GodverDamme

We slenteren door het dorpje. De markt staat vol fietsers. Ze kijken op kaarten of wijzen naar lege tafels op terrassen. Er is ook één gezin Indiërs dat zich met de taxi liet afzetten. Ik grinnik en kijk rond of nog iemand dat gezien heeft.

Zoals gewoonlijk zoek ik de kerk. Ik wijs de toren aan voor Kas. “Gaan we daar een kaarsje branden?” vraagt ie. Ik knik en samen bespreken we aan wie we dit keer zullen denken wanneer we de lont van de kaars aansteken. ’t Is meestal Kaatje of nonkel Simom. Onder mijn aansturen gaan we ook vaak voor onze buurman die wel wat kaarsjes gebruiken kan.

Aan de kerkdeur worden we aangesproken door een man. Eind in de 60 gok ik. Wit haar. Schoon hemd over zijn dikke buik. Hij spreekt West-Vlaams maar legt zijn accenten wat vreemd. Ik vermoed dat hij Franstalig is. Hij bestudeert de buggy. Kasper zit op het meerijdplankje. Veel bekijks heeft dat ding ons al opgeleverd. “Zullen we dan een kaarsje branden?”, vraag ik aan Kas. “Ah zeker!” antwoordt de witte man in zijn plaats. “Brand er maar twee! Ik zal betalen”, zegt ie. “We zullen wel nu wat stilletjes moeten zijn, jongen,” en ik begin al half te fluisteren. Maar de witte man kijkt me gespeeld verontwaardigd aan: de kerk is er voor iedereen. Stilte vraagt ie enkel wanneer de dienst bezig is. ‘Aha’, denk ik, ‘ ’t Is de pastoor’.  Wie anders trakteert er ook met kaarsen?

Ik duw de buggy de kerk binnen en word onmiddellijk overvallen door het licht. Overal laten de grote ramen de zon gemakkelijk binnen. A-typisch voor een kerk zijn het geen donkere glas-in-loodramen met taferelen van het leven van Christus maar witte kleine ruitjes. Dit is mijn soort kerk. Het is er licht. Ze staat vol bloemen. Geen overschotten van begrafenissen, maar kleurrijke bloemen. Sommigen komen recht uit het veld. Ze zijn geplukt en in een vaas gezet in plaats van perfect ingebonden. Er ligt een strooien hoed aan het altaar op de grond. Er staat een picknickmand met zonnebloemen in. Er mag leven zijn.

Aan het prikbord aan de ingang hangt een tekst over de kerkdeur.

De kerkdeur

Hij stelt ons de vraag:
heb je er wel eens over nagedacht,
wat er gebeurt als je door een kerkdeur naar binnen gaat?
Heb je wel eens aan den lijve ondervonden,
dat zo een deur een verbinding is tussen twee werelden?
Aan de ene kant van de deur
ligt het rumoerige, dagelijkse leven van werken en zakendoen.
Het leven met zijn zorg en zijn gezelligheid,
het leven waarvan wij genieten met zoveel goeds en 
ook met zoveel kwaads, narigheid, leugen, bedrog en achterdocht.
Aan de andere kant, de ruimte waar wij,
met al onze onrust en onze zorgen tot rust kunnen komen.
In die ruimte is het licht anders.
Het wordt getemperd door de sfeer van beschouwing 
en gebed, van dieper en anders zien.
Die ruimte is indrukwekkend door haar sterke muren
de oprijzende pilaren en de hoge gewelven.
Dat is de ervaring van vele toevallige bezoekers, pelgrims en toeristen.
Het moge de ervaring zijn van elke kerkganger, die door de kerkdeur naar binnengaat.

Processed with VSCO with c1 preset

Schoon, denk ik. En waar. Als vanzelf ga ik fluisteren als ik een kerk binnenstap. Mijn kinderen gaan er – meestal – ook stiller praten (behalve wanneer ik hen zeg dat ze geen koeken meer krijgen dan maakt het niet echt uit waar we zijn). Ik zoek automatisch de kaarsjes op. Er staan er meestal kleine ronde rode en lange witte. Twee witte kiest Kas dit keer en we steken ze samen aan. Ik denk aan papa, zoals altijd wat vaker wanneer ik op West-Vlaamse bodem rondwandel. ‘Vadertje’ denk ik en ook ‘Papa’. En voor de honderdduizendste keer vloek ik ook. ‘Dju toch’. Merde.

