Feeling all the feels

Een tijd geleden volgden we op school een interessante training rond coaching. We leerden heel wat bij over hoe we onze studenten kunnen begeleiden tijdens hun opleiding. Eén ding wat me zo bijvoorbeeld erg is bijgebleven was de volgende uitspraak: “het enige wat gevoelens vragen, is dat ze mogen bestaan en gevoeld worden.” Niet dat ik daar zelf nog niet eerder aan gedacht had, maar soms heeft een mens het nodig dat iemand iets voor jou verwoordt voordat het zo kraakhelder wordt in je hoofd. “Eens gevoelens echt gevoeld zijn geweest, gaan ze meestal weg.” Helemaal waar, dacht ik. Bij wijze van oefening probeerde ik mezelf een moment voor de geest te halen waar mijn gevoelens niét gevoeld mochten worden en ze dus ook niet weg gingen.

Dat was bijvoorbeeld zo op 24 december ergens in de beginjaren van het nieuwe millenium. Zoals ieder jaar vierden we kerstavond samen met ons gezin en met mijn grootouders.  Pakjes geven deed ik nog niet, maar krijgen des te meer. Nochtans waren we intussen allemaal al op zo’n leeftijd gekomen dat de pakjes niet meer het belangrijkste onderdeel van de avond waren maar we waren ook nog niet oud genoeg om niét naar Home Alone te willen kijken. (Ik betwijfel overigens sterk of ik daar ooit oud genoeg voor zal zijn – maar dit geheel terzijde).
Naar goede gewoonte aten we fondue – hét kerstgerecht bij uitstek waar iedereen zich traag maar zeker een stevige indigestie mee vreet. Mijn grootmoeder had speciale fondueborden. Elk bord woog zo’n 2 kilo en was gigantisch groot. Schoon waren ze niet maar er waren speciale vakjes om al de sausjes die je wou in te kappen zonder dat ze in elkaar zouden overlopen.
Als mijn herinnering me niet in de steek laat, stonden er twee fonduepotten op tafel waardoor we elk twéé fonduestokken ter beschikking hadden. Dat versnelde de indigestie aanzienlijk en zo was het dat wij rond de klok van tienen allemaal geen pap meer konden zeggen.

Een verstandig mens zou dan besluiten dat ie genoeg gegeten heeft voor drie dagen, maar zo werkt het niet op Kerstmis – dat weten we allemaal. Bovendien volgde er bij ons thuis na de fonduetraditie nog de Chinese koffie-traditie. (Intussen hebben we ook nog de Ronnie-met-de-Ipad-traditie, maar da’s een ander verhaal) Dat zit zo.
Mijn ouders hadden ooit een Chinese koffiezet gekocht. Dat waren in feite twee grote glazen bollen boven elkaar. In de bovenste bol werd de koffie en het hete water gekapt en dat liep dan traag naar de onderste bol en zo kreeg je dan koffie. Klinkt als een gewone koffiezet, zegt u, en dat klopt afgezien van het feit dat déze koffiezet loodzwaar is, garandeert dat ge uw pollen verbrandt aan de onderste bol en enkel gebruikt wordt op kerstavond. Ik dronk toen nog niet eens koffie, maar toch was ik de eerste die vroeg om dat spel uit de kast te halen. Mijn moeder met tegenzin op haar knieeën voor de kast, eerst honderd dingen eruit halen die voor de Chinese koffiezet stonden – Chinese koffiezet pakken en alles er terug in: the real Christmas feeling!

Nadat wij onze magen to the limit hadden gerokken, was het tijd voor de volgende kerstavondtraditie: de middernachtmis. Begin jaren 2000 werd die waar ik woon nog echt om middernacht gedaan. Die zat ook altijd afgeladen vol en ik vermoed dat het kerststalletje met glühwein en jenever daar voor iets tussen zat. Mijn grootouders hadden de aftocht intussen al geblazen, maar het gezin Steverlinck duffelde zich in en vertrok te voet naar de kerk.

Al het eten van de uren ervoor zal er wel voor iets tussen gezeten hebben, maar al gauw zaten wij – met uitzondering van mijn moeder – daar met z’n allen ongeveer zo in de kerk:

mr-bean-falling-asleep-in-church-video-dailymotion

Mijn mama heeft veel talenten, maar één van haar best ontwikkelde talent is haar gave om met één blik duidelijk te maken hoe ze over een situatie denkt. Het werd ons in dit geval dan ook ogenblikkelijk woordeloos duidelijk gemaakt dat ze het vreselijk gênant vond dat wij daar met z’n vieren half onderuit gezakt zaten te luisteren naar het woord van de Heer. Mijn vader moet mijn moeders geseinde boodschap ook begrepen hebben. Het was tijd om ons zo snel mogelijk weer bij de les te krijgen. Toen de priester de kerkgangers opriep om recht te staan voor het Evangelie greep mijn vader zijn kans.

U weet dat, of u weet dat niet – maar ergens in die periode had Carl Huybrechts een zondagavondprogramma op Eén waar hij met behulp van een oortje en een partner in crime mensen in vreemde situaties bracht. Hij fluisterde die partner in crime dan altijd in wat ie moest zeggen en lachte zichzelf een kriek in de kamer waar hij verscholen zat. In die afleveringen was ook altijd een stukje over kleuters die aan het spelen waren met speelgoed dat dan plots begon te spreken in de vorm van Carl Huybrechts en zijn oortje. Zo was er ook een taart die smeekte aan de twee kleuters voor hem om de juf te overhalen om hem niet op te eten. Die kleuters namen dat verzoek erg serieus want toen ze met z’n tweetjes stevig discussieerden over of ze al dan niet zouden verbieden om de taart te laten opeten, sprak de ene kleuter gedecideerd tegen de andere: “We moeten doen wat de taart zegt!”.

