Nieuwjaarswens

Het is oudjaar en we wandelen in het schemerdonker. Ik stel voor nog even langs opa te gaan. “Is het niet te ver?”, vraag ik nog, “het is al bijna donker.” “Opa is niet ver” zegt Kasper en hij heeft gelijk.
Als we weer thuis komen beginnen we aan ons mini-oudjaar met hen. We stoppen onderweg bij de afhaalchinees waar ik zoveel jaren gewerkt heb voor een portie mini-loempia’s. Die gaan er aan sneltempo door terwijl we wat hapjes in de oven flikkeren. Wij slurpen wat oesters binnen en nippen van een glas champagne. Op de radio speelt de Tijdloze.

De kindjes spelen terwijl ze hapjes eten en veel specialer hoeft het voor hen al niet te worden. Ze lachen tot ze er de hik van krijgen en ik krijg maar niet genoeg van dat geluid. Daarna steken we hen in bed rond 8 uur – zoals gewoonlijk. We lezen twee boekjes, poetsen tandjes, geven drie berenknuffels, 1 grote kus en 1 kleine – ook zoals gewoonlijk.
Terwijl Wout onze bestelde sushi gaat halen, dek ik de tafel. Twee borden, twee glazen en bestek. Ik dim het licht en steek wat kaarsjes aan. “Zijn wij niet de saaiste ouders ooit?” sms ik naar Wout. Hij antwoordt me wat ik al weet: dat het opgeklopt is, dat wij het zo het leukste vinden – gewoon rustig samen zijn. Het gevoel sluimert nog een uurtje en ik probeer er geen aandacht aan te geven. Ik weet dat het dan het snelste voorbij gaat.

En inderdaad, nadat we met ons tweetjes gegeten hebben terwijl er muziek speelt die ik nog eens zelf mocht kiezen (dat gebeurt eigenlijk ook al niet zo dikwijls, merk ik nog op), is het gevoel weer gaan liggen. Ik voel me weer goed zoals ik ben, zoals wij het doen – het leven, het moederen en vaderen. We kijken samen  naar het jaaroverzicht en zoals gewoonlijk word ik er vooral verdrietig van: zoveel ellende en vuiligheid. We lezen nog en wensen elkaar om 12 uur een erg gelukkig nieuwjaar. “Dat we ook dit jaar samen mogen zijn”, wens ik luidop.

We kruipen ons bed in rond het moment dat het vroeger voor mij pas écht begon. Mijn huis is gevuld met slapende jongens. Ik streel ze alle drie nog eens over hun bolleke voor ik mijn ogen sluit.

’s Morgens speelt de radio tijdens het ontbijt. Radio 2 smijt er nog wat klassiekers tegenaan. Bij “Thriller” draai ik de volumeknop wat luider. Onze twee kinderen steken hun armen in de lucht. Het is ons dagelijks ritueel: ieder pakt een kind en we dansen door de living. Ze krijgen samen weer de slappe lach en wij kijken elkaar aan en denken hetzelfde. Dat we geluk hebben, dat we rijk zijn, dat ze fantastisch zijn en hoe heerlijk heerlijk het is dat wij elke dag bij hen kunnen zijn, dat ze helemaal van ons zijn – voor altijd.

Ons nieuwe jaar begon gelukkig.
Ik wens jullie allen hetzelfde.

_77A6456

Advertenties

Oh, to be young.

Uiteraard luister ik – net zoals de rest van Vlaanderen – bij momenten wel eens naar Music for Life dat deze week op de radio is.  Bijvoorbeeld gisteren toen mijn geweldig getalenteerde neef dit nummer kwam zingen. Maar de eerlijkheid gebiedt me te bekennen dat ik mogelijks de radio ook al op Q-Music heb gezet deze week.

Daar is het immers de beste vijfhonderd van de nillies. Ik moet zeggen, ik heb echt een vreselijke afkeer van dat woord. Het is zoals wanneer mensen over hun ‘kids’ spreken – ik kan dat eigenlijk gewoon niet verdragen, zo simpel is het. Het is iets van smaken en kleuren maar ik zeg gewoon: ‘kinderen’ en ‘de jaren 2000′. Bon.
Ik luister dus bij momenten naar Q-Music. Wat een afgrijselijke prut er gemaakt is in die jaren 2000 – ge kunt het u niet voorstellen (de bewoners van het Big Brother huis die samen met Walter Grootaers een kerstnummer maken, om zomaar iets te zeggen)! Muziek gecomponeerd door Cerberus de hellehond himself, als je’t mij vraagt. En toch luister ik want bij meer dan de helft van die nummers word ik willens nillens terug naar die nillies (oh, the horror) gekatapulteerd.