Ik blijf staan voor een pilaar en kijk naar een wat kitscherige uitvoering van Maria met kind. Mijn Paulien kent alle verschillende Maria’s – handen open, handen toe, met kind, zonder kind, in’t blauw of niet. Deze versie heeft een soort zilveren cape. Het zal Maria van Star Wars zijn, bedenk ik me. Op de grond lees ik nog over Jacobus die daar ligt. Hij was er priester meer dan 200 jaar geleden. Barbara ligt daar ook – de huisvrouw. Ze stierf maar enkele dagen later. Zou het ook liefde geweest zijn tussen die twee, vraag ik me af? Stiekem? Of heel het dorp dat ervan wist? ’t Is ze van harte gegund – die liefde. Misschien stierf ze wel aan een gebroken hart? De steen barst net waar haar leeftijd staat. 31 gok ik. Dan zal het wel een gebroken hart geweest zijn.

Processed with VSCO with c1 preset

Ik duw de kinderen in hun mini-caravaan weer naar buiten.
Ik draai me nog één keer om naar het licht
en stap dan weer
de andere wereld in.

Advertenties

Time flies when you’re havin’ fun – Elias is 1!

Lieve Elias
Kleine Leeuw

Eén jaar geleden werd jij geboren. God, wat sta ik daarvan te kijken. Veel sneller nog dan bij je broer vloog dat eerste jaar voorbij.

Als ik door de foto’s blader van het afgelopen jaar, dan valt mijn mond haast open van verbazing. Ben jij ooit zo klein geweest? En hoe ben jij opeens zo groot geworden? Blijkbaar is er zelfs een tijd geweest dat jij er nog niét was. Hoe zag dat er ook weer uit?

De laatste maanden toon je ons steeds meer hoe je precies in elkaar zit. Je bent onstuimig, enthousiast, luid, vrolijk en ongeduldig. Je houdt van bananen en je knijpt altijd het laatste stukje plat in je vuistje. Je trekt aan mijn elleboog als het te lang duurt vooraleer ik je iets uit mijn eigen bord in je mond stop. Je schreeuwt luid als het je niet zint. Je kan onwaarschijnlijk snel kruipen. Je bent motorisch heel sterk en je doet niks liever dan pijlsnel de trap opkruipen. Je bent niet onder de indruk wanneer ik je zeg dat iets niet mag. Je stuurt me een brede glimlach en nog net geen handkusje vooraleer je gewoon verder doet. Je kijkt gefascineerd naar dat ene lokje haar van mij dat los hangt en wanneer ik even niet oplet, probeer je het uit mijn hoofd te trekken. “Doedoe, Eli!”, zeg ik en je grijnst je 8 spierwitte tanden bloot. Soms grinnik je erbij om extra te onderstrepen dat je het superlollig vindt. Je houdt van muziek. Je stopt eender welke activiteit om mee te wippen op de maat als ik de radio opzet. Je slaapt op je buikje in je bed. Als ik je neerleg om te slapen dan leg je onmiddellijk je linkervuistje onder je buik – net zoals ik. Je trekt je overal aan recht en je staat soms alleen – wanneer je een blokje in elke hand hebt en het niet tot je doordringt dat je je nergens meer vasthoudt. Je haren zijn lang en ze krullen in je nek maar ik wil ze niet afknippen. Ik hou van jongens met lange haren en het past bij je wilde karakter. Je trekt elke dag zoveel mogelijk foto’s uit de draaimolen en je valt om van het schrikken wanneer ik je naam noem opdat je ermee zou ophouden. Als je weer recht gekropen bent, doe je uiteraard lustig verder.

Je eet graag patatjes, ijsjes, grote stukken fruit, brood met boter en een beetje zout. Als ik je kleren wil aandoen dan spartel je als een paling in een emmer snot. Stilzitten is niks voor jou. Op mijn schoot hangen doe je alleen wanneer je je flesje drinkt. In de draagzak hang je ondersteboven en draai je alle kanten uit van zodra ik één seconde stil sta. Je bent onbevreesd en nergens vies van. In het gras kruip je onmiddellijk naar dat éne kleine steentje dat je van ver hebt zien liggen. Jou verhinderen van rommel op te eten is ongeveer een dagtaak geworden. In de auto roep je op je broer en gooi je hem je tut toe. Als hij hem pakt, dan trek je hem aan het koordje weer terug. Jullie hebben de slappe lach van Halen tot in Donk en ik vind het één van de heerlijkste geluiden die ik ooit mocht horen. Ik slinger je ondersteboven in het rond. Je dunne, blonde pluimen wuiven mee van links naar rechts terwijl jij het uitgiert bij zoveel pret. “Ik wil ook”, zegt je grote broer, maar hij durft zich niet te laten hangen zoals jij. Je kruipt op het bed, probeert recht te staan en laat je als een plank op je rug vallen – ongeacht wie of wat er in de weg ligt. Opnieuw hik je van het lachen. Het is een rode draad in je leven: gevaar opzoeken, streken uithalen en dat zelf allemaal onwaarschijnlijk grappig vinden.