Wij stonden dus recht voor het Evangelie en wiegden zacht en half slaperig wat op onze voeten zoals alleen mensen in de kerk dat doen. Op dat moment boog mijn vader zich naar mij toe,fluisterde “Saar, we moeten doen wat de taart zegt” en knikte daarbij met zijn hoofd in de richting van mijn streng voor zich uitkijkende moeder.  Ik moest daar zo hard van lachen dat ik bijna niet meer bijkwam, maar dat was uiteraard keihard verboden in het huis van de Heer. Intussen begon mijn broer links van mij – zonder geluid – mee te schudden van het lachen. Toen het mopje zich tenslotte ook verspreidde naar mijn tweede broer stonden wij met zijn vieren zo hard onze slappe lach in te houden dat het echt pijnlijk werd.
Het was muisstil in het huis van de Heer en regelmatig draaiden enkele hoofden zich om naar het gesnuif van mensen die krampachtig proberen om normaal te blijven ademen. Zoals altijd met situaties waarvan je hoopt dat ze snel voorbij gaan, duurde ook deze eindeloos lang. En de slappe lach krijgen tijdens het langste evangelieverhaal uit de Bijbel is niet om mee te lachen. Want voor het stuk waarin Jezus geboren wordt, moet immers nog heel dat stuk komen van al die herbergen waar ze niet binnen mogen en ondertussen liepen de tranen over mijn wangen en probeerde ik vooral geen oogcontact te maken met mijn broers of met mijn vader. Ook niet met mijn moeder, maar dat was om een andere reden.
Toen het koor na een eeuwigheid eindelijk zong van Gloria In Excelsis Deo kon ik eindelijk mijn lach een beetje toelaten.Nu ik eindelijk mocht lachen, was mijn lachbui snel voorbij.
Een schoon voorbeeld van wat ik leerde op die coachingsdag.

Wij sloten onze kerstavond af met nog wat minachtend gesnuif van ons mama en veels te warme drank in plastieken bekertjes die geen enkel normaal mens kan vasthouden. Sinds die coach op onze trainingsdag zo helder verwoordde dat gevoelens vooral gevoeld moeten worden, laat ik mijn studenten altijd helemaal uitlachen als ze de slappe lach hebben voor ik weer verder ga met de les. Al moet ik zeggen, dat zo iemand half zien sterven van het ingehouden lachen ergens op de tweede rij zo plezant is om te zien dat ik het toch ook niet altijd wil toelaten. De helft van het plezier van de slappe lach, zit immers in hem niet te mogen laten horen. En dus doe ik soms met opzet alsof ik het niet merk dat er iemand zijn lach moet inhouden – en ik doe het al zeker op momenten dat ik mijn langste evangelies sta te verkondingen, dat spreekt.

De hele aflevering van Mister Bean kan je hier vinden. Hilarisch!

 

Advertenties

Het lezen.

Nog niet zo heel lang geleden stond er in de titelomschrijving van mijn blog ook nog het woord ‘boeken’. Ik heb dat er vol schroom tussenuit gedaan. Niet omdat ik niet meer lees – integendeel! – maar vooral omdat ik er maar niet toe kwam om mijn bevindingen of recensies of notities hier ook neer te pennen. Mijn blogvoornemen is om daar wat meer aandacht aan te besteden. Bij deze alvast een korte situatieschets.

Ik ben al heel mijn leven een lezer geweest. Ik was zo’n kind dat na school speelkleren moest aandoen om mijn ‘goei kleren’ te sparen. Met die speelkleren aan ging ik dan in een hoekje van de zetel boeken lezen. Als lagereschoolkind ging ik elke zondag en elke donderdag naar de bibliotheek in Halen. Die bibliotheek bevond zich in een klein lokaal dat leeg stond in de jongensschool. Het was daar altijd pokkewarm of ijskoud. Iets ertussen bestond niet. Ik las in de winter de boeken kortbij de chauffage en in de zomer de rest van het rek. In die tijd verslond ik alle kinderboeken die er voorhanden waren. Van Eefje Donkerblauw naar Roald Dahl en via Paul Kustermans rolde ik stilaan de adolescentliteratuur in. Boete betaalde je toen nog in franken en de kassa was een sigarenkistje met een gleuf erin gesneden. Dat kistje dat open en toe klapte was doorgaans het enige geluid dat je hoorde in de bib. Dat en de stem van de bibliothecaris. De bibliothecaris telde de boeken al fluisterend (een, twee, drie, vier, vijf), maakte er een stapeltje waarmee hij altijd even op de tafel tikte en zei “Da’s vijf frank alstublieft.” Eén frank boete per boek. Daarna weer stilte.

Toen ik de bib van Halen kapot gelezen had, schoof ik door de naar de bib van Diest. Die was supergroot en de temperatuur was doorgaans kamer. Dat was aangenaam. Bovendien stonden daar computers waar ik met één vinger de titels van boeken intypte die ik in Halen niet vond en voorwaar ik zeg u: ze waren er allemaal. Jarenlang ging ik vroeger naar de muziekschool zodat ik eerst nog in de bib kon rondhangen. Ik vond het niet erg als mijn ouders wat later waren om mij op te pikken, want dan kon ik nog gauw enkele boeken meegritsen. Ik las het hele rek tegen de muur aan de computers waar in het groot ADOLESCENTEN op stond. De eerste keer dat ik er kwam vertelde ik achteraf thuis met veel trots dat ik nu adoselentenboeken las. Ik voelde mij de koning te rijk met zoveel boeken die er nog te lezen waren. Ik las Gerda Van Erkel, Bart Moeyaert, Do van Ranst, Jan Terlouw, Dirk Bracke, Aidan Chambers, nog wat Paul Kustermans en natuurlijk alle Harry Potters. Er zijn nog wat gaten te dichten – ik las bijvoorbeeld nooit Thea Beckman omdat ik die ventjes op de kaft zo gek getekend vond – maar ik kan toch zeggen dat ik het meeste gelezen heb van wat er toen (eind jaren 90-begin 2000) als jeugdliteratuur gold.