Ik zie mezelf op mijn kamer voor de spiegel staan, proberen mijn gigantische haardos in een kapsel te krijgen dat cool was. Ik zie mezelf naar mijn stereoketen (uiteraard gekregen voor mijn plechtige communie) spurten en op ‘record’ duwen wanneer er een nummer op de radio passeert dat ik wil hebben: de helft van waar ik naar luisterde begon pas na de eerste strofe. Ik weet nog hoe ik in dat uur dat ik af en toe op het internet mocht (wel niet tussen 7 en 8 ahja want dan kon niemand ons bellen) op zoek ging naar de lyrics van de nummers die ik opnam. Soms printte ik ze af en stak ik ze in een map. Al die nummers uit die map kan ik trouwens nog altijd van voor tot achter meezingen. Ik herinner me hoe ik aan mijn broer vroeg of hij dan misschien een CD kon maken voor mij. Ik weet nog perfect de volgorde van de nummers, dat hij het overzicht met een rode pen schreef en dat nummers 4-8 van Destiny’s Child waren. Ik kan zelfs nog de vreugde oproepen die ik voelde toen hij de CD uit zijn zak toverde op een vrijdag na mijn pianoles toen hij terug kwam van Leuven.

Ik herinner me levendig de tweestrijd tussen de alternatieve muziek waar ik naar luisterde (Arid, Guns N’ Roses, Nirvana en als ik heel kwaad was ook Korn) en het tegelijk meebleiren met ‘I don’t want to miss a thing’ van Aerosmith voor de jongen waar ik op dat moment hevig verliefd op was. Ik herinner me de 4 geroosterde boterhammen met siroop elke dag na school. Ik herinner me kleren lenen van vriendinnen. Ik herinner me hoe ik uren kon lezen op mijn bed – met de radio aan en al die prutmuziek die zich haast ongemerkt een weg naar mijn geheugen baande om er klaarblijkelijk nooit meer uit te gaan. Ik herinner me gewone gsm’s die enkel konden bellen en berichten konden sturen. Van die grote dingen met een geel scherm. Ik moest 5 keer naar beneden klikken om de sms te kunnen lezen.  Ik herinner me nog de volgorde van de programma’s die ik keek (Sister Sister, Step by Step, Full House, The Fresh Prince of Bel Air, Charmed, The Simpons en na het eten was er nog Friends). Ik herinner me polyfonische beltonen (nog erger dan het origineel). Ik herinner me sleepovers bij vriendinnen: lang opblijven en veel troep eten. Ik herinner me de gele bus FA die in mijn rugzak zat, de slappe lach tijdens Latijn (en alle andere lessen) met Niels, de fietsenstalling op school waar ik altijd dezelfde plek koos om mijn fiets te zetten, ‘den hoek’ waar we afspraken en ik voor het eerst iemand ’s morgens chips zag eten. Ik herinner me de laatste week voor de kerstvakantie: rondhangen in de stad met Paulien, met 10 euro meer dan genoeg hebben om licht beschonken de Max buiten te komen.

Sommige nummers doen me onmiddellijk denken aan een chirokamp of een CM-kamp uit die tijd. Andere nummers aan een lief, een vriend, een vriendin waar ik de tekst zorgvuldig voor overschreef omdat het precies verwoordde wat ik voelde. Nog andere nummers link ik aan mijn eigen verdrietjes – grote en kleine – van die jaren: niet naar een fuif mogen of maar mogen blijven tot de rest aankwam, een lief dat ik moest missen, geen belwaarde meer op mijn telefoon, en dan plots: papa die er niet meer was.

Wat een bijzondere tijd toch, die tienerjaren. Zoals met zo veel in het leven besef je dat meestal pas ten volle als het al voorbij is. Ik zou graag nog wel eens een dagje 16 willen zijn: nog eens een dag naar school in het college, in de klas met mensen die ik nu niet meer zie, nog eens naar huis fietsen met die muziek in mijn oren langs de route die ik zoveel jaren heen en weer gefietst heb. Terug naar die tijd waarin ik dacht dat ik echt de grootste zorgen ter wereld had (wat eerst niet waar was en toen wel).  Terug naar Sadness van Stash, naar Teenage Dirtbag van Wheatus, naar Blink 182 en Limp Bizkit. En helaas ook terug naar Crazy Frog, naar Lopen op het water, naar die vreselijke Summer Jam én de exacte kopie maar trager gespeelde Winter Jam en – brace yourself – naar Peter Evrard. Misschien blijf ik toch liever gewoon hier.
Processed with VSCO with f2 preset

Kerst 2003 – 15 jaar – toen rode ogen gewoon nog hoorden bij foto’s die met de flits genomen werden.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Over een tijger die naar school gaat II

Ik ging zitten aan het kleine tafeltje op het kleine stoeltje. Enkele uren ervoor zat ik nog op precies zo’n stoeltje in een andere klas te kijken naar een student die zo gegroeid was dat ik er tranen van in mijn ogen kreeg.
Maar dit keer mocht ik – voor het eerst – aan de andere kant van de tafel plaatsnemen. Mijn allereerste oudercontact als ouder en niet als leerkracht.

“Onze Kasper”, begon ze terwijl ze in haar schrift naar de juiste pagina bladerde. En zo was mijn belangrijkste vraag eigenlijk al beantwoord. Ik was natuurlijk erg benieuwd naar hoe hij is in de klas, waar hij graag mee speelt en of hij ‘mee kan’, maar wat me vooral interesseerde was hoe hij zich voelt op school.  Dat dat wel snor zit, dat merk ik elke dag. Ik kan het zien aan het razendsnelle tempo waarmee hij vertelt over dingen die gebeurd zijn (“Zwarte Piet had met zijn poep tegen juf Annelies geduwd en dat was heel glappig!”), aan hoe de mensen van op school ook thuis een rol krijgen in zijn leven (en dit kindje heet juf Kim en die zegt ‘goed luisteren ammemaal!”), aan hoe hij nog elke dag vraagt of hij dan morgen toch zeker wel terug mag gaan (en na het slapen mag ik weer terug naar het klasje, he mama?) en aan de random feiten die hij me soms in de oren fluistert alsof hij mij staatsgeheimen aan het onthullen is (die man die met de bus rijdt die heet Lo-gee). Hij gaat graag naar school, dat weet ik wel zeker.

We babbelden nog wat over hem – de juf en ik. Ze vertelde hoe zijn kwebbel nooit stil staat, hoe hij graag de ‘werkjes’ komt doen die ze aanbiedt, hoe hij nooit in de poppenhoek speelt maar wel altijd treinsporen bouwt en met de auto’s rijdt. Ze zei me dat hij graag bij haar in de buurt blijft als er drukte is, dat hij bij nieuwe dingen eerst de kat wat uit de boom kijkt, dat hij luidkeels aankondigt dat hij z’n fruit ook vandaag niet opeten zal, dat hij graag verhaaltjes luistert en dat hij soms dingen zegt die ze zo grappig of speciaal vindt dat ze die opschrijft in haar schrift. Hij doet het goed, daar waren we het over eens.

Ik wandelde in het donker naar huis. Al denk ik dat ik zelf toch een beetje licht gaf – zo fier was ik. Het was stil buiten en luid in mijn hoofd. Ik bedacht me dat het toch zo fijn is als het goed gaat met je kinderen. Ik dacht dat kleuterjuffen zo belangrijk zijn en aan hoe ik me vereerd voel dat ik elke dag mag helpen om studenten te laten groeien als kleuterleerkracht. Ik dacht aan hoe ik zo vaak probeer uit te leggen hoe belangrijk hun taak is en hoe echte, goeie kleuterleerkrachten dat met zoveel liefde en toewijding doen en hoe ze bijna altijd altijd zullen zeggen dat dat ‘normaal’ is en dat het ‘vanzelf’ komt.

Maar ik weet al heel lang dat dat niet normaal is. Dag in, dag uit voor heel veel kindjes tegelijk zorgen – dat is niet iedereen gegeven. Met hart en ziel je inzetten om elk kind te laten groeien – dat wil niet iedereen.  Oog hebben voor zoveel verschillende karakters en zoveel kleine mensjes zo goed kennen en met die kennis ook echt iets doén – dat kan niet iedereen. Van zoveel kindjes tegelijk evenveel kunnen houden – neen, ‘normaal’ is dat niet. Bijzonder – dat is het.

En dus ben ik niet alleen heel erg fier op mijn zoon. Ik ben ook heel erg dankbaar dat hij ergens terecht is gekomen waar hij zich goed voelt. Ergens waar iemand voor hem zorgt, oog voor hem heeft, hem helpt groeien. Ergens waar iemand weet dat hij de kerstmuts ook wel op wil zetten, maar niet als eerste. Ergens waar ze dan zeggen: maar dat is helemaal oké.