Zoals je door het leven gaat, zo werd je ook geboren: wanneer het jou uitkomt en dan liefst zo snel mogelijk. Je bent niet op te jagen. Je bent zelden onder de indruk. Je staat onbegrensd en onbezonnen in het leven – met je twee voeten er pal in. Maar je armpjes, die sla je gelukkig nog heel graag rond onze nek. Wanneer je moe bent bijvoorbeeld. Wanneer we je ophalen bij de onthaalmoeder. Wanneer we je kietelen en in je in de lucht gooien.

Lieve Elias, ik vind het niet altijd gemakkelijk om je mama te zijn. Niet omdat je een moeilijk karakter hebt, maar omdat jij er zo van overtuigd lijkt dat er nergens gevaar schuilt. Het maakt me soms bang – zoveel onbezonnenheid. Gaat ie zich geen pijn doen? Gaat ie later allemaal gevaarlijke dingen willen doen? Wat als ik er niet ben om als een soort van menselijk vangnet je val te breken – letterlijk en figuurlijk?

Lieve Elias, ik vind het zo gemakkelijk om je mama te zijn. Omdat je het voor jezelf zo simpel kan maken. Een stomme plastieken zak is voor jou een halfuur speelplezier. Je vrolijke gegrinnik maakt mij zo vaak zo gelukkig. Je schelmensmoel als je streken uithaalt is werkelijk niet te weerstaan. Ik moet heel vaak mijn gezicht verstoppen of je zou zien dat ik aan het lachen ben terwijl ik je eigenlijk streng moet toespreken. Je houdt van mij – dat weet ik wel zeker – maar je bent helemaal dol op je papa. Zoals je onbegrensd de wereld verkent, zo kan je onbegrensd graag zien en met al je onstuimigheid licht brengen in donkere dagen.

Gelukkige verjaardag, wittekop.
Kleine robbedoes, gij wild kind, wat zie ik u graag.

Processed with VSCO with c1 presetProcessed with VSCO with c1 preset

 

 

Vandaag

Luister ik eindeloos dit en dit en dit en dit . Ik loop door het huis en neurie verbeten mee (but listen carefully to the sound of your loneliness like a heartbeat drives you mad in the stilness of remembering what you had and what you lost).

Besta ik uit kleine stukjes. De samenhang is zoek. Wat waar gaat, dat ben ik even vergeten.

Raap ik kleine spullen op, verdwaald en op de verkeerde plek terecht gekomen. Ik steek ze in een mandje en probeer ze weer juist te zetten.

Kijk in de spiegel en speur mijn gezicht af. Ik zie wat ik eerder al eens zag. Ik kijk lang in mijn eigen ogen tot ik bijna door mezelf heen kan kijken.

Leg ik mijn hand op mijn buik en probeer ik te ademen. Ik moet soms nadenken over hoe dat ook weer moest. En hoeveel te meer ik nadenk, hoeveel te moeizamer het gaat.

Rijd ik naar papa met de ramen open. Ik steek mijn hand uit, spreid mijn vingers, voel het door mijn vingers glijden. Ik herken wat ik bij hem soms zag. De melancholie. “De wereld is even zwaar voor mij – vandaag”, zei ie. En: “Neen, natuurlijk ben ik niet boos op jou, Saartje”.

Zeg ik mezelf waar ik ben en wat ik doe. Je zit op een stoel en je schrijft.

Doodnormaal

Mijn kinderen gaan bijna wekelijks naar het kerkhof. Aangezien mijn papa en hun grootvader daar rust, is dat niet abnormaal.