Het zal je dan ook niet verbazen dat ik met al mijn liefde voor boeken naar Leuven trok om Germaanse te studeren. Het moeten – clichégewijs – de jaren zijn waarin ik het minste las. Niet omdat ik niet graag las, maar er was plots zoveel anders wat ik graag deed (pinten drinken met mijn maten om zomaar iets te zeggen). Tel daar nog bij dat er veel “verplicht” gelezen moest worden en dat dat vaak van die klassiekers waren waar je als 18-jarige gewoon nog niet helemaal klaar voor bent. Of ik toch niet. Als ik het boek uitgelezen kreeg, dan haalde ik doorgaans niet de helft eruit wat we achteraf in de les bespraken. Ik had soms het gevoel dat ik toch niet zo goed kon lezen als ik altijd gedacht had. Gelukkig waren er ook boeken bij die ik toen al naar waarde wist te schatten en waar ik echt van genoten heb. Maar laat ons wel wezen: de helft van mijn Norton Anthologies (ik heb drie van die kloefers) zal ik nooit lezen of nooit begrijpen of allebei. Ik ben naast die verplichte literatuur ook in die jaren wel altijd blijven lezen. Het was de tijd van Connie Palmen, de tijd van Herman Brusselmans, van Willem Frederik Hermans, van Herman de Coninck en uiteraard van Harry Potter (toen al voor de 10e keer denk ik). Achteraf bekeken ben ik blij dat ik toch heel wat klassiekers las tijdens mijn studies. Nu vind ik er veel moeilijker de tijd voor. En bovendien deden sommige van die boeken echt wat klassiekers horen te doen: ze bleken onvergetelijk.

Eenmaal afgestudeerd kon ik weer zonder schuldgevoel alles lezen wat ik wou. Ik woonde in Antwerpen en ontdekte de bib aan het De Coninckplein. Mijn god wat een openbaring! In zo’n grote bibliotheek had ik nog nooit een lidkaartje gehad. Ik mocht er twintig boeken per keer uitlenen en om de twee weken sleepte ik twee zakken vol boeken op en af. Ik las Stieg Larsson en Marja Vuijsje, nog wat Connie Palmen en ook A.F. Th. Van der Heijden vond zijn weg naar mijn boekenkast. Ik las Markus Zusak en Bernard Schleck, Stefan Hertmans, Brené Brown, Robert Galbraith en wat biografiën over muzikanten die ik bewonder. Ik las zoveel dat ik soms in een boek begin en me ergens halfweg bedenk dat ik het al gelezen heb. Ik startte een leesgroepje in het stadje waar ik van afkomstig ben om samen met andere leesliefhebbers te praten over een boek dat we lazen. Ik had nog geen kinderen en ik las op de trein, na het eten, voor het slapen en op alle andere vrije momenten waarop de tv niet te hard stond.

Nu zijn er kinderen en lezen is soms moeilijker in te plannen. Maar het is zo erg een stuk van mezelf geworden dat ik niet kan om niét te lezen. Dus als er even tijd is, dan lees ik. Goodreads helpt me om een doel te stellen. Vorig jaar wilde ik er 20 lezen en ik las er 37. Dit jaar kwam er een tweede kind bij dus stelde ik mijn doel op 25. Het is oktober en ik heb intussen 31 boeken gelezen. Ook mét kinderen schijnt het mij te lukken om te blijven lezen. Niet omdat het moet, maar omdat ik het wil. Het blijkt dat televisie en series kijken een pak lager op mijn prioriteitenlijstje staan dan ik eerder al dacht. Als het er echt op aankomt, kies ik liever voor een boek.

Mijn leesclubje bestaat nog altijd. Sommige zijn er al bij van bij de start. Onderweg vertrokken er enkele leden en er kwamen er weer bij. Er zijn er die altijd komen en sommige duiken na lange tijd opeens weer op. Het is mij allemaal gelijk. Ik vind het altijd fijn om samen met hen te praten over een boek dat we lazen.

Lezen is voor mij als ademen, eten en schrijven. Ik heb het nodig om mij goed te voelen. Het verrijkt mijn leven, mijn visies, mijn taal. Leren lezen is één van de beste dingen die mij ooit overkomen is. Het is maar juist dat ook die passie van mij hier wat vaker aan bod komt.

IMG_0952

Ontmoeting.

“Alle, moet ge nu kaka doen of niet?”, vroeg ze.
Ik kijk op om me ervan te vergissen dat het toch zéker niet tegen mij is. Ik maan Kasper aan om wat sneller te stappen. “Amai, dat is ook al ne grote!”, zegt ze – “hoe oud is hem?”
Ik antwoord dat hij twee wordt in december maar dat ik wel vaker hoor dat hij groot is voor zijn leeftijd. “En die van u?”, vraag ik een beetje aarzelend. Ik ben dit soort small talk niet gewend. “Oh, maar die van mij is al wat ouder. Die wordt binnenkort acht maar ze is heel snel voor hare leeftijd.” Ik zeg dat ik daar weinig ervaring mee heb, maar dat ik haar geloof op haar woord.
“Ja, ik zie ze doodgraag. Maar hoe gaat dat he, ge blijft daar voor thuis en voor ge’t weet doet ge niks anders meer.” gaat ze verder. Ik knik van uhu en dat het herkenbaar is. Mijn uitgaan beperkt zich nu ook vooral tot dingen die mijn kinderen leuk vinden. “Maar alle, madam, ge krijgt er wel veel liefde van”, besluit ze nog. Ik zeg haar dat dat bij momenten klopt maar dat het die eerste jaren toch vooral geven lijkt te zijn met soms eens krijgen en dan alles pakken wat er te pakken valt. Ze lacht luidop. “Ja, ge zegt het goe! Alle, wij zijn eens zien.”
“Kom Kas”, zeg ik terwijl ik mijn hand uitnodigend uitsteek. “Alle, kom pruts”, zegt zij en ze klikt haar hond weer vast aan de leiband.
Moeders – allemaal dezelfde.

Lezing Lieve Van Weddingen

Afgelopen week ging ik met mijn schoonzus – die zo rond de jaarwisseling een nieuwe Steverlinck op de wereld zal zetten – naar een lezing van Lieve Van Weddingen. Lieve Van Weddingen is therapeute en gespecialiseerd in het begeleiden van moeders die na de bevalling even het evenwicht kwijt zijn. Ik volg haar al een tijdje op Facebook waar ze dagelijks inspirerende quotes post die me altijd aan het denken zetten. Toen ik dus zag dat ze in samenwerking met de Gezinsbond een lezing gaf, wilde ik graag eens gaan luisteren.

