Camera obscura

In maart overleed mijn nonkel Johan, daar schreef ik eerder al wat over. Ik denk nog vaak aan hem. Want hoewel wij elkaar amper zagen, was hij toch aanwezig in mijn leven. We stuurden elkaar e-mails. De ene keer begreep ik wat ie zei, de andere keer moest ik lezen met het woordenboek ernaast of ging ik in elke zin eerst op zoek naar het vervoegde werkwoord om zo de zinsconstructie enigszins te achterhalen. Het was dus geen ‘gewone’ familierelatie, maar bon. (Bestaan die wel?) Ergens onderweg had ik besloten te handelen naar mijn gevoel en niet zozeer naar wat als ‘normaal’ beschouwd zou kunnen worden. Dat creëerde een vrijheid en die heeft ons – toch zeker in de laatste jaren – wat korter bij elkaar gebracht.

Toen hij in maart zo heel erg snel van diagnose naar overlijden ging, konden mijn hoofd en hart dat tempo niet helemaal volgen. Ik had het al eens meegemaakt – iemand die er altijd geweest was naar iemand die er nooit meer zou zijn – maar ik was er klaarblijkelijk niet beter in geworden. Een maand of twee later ging ik met mijn broers, mijn neven en mijn tante en oom het huis van nonkel Johan leegmaken. We vonden bizarre dingen (lege afgewassen doosjes waar in 2000 filet americain had ingezeten – mannen alleen, wie begrijpt ze?), echte schatten (cassettes van Pink Floyd! En van Randy Newman! Het trouwboekje van mijn grootouders! nieuwjaarsbrieven van ons alle vijf!), grappige dingen die we herkenden (zijn flashy fuchia trainingspak mét bijhorende zweetband) en dingen die we zonder nadenken in de container gooiden (hopen hopen hopen gazetten, Knacks, parochiebladen, you name it). Enkele spullen namen we mee. Die kregen een nieuwe bestemming in onze huizen. “’t Is gek,” zei ik tegen mijn tante, “maar doordat hij er nu niet meer is, zien we elkaar wat vaker en ik ben altijd zo blij als ik samen ergens ben met alle jongens. Dan ben ik echt helemaal op mijn plek.”

Ergens in een kast vonden we nog een oude camera. Zo’n exemplaar dat je nog moest doordraaien na het nemen van een foto. Wel al zo’n – toen toch – hip ding dat een klein zwart venstertje voor de lens sloot wanneer je de camera niet gebruikte. Ik nam het mee om de foto’s te laten ontwikkelen. Maanden heeft het hier op de kast gestaan. Ik pakte de camera af en toe eens vast. Achteraan hing een kleine post-it met cijfers op. Een telefoonnummer? De datum waarop het rolletje in de camera ging? Afmetingen van iets? Ik heb het nooit kunnen uitvogelen wat het precies was. Ik draalde om de camera naar de fotograaf te brengen. Ik wilde weten wat erop stond en toch weer niet.

Maar afgelopen week deed ik het eindelijk. Ik bracht het cameraatje binnen. “Volgende week vrijdag zal het klaar zijn”, zei het meisje aan de toonbank. “Da’s best lang”, dacht ik bij het buiten stappen. Maar in de loop van de week kwamen de herinneringen terug aan foto’s ontwikkelen zoals dat vroeger ging: twee wegwerpkodakjes mee op kamp – eentje voor binnen, eentje voor buiten. De flash die moest opladen en rode pinkende lichtje wanneer het klaar was. Pas doordraaien wanneer je een foto wilde maken want anders maakte je waarschijnlijk foto’s van de binnenkant van je rugzak. Enkele foto’s die ik maakte kon ik onthouden en ik hoopte vurig dat ze goed gelukt waren (die van mijn lief met zijn blonde krullen aan de fontein in Frankrijk), anderen waarvan ik vergeten was dat ik ze gemaakt had (selfies avant la lettre met Paulien op een plein in Krakau). De week wachten op het ontwikkelen en dan nog voor ik goed en wel buiten stond de foto’s bekijken: eerst razendsnel de hele stapel, daarna allemaal nog eens één voor één – op zoek naar details.

Mijn verwachtingen gingen alle kanten op dit keer. De fotograaf had al aangegeven dat de foto’s waarschijnlijk kwalitatief niet zo goed zouden zijn omdat het rolletje al zo lang in de camera zat. Dat kon me niet zo deren. Want er zou hoe dan ook wel iets opstaan wat ik zou herkennen. Misschien stonden er wel leuke familiefoto’s op van ergens in de jaren ’90. Misschien had nonkel Johan ooit een geheim lief gehad en zouden we haar te zien krijgen. Of hem, wie weet. Misschien had hij foto’s gemaakt op een lezing over Steiner en zou ik gezichten kunnen plakken op de mensen die hij sporadisch vermeldde in e-mails. Misschien maakte hij lange wandelingen en kiekte hij ‘skone vuuwe’ zoals mijn West-Vlaamse grootmoeder het altijd zei. Misschien had hij een vreemde hobby waar ik liever niks over zou weten en zou ik daar nu mee geconfronteerd worden. Misschien had hij wel foto’s gemaakt van het huis van mijn grootouders voor het tegen de vlakte ging (ik deed het zelf niet en ik vind dat nog altijd zo heel erg jammer). Of misschien – en die verwachting was natuurlijk het scherpst van ze allemaal – stonden er wel foto’s op van papa die ik nog nooit gezien had. Nieuw voer uit het verleden voor een hongerige verzamelaarsziel zoals de mijne.

Wat het uiteindelijk werd, daar had ik geen rekening mee gehouden: het rolletje bleek leeg. Het was een ongebruikt exemplaar dat hij in de camera had gestoken ergens in de jaren ’90. Hij was misschien vergeten dat het erin zat. Of hij had niets de moeite waard gevonden om te fotograferen, dat zou ook kunnen. Of fotograferen was gewoon zijn ding niet geweest. Ik ga voor optie nummer drie – omdat dat de mooiste uitleg is en omdat het wel past bij hoe ik hem kende.

Ik kreeg geen foto’s dus, ik ontdekte geen geheimen, geen schatten, geen nieuwe beelden om te koesteren. Maar wat ik wel kreeg, was nog eens het gevoel van ergens op te wachten. Van uitkijken naar, van voorstellen en inbeelden, van geduld – ook al werd het niet echt helemaal beloond. Ik verkies om de ervaring op die manier om te buigen tot iets positiefs. En in de tussentijd maak ik – waar ik ook kom – foto’s van oude kapperszaken, bij gebrek aan foto’s van die éne kapperszaak die ik zo graag zelf gefotografeerd had toen het nog kon.

IMG_0889

 

Advertenties

65 jaar papa.

In onze straat wonen toevallig de allerleukste mensen van H. Al jarenlang kennen wij elkaar. We hebben samen heel veel fijne tijden beleefd: de grote mensen aten en dronken, de kleine speelden samen en probeerden zich zo gedeisd mogelijk te houden om het einduur van de avond zo lang mogelijk uit te stellen.
Om onze verbondenheid nog extra te onderstrepen, hebben wij ons best gedaan om zoveel mogelijk op dezelfde dagen te verjaren.

Zo uit het hoofd geteld, zijn er al minstens 4 verjaardagsmatchen in die vrolijke straat van ons. Het toeval wil dat ik op dezelfde dag jarig ben als mijn lieve overbuurvrouw. 17 augustus – da’s onze dag. Echte leeuwkes, twee zomerkinderen.

Elk jaar steken we de straat over om elkaar een heel erg fijne verjaardag te wensen. Dit jaar was zij eerst. Ik werd 30 en ik kreeg een heerlijke bos bloemen. Later op de dag trok ik ook naar haar voordeur met een boeketje voor haar. Wij houden nogal van tradities.
Zoals elk jaar vertelde ze ook dit keer opnieuw hoe het eraan toe ging, die 17e augustus, zo’n dertig jaar geleden.

Het was zo rond een uur of 8, 9 ’s avonds. Ze was een nieuwe etalage aan het maken voor haar klerenwinkel. Dat moest ’s avonds want dan sliepen haar twee zonen en dan had ze de handen vrij. Ze had mijn ouders ’s morgens samen zien vertrekken en hen niet meer zien terug komen. Ik zou dus ook een 17-augustus-kindje worden. Toen mijn vader ’s avonds terug de straat in reed en voor de deur parkeerde, tikte ze op het raam. “En?!” gebaarde ze. “Zo’n dochter!” antwoordde mijn vader en hij spreidde zijn armen uit.

Het laatste zinnetje van haar verhaal zegt ze altijd twee keer. “Zo’n dochter!”, zei ie. Zo’n dochter!”. Ze moet er – 30 jaar later – nog altijd om lachen. “Zo fier dat hij was, Saar”, zegt ze. “Ja, hij was echt heel blij met zijn dochter.” Ik knuffel haar nog eens goed en zeg haar dat ik dat ook altijd zo ervaren heb.

Vandaag ben jij jarig, papa. Ik kan geen verhalen vertellen over hoe het was toen jij geboren werd want daar was ik niet bij. Ik heb het ook niet van horen zeggen want mijn grootouders waren er de mensen niet naar om zulke ervaringen te delen. Wat ik wel kan vertellen, is hoe wij altijd je verjaardag vierden.

Dus ik neem de jongens bij mij en ik vertel over 1 september. Over hoe je zei dat je met de boekentas geboren werd. Over hoe we op voorhand aan mama vroegen wat je hebben wilde en dat ze altijd zei: “hij wilt weer niks.” Over de fles porto die we dan voor je kochten – het was het laatste wat je ooit dronk, besef ik net, een porto’ke omdat je niet kon slapen. Over hoe jij vaak zelf kookte op je verjaardag – met die witte schort met in blauwe letters ‘Jos’ op – een cadeau voor alle mannen op oudjaar ergens in de jaren ’90. Over hoe we na het eten naar meter en bompa reden want ook daar werd je verwacht om je verjaardagswensen in ontvangst te nemen. Over hoe meter je dan een cent in je pollen moffelde en zei “Neh, da’s voor ullie getweeën.” Over hoe wij op de terugweg de muziek héél luid zetten en meespeelden met BB King zoals we zo vaak deden. Over hoe ik me vermoedelijk meer jarig voelde dan jij, zo op jouw verjaardag.

“Ja, jongens”, zeg ik, “ik was echt heel blij met mijn papa”. Ik knuffel hen nog eens goed en zeg hen dat ik hoop dat jij dat altijd zo ervaren hebt.

Gelukkige 65e verjaardag, lieve onvervangbare papa.
Er gaat geen dag voorbij waarop ik niet aan je denk.

HPIM1934