IMG_4588

Deel één van dit verhaal kan je hier lezen.

 

 

 

 

 

 

 

Op papa’s bureau

“Ik ga boven schrijven”, zeg ik. Ik nestel me op papa’s bureaustoel. Ik draai wat rond en neem de kamer in me op. Ik zie de poster die Annelies ooit maakte, foto’s en affiches van toneelstukken waar hij goede herinneringen aan had, een grote foto van mezelf – ik moet een jaar of 1 geweest zijn. Als ik er nu naar kijk, dan lijkt het wel Elias met een kleedje. Er hangt een klein kadertje dat vrienden maakten toen hij 50 jaar werd. “Een halve eeuw Jos!”, staat er. Ernaast de foto die op zijn gebedsprentje zou komen en die ik nu voor altijd daarmee verbonden heb in mijn hoofd. We kozen een goeie foto toen van jou omdat het jou zo goed vat in één beeld – je gezicht zoals het eruit zag wanneer je uitdrukking nog alle kanten op kon. Ik zie bijna de kriebel in je mondhoek vooraleer je openbreekt in een bulderlach.

Ik trek de schuif open. Er liggen wat oude potloden, inktbuisjes voor vulpennen waar al jaren niet meer mee geschreven is. Een vreemd potje zie ik ook, met schroeven in – altijd handig in een bureauschuif – en nietjes om honderden pagina’s mee aan elkaar vast te maken. De regisseursstoel staat er, waar de kat vroeger in lag en waar een andere kat zich nu genesteld heeft. Aan de muur een bord dat in het Italiaans zegt dat het verboden is er te jagen. Je nam het ooit mee vanop vakantie tijdens een avondwandeling. De volgende dag ging je terug om er ook voor Simon eentje mee te gritsen.

Achter mij in het rek staan je cd’s met klassieke muziek. Die draaide je wel eens zo luid dat je het niet hoorde als ik van school thuis kwam en op je riep aan de trap. PAPAAA! Geen reactie. De voorbije jaren heb ik al vaak gedacht dat ik het nog altijd zo moeilijk vind dat ik dat woord naar niemand meer kan roepen.

Op de radiator hangt nog een briefje waar je ooit vluchtig iets op kribbelde. Ik kan niet opmaken wat je precies noteerde. Maar het blijft er hangen. Zoveel papiertjes met jouw geschrift op heb ik niet meer. Sinds jou heb ik een archief met kleine briefjes van mijn geliefden. Een verjaardagskaart waar iedereen op signeerde, een briefje van mama dat zegt wat ik moet kopen in de Spar en wanneer ze terug zal zijn, een tekening van het vakantiehuis in Frankrijk van Kaatjes hand. Wat dat betreft gaan ze mij niet meer liggen hebben.

Toen ik het ouderlijk huis kocht, vroeg men mij vaak of ik het moeilijk had om kamers van uitzicht te doen veranderen. Het enige wat me daarin vooralsnog belemmert is het gebrek aan financiële middelen. Aan mijn hoofd of mijn hart ligt het niet.
Behalve hier, in jouw bureau. Mijn cd’s met klassieke muziek kwamen bij de jouwe te staan. Er slingert wat speelgoed van de kinderen rond. Je oude computer is weg. Maar verder ziet het er hier nog steeds uit als toen. Het is de kamer in huis waar ik me het dichtste bij jou kan voelen. Als ik hier zit en kijk naar je spullen om me heen, dan voel je weer heel dichtbij.

Rouw dat is iets heel geks. Naar mijn aanvoelen gaat het nooit voorbij. Het begint met heel veel scherpe, lange, pijnlijke, eindeloze dagen. Na een tijdje komt er af een toe een zachte dag tussen. Het is er maar eentje in’t begin, maar die heb je dan toch maar mooi gehad. Het verdriet ervaar ik nu niet meer in dagen. Ik voel het in momenten, in ervaringen waar ik je zo graag deel van had laten uitmaken. In grote dingen, maar meer nog in de kleine, heel gewone dingen van alledag. Het is niet meer dat allesverzwelgende verdriet van nu al 13 jaar geleden (seriously?!) – niet meer dat gat dat ik echt kon voelen in mijn hart. Het overvalt me wanneer dochters dansen met hun vader, wanneer ik denk aan hoe je zou zijn als grootvader, en ook elke elke keer wanneer ik natel hoe lang het al geleden is.

Gemis, dat is niet iets wat voorbij gaat of verdwijnt. Het is iets wat sluimert en zeurt. Het gat in mijn hart voel ik niet meer zo vaak.

Ik vulde het op.

Met jou.

IMG_9783

 

Kiezen. Koos. Verkozen.

Gisteren beloofde het nog een laatste keer heel schoon weer te zijn. Maar gelukkig was daar de democratie en een sporthal zonder ramen waardoor ik daar pas vanaf 14.00 deel van mocht uitmaken. Want ondergetekende was voor de eerste keer voorzitter van een stembureau. Ik zou u nu een lange blogpost kunnen schrijven over hoeveel papieren ik moest invullen, over wie er in onze gemeente met de meeste stemmen aan de haal ging of over hoe het was om voorzitter te zijn. Maar wat ik vooral leerde vandaag, was hoeveel verschillende soorten kiezers er bestaan.
Luistert u even.

  1. Veruit de meest voorkomende kiezer, is de onopvallende schuifelaar. Het is de vrouw die in stilte haar pas en oproepbrief onder mijn neus schuift. Het is de man die een soort van berengrom antwoordt op mijn groet. Het is de Vlaming die vooral niet wil opvallen, geen tijd wil verprutsen en in stilte wil doen wat hij moet komen doen. In mijn kiesbureau waren er heel wat schuifelaars. Eentje had een trui met rits aan, en geen t-shirt. Dat was bijzonder.
  2. De tweede grote groep kiezers, zijn de pas-bewakers. Het zijn de kiezers die met héél veel tegenzin hun paspoort afgeven. Het zijn de mensen die ons bleven aanstaren tot we garandeerden dat ze hun paspoort zéker zouden terugkrijgen nadat ze gestemd hadden. Ze wierpen nog een laatste angstige blik op hun paspoort dat nu zo moederziel alleen op onze tafel lag en stapten dan het stemhokje in. Nadat ze hun bolletjes gekleurd hadden, riepen ze “mijne pas!” van zodra ze het stemhokje weer verlaten hadden. Dat moeten drie angstige minuten geweest zijn.
  3. De derde groep, is ongeveer even groot als de pas-bewakers. Het zijn de pas-vergeters. Dat zijn de mensen die net zo angstig als de leden van groep twee hun pas op tafel leggen. Ze kijken me misnoegd aan wanneer ze horen dat ze hem nog niet meteen terug krijgen maar besluiten dat verzet zinloos is en gaan dan toch maar stemmen. Eenmaal uit het stemhokje gekomen, steken ze hun brieven in de juiste doos. En dan moeten wij ze terug roepen terwijl we wapperen met oproepbrief en paspoort. “JUST – MIJNE PAS!”.
  4. Aansluitend bij deze groep: de mensen voor wie het evidente niet duidelijk is. Dit soort kiezer stapt uit het stemhokje en vraagt: “dus de groene papieren in de doos met de groene letter en de witte in de doos met de witte letter?” waarop hij het witte blad in de groene doos steekt of alles tesamen in de witte doos. Top!
  5. Kan ook niet ontbreken: de flauwe plezante. Het is de man die ons smalend zegt dat het buiten nog zo’n schoon weer is. Het is de man die naar onze belegde broodjes wijst en vraagt welk broodje er voor hem is. Het is de man die iemand van mijn stembureau herkent en al bulderlachend zegt: “da’s hie de job van ulle leven zekers!” (verder lacht er nie-mand want hij is tenslotte al de driehonderdeendertigste die het mopje maakt). Het is trouwens altijd een man.
  6. Tekent ook present (op elk dorpsfeest overigens): de mens die zorgt voor de overbodige vragen. Het is de kiezer die mij overduidelijk kan zien zitten en dan toch voor de zekerheid vraagt: ‘Ah, gij zit hier?’. Het is de mens die tegen iedereen voor hem en achter hem bulderlachend zegt: “voor de goei he!” (verder lacht er nie-mand want hij is tenslotte al driehonderzevenvijftigste die het mopje maakt).
  7. En dan – last but not least – : de paniekerige vrouw. Dat is een geval apart. Vermoedelijk is ze heel vroeg opgestaan zodat ze als eerste om 8 uur kon komen stemmen. Daar liep het al mis want aan ons bureau stond meteen een erg lange rij. Toen ze dan eindelijk aan onze tafel stond, bleek dat haar volmacht niet in orde was. Haar stem ging meteen wat de hoogte in. We probeerden haar rustig uit te leggen welk document er ontbrak en verzekerden haar dat de wereld zou blijven draaien.
    Ze vertrok en kwam een half uur later licht bezweet terug en nog wat paniekerig terug. Toen we haar zegden dat ze ook haar eigen oproepbrief moest afgeven om te kunnen stemmen met volmacht, ging ze zo hoog spreken dat enkel de honden en de vleermuizen in de gemeente nog echt konden begrijpen wat ze stond te piepen. We probeerden haar rustig uit te leggen dat het echt niet anders kon en verzekerden haar dat de wereld zou blijven draaien.
    Nog 20 minuten later kwam ze terug – eindelijk met alle documenten. Ik denk niet dat ze nog iets zei – en anders was het zo hoog dat ik het niet meer kon begrijpen. Ze stemde dan toch met volmacht en gritste haar oproepbrief terug van de tafel. Sorry mevrouw, dura lex – sed lex.

Ik keek er eerst nogal tegenop, tegen dat voorzitten. Ik ben graag de baas, maar liefst op eigen initiatief. Maar gelukkig wilde mijn BFF een nieuw avontuur met mij instappen en mijn secretaris zijn en dat verlichtte de pijn aanzienlijk. Mijn bijzitters bleken ook erg toffe mensen en zo werd het zelfs een aangename zondagvoormiddag daar in onze zuurstofloze sporthalbunker.

Voorwaar ik zeg u, lieve lezers, de democratie was in onze gemeente in goede handen.
En het deed deze voorzitter veel plezier te zien dat de belangrijkste instructie nog steeds gewoon op het stemhok geschreven staat.

IMG_3352

In mijn hoofd/ In mijn hart

Dat sommige dingen voor altijd in je hoofd zitten, dan merk ik de laatste tijd meer dan ooit. Sinds kort is mijn oudste zoon namelijk opeens me-ga-fan van de muziek van Samson & Gert.

Een tijdje geleden stak ik op een vrolijke zaterdagochtend de eerste cd in onze cd-speler (overigens de enige waar ‘Samson’ opstaat en niet ‘Samson & Gert’). Hij was echt meteen verkocht. De volle 48 min en 36 seconden heeft hij rondjes gedanst voor de boxen van de radio. Sindsdien moet er overal en altijd Samson opstaan: in de auto, tijdens het eten, twee seconden nadat we wakker zijn, al-tijd.

En zo komt het dus dat ik besefte dat het blijkbaar perfect mogelijk is om tegelijk géén geheugen te hebben (lees: één ding moeten hebben van de winkel en daar aangekomen totaal niet meer weten wat je kwam kopen) en een olifantengeheugen (lees: alle nummers nog kunnen meezingen). Ik herinner mij per-fect de mopjes in de liedjes (“Ja! We gaan swingelen!” in de Samsonrock), de liedjes die ik oversloeg want eng (nummer 3 Slaapliedje en nummer 11 neefje Kwik) en de stukken die we naspeelden op de speelplaats (het aftellen bij ‘In de disco). Ik kan bijna zien hoe mama de cd voor mij in de cd-speler stopt en hoe ik daarna rondjes rond onze ronde salontafel dans. Ik zie mezelf op zondagmorgen de trap afkomen en meteen de zetel induiken om Samson te kijken. Ik voel weer de grote, zware, glazen kom op mijn schoot die ik onder mijn pistolets (een keizerpistolet want die kon ik zelf in maantjes trekken) moest houden tegen het kruimelen. Ik kan mijn broer zien komen binnenschuifelen – voor de vorm zegt ie dat hij Samson stom vindt en voor kinderen. Daarna kijkt ie gewoon mee.
Nu ik het zo na ga bij mezelf, zijn er stukken van Samsonliedjes die nog steeds spontaan naar boven komen bij bepaalde momenten in mijn leven. Het is sterker dan mezelf. Toen we de voorbije jaren niet op vakantie gingen maar gezellig van Staycation deden, neuriede ik “Niet ver weg” terwijl ik het zwembad van de jongens vulde. Als ik een stevig staptempo probeer aan te houden, dan zing ik in mijn hoofd van “Wij zijn piraten van de zee en al wie zin heeft vaart maar mee” (ik kan er ongeveer 6,4 km per uur mee halen als ik wat door zing). En als ik zonder duidelijke reden erg vrolijk ben, dan zing ik van ‘krakzodemattebomladeropka fluitappekruttekui grotse knoot’ (vindt Kas werkelijk hi-la-risch). Mijn platencollectie als kind bestond uit 6 cd’s van Samson & Gert en die heb ik allemaal grijs gedraaid. En al die oorwurmen hebben zich onlosmakelijk in mijn hersenpan vastgezogen. Voor eeuwig Samson neuriën, het zal mijn deel zijn.

Als we dan toch bezig zijn met dingen voor altijd in te kapselen in mijn hersenpan, dan zijn er nog wel een aantal zaken die ik graag nooit wil vergeten.
Hoe Kasper zegt dat hij graag naar “Sukse en Wikse” kijkt en dat hij samali op zijn boterhammen wil. Of hoe hij me bij elk nummer van Samson vraagt: “Ken jij dit liedje, mama? Dat is van Samsom!”. Of hoe hij elke dag wel honderd keer zegt dat hij nog iets aan juf Annelies moet vertellen, of aan oma, of aan nonkel Pieter Jan of aan papa. Of hoe hij me zijn eigen wensen als “goede afspraken” verkoopt (“We zullen samen één koekje eten en dan is het genoeg. Is dat een goede afspraak, mama?”). Of hoe hij gisteren voor het eerst met “ik zie jou ook zo graag” antwoordde toen ik bij het slapengaan vertelde hoe graag ik hem zie. Of hoe hij naar zijn broer toeloopt en hem een handje wil geven, of Elias dat nu zelf wil of niet. Of hoe hij naar schaapjes wijst en “ooh! hoe lief!” zegt.

Ik hoop dat ik nooit zal vergeten hoe we samen naar de bakker gaan, hoe we blaadjes van de brug in de rivier gooien en dan naar de andere kant lopen om ze nog eens te zien passeren, hoe hij ‘sneller, mama!’ roept als ik alweer moet hollen om op tijd op school te zijn, hoe we naar de kinderboerderij gaan en hij ons telkens een rondleiding geeft alsof we er nooit eerder waren en hij er dagelijks komt. Ik hoop dat ik nooit vergeten zal hoe het voor hem evident is wie er overal mee naartoe gaat met hem en hoe hij er toch op staat om telkens iedereen op te sommen – om zeker te zijn dat we allemaal weten om wie het gaat: mama, papa, Kas en Eli. Ik hoop dat ik nooit vergeten zal, dat ik ook weet om wie het allemaal gaat: om papa, mama, Kas en Eli.

Processed with VSCO with c1 preset

 

Camera obscura

In maart overleed mijn nonkel Johan, daar schreef ik eerder al wat over. Ik denk nog vaak aan hem. Want hoewel wij elkaar amper zagen, was hij toch aanwezig in mijn leven. We stuurden elkaar e-mails. De ene keer begreep ik wat ie zei, de andere keer moest ik lezen met het woordenboek ernaast of ging ik in elke zin eerst op zoek naar het vervoegde werkwoord om zo de zinsconstructie enigszins te achterhalen. Het was dus geen ‘gewone’ familierelatie, maar bon. (Bestaan die wel?) Ergens onderweg had ik besloten te handelen naar mijn gevoel en niet zozeer naar wat als ‘normaal’ beschouwd zou kunnen worden. Dat creëerde een vrijheid en die heeft ons – toch zeker in de laatste jaren – wat korter bij elkaar gebracht.

Toen hij in maart zo heel erg snel van diagnose naar overlijden ging, konden mijn hoofd en hart dat tempo niet helemaal volgen. Ik had het al eens meegemaakt – iemand die er altijd geweest was naar iemand die er nooit meer zou zijn – maar ik was er klaarblijkelijk niet beter in geworden. Een maand of twee later ging ik met mijn broers, mijn neven en mijn tante en oom het huis van nonkel Johan leegmaken. We vonden bizarre dingen (lege afgewassen doosjes waar in 2000 filet americain had ingezeten – mannen alleen, wie begrijpt ze?), echte schatten (cassettes van Pink Floyd! En van Randy Newman! Het trouwboekje van mijn grootouders! nieuwjaarsbrieven van ons alle vijf!), grappige dingen die we herkenden (zijn flashy fuchia trainingspak mét bijhorende zweetband) en dingen die we zonder nadenken in de container gooiden (hopen hopen hopen gazetten, Knacks, parochiebladen, you name it). Enkele spullen namen we mee. Die kregen een nieuwe bestemming in onze huizen. “’t Is gek,” zei ik tegen mijn tante, “maar doordat hij er nu niet meer is, zien we elkaar wat vaker en ik ben altijd zo blij als ik samen ergens ben met alle jongens. Dan ben ik echt helemaal op mijn plek.”

Ergens in een kast vonden we nog een oude camera. Zo’n exemplaar dat je nog moest doordraaien na het nemen van een foto. Wel al zo’n – toen toch – hip ding dat een klein zwart venstertje voor de lens sloot wanneer je de camera niet gebruikte. Ik nam het mee om de foto’s te laten ontwikkelen. Maanden heeft het hier op de kast gestaan. Ik pakte de camera af en toe eens vast. Achteraan hing een kleine post-it met cijfers op. Een telefoonnummer? De datum waarop het rolletje in de camera ging? Afmetingen van iets? Ik heb het nooit kunnen uitvogelen wat het precies was. Ik draalde om de camera naar de fotograaf te brengen. Ik wilde weten wat erop stond en toch weer niet.

Maar afgelopen week deed ik het eindelijk. Ik bracht het cameraatje binnen. “Volgende week vrijdag zal het klaar zijn”, zei het meisje aan de toonbank. “Da’s best lang”, dacht ik bij het buiten stappen. Maar in de loop van de week kwamen de herinneringen terug aan foto’s ontwikkelen zoals dat vroeger ging: twee wegwerpkodakjes mee op kamp – eentje voor binnen, eentje voor buiten. De flash die moest opladen en rode pinkende lichtje wanneer het klaar was. Pas doordraaien wanneer je een foto wilde maken want anders maakte je waarschijnlijk foto’s van de binnenkant van je rugzak. Enkele foto’s die ik maakte kon ik onthouden en ik hoopte vurig dat ze goed gelukt waren (die van mijn lief met zijn blonde krullen aan de fontein in Frankrijk), anderen waarvan ik vergeten was dat ik ze gemaakt had (selfies avant la lettre met Paulien op een plein in Krakau). De week wachten op het ontwikkelen en dan nog voor ik goed en wel buiten stond de foto’s bekijken: eerst razendsnel de hele stapel, daarna allemaal nog eens één voor één – op zoek naar details.

Mijn verwachtingen gingen alle kanten op dit keer. De fotograaf had al aangegeven dat de foto’s waarschijnlijk kwalitatief niet zo goed zouden zijn omdat het rolletje al zo lang in de camera zat. Dat kon me niet zo deren. Want er zou hoe dan ook wel iets opstaan wat ik zou herkennen. Misschien stonden er wel leuke familiefoto’s op van ergens in de jaren ’90. Misschien had nonkel Johan ooit een geheim lief gehad en zouden we haar te zien krijgen. Of hem, wie weet. Misschien had hij foto’s gemaakt op een lezing over Steiner en zou ik gezichten kunnen plakken op de mensen die hij sporadisch vermeldde in e-mails. Misschien maakte hij lange wandelingen en kiekte hij ‘skone vuuwe’ zoals mijn West-Vlaamse grootmoeder het altijd zei. Misschien had hij een vreemde hobby waar ik liever niks over zou weten en zou ik daar nu mee geconfronteerd worden. Misschien had hij wel foto’s gemaakt van het huis van mijn grootouders voor het tegen de vlakte ging (ik deed het zelf niet en ik vind dat nog altijd zo heel erg jammer). Of misschien – en die verwachting was natuurlijk het scherpst van ze allemaal – stonden er wel foto’s op van papa die ik nog nooit gezien had. Nieuw voer uit het verleden voor een hongerige verzamelaarsziel zoals de mijne.

Wat het uiteindelijk werd, daar had ik geen rekening mee gehouden: het rolletje bleek leeg. Het was een ongebruikt exemplaar dat hij in de camera had gestoken ergens in de jaren ’90. Hij was misschien vergeten dat het erin zat. Of hij had niets de moeite waard gevonden om te fotograferen, dat zou ook kunnen. Of fotograferen was gewoon zijn ding niet geweest. Ik ga voor optie nummer drie – omdat dat de mooiste uitleg is en omdat het wel past bij hoe ik hem kende.

Ik kreeg geen foto’s dus, ik ontdekte geen geheimen, geen schatten, geen nieuwe beelden om te koesteren. Maar wat ik wel kreeg, was nog eens het gevoel van ergens op te wachten. Van uitkijken naar, van voorstellen en inbeelden, van geduld – ook al werd het niet echt helemaal beloond. Ik verkies om de ervaring op die manier om te buigen tot iets positiefs. En in de tussentijd maak ik – waar ik ook kom – foto’s van oude kapperszaken, bij gebrek aan foto’s van die éne kapperszaak die ik zo graag zelf gefotografeerd had toen het nog kon.

IMG_0889