We waren met niet zo heel veel moeders – een stuk of 20 – en slechts één man in het hele gezelschap. De lezing startte met de vraag: wat moet je allemaal afgeven als je moeder wordt? Controle! Vrijheid! Je lichaam! Tijd voor jezelf! Tijd om je eten op te eten als het nog warm is! Tijd voor je partner! Iedereen wist wel iets te zeggen en allemaal waren de voorbeelden heel herkenbaar. Topidee trouwens, om mijn zwangere schoonzus mee te nemen – dacht ik nog. Ik keek wat verontschuldigend naar Sofie maar ze seinde terug dat het ok was. Ik heb wel de rest van de avond om het kwartier “gaat het?” en “sorry he” gefluisterd.
We kregen eerst het ruimere kader mee (bijvoorbeeld het verschil tussen moederrouw – waar je door een soort rouwproces gaat door de grote veranderingen in je leven – en een postpartum depressie – waar echt suïcidale neigingen aan te pas komen).
Tussendoor was er altijd ruimte voor vragen en voor het vertellen van eigen ervaringen.

Ik ga het niet helemaal opnieuw vertellen – ga vooral zelf eens luisteren – maar ik geef jullie wel graag mee wat ik voor mezelf wilde onthouden.

  • Het fenomeen ‘Maternal Gatekeeping’
    Maternal gatekeeping betekent dat een moeder zichzelf altijd als de beste verzorger van het kind ziet. Het vertaalt zich onder andere in het moeilijk kunnen afgeven van het kind (aan de vader). Ze gaf zelf het voorbeeld van hoe vaders met de beste bedoelingen kinderen aankleden, maar dan toch vaak kleine opmerkingen moeten horen over knoopjes die niet helemaal juist toe gedaan zijn (schuldig!) of van moeders die de vader aanmanen om voorzichtiger te spelen met hun kroost (ook soms schuldig). In sommige gevallen zorgt dat ervoor dat vaders het initiatief afgeven en eerder vanop de zijlijn toekijken. Dat resulteert dan weer in een moeder die soms te veel doet en het misschien nog lastiger krijgt met iets uit handen geven. En dat zou dan kunnen resulteren in een moeder die het noorden totaal kwijt geraakt.
    Ik moet zeggen dat ik het bij Kasper veel lastiger had om hem uit handen te geven dan nu bij Elias. Ik kan makkelijker loslaten omdat ik intussen ook wel gewoon wéét dat Wout een supergoeie papa is. Het helpt ook dat we jongens hebben – die zijn wat makkelijker aan te kleden. Los daarvan ben ik ook echt van mening dat hij evenveel vader moet zijn als ik moeder – we hebben die twee koters immers samen gemaakt. Ik krijg dan ook echt stande pede het zuur als Wout becomplimenteerd wordt als hij met één van onze kinderen naar de dokter gaat. Als ik ga, wordt dat snel als normaal gezien – als hij gaat zegt dat blijkbaar nog iets anders. Maar dat is een heel ander verhaal (waar ik ook nog wel eens over wil schrijven).
    Ik nam mezelf voor om er zeker voor te zorgen zijn initatief niet af te remmen. Sindsdien staat Kasper elke avond op zijn sokken op Wout zijn knie naar mij te roepen: MAMA KIJK PAPA BEEN! Ik kreeg dan wel eens een hartverzakking maar voorlopig is hij er nog niet afgestuikt en ze schijnen het allebei heel lollig te vinden. 

    Bron: Google – deze foto’s toonde het wereldwijde web mij toen ik zocht op ‘Maternal Gatekeeping ‘. Ik denk dat ik hetzelfde resultaat zou krijgen als ik zou googlen op ‘man heeft onzichtbare bal vast’ of ‘man heeft buikpijn op de achtergrond’.

  • Het tweede wat me zal bij blijven is het ‘Still Face Experiment’. Dat kwam ter sprake toen Lieve Van Weddingen uitlegde hoe het kind ook de gevolgen draagt van een postpartum depressie. Moeders die een postpartum depressie hebben, kunnen het soms lastig hebben om te ‘connecteren’ met hun kind. Dat kan zich bijvoorbeeld uiten in wat robotachtig voor hun baby zorgen. Hun gezicht toont dan minder emoties dan gewoonlijk. Baby’s reageren daar heel erg op – op zo’n ‘still face’. Je kan in dit filmpje zien wat het effect bijvoorbeeld is als een moeder eerst wél in interactie treedt met haar kind en dan plots niet meer. Het kind doet alles om toch de aandacht te krijgen en geraakt na een tijdje ook gewoon echt in paniek. Ik kreeg kippenvel toen ik ernaar keek.

 

  • Wat me verder met verstomming sloeg, was de uitleg rond mannenvrouwen en vrouwenvrouwen. Mannenvrouwen leggen makkelijker contact met mannen en hebben het soms moeilijk om met (een groep) vrouwen te connecteren. Vrouwenvrouwen hebben het omgekeerde aan de hand: die kunnen doorgaans vlotter overweg met andere vrouwen en zullen dus vaker meer vriendinnen hebben. De scheiding is natuurlijk niet absoluut – soms ben je gewoon zo iemand die evengoed met mannen als met vrouwen overweg kan. Tot hiertoe weinig nieuws onder de zon. Maar de link met de voorkeur van geslacht, die had ik simpelweg nooit gelegd. Ik ben zo’n mannenvrouw (ik heb zelf twee broers en nul zussen, dat zal ook wel meespelen). Dat betekent dus dat ik makkelijker connecteer met mannen en het verklaart voor een stukje waarom ik graag een zoon wou en ook heel blij was dat numero twee ook een jongetje bleek. Blijkbaar zou ik – als mannenvrouw – natuurlijker (dus niet per se beter of slechter) overweg kunnen met zonen dan met dochters. Dat speelt zich allemaal af op een onderbewust niveau maar ik vond het toch frappant. Ik heb ook altijd eerlijk gezegd dat ik een lichte voorkeur had voor een jongen. Van Weddingen zei dat sommige vrouwen een duidelijke voorkeur hebben en dat die werkelijk teleurgesteld kunnen zijn als hun kind dan van het omgekeerde geslacht blijkt te zijn. Uitspraken als “zolang het maar gezond is” helpen in zo’n geval niet. Beter is gewoon toe te laten van daar even ongelukkig over te zijn.

