Over een tijger die naar school gaat

Gisteren rond een uur of 7 werd ik op Kasper zijn nieuwe school verwacht voor een eerste infomoment. In de polyvalente zaal stonden de eettafels met de stoeltjes al klaar voor de kleuters die er maandag hun drinkbus weer over zullen uitkappen. Andere ouders keken ietwat ongerust over hoe ze in godsnaam op die stoelen zouden passen, maar dankzij mijn werkervaring ben ik het intussen gewend. Ik zit immers de helft van het schooljaar op mini-stoeltjes notities te nemen terwijl ik kijk naar hoe studenten en kleuters samen aan het leren zijn. Ik kan mijn knieën dus in vier vouwen waardoor ik net tussen de stoel en de tafel pas. Op hele goeie dagen kan ik dan nog mijn laptop laten balanceren op mijn bovenbenen. Ik ben werkelijk een acrobaat.

We kregen een korte inleiding waar de bevoegde instanties werden voorgesteld. Ik had mijn oranje schriftje op de tafel liggen en hoopte dat het niet te hard duidelijk was dat ik veel vragen had genoteerd.

Na de korte inleiding werden we door de juf van Kasper meegenomen naar de klas. Mijn hart sprong op toen ik er binnenwandelde. De kring was groot, Jules zat klaar, in de poppenhoek was de tafel gedekt, de auto’s lagen in de bakken, klaar om rondgereden te worden. Ik plofte neer op de bank en ik voelde vanalles tegelijk toen ik me inbeeldde dat hij hier over enkele dagen ook zal gaan zitten. Ik liet mijn ogen gaan over de nog lege plekken aan de muur waar binnenkort tekeningen zullen ophangen – steenhard omdat de kleuters weer drie keer zoveel verf als nodig gebruikt hebben.

De juf vertelde ons hoe het eraan toe gaat op school, wat er in de boekentas mag en wat niet, ze legde uit wie Jules is, hoe verjaardagen worden gevierd. Ze toonde ons foto’s van uitstapjes (naar de fruitboer! naar het bos!) en ik vond het allemaal zo plezierig dat ik wou dat ik er zelf bij kon zijn. Laat dat nu net zijn wat school niet is: een plek waar mama er altijd bij is.

De voorbije dagen heb ik er al vaak bij stilgestaan, wat het precies met mij doet dat mijn eerste zoon binnenkort naar school gaat. Ik voel er heel wat bij. Ik voel me eerst en vooral erg fier. Kasper leert graag, hij luistert graag naar verhalen, hij knutselt graag, hij zou liefst alle dagen papier stijf maken door er vijftien lagen verf op te smeren. Hij is nieuwsgierig naar andere kindjes en hij babbelt mij de oren van het hoofd. De laatste maanden is hij geweldig gegroeid – niet enkel in lengte. Hij kijkt nog amper naar me om wanneer Joris of Eloïse (onze babysits)  de kamer binnenstappen. Met veel moeite zwaait hij nog even, maar dat doet ie vooral omdat hij weet dat ik opflikker daarna. Ik ben ervan overtuigd dat ie op zijn plaats zal zijn op school en ik verwoord dat ook zo wanneer ik met andere mensen erover spreek en hij erbij staat. Zijn oren werken namelijk bijzonder goed (behalve wanneer ik zeg dat hij moet stoppen met speelgoed door de kamer te gooien). Ik hoop dat ie voelt en weet dat wij alletwee heel erg in hem geloven.

Langs de andere kant raakt het me ook op een manier die ik nog al gevoeld heb – bij elke grote stap in zijn tot nu toe korte leven. Elke stap naar voren is er eentje een beetje weg van mama. Hij zal nu alweer een eigen stukje van de wereld veroveren waar ik slechts vanop afstand een deeltje van uitmaak. Ik ben me er ook van bewust dat hij niet alle dagen graag zal gaan, misschien wil hij in het begin zelfs helemaal niet gaan, vindt hij het moeilijk om niét bij mij te kunnen zijn. Op zulke momenten zeg ik hem altijd dat ik zeker weet dat ie een fijne dag zal hebben, dat ik hem snel weer komen halen en dat ik er dan alles over wil horen. En ik wéét dat het waar is, en toch is het soms zo lastig.
Los-la-ten heet dat geloof ik. Ik schrijf het op mijn blad met werkpunten.

En dus zat ik daar op dat bankje, te luisteren naar de juf. Ik keek rond en zag al meteen heel wat spullen staan waar hij geweldig enthousiast over zou zijn. Mijn oranje schriftje lag open op mijn schoot, maar de juf had eigenlijk al mijn vragen al beantwoord. De vragen die ik niet stelde (gaat ie wenen? ga je goed voor hem zorgen? denk je eraan dat hij soms wat meer tijd nodig heeft bij het klimmen?) die beantwoordde ze ook. Daar hoefde ze zelfs niets voor te zeggen.

Net voor het vertrekken, deelde de juf nog de kentekens uit. Kleine figuurtjes waardoor de kleuters weten waar ze hun boekentas kunnen vinden, welke tekening van hun is en waar ze moeten zitten in de kring. Het duurde me jaren om te verwerken dat ik een heel jaar lang een fantasieloze theepot moest zijn dus ik hield mijn hart vast. Maar de juf gaf me een prentje met zijn naam op en daaronder stond een tijger. En het paste perfect.

Go get them, tiger.
Jij gaat dat zo goed doen.

Processed with VSCO with c1 preset

Advertenties

Ouderzonden: Acedia

De laatste ouderzonde is ‘Acedia’ ofte gemakzucht, traagheid, luiheid. De vraag die erbij hoort: Hoe ga je om met de druk die van jongs af aan op kinderen (en dus ook op hun ouders) wordt gelegd? Doe je mee aan de ratrace?

Ik vind dat echt een moeilijke vraag. Er kwam niet ineens vanalles in me op. Voorlopig wordt er nog niet veel druk op mijn kinderen gelegd. Ik ben niet zo’n moeder die zit te wachten op de volgende mijlpaal en dan gaat vergelijken met andere kinderen. In die eerste weken met Kasper vond ik dat moeilijker. Ik kon toen wel echt nog uit mijn lood geslagen worden wanneer een wildvreemde in de Colruyt mij vroeg of hij nog niet in een kar kon zitten (op 5 maanden – echt gebeurd). Dan reed ik naar huis en vroeg ik me af of ik hem misschien niet genoeg stimuleerde, of ik iets verkeerd deed.

Dat is gelukkig gebeterd. Kasper heeft bijvoorbeeld nooit echt gerold op het moment dat ‘standaard’ baby’s dat doorgaans doen. Maar op 7 maanden ging hij zitten, op 9 maanden kroop hij, op 1 jaar stapte hij en op 2 jaar zingt hij alle kinderliedjes mee en praat hij mij bijna onder tafel. Ik durf er dus gewoon op vertrouwen dat het wel snor zit met mijn kinderen en dat de natuur zijn gang wel zal gaan.

Ook de doorslaapdruk voelde ik veel erger bij Kasper dan bij Elias. Ik dacht écht dat ik iets verkeerd deed omdat hij die eerste maanden niet doorsliep. Maar nu weet ik dat er veel over gelogen wordt (vermoedelijk evenveel als over seks) en dat de methodes om hen snel te laten doorslapen gewoon niet passen in mijn aanpak. Dus ik laat het los en ik aanvaard dat het eerste levensjaar er eentje is met onregelmatige slaap. Kas sliep uiteindelijk de klok rond net voor hij 1 jaar werd. Elias zal vermoedelijk iets gelijkaardigs doen. Dat is ok. Ik loop wel eens gefrustreerd rond omdat ik moe ben en alweer geen nacht doorsliep, maar dat vreet dan enkel nog meer energie dus ik probeer er niet mee bezig te zijn.

Ik probeer mijn kinderen wel een beetje af te schermen van het gejaagde weekendleven. Wij kiezen de activiteiten die we doen zorgvuldig uit en we proberen ook altijd te zorgen voor voldoende rustpunten. Hen van het ene naar het andere slepen is niet ons ding. Kas kon daar als kleine baby niet zo heel goed tegen en dat heeft denk ik zowat de toon gezet voor onze aanpak. We merken dat hij bijna altijd goed gezind is en ik wijt dat voor een stukje aan genoeg slaap en niet te veel drukte.

Voorlopig valt het hier nogal mee dus met die ‘druk’. Belangrijk is denk ik hoe jij je als ouder al dan niet onder druk laat zetten over wat ‘normaal’ is en over wat ‘hoort en niet hoort’. Sommige mensen zullen misschien met hun ogen rollen over onze aanpak, maar dat is dan maar zo. Ik ga er echt van uit dat iedereen zijn kinderen graag ziet en het beste met hen voorheeft. Hoe je dat invult, dat kies je zelf.

 

 

 

 

Ouderzonden: Ira

Intussen zitten we al aan de voorlaatste blogpost in het kader van ‘ouderzonden’. Deze week gaat het over ‘IRA’ – ’t is te zeggen over woede, toorn, gramschap. De vraag die erbij hoort: “Wanneer komt er stoom uit je oren? Wanneer word je echt boos op de kinderen en hoe ga je daar dan mee om?”

Ik moet zeggen dat ik dit tot hiertoe de moeilijkste vraag van ze allemaal vond. Want toen ik zo eens stilletjes nadacht in mijn hoofd, besefte ik dat eigenlijk helemaal niet zo vaak boos word op mijn kinderen.
Dat betekent zeker niet dat ze altijd superbraaf zijn (Elias wel, maar dat telt niet). Kasper heeft zeker zijn streken en hij kan mij bij momenten echt moeiteloos het bloed vanonder mijn nagels halen. Dat doet hij bijvoorbeeld door te zingen van ‘Inne maaaaneschijn inne maaaaneschijn *mompelt onverstaanbaar* oppe raamkozijn’ te zingen wanneer hij eigenlijk van Slaap kindje Slaap zou moeten doen. Of wanneer hij zijn eten uit zijn bord schept en het naast zijn stoel op de grond laat vallen ‘voor de poes.’ Of wanneer hij ALLE pampers uit het mandje haalt omdat hij de onderste pamper voor de pop wil gebruiken. Of toen hij enkele weken geleden plots zijn broer begon te bijten wanneer ik even uit de kamer was.

Op die momenten komt er wel eens stoom uit mijn oren. Maar dan haal ik diep adem en dan zie ik al heel gauw in dat er doorgaans een duidelijke reden achter zijn gedrag zit. Hij wil effectief eten geven aan de poes en dat beest zit hem ook aan te moedigen door rond zijn stoel te draaien. En hij wil graag voor de pop zorgen zoals mama voor hem zorgt. En in het bijtgeval: ik begreep niet waarom hij opeens Elias pijn zou willen doen. Hij is eigenlijk altijd betrekkelijk blij geweest met zijn broer en hij vindt het vooralsnog meestal ok om rekening met hem te houden (behalve speelgoed delen, da’s nog een moeilijke). Ik vertelde hem heel duidelijk dat bijten niet mocht (ik probeer de boodschap nooit persoonlijk te maken dus ik zeg: “In dit huis doen wij elkaar geen pijn!”) en hij weende onmiddellijk dus hij wist best dat hij iets verkeerd deed. Toen hij het nog eens deed en ik hem daarna ook zijn tanden op elkaar hoorde slaan terwijl hij met de auto’s speelde, viel mijn frank. Ik vroeg hem of hij tandjespijn had en hij zei van ‘ja’. De opluchting was zichtbaar op zijn gezicht. We hebben dan samen een bijtring gekozen die hij leuk vond en sindsdien komt hij altijd vragen of hij op de aap mag bijten als hij pijn heeft. “Niet Elias bijten”, zegt ie dan, “echt niet.”

Ik geloof dus nogal sterk in grenzen aangeven op een positieve manier en zeker en vast zonder te roepen. Als ik merk dat hij over die grenzen gaat, dan ga ik altijd op zoek naar het achterliggende gedrag. Wanneer hij bijvoorbeeld dingen in het rond begint te gooien, dan is dat vaak omdat hij zich verveelt en even niet ‘tot spel komt.’ Als ik dan de tijd neem om hem weer op gang te zetten, dan is hij in geen tijd weer vertrokken en dan kan hij weer verder spelen. Mocht ik ervoor kiezen om mij op zo’n moment erg boos te maken, dan weet ik dat hij op zijn beurt luid zou antwoorden en zou huilen en dan zouden we nog verder van huis zijn. Tot hiertoe werkt mijn aanpak goed en ik voel mij er zelf ook het beste bij.

Die enkele keren dat ik wél echt boos word (en die zijn er), dan is er meestal een samenloop van omstandigheden. Ik ben heel moe, de dingen lopen niet allemaal even vlot, iedereen heeft tegelijk verdriet, niemand wil slapen behalve mama, de eieren vallen kapot op de keukenvloer, ik kan even zijn zeurstemmetje niet aan en het lukt me niet om hem te vragen om het op een andere manier te zeggen. Als ik dan boos word (omdat ik reageer vanuit vermoeidheid, frustratie, ergernis), dan voelt Kasper dat onmiddellijk dat er emotie zit achter wat ik zeg. Hij voelt het feilloos aan wanneer ik niet helemaal goed in mijn vel zit en dus niet stevig in mijn ‘leider’schoenen sta. Hij merkt dat ik de situatie minder onder controle heb dan anders, hij weet dat hij me wat uit mijn lood kan slaan. Kinderen hebben daar voelsprieten voor en mijn oudste zoon heeft twee sets gekregen denk ik soms. Hij reageert dan vaak met dezelfde dingen die hij dan op mijn gezicht ziet: frustratie, verdriet, ergernis. Ik zeg hem dan: mama gaat nu even hier zitten tot ze weer kalm is en dan kom ik jou helpen. Of soms ga ik heel traag het afval sorteren en probeer ik mij te concentreren op wat ik buiten hoor (en niet op wat er in mijn hoofd rond zoemt). Achteraf verontschuldig ik mij want ik vind het belangrijk dat hij leert dat iedereen fouten maakt en dat dat mag, maar dat je verontschuldigen wel belangrijk is.
“Sorry Kasjebasje”, zeg ik. “Dikke kus op geven, mama”, zegt hij. Dan moet ik soms bleiten omdat hij het snapt en omdat hij lief en zoet is.

Afgelopen vrijdag riep hij me opeens (ik was aan het werk in de woonkamer). Aan zijn smoel kon ik zo zien dat hij gekleurd had en dat hij wist dat het niet was op de daartoe voorziene plaats (oppe blad teken mama!). Hij had op de kast van zijn keuken getekend. Ik deed van “Kasper?” (met één hand in de zij, dat spreekt). Hij zei: “Ja?” – de tactiek van krommen aas – as usual. Ik keek heel verontwaardigd naar zijn schrijfsels op de kast. “Oh!”, zei hij, alsof hij plots weer besefte waarom hij mij geroepen had, “kijk, naam mama schrijven!”. Ik zei dat ik het heel tof vond, maar dat het toch echt niet mocht op de kast. Ik vroeg hem hoe we dat nu samen zouden kunnen oplossen want ja, nu was er natuurlijk wel op de kast getekend. Zonder iets te zeggen, liep hij naar de keuken en haalde hij er een propere vod uit. “Kas pjoper maken!” zei ie. En als niet getuigt van het feit dat mijn aanpak van ‘samen problemen oplossen’ werkt, dan toont het tenminste dat hij weet waar de vodden liggen. En dat is toch ook al wat.

 

Disclaimer: voor de moeder die onzeker wordt na het lezen van dit berichtje – het is niet altijd zo. Ik verlies mijn geduld ook regelmatig. Ik denk soms ook: kan ik niet beter gewoon even luid schreeuwen zodat ie zijn bek houdt? Want eerlijk, deze aanpak vraagt erg veel. En soms gaat hij de vod niet halen als hij iets vuil maakt en dan moet ik al zijn rommel opkuisen. En soms dan roept hij tegen mij omdat hij zijn zin niet krijgt. Maar soms dan lukt het, zoals ik hierboven beschreef en dan ben ik weer helemaal overtuigd van deze aanpak. En als jij het graag anders doet, lieve andere mama, en jij bent daar gelukkig mee dan is dat allemaal net zo goed. Ik ben er zeker van dat jij het allerbeste voorhebt met je kind(eren). 

IMG_6295

 

 

 

Ouderzonden: Invidia (nijd-jaloezie-afgunst)

We zitten intussen al aan de vierde van de zeven hoofdzonden. De andere kan je hier, hier en hier lezen. Deze week gaat het over Invidia ofte Nijd en Jaloezie. Toevallig twee emoties die ik dagelijks wel eens voel – niks groots maar wel in kleine steekjes.

Want ik voel wel eens een prik van jaloezie als ik door mijn Instagramfeed scroll en ik zie perfecte witte keukens met mooie kookeilanden waar vrolijke brooddozen in elkaar geknutseld worden. Waar foto’s gemaakt worden met perfecte lichtinval en kinderen die zich gewillig dezelfde outfit als hun ouders laten aanmeten- uiteraard allemaal zelf gemaakt. Kinderen die kleren aanhebben die gebreid zijn en voornamelijk in de tinten beige en zalmroze. Kleren die vermoedelijk nog nooit geel zagen van een plotse kakaanval.

Dan zucht ik wel eens. Want ik kook graag en ik kook ook graag vers en gezond, maar als ik er ook nog eens artistieke brooddozen ga moeten bijnemen dan ga ik helemaal zot worden denk ik. Dus wanneer Kas in september naar school gaat, dan zal hij een snoezige brooddoos krijgen met daarin keisaaie boterhammen met kaas en choco. Eten in vrolijke figuurtjes dat zal hij krijgen als het vakantie is en ik alle boeken van de wereld al gelezen heb waardoor ik veel tijd heb om halve druiven op tandenstokers te prikken tot ze een mooi egeltje vormen.

Jaloezie passeert ook wel eens als ik prachtige knutselwerkjes zie – samen met mama gemaakt. Ik kan namelijk echt niet knutselen of tekenen. Toen ik vroeger een giraf tekende voor Janne – met veel precisie, ik zweette peentjes van de inspanning – zei het kind doodleuk ‘FIETS’ toen ze hem zag. Als kind haatte ik de vrijdagnamiddag in de lagere school omdat het dan knutselen was. De rest van de klas haalde opgelucht adem dat het lezen en schrijven en rekenen er weer op zat voor een week terwijl mijn cortisolniveau los de hoogte inschoot bij het idee dat ik weer de hele namiddag onhandig zou moeten klungelen met stiften en scharen. Ik was altijd als eerste klaar en dat was zelden een goed teken. De mooie knutselwerkjes werden altijd boven de deur gehangen voor een week. Dat van mij heeft er maar één keer gehangen en dat was omdat de juf na 51 weken echt niet anders meer kon en het toch de dag erna zomervakantie was.

Als het dus op knutselen aankomt, dan zal Kasper van mij niet veel leren behalve misschien hoe hij moet omgaan met frustratie. Ik geniet nu dus nog even volop van die heel korte periode in mijn leven waarin ik beter kan knutselen en tekenen dan mijn kinderen. Ik maakte onlangs een muis uit plasticine voor Kas en hij zat helemaal te glunderen. Als hij nu de klei boven haalt dan vraagt hij mij steevast om opnieuw een muisje te maken. Ik voel mij een hele baas wanneer ik mijn misbaksel aan hem presenteer en hij heel uitgelaten roept: JA MAMA! MUIS!

Er zijn nog wel wat dingen die ik graag wat beter zou kunnen: go with the flow – op sommige dagen, mij niet druk maken, mij geen zorgen maken over dingen die nog ver in de toekomst liggen en die ik toch niet in de hand heb, de boel de boel laten, mezelf niet honderd keer per dag voor de kop slaan voor kleine onbenulligheden die niet perfect lopen maar het is de aard van het beestje. Met veel werk en geduld kom ik elke keer wat dichter bij (zelf)aanvaardig en mezelf wat liever zien.

Zoals mijn ouders vroeger zeiden wanneer ik jaloers was op iets wat iemand had of kon: “Vergelijk jezelf niet met anderen, daar word je enkel ongelukkig van.” Ze zegden er ook nog bij dat er net zo goed mensen waren die vermoedelijk een beetje groen naar iets van mij keken. Ze hadden natuurlijk gelijk. Er zullen altijd mensen zijn die meer hebben, die andere dingen kunnen, die iets kunnen wat ik nooit nog maar een klein beetje tot mijn capaciteiten zal kunnen rekenen. Maar zo gaat dat in de wereld. Je kan niet alles hebben en de gelukkigste mensen zijn diegenen die vrede hebben met zichzelf.

Hoe zei God dat ook weer in de Bijbel – Zalig zijn de menschen verstoken van knutseltalent, want zij zullen vertroost worden.

IMG_6158

Ik ben gewoon de Salvador Dali onder de plasticinegebruikers. 

 

 

Ouderzonden: Onkuisheid – lust

Wat doe je om jezelf graag te blijven zien? En hoe breng je dat over aan je partner nu je in de eerste plaats vooral ‘ouder van…’ bent?

Ik luisterde onlangs naar een aflevering van The Longest Shortest Time (een podcast over ouderschap) en daarin kwam Esther Perel aan het woord. Esther Perel is relatietherapeute en ze is vooral gespecialiseerd in ontrouw en hoe koppels daarvan kunnen herstellen. Ze zei enkele dingen die me echt zijn bijgebleven en waar ik sindsdien vaak over heb nagedacht.

Zo vertelde ze dat ouders vroeger niet samen bleven omdat ze het zelf samen goed hadden, dat was eigenlijk van ondergeschikt belang. Koppels bleven samen omdat ze kinderen hadden en omdat een uitweg niet zo gemakkelijk voorhanden was – al zeker niet voor een vrouw. Nu liggen de kaarten anders. Vrouwen kunnen makkelijker dan vroeger uit een relatie stappen omdat ze nu eenmaal zelfstandiger zijn geworden dan enkele decennia geleden. Het zijn dus niet meer enkel de kinderen die een koppel samen houden – de kwaliteit van de relatie doet er ook toe.

Ze zei ook dat iedereen doorgaans in zijn leven twee tot drie lange en betekenisvolle relaties heeft. Ze merkte daarbij op dat dat niet per se met verschillende mensen hoeft te zijn. Een koppel gaat door transities in de jaren dat ze samen zijn. Ze nam het voorbeeld van een koppel waarvan één van de partners vreemd ging. Toen dat koppel naar haar toe kwam, zei ze hen: “jullie eerste huwelijk is nu over. Willen jullie nog een tweede huwelijk met elkaar aangaan of niet?” Ze trok die lijn door naar koppels voor en na kinderen. “De echte transitie is niet het huwelijk”, vertelde ze. “De echte overgang naar een nieuw leven samen zijn kinderen.” Amai, dacht ik, dat is allemaal echt ende waarachtig.

Ik luisterde heel geconcentreerd verder naar haar verhaal. Ze zei nog dat kinderen dus in zekere zin ook een einde inluiden van de oude relatie (waar het enkel om jullie twee draait) en de start van een nieuwe relatie. Als je het zo bekijkt – als een andere relatie met dezelfde partner – dan hoef je misschien niet voortdurend te vergelijken met hoe het ervoor was toen we nog elke week naar de cinema gingen, toen we op restaurant gingen en ons niet dood geneerden omdat iemand met zijn bestek tegen de glazen trommelt en het op een brullen zet als hem vragen ermee te stoppen, toen we uren tijd hadden om samen te koken, met elkaar te praten, series te kijken, toen planning veel minder nodig was en we met niemand zijn dutjes moesten rekening houden – toen we godbetert zélf nog dutjes deden wanneer we daar zin in hadden.

Ik vond het een bevrijdende gedachte – om het als de start van een nieuwe relatie te zien met dezelfde persoon. Want daar ben ik wel van overtuigd – dat er in al die jaren nooit iemand anders was die maar in de buurt kwam. Ik kan mijn lief nog altijd missen als ik hem de hele dag niet zie, of als de tijd tussen mijn vingers door glipt en we pas op vrijdagavond – zo net voordat hij in de zetel in slaap valt – wat tijd vinden om met elkaar te praten. Ik heb nog altijd buikpijn van het lachen als hij zich pijn doet door zijn eigen onhandigheid (als het echt veel pijn is dan lach ik echt minder lang, beloofd). Ik kijk nog altijd opzij of hij aan het wenen is bij stukjes op televisie waarvan ik weet dat die hem ontroeren. Ik vind hem nog altijd schoon in zijn kostuum en even goed in dat van Adam.

Maar het is wel zo: ik mis hem meer dan vroeger en mezelf vaak ook. Life gets in the way en onze agenda’s zitten alweer vol tot ergens in april. We zijn moe en na een dag van lawaai en gejengel en kinderen proberen op te voeden hebben wij ’s avonds vooral goesting om elk even ons eigen ding te doen.

We zeggen elkaar vaak: dit zijn de tropenjaren. Bijzonder zware, slopende jaren – noemt Van Dale dat. Jaren van vermoeidheid, van overschreden grenzen, van andere prioriteiten, van duizend vragen, van veel proberen en niet weten of het goed is, van jezelf voorbij lopen, van doodvermoeid zijn en het brood in de microgolf steken in plaats van in de broodbak.

IMG_1908

En niet alleen vermoeidheid speelt een rol. Ouderschap maakt iets in je los waar je je niet op voor kunt bereiden. Je kunt er wel een idee over hebben, maar je zult zien dat je een andere ouder bent dan je van tevoren had gedacht of had gewild of van plan was. Iedereen ervaart ouderschap anders. Als je geluk hebt, zitten jij en je partner op één lijn.
Maar er zullen altijd dingen zijn waar je anders over denkt: misschien ben jij minder streng dan je partner, misschien kan je toch niet zo goed tegen dat onderbroken slapen als je altijd dacht, misschien wil jij geen televisie voor het eten en hij wel. Het zijn allemaal onschuldige dingen die toch vaak tot discussies gaan leiden.

Dat is nog allemaal los van de praktische kant. Los van de beladen vragen, zoals wie van jullie twee er dan minder gaat werken, heb je ook nog gewoon de wekelijks terugkerende vragen. Hoe ziet jouw week eruit? Wie brengt de kinderen naar de onthaalmoeder? Wie haalt ze op? Ben jij die avond wel op tijd thuis, want ik heb een afspraak..?  Wat gaan we doen aan het feit dat hij steeds niets wil eten behalve tonnen rozijnen?
Dat is zo’n beetje de gespreksstof tijdens de tropenjaren. Je relatie, je grote liefde gereduceerd tot de vraag wie er deze keer aan de beurt is om pampers te verversen en vermoedelijk ondergepist te worden.

Je relatie speelt zich voortaan af in de luttele uurtjes tussen de bedtijd van je baby en je eigen bedtijd. Je eigen bedtijd die toch al vervroegd wordt omdat je zó moe bent dat je je afvraagt wat er in vredesnaam belangrijker is dan slapen. Terwijl je de wijzer op de klok voorbij ziet razen, tel je ondertussen de uren die je nog hebt tot je kind van 6 maanden het vermoedelijk op een zingen zal zetten (niet wenen, nee nee, hij zingt en hij lacht en hij vindt het alllemaal HELEMAAL DOLLETJES OM VIER UUR ‘S NACHTS). Wanneer mijn lief dan de baby optilt en ik mijn kop zo hard in mijn hoofdkussen duw als ik maar kan – in de hoop snel terug in slaap te vallen (veel succes daar), besef ik dat dit het is. Dit is waarvan mensen zeggen: ‘…maar je krijgt er ook heel veel voor terug.’ Het punt is dat dat op zo’n moment – waarop ik gewoon eens wil slápen – niet echt het eerste is wat er door mijn hoofd schiet.

Maar het zijn ook de jaren van een nieuwe soort liefde en geluk waarvan je ervoor niet wist dat het bestond. Het zijn de jaren waarin we elkaar kruisen – elk met een kind dat wel weer een probleem heeft – en begripvol kijken naar elkaars geïrriteerde blik. Het zijn de jaren waarin we proberen te lachen met alles wat we moeten meeslepen voor een halve namiddag erop uit. Het zijn de jaren waarin ik elke dag voel dat je veel meer getrouwd bent door kinderen dan door trouwboeken. Het zijn de jaren waarin woorden als ‘gezin’, ‘broer’, ‘thuis’, ‘samen’ en ‘wij’ bij mij een golf van warmte over mij heen laat vallen – alsof ik onder een gigantische regendouche sta. Het zijn de jaren waarin we kijken naar onze twee kinderen, met de armen om elkaar heen – de oudste ligt uiteraard weer op de jongste die zich eronderuit probeert te wriemelen – en we tegen elkaar zeggen: die hebben wij gemaakt! die zijn van ons voor altijd!

We zijn intussen 7 jaar samen – we zijn er bijna vier van getrouwd. Twee jaar met kinderen en twee jaar zonder. Ons tweede huwelijk duurt dus al net zo lang als ons eerste en ze zijn allebei totaal anders. Soms mis ik ons eerste huwelijk hartstochtelijk. Dan vraag ik hem of we het hebben stuk gemaakt – en dat we toch wel nog voor altijd gaan samen blijven zoals we gezegd hadden nu alles zo anders is.
Want alles is anders – maar één ding is hetzelfde gebleven en mag voor mij voor altijd onveranderd blijven. En dat is hij – behalve dan zijn gesnurk, zijn onvermogen om kleine taakjes binnen de week uit te voeren en de papieren zakdoeken die hij vergeet uit zijn broek te halen waardoor ik die in mini-stukjes uit de wasmachine moet plukken – daar mag stilaan wel eens iets aan gebeuren.

Processed with VSCO with c1 preset

Ouderzonden: Superbia

Zeven weken geleden lanceerden Romina en Annelore de uitdaging om met z’n allen (of toch diegenen die meedoen) te bloggen over de zeven hoofdzonden en hoe die tot uiting komen in het ouderschap. Ik schreