verbieden om de taart te laten opeten, sprak de ene kleuter gedecideerd tegen de andere: “We moeten doen wat de taart zegt!”.

Wij stonden dus recht voor het Evangelie en wiegden zacht en half slaperig wat op onze voeten zoals alleen mensen in de kerk dat doen. Op dat moment boog mijn vader zich naar mij toe,fluisterde “Saar, we moeten doen wat de taart zegt” en knikte daarbij met zijn hoofd in de richting van mijn streng voor zich uitkijkende moeder.  Ik moest daar zo hard van lachen dat ik bijna niet meer bijkwam, maar dat was uiteraard keihard verboden in het huis van de Heer. Intussen begon mijn broer links van mij – zonder geluid – mee te schudden van het lachen. Toen het mopje zich tenslotte ook verspreidde naar mijn tweede broer stonden wij met zijn vieren zo hard onze slappe lach in te houden dat het echt pijnlijk werd.
Het was muisstil in het huis van de Heer en regelmatig draaiden enkele hoofden zich om naar het gesnuif van mensen die krampachtig proberen om normaal te blijven ademen. Zoals altijd met situaties waarvan je hoopt dat ze snel voorbij gaan, duurde ook deze eindeloos lang. En de slappe lach krijgen tijdens het langste evangelieverhaal uit de Bijbel is niet om mee te lachen. Want voor het stuk waarin Jezus geboren wordt, moet immers nog heel dat stuk komen van al die herbergen waar ze niet binnen mogen en ondertussen liepen de tranen over mijn wangen en probeerde ik vooral geen oogcontact te maken met mijn broers of met mijn vader. Ook niet met mijn moeder, maar dat was om een andere reden.
Toen het koor na een eeuwigheid eindelijk zong van Gloria In Excelsis Deo kon ik eindelijk mijn lach een beetje toelaten.Nu ik eindelijk mocht lachen, was mijn lachbui snel voorbij.
Een schoon voorbeeld van wat ik leerde op die coachingsdag.

Wij sloten onze kerstavond af met nog wat minachtend gesnuif van ons mama en veels te warme drank in plastieken bekertjes die geen enkel normaal mens kan vasthouden. Sinds die coach op onze trainingsdag zo helder verwoordde dat gevoelens vooral gevoeld moeten worden, laat ik mijn studenten altijd helemaal uitlachen als ze de slappe lach hebben voor ik weer verder ga met de les. Al moet ik zeggen, dat zo iemand half zien sterven van het ingehouden lachen ergens op de tweede rij zo plezant is om te zien dat ik het toch ook niet altijd wil toelaten. De helft van het plezier van de slappe lach, zit immers in hem niet te mogen laten horen. En dus doe ik soms met opzet alsof ik het niet merk dat er iemand zijn lach moet inhouden – en ik doe het al zeker op momenten dat ik mijn langste evangelies sta te verkondingen, dat spreekt.

De hele aflevering van Mister Bean kan je hier vinden. Hilarisch!

 

Het lezen.

Nog niet zo heel lang geleden stond er in de titelomschrijving van mijn blog ook nog het woord ‘boeken’. Ik heb dat er vol schroom tussenuit gedaan. Niet omdat ik niet meer lees – integendeel! – maar vooral omdat ik er maar niet toe kwam om mijn bevindingen of recensies of notities hier ook neer te pennen. Mijn blogvoornemen is om daar wat meer aandacht aan te besteden. Bij deze alvast een korte situatieschets.

Ik ben al heel mijn leven een lezer geweest. Ik was zo’n kind dat na school speelkleren moest aandoen om mijn ‘goei kleren’ te sparen. Met die speelkleren aan ging ik dan in een hoekje van de zetel boeken lezen. Als lagereschoolkind ging ik elke zondag en elke donderdag naar de bibliotheek in Halen. Die bibliotheek bevond zich in een klein lokaal dat leeg stond in de jongensschool. Het was daar altijd pokkewarm of ijskoud. Iets ertussen bestond niet. Ik las in de winter de boeken kortbij de chauffage en in de zomer de rest van het rek. In die tijd verslond ik alle kinderboeken die er voorhanden waren. Van Eefje Donkerblauw naar Roald Dahl en via Paul Kustermans rolde ik stilaan de adolescentliteratuur in. Boete betaalde je toen nog in franken en de kassa was een sigarenkistje met een gleuf erin gesneden. Dat kistje dat open en toe klapte was doorgaans het enige geluid dat je hoorde in de bib. Dat en de stem van de bibliothecaris. De bibliothecaris telde de boeken al fluisterend (een, twee, drie, vier, vijf), maakte er een stapeltje waarmee hij altijd even op de tafel tikte en zei “Da’s vijf frank alstublieft.” Eén frank boete per boek. Daarna weer stilte.

Toen ik de bib van Halen kapot gelezen had, schoof ik door de naar de bib van Diest. Die was supergroot en de temperatuur was doorgaans kamer. Dat was aangenaam. Bovendien stonden daar computers waar ik met één vinger de titels van boeken intypte die ik in Halen niet vond en voorwaar ik zeg u: ze waren er allemaal. Jarenlang ging ik vroeger naar de muziekschool zodat ik eerst nog in de bib kon rondhangen. Ik vond het niet erg als mijn ouders wat later waren om mij op te pikken, want dan kon ik nog gauw enkele boeken meegritsen. Ik las het hele rek tegen de muur aan de computers waar in het groot ADOLESCENTEN op stond. De eerste keer dat ik er kwam vertelde ik achteraf thuis met veel trots dat ik nu adoselentenboeken las. Ik voelde mij de koning te rijk met zoveel boeken die er nog te lezen waren. Ik las Gerda Van Erkel, Bart Moeyaert, Do van Ranst, Jan Terlouw, Dirk Bracke, Aidan Chambers, nog wat Paul Kustermans en natuurlijk alle Harry Potters. Er zijn nog wat gaten te dichten – ik las bijvoorbeeld nooit Thea Beckman omdat ik die ventjes op de kaft zo gek getekend vond – maar ik kan toch zeggen dat ik het meeste gelezen heb van wat er toen (eind jaren 90-begin 2000) als jeugdliteratuur gold.

Het zal je dan ook niet verbazen dat ik met al mijn liefde voor boeken naar Leuven trok om Germaanse te studeren. Het moeten – clichégewijs – de jaren zijn waarin ik het minste las. Niet omdat ik niet graag las, maar er was plots zoveel anders wat ik graag deed (pinten drinken met mijn maten om zomaar iets te zeggen). Tel daar nog bij dat er veel “verplicht” gelezen moest worden en dat dat vaak van die klassiekers waren waar je als 18-jarige gewoon nog niet helemaal klaar voor bent. Of ik toch niet. Als ik het boek uitgelezen kreeg, dan haalde ik doorgaans niet de helft eruit wat we achteraf in de les bespraken. Ik had soms het gevoel dat ik toch niet zo goed kon lezen als ik altijd gedacht had. Gelukkig waren er ook boeken bij die ik toen al naar waarde wist te schatten en waar ik echt van genoten heb. Maar laat ons wel wezen: de helft van mijn Norton Anthologies (ik heb drie van die kloefers) zal ik nooit lezen of nooit begrijpen of allebei. Ik ben naast die verplichte literatuur ook in die jaren wel altijd blijven lezen. Het was de tijd van Connie Palmen, de tijd van Herman Brusselmans, van Willem Frederik Hermans, van Herman de Coninck en uiteraard van Harry Potter (toen al voor de 10e keer denk ik). Achteraf bekeken ben ik blij dat ik toch heel wat klassiekers las tijdens mijn studies. Nu vind ik er veel moeilijker de tijd voor. En bovendien deden sommige van die boeken echt wat klassiekers horen te doen: ze bleken onvergetelijk.

Eenmaal afgestudeerd kon ik weer zonder schuldgevoel alles lezen wat ik wou. Ik woonde in Antwerpen en ontdekte de bib aan het De Coninckplein. Mijn god wat een openbaring! In zo’n grote bibliotheek had ik nog nooit een lidkaartje gehad. Ik mocht er twintig boeken per keer uitlenen en om de twee weken sleepte ik twee zakken vol boeken op en af. Ik las Stieg Larsson en Marja Vuijsje, nog wat Connie Palmen en ook A.F. Th. Van der Heijden vond zijn weg naar mijn boekenkast. Ik las Markus Zusak en Bernard Schleck, Stefan Hertmans, Brené Brown, Robert Galbraith en wat biografiën over muzikanten die ik bewonder. Ik las zoveel dat ik soms in een boek begin en me ergens halfweg bedenk dat ik het al gelezen heb. Ik startte een leesgroepje in het stadje waar ik van afkomstig ben om samen met andere leesliefhebbers te praten over een boek dat we lazen. Ik had nog geen kinderen en ik las op de trein, na het eten, voor het slapen en op alle andere vrije momenten waarop de tv niet te hard stond.

Nu zijn er kinderen en lezen is soms moeilijker in te plannen. Maar het is zo erg een stuk van mezelf geworden dat ik niet kan om niét te lezen. Dus als er even tijd is, dan lees ik. Goodreads helpt me om een doel te stellen. Vorig jaar wilde ik er 20 lezen en ik las er 37. Dit jaar kwam er een tweede kind bij dus stelde ik mijn doel op 25. Het is oktober en ik heb intussen 31 boeken gelezen. Ook mét kinderen schijnt het mij te lukken om te blijven lezen. Niet omdat het moet, maar omdat ik het wil. Het blijkt dat televisie en series kijken een pak lager op mijn prioriteitenlijstje staan dan ik eerder al dacht. Als het er echt op aankomt, kies ik liever voor een boek.

Mijn leesclubje bestaat nog altijd. Sommige zijn er al bij van bij de start. Onderweg vertrokken er enkele leden en er kwamen er weer bij. Er zijn er die altijd komen en sommige duiken na lange tijd opeens weer op. Het is mij allemaal gelijk. Ik vind het altijd fijn om samen met hen te praten over een boek dat we lazen.

Lezen is voor mij als ademen, eten en schrijven. Ik heb het nodig om mij goed te voelen. Het verrijkt mijn leven, mijn visies, mijn taal. Leren lezen is één van de beste dingen die mij ooit overkomen is. Het is maar juist dat ook die passie van mij hier wat vaker aan bod komt.

IMG_0952