 

  • Ten slotte onthoud ik graag de tips die ze meegaf voor op momenten dat het moeilijk gaat. Ze raadde aan om te ‘gronden’ – dus terug met je voeten op de grond te staan, terug in contact komen met de aarde in plaats van voortdurend in je hoofd te leven (de goede verstaander leest: minder piekeren).  In de tuin werken (liefst met je handen) kan dat bevorderen, maar ook dansen (op blote voeten) kan helpen. Een goede relatie met je partner waarin je duidelijk communiceert en blijft praten met elkaar helpt uiteraard ook. Een voordeel aan een ‘mannenvrouw’ zijn: ik weet al lang hoe weinig mannen verstaan als je het niet letterlijk zegt.
    Ze gaf ook mee dat het echt belangrijk is om jouw me-time te claimen. Durf dat aangeven en opeisen. Uit een leeg vaatje kan je niet tappen dus het is zo belangrijk om zelf fris te blijven in je hoofd zodat je de moeder kan zijn die je wil zijn. Denk maar aan de stewardess in het vliegtuig die uitbeeldt hoe je eerst je eigen zuurstofmasker moet opzetten alvorens je dat van je kind(eren) opzet. De jonge, kinderloze versie van mezelf dacht dan altijd dat ik sowieso eerst mijn kinderen zou redden, maar nu besef ik pas echt wat er bedoeld wordt. Je moet er namelijk eerst zijn voor je hen kan redden.

 

Ik heb mezelf dus voorgenomen om:
1. Mijn vent wat meer de kinderen hun kleren achterstevoren te laten aandoen.
2. Vaker mijn eigen zuurstofmasker op te zetten.
In het kader van voornemen twee ging ik onlangs cocktails drinken met een vriend die mij zo hard kan doen lachen dat het een buikspiertraining op zich is. Dat is handig want zo kan ik ‘sporten’ ook alweer van mijn to do lijst schrappen.
Dat in de tuin werken zal ik dan wel houden voor als het écht nodig is.

Lieve Van Weddingen schreef een boek (“Mijn baby lacht, nu ik nog) en in oktober komt haar nieuwe boek (“101 vragen van kersverse mama’s) uit.

Disclaimer: deze post werd niet gesponsord want ik beteken niets in blogland en ik kan dus schrijven over wat ik wil en niet over wat ik gratis krijg.

Kas als grote broer: een ‘gewoon’ verhaal

Misschien is het des mensen, maar zeker Vlamingen hebben de speciale gave om in plaats van positieve dingen te zeggen vooral te willen waarschuwen aan de hand van allerhande gruwelverhalen. Niet dat er iets mis is met waarschuwen, maar als het gaat over zaken waar toch nog weinig aan te doen is (zoals daar zijnde zwanger zijn), dan zijn sommige verhalen gewoon zinloos om te vertellen.
Toen ik aankondigde zwanger te zijn van Kasper, haalde echter heel wat mensen die ik tegenkwam in die periode allemaal hun bloederigste bevallingsverhaal boven. Speciaal voor mij herinnerde iedereen zich toevallig die éne baby waar nog net geen duiveluitdrijving aan te pas moest komen om het kind te laten doorslapen. Bij elke groente die ik in mijn mond stak, was er wel iemand die me angstig vroeg of ik niet bang was dat ‘die van de keuken’ dat misschien niet hadden gewassen maar gewoon zo – VOL TOXOPLASMOSE – op mijn bord hadden gekwakt. Als je voor het eerst zwanger bent, dan kruipen die dingen toch in je hoofd. Hoe hard je ook probeert van dat te negeren. Bij mij was dat althans zo.

Toen ik zwanger werd van Elias was ik dan ook opgelucht dat ik me die dingen dit keer minder hoefde aan te trekken. Het was immers goedgekomen met Kasper en ik had al wat meer vertrouwen in wat ik deed, ik wist al beter wat kon en wat niet kon. Dit keer gingen ze me dus niet meer de stuipen op het lijf jagen met allerhande negatiefs, verpakt als goedbedoelde waarschuwingen. Boy, was I wrong! Want ook bij kind twéé kan er natuurlijk heel wat mis gaan. En vooral – zo werd er mij verteld – kind één zou per direct veranderen in een bloeddorstig monster dat zijn babybroer zou proberen te versmachten van zodra ik even mijn rug zou keren. Het was dus zeker en vast een domme beslissing van zo snel al een tweede kind te maken want het ik het had mezelf nodeloos moeilijk gemaakt en beter wat gewacht. En nog proficiat he!
Al die verhalen – hoe goed bedoeld ook – zorgen er vaak voor dat moeders (of ik althans) zich kapot piekeren op voorhand over situaties die ze niet kunnen voorspellen. Bovendien zijn ze vaak waardeloos in die zin dat elk verhaal anders is, net zoals elk kind anders is en dus anders zal reageren. Tel daar nog bij op dat het vooral de erge verhalen zijn die verteld worden – want een kind waar het gewoon ‘goed’ mee gaat en die zich dus ‘gewoon’ als een baby’tje gedraagt met bleiten en weinig slapen en alles wat daarbij hoort – daar ben je nu eenmaal sneller over uitverteld.
Pas op, ik ben echt voorstander van eerlijke verslaggeving wat kinderen betreft. Als ik sommige moeders in mijn omgeving mag geloven dan is het altijd rainbows, lollipops and sunshine. Die moeders maken kinderen die altijd prima slapen overal waar je ze neerlegt, die altijd flink en met veel smaak hun vers gestoomde groenten opeten en die niet naar Bumba willen kijken maar liever naar verantwoorde programma’s zoals Ter Zake of De Afspraak. Ook dat zou ik me vroeger aantrekken – dat doet mijn kind immers allemaal niet – maar ook daar weet ik intussen beter. Maar om terug naar mijn verhaal te keren: ook bij Elias kreeg ik heel wat goedbedoelde verhalen te horen die mij vaak enkel stress opleverden. Waar er bij kind één gefocust wordt op de zwangerschap en wat er allemaal verkeerd kan gaan, wordt er bij kind twee vooral verteld hoe zwaar het zal zijn en hoe stout en jaloers kind één zich zal gedragen.