Het is iets wat voor hen bij het leven hoort. Zoals we naar oma gaan, zo gaan we naar opa. Hoewel zo verschillend, is het voor hen eigenlijk hetzelfde.
We laden onze kindjes achterop onze fiets, we gespen hun helmpjes vast en we zijn weg. Onderweg wijzen we naar de dieren die we zien. Richting oma zien we struisvogels en paarden, we zien schapen, we fietsen over een bruggetje en tussen de perenbomen. Elke keer verzekeren we Kas dat de peren inderdaad nog wat moeten groeien. En ja, daarna komt de boer ze plukken en hij brengt ze naar de winkel. Daar kunnen wij ze kopen. “Mama en Kas?”, vraagt ie. “Ja lief, mama en kas en alle andere mensen die graag peren eten.”
Richting opa zien we twee uilen. Ze wonen in een veel te laag afgespannen stuk grond. Het is eigenlijk zielig. Ik vraag hem of hij denkt dat de uiltjes niet liever willen vliegen. Hij antwoordt dat ze misschien willen slapen. Dat ze niet veel anders kunnen doen daar op die 10 vierkante meter, dat zeg ik hem niet. Daarna passeren we meer perenbomen (ja, die moeten ook nog wat groeien), koeien met kalfjes (hij legt veel klemtoon op de F – kal-fjes zegt ie), een groot paard en een klein paard en veel velden met maïs. Hij wijst alles aan, benoemt en wij bevestigen.

Hij gaat vragen of er ijsjes zijn, zegt hij al nog voor we de oprit opdraaien. We bevrijden hem uit zijn fietsstoeltje en hij spurt naar de deur. Oma tovert mini-ijsjes tevoorschijn en voor ongeveer 3 minuten en 23 seconden horen we hem niet. Daarna wil hij nog water, een koekje, het kleine balletje, of nee toch de grote. Elias kruipt in zijn kielzog – volgt zijn grote broer als een schaduw. Hij zet zich op zijn zachte pamperpoep en probeert met zijn kleine, korte vingertjes de kruimels van Kasper zijn koekje op te rapen.

Bij opa is het meer van hetzelfde – al moet ik hier zelf voor de snackjes zorgen. Voor we vertrekken, moffel ik nog gauw twee reepjes kinderchocolade in mijn handtas en een flesje water. Ik bevrijd hem uit zijn fietsstoel en hij spurt naar het graf van opa. Ik zet hem neer op het stukje gras, zijn kleine broer naast hem. Wanneer ze het papiertje van de kinderchocolade horen ritselen, kunnen ze allebei niet snel genoeg op mijn schoot zitten. Langzaam eten we samen – blokje voor blokje – de chocolade op. We breken de reep in stukjes en laten allemaal een stukje smelten op onze tong. Het is even stil en rustig. De wind waait door onze haren. “Het windt!”, zegt Kas en ik wil hem niet verbeteren want ik vind het juist.

De dingen die ze doen zijn hetzelfde bij oma en bij opa: koekjes ontfutselen, hard lopen en knieën openvallen, bloemetjes water geven, helpen met poetsen, kijken naar vogels en zwaaien naar dieren. Elias zoekt op beide plaatsen dingen om in zijn mond te steken: kruimels bij de ene, stenen bij de andere.
Ook de dingen die ze voelen zijn – tot hiertoe – gelijkaardig. Ze kijken ernaar uit om hun grootouders te zien. Het ritje naar daar is altijd heerlijk. “Wij zijn met ons viertjes!”, zegt Kas – en hij somt ons allemaal op zodat er geen twijfel over bestaat wie hij bedoelt. We komen aan met veel lawaai – op beide plaatsen. We vertellen wat we meemaakten, dat de juf langs kwam, dat we nieuwe schoenen kochten, dat de zon schijnt en dat alle bloemetjes veel dorst hebben. Het afscheid is ook hetzelfde: een kus voor oma en ook een kus voor opa. Hij zag mij ooit papa’s foto kussen en sindsdien hoort het ook bij Kas z’n afscheidsritueel.

Hun grootouders opzoeken, dat is voor mijn kinderen bijna dagelijkse kost. Dat hoort erbij. Dat is – gelijk ze zeggen – doodnormaal.

Processed with VSCO with c1 preset

Rijk

Als ik denk aan alle boeken die ik nog ga mogen lezen en hoe plezant het is dat ik dat zo onwaarschijnlijk graag doe
Als ik de koelkast opentrek en uit zoveel dingen kan kiezen en toch altijd voor de aardbeien ga
Als ik wat rondscharrel in mijn bureau en enkele toetsen induw op mijn piano
Als ik mijn kinderen hoor schaterlachen terwijl ik aan het koken ben – net voordat er eentje begint te mekkeren
Als ik in de Colruyt niet moet kiezen, maar drie verschillende soorten koeken in de kar kan leggen
Als ik mijn vingers over de zijkanten van mijn cd-rek laat glijden en Rumours er nog eens uitpik
Als ik groenteschillen naar het VAM-vat breng en stilsta om de achterkant van ons huis te bekijken
Als ik op zondag met Kas naar de bakker wandel en op de terugweg een kaarsje aansteek voor onze buurman
Als ik in mijn oranje tuinstoel zit en de wind mij de lavendelgeur tegemoet blaast
Als ik met een collega die intussen ook mijn vriend is aan de waterkant over de zelfbewustzijns-ui praat en nog een halve dag nadenk over haar input
Als ik aan de slaapkamerdeur ga luisteren naar de diepe slaapadem van mijn jongste zoon
Als ik kijk naar hoe mijn lief ’s morgens gel in zijn haar doet en dan met gespreide vingers naar de pompbak loopt om zijn handen te wassen
Als ik denk aan mijn familie, aan mijn nichtjes en onze naderende vakantie – allemaal samen
Als ik met een oude vriend die nog altijd gloednieuw aanvoelt onnozel doe op een fuif en me nog eens écht jong voel
Als ik mijn oudste in bed stop en hij – zoals elke avond – “I love you! Doe-hoeg!” roept
Als ik op het trapje aan onze achterdeur ga zitten met een tas thee en de kat langs mijn benen komt kopjes geven
Als ik denk aan de weg die ik heb afgelegd – als vrouw, als partner, als moeder – en hoe ik steeds beter en makkelijker en liever mezelf ben
Als ik besef hoeveel schoner mijn leven aanvoelt sinds ik eraan denk om elke dag mijn zegeningen te tellen
Als ik de lichtjes aansteek boven onze tuintafel zodat de zomeravond nog wat langer kan duren

Dan weet ik
dat ik
de koning
te rijk
ben.

Processed with VSCO with c1 preset

Tears in Heaven

Het is u vermoedelijk allen bekend, dat nummer van Eric Clapton. Waarschijnlijk hebt u het – net zoals ik – al honderdmiljoenmiljard keer gehoord en raakt het u zelfs niet eens meer zo heel erg. Dat kan. Dat had ik ook.

Maar gisteren keek ik naar ‘Eric Clapton – life in 12 bars’ – een documentaire over het leven van Eric Clapton. En sjonge jonge, dat kwam binnen. Het eerste deel zag ik in “Het uur van de wolf” op NPO 3. Ik was matig geboeid. Het ging over Claptons jeugd en over hoe zijn moeder zich lang uitgaf als zijn zus. Over hoe ze later doodleuk kwam vertellen dat ze hem niet moest hebben hoewel nu ze toch voor hem kon zorgen. Ze had haar handen immers al vol met zijn halfbroer en halfzus. Die wilde ze klaarblijkelijk wél graag bijhouden. Het ging over hoe hij troost vond in muziek en hoe hij zich toen al anders kleedde dan zijn leeftijdsgenoten. Het typische eerste stuk van het levensverhaal van een muzikant: de tijd voor hij muzikant werd.

Deel 2 keek ik gisteren op mijn computer. Dat was andere koek. Ik zag hoe Eric Clapton verslaafd geraakte aan heroïne. Hoe hij daarvan afkickte om onmiddellijk een nieuwe verslaving te kiezen: alcohol. Dat was zowaar nog destructiever voor hem. Ik zag hem waggelen op het podium. Ik zag hem jarenlang achter Patty Boyd – de vrouw van George Harrison – aanlopen. En haar dan slecht behandelen toen hij haar eindelijk had. Ik zag hem racistische dingen zeggen en zich schamen. Ik hoorde hem zelf commentaar geven bij die beelden. Hij vertelde hoe hij al die albums zo lang niet graag gehoord heeft – ‘because I could always hear how drunk I was’.

En dan komt het kantelpunt. Na een korte affaire wordt ie vader van Connor. De geboorte van zijn zoon zorgt ervoor dat hij eindelijk fatsoenlijk korte metten maakt met zijn alcoholverslaving. Het kind groeit op en het lijkt goed te gaan met Clapton. Tot het noodlot toeslaat. Kleine Connor stort zijn dood tegemoet wanneer hij uit het raam klimt op de 35e verdieping van een flatgebouw in New York. De beelden tonen het totaal verbouwereerde gezicht van Clapton. Een man die niet beseft wat er zonet gebeurd is. We zien nog wat beelden van de begrafenis van het jongetje.
En dan. En dan. En dan zoomt de camera in op de handen van Clapton. Hij heeft een gitaar vast. De eerste noten maken meteen duidelijk welk nummer hij zal inzetten. Ik wist wat hij zou gaan zingen, maar het kwam toch nogal binnen. Hij vertelt dat hij troostbrieven kreeg, tienduizenden. En eentje was van Connor. Een week ervoor gepost in Milaan. “I love you. I want to see you again” had het kind aan zijn vader geschreven. Clapton schreef ‘Tears in Heaven’ en besloot de rest van zijn leven te leven op een manier die zijn zoon recht aandeed. Een jaar lang speelde hij elke dagen urenlang op zijn Spaanse gitaar. Het resultaat is het album “Unplugged” waarmee hij veel prijzen won.

IMG_9836
De documentaire eindigt positief. Clapton vond de ware liefde en kreeg nog drie dochters. Hij is niet meer terug verslaafd geraakt, hij maakte fantastische albums (“Me & Mr. Johnson” is één van mijn favoriete platen aller tijden).  BB King sluit de reportage met een speech waarin hij zijn vriend Eric eert: “May I live forever. But may you live forever and a day.”
Man, wat greep me dat aan. Dat kleine kindje, die mens die totaal verbijsterd is, die ronde bril zoals mijn papa er ook één had en zoals mijn broer er nu een op zijn neus heeft staan. Dat lied dat ik intussen regelmatig heb overgeslagen omdat ik het al te vaak gehoord heb. Dat lied heb ik vandaag veel gespeeld en het klonk weer helemaal nieuw en rauw en schoon, zo schoon. En ik dacht: als één van mijn jongens ooit…. en ik dacht: nee, nee, nee!

 

Fiere gieters

“Ik ben fier”, zei mijn lieve collega N. tegen mij na afloop van een presentatie van een van onze laatstejaarsstudenten. De tranen prikten in haar ogen. “Als ik niet hier was, dan zou ik wenen, denk ik”, fluisterde ze. “Je weent al”, antwoordde ik. Ze lachte en zei nog eens dat ze echt ontroerd was.

Onze derdejaarsstudenten stelden op 20 juni hun Bachelorproef voor. Dat betekent dat ze na een jaar zwoegen en zweten ongeveer 15 minuten krijgen om heel hun verhaal te komen doen. Ze vertellen over hoe ze bronnen moesten zoeken en teksten moesten lezen waar ze al van zuchtten nog voor ze begonnen. Ze vertellen over hoe ze mails en mails stuurden en soms geen reactie kregen. Ze vertellen over hoe ze dingen gingen uittesten in de praktijk. Stralend zeggen ze ons dat de kleuters het zo leuk vonden – en wij ook mevrouw!

Zakken vol materiaal slepen ze mee naar hun presentaties. Mama’s en liefjes worden gemobiliseerd om te helpen dragen. Onze externe juryleden moeten er wat om lachen. Wij zijn het al gewend. In andere studentensteden haal ik ze er zo uit – de studenten kleuteronderwijs. Het zijn de studenten die gepakt als muilezels de school buiten stappen. Het zijn de studenten die verkleed over de straten lopen wanneer ze terugkomen van één of andere speciale dag op school. Het zijn de studenten die prachtig materiaal uit hun tassen toveren en me achteloos zeggen dat ‘dat echt niet zo heel moeilijk was om zelf te maken hoor’. Het zijn de studenten met blinkende ogen – vol idealen en vol geloof in de talenten van de kinderen die ze dag in dag uit met veel liefde laten groeien tot de beste versie van zichzelf. Het zijn de studenten die glimmen wanneer ze spreken over ‘hun kleuters’ en extra hard glimmen wanneer ze toelichten hoe ze ook die éne kleuters zagen openbloeien, die ene waarover ze zich zorgen maakten. “Ik heb hem veel geknuffeld mevrouw”, zeggen ze, “en stilaan ging het beter. Nu is hij bijna de luidste van de klas.”

En ons – hun lectoren – haal je er ook zo uit. Wij zijn diegenen die met tranen in de ogen tegen elkaar zeggen dat we weer zo fier zijn. Zo fier.