Intussen zijn we bijna twee maanden verder en kan ik dus enigszins een balans opmaken over mijn situatie. Dat is dus heel persoonlijk en ik wil géénzins waarschuwen/opscheppen/uitpakken.
Wat ‘zwaar zijn’ betreft: soms is het zwaar. Op momenten dat ik net een uur heb staan klooien in de keuken om tegelijk vers te koken, de keuken al wat op te ruimen en mijn oudste geëntertaind te houden is het best klote als de tweede liever niet heeft dat ik ga zitten op het moment dat ik het eten op tafel zet. Wanneer de jongste net zijn ogen sluit en de oudste vindt het dan net tijd om op zijn trommel te mokeren, dan zucht ik wel eens. Als ik Kasper voor de tv parkeer zodat ik de was kan ophangen maar dan hoor dat Elias het even moeilijk krijgt, dan vind ik dat stom voor mezelf dat ik mijn dingen niet kan afwerken. En meestal is er geen tijd in de dag en geen plaats in mijn hoofd om veel met mezelf bezig te zijn. Dus ja, soms is het heavy. Het goede nieuws is: dat is meestal op voorspelbare momenten. Als ik me daar dus mentaal wat op voorbereid, dan merk ik dat ik veel rustiger kan blijven wanneer iedereen jonger dan 2 het lastig heeft in mijn huis. Die rust straalt dan op hen af en doorgaans krijg ik de boel sneller weer op de rails als ik zelf kalm blijf.

Wat de houding van kind één betreft: ook dat is helemaal goedgekomen. Kasper was nog wat te klein om hem echt ‘voor te bereiden’ op de komst van zijn broer, maar ik heb toch met hem wat boekjes gelezen. Niet van die boekjes waarin het kind moet leren dat hij nu wat moet leren wachten, maar wel boekjes waarin alle diertjes kindjes hebben en waarin dat allemaal doodnormaal is. Ik heb ook niet te veel willen lezen en voorbereiden omdat ik dat niet nodig vond. Ik had geen zin om hem op te dringen dat hij nu ‘de grote broer’ werd, want voor mij is dat niet zijn belangrijkste rol. Kasper moet vooral maar zichzelf zijn en als hij het fijn vindt om grote broer te spelen dan is dat mooi meegenomen.
We vonden het belangrijk om het leven voor hem zo goed mogelijk gewoon te laten verder gaan toen zijn broer erbij kwam – want het is hoe dan ook een grote aanpassing. Wout is dus niet in het ziekenhuis gebleven zodat Kas in zijn eigen bedje kon slapen en tenminste één van zijn ouders gewoon thuis had. Ik las overal dat het belangrijk was om hem bij de verzorging te betrekken en dat probeer ik te doen.

’t Is te zeggen, ik nodig hem ertoe uit en als hij wil dan is dat tof en als hij niet wil dan is dat ook tof. Hij kreeg een pop en een buggy – het voordeel van oudere nichtjes te hebben – en soms krijgt die pop een fles en soms wordt die pop hardhandig uit de buggy gezwierd of bedolven onder 40 bavetten. Maar doorgaans krijgt ze eten, een propere pamper en wordt ze tig keer aan en uitgekleed.

Kasper z’n leven is dus voornamelijk gewoon verder gegaan, maar nu met een broer erbij. Ik heb hem zijn broer niet in zijn kleine armpjes geduwd vanop het moment dat die geboren werd. Als hij erom gevraagd had, dan had hij zeker gemogen – maar hij deed het niet en dat was ook prima. Afgelopen week – en dus pas na zés weken – deed hij het opeens wél: “baba pak?” vroeg hij – en zo geschiedde.

Hij heeft dat supergoed gedaan, hij was heel fier dat het mocht en na 45 seconden wou hij liever gewoon weer zijn velcro-groenten in stukken snijden in zijn keuken. Voor hem hoort Elias bij ons en er zijn dagen dat hij daar geen ene zier om geeft en er zijn dagen dat hij dat leuk schijnt te vinden. Ik kan niet in zijn hoofd kijken maar ik merk wel dat hij zelf ook aan zijn broer denkt. Als we ergens aankomen zegt ie steevast: “baba aijol” (de baby heet Elias). Of hij dat nu doet omdat hij het wil, of omdat hij denkt dat het moet of omdat zoveel mensen het hem al vroegen – wie zal het zeggen? Ik heb hem in ieder geval verteld dat ik het heel lief vind, maar dat hij net zo goed iets anders mag zeggen. Maar als hij wil vertellen over baby Aijol, dan moet ie dat zeker en vast doen. Voor hem hoort Elias gewoon bij ons gezin en krijgt die dus – net als wij – een keinatte zoen als hij gaat slapen. Alle horrorverhalen van stikjaloerse peuters waren hier dus overbodig. En zoals ik al zei: zelfs als hij wel heel erg jaloers zou zijn of het nog zou worden, dan heb ik niets gehad aan die verhalen op voorhand want zelden zijn ze constructief – veel vaker waarschuwend of belerend.

Wat ik dus zeggen wou met deze hele lange blogpost.
1: zwangere vrouwen hebben niks aan gruwelijke bevallingsverhalen. Ik vertel mijn verhalen enkel als er expliciet naar gevraagd wordt én ik benadruk dan dat elk verhaal anders is en dat het soms ook gewoon ‘gewoon’ meevalt. De ene bevalling is de andere niet, net zoals de ene vrouw de andere niet is en iedereen dat dus heel persoonlijk ervaart.
2: moeders hebben niks aan waarschuwende ‘uw kinderen gaan elkaar vanaf dag één  willen vermoorden’ legendes. Want opnieuw: elk kind is anders en elke moeder en elk gezin en dus elk verhaal. Wacht gewoon even af en kijk hoe het gaat.
3: in ons geval valt het allemaal best mee: de drukte en de moordlust. Dat maakt mij niet de uitzondering, maar de regel denk ik. En wat ik eigenlijk wil zeggen is dat vooral de uitzonderingen verteld worden: de sprookjes (waar ik altijd toch mijn bedenkingen bij heb) en de Nightmares on Elm Street. Met deze blogpost wil ik dus graag een ‘gewoon’ verhaal zijn. Eentje met moeilijke hoofdstukken maar net zo goed met fijne momenten.

Als dit gewone verhaal ervoor zorgt dat er ergens één moeder stopt met googlen, met zorgen maken, met rampscenario’s bedenken en alvast oplossingen verzinnen – als dit gewone verhaal ervoor zorgt dat er ergens één moeder het durft om gewoon af te wachten en het durft om te geloven dat ze het kan – ongeacht wat ‘het’ is – dan is het al deze 1571 woorden waard geweest.

Links: Kasper kust Elias en duwt daarbij de wipper zo hard naar beneden dat Elias er telkens vermoedelijk een hersenfractuur aan overhoudt wanneer hij los laat.
Rechts: Kasper probeer Elias het hoofd in te slaan met zijn puzzel (neen, da’s niet waar – hij wou hem gewoon tonen maar ja dat is saaier om te vertellen, toch?)

Life according to Kas

Mijn oudste zoon is ondertussen 20 maanden oud en wat mij betreft is het zijn beste leeftijd tot nu toe. Zijn bebber staat geen twee seconden stil, hij is pienter en hij heeft alles gezien. Bij momenten is dat behoorlijk vermoeiend – bijvoorbeeld wanneer hij in de auto in de mot heeft dat ik NIET van plan ben om langs het paard te rijden en hij rel schopt tot ik het wel doe. Maar door de band genomen is het heel fijn om mee te gaan in zijn wereld.
Ik sta er vaak zo van te kijken hoe die kleine protzak ervoor zorgt dat ik zoveel meer rond mij kijk en zoveel kleine dingen opmerk waar ik anders gewoon aan voorbij zou gaan. Ik wil niet zweverig doen, maar het is toch een heel schoon voordeel aan kinderen hebben: je mag alles om je heen opnieuw mee ‘voor het eerst’ zien. Elke dag zijn er zo wel nieuwe dingen die we samen ontdekken. Hier een greep uit het aanbod van de laatste dagen:

Kaarsen aansteken in de kerk

Een week of twee geleden wandelde ik op zondagmorgen met Kasper naar de bakker. Op onze weg naar daar passeren we de kerk en ik zag dat de deuren open stonden want over een kwartier zou de mis beginnen. Dat werd nog eens extra onderstreept door de kerkklokken. Wij wonen kort bij de kerk dus Kasper kent dat geluid heel goed. Zijn vingertje ging de lucht in – MAMA, KLOK (mijn kind roept als hij enthousiast is) en nogal impulsief ging ik met hem de kerk binnen. Het was daar stil, op de klassieke muziek na. Enkele kerkgangers zaten al klaar op de kerkstoelen. Kas kreeg van mij twee centjes die hij in het bakje mocht gooien: één voor een kaars voor hem en eentje voor zijn broer. Al fluisterend vertelde ik hem dat we in de kerk waren, dat je daar best stil bent omdat dat eerbiedig is en dat het fijn is als je een kaarsje voor iemand aansteekt want dat betekent dat je aan hem denkt. Kas stak flink de kaarsjes aan, liet zich gewillig terug in zijn buggy gespen, fluisterde de hele tijd erg flink van ‘ja’ en ‘nee’ als ik hem iets vroeg. Op weg naar buiten nam zijn enthousiasme het over en riep hij nog even DADA KLOK. Héérlijk! Sindsdien glippen we elke week voor de mis even binnen en dan mag Kas twee kaarsjes aansteken. Deze week was het voor Elias (die koos ik) en voor de poes (die koos hij).

IMG_1564

Zelf met de kar rijden in de winkel

Veel uitleg behoeft het niet want met de kar rijden dat is gewoon met de kar rijden. Ik ben overigens een heel slechte karrijder. Er draait altijd wel een wiel de verkeerde kant uit, ik gooi alles gewoon in mijn kar waardoor ze aan de kassa in de Colruyt hun ergernis amper kunnen verbergen en laatst reed ik tegen de hielen van een trage bomma (dat was echt per ongeluk). Maar Kas, die is geboren om met de kar te rijden. Sinds kort mag hij het helemaal alleen en hij glundert zo hard dat ze de winkelverlichting net zo goed kunnen uitdoen. Hij draaft de winkel door met zijn kar (hij stapt tegenwoordig niet meer, hij loopt), hij legt alles wat ik aanwijs in de kar en dan stopt hij 5 stappen verder om het eruit te halen en het er nog eens in te leggen, maar dan beter. Hij zet na het winkelen flink zijn kar terug bij de andere karren, aait de levensgrote plastieken leeuw die aan de inkom staat en roept DADA KAR.

Processed with VSCO with c1 preset

Alles wat te maken heeft met wawa

Kasper vindt wawa (water gelijk wij hier in Limburg zeggen) één van de beste dingen op aarde. Het is tof om wawa te drinken, maar veel toffer is het nog om wawa uit te gieten, rond te gooien en om te kappen. Wawa biedt tal van mogelijkheden. Je kan naar wawa kijken, je kan wawa voelen, je kan wawa proeven, je kan in wawa gaan liggen en je kan in wawa gaan staan. En het allerbeste: wawa is OVERAL. Hoeveel wawa er precies is, dat weet ik pas echt sinds Kasper er is. Wawa op de grond, in de goot, op de auto’s, in emmers, in rivieren, op kleren, op karren, in haren, in bekers, in glazen, in flessen, op struiken en takken, … Zei ik al dat wawa overal is? Alle spectaculaire dingen met water onthoudt hij trouwens heel precies. Eén keer ben ik met hem de auto gaan wassen en sindsdien zegt hij al van een kilometer op voorhand ‘wawa op auto’ als we bijna aan de carwash passeren.
Hij weet de verschillende manieren waarop je naar de rivieren en beken in onze buurt kan stappen en hij heeft het meteen in de gaten als ik met opzet een andere route pak zodat ik niet 40 minuten op een brug in de verte sta te kijken tot mijn kind klaar is met naar wawa te kijken. Uiteindelijk eindigt het meestal zo dat ik hem in de buggy zet en hij mij in onverstaanbare gewauwel uitscheldt voor rotte vis. DADA WAWA roept hij dan wat mistroostig nog net voor we de bocht om gaan.

 

 

Dieren en voertuigen

Overal waar we komen, heeft Kas – naast natuurlijk al het wawa – meteen gezien waar er dieren staan. Hetzelfde geldt voor tractors, vrachtwagen, auto’s, brommers, fietsen, … you name it. Hij wijst aan wat hij ziet en roept het nog even, gewoon voor de zekerheid: VAAP! (schaap) – PAAD! (paard) – TITUI (vliegtuig) – AUTO! – SLAK!
Plaatsen zijn voor hem verbonden aan de dieren en de voertuigen die ze daar in de aanbieding hebben. Als we gaan wandelen in het bos, dan roept ie VAAP omdat hij er daar ooit een zag. Al weken moet ik naar een lege wei wandelen met hem omdat daar de koe stond, maar het beest is intussen spoorloos verdwenen. De poort van de wei staat open – geen idee waar de koe naartoe is. Elke keer als we in de buurt zijn moeten we naar daar gaan zodat hij kan kijken of ze al terug is. “Koe’s weg” zegt hij en hij toont mij zijn lege handen. “Ja, schat, ik zie het.”
Net voor ik de buggy terug richting huis draai roept ie van “PAK” (kip gelijk ze hier in Limburg zeggen). Hij had blijkbaar onthouden dat in de tuin van een huis wat verderop kippen zitten. En dus worden de kippen toegevoegd als een nieuwe stop van onze wandeling. Daar sta ik dan, tegen de draad van mensen hun achtertuin naar de kippen te wijzen. Het duurt vast nog maar enkele dagen vooraleer de politie mij komt vragen naar mijn intenties. DADA PAK! DADA NIJN!, roept hij wanneer ik hem toch eindelijk kan overhalen om huiswaarts te keren.

IMG_1782

Door te gaan wandelen, kon ik sowieso mijn hoofd al leegmaken. Maar met Kas gaan wandelen is bevrijdend en verrijkend tegelijk. Ik zie meer en ik ben zoveel minder met mezelf bezig, met wat er speelt in mijn leven en met wat er omgaat in mijn hoofd. Hij wil voortdurend dat ik meekijk en even verbaasd ben over alles wat er nu weer ons pad kruist. Ik kan me wel eens opnaaien in het extreem trage tempo van onze wandelingen (soms ben ik meer dan een uur weg en dan heb ik nog geen halve kilometer gedaan), maar als het me lukt om dat los te laten dan is het héérlijk om samen met hem het leven te ontdekken.

Gisteren gingen we met ons vieren wandelen in het bos. Elias in de draagzak tegen mij aan, Kas met zijn groene botten. We wilden hem oppakken op de moeilijke stukken want het was soms wel klimmen en de ondergrond was niet altijd even ideaal. Maar hij wou niet. “Nee, zellef”, zei ie.
En zo stapte hij 3 km met ons het bos door op zijn groene botten. Hij zwaaide naar het titui (vliegtuig), het vaap (schaap), de boo (boom), het paad (paard), de maais (maïs) en de popoen (pompoem). En zo begrijp ik eindelijk helemaal waar Paul Van Ostaijen het over had.

Marc groet ’s morgens de dingen

Dag ventje met de fiets op de vaas met de bloem
ploem ploem
dag stoel naast de tafel
dag brood op de tafel
dag visserke-vis met de pijp
en
dag visserke-vis met de pet
pet en pijp
van het visserke-vis
goeiendag

Daa-ag vis
dag lieve vis
dag klein visselijn mijn

Pieter Jan is jarig!

Ik sprak over hem als mijn grote broer en ik vertelde er altijd bij dat hij ook echt héél groot was. Meer dan één meter negentig – en dan wees ik de lucht in.

Ik zei dat hij goed op zijn gitaar kon spelen en dat hij zelfs een eigen band had. Hij stampte de maat mee op de vloer van zijn kamer en gezien dat mijn plafond was kon ik niet slapen. Maar ik stelde het uit om mama te roepen want ik wilde niks doen wat hij niet leuk vond.

Ik toonde in mijn poëzie dat hij goed kon tekenen en wees daarbij naar de tekening van de pili’s. Ik ken het versje dat hij erbij schreef nog steeds uit mijn hoofd (Kinderen uit Pili-land, vind je zelden in de krant. Maar wel in poëziekes, van kleine Saremiekes).

Ik demonstreerde hem dat mijn rokjes konden draaien en dat mijn haar lang was en hij keek altijd vooraleer hij ‘Ja, mooi!’ zei – in tegenstelling tot sommige andere broers die ik heb.

Soms komt hij op televisie en dan zet ik het beeld op pauze. Ik bekijk hem als toeschouwer. Hij ziet er ernstig uit, geconcentreerd ook. Daarna kijk ik opnieuw als zus met ogen die al bijna 30 jaar naar hem kijken. Dan weet ik dat ik niemand anders ken die beter past waar hij daar zit. Want hij is de rede. Hij is rechtvaardigheid en integriteit.

 

Regelmatig staat hij op een podium. Ik bekijk hem als toeschouwer. Ik zie een goede muzikant, zo eentje met hart en ziel – de focus op zijn gitaar. Daarna kijk ik opnieuw als zus met ogen die al bijna 30 jaar naar hem kijken. Ik weet dat hij – ondanks zijn concentratie – vermoedelijk alles gezien heeft wat er rond hem gebeurde. Ik weet dat hij content is want gitaar spelen, dat doet ie graag. Ik weet dat hij straks – na de show – wat opmerkingen zal maken waar ik verschrikkelijk om zal moeten lachen. Ik weet dat ik zal zeggen van “goed gespeeld!” en hij zal antwoorden van “ja?” en ik zal blij zijn omdat hij mijn mening belangrijk vindt. Ik zie de mensen klappen als zijn naam passeert bij de bandvoorstelling en ik wil roepen ‘DA’S MIJN BROER DAN HE!’ want ik ben knettertrots.

Vandaag is hij jarig. Ik besef dat er jaren bijkomen, maar het voelt niet meer zo. Na al die tijd hebben we ons leeftijdsverschil overbrugd en zijn we eindelijk even oud. Gelukkige 29e verjaardag dus, Pieter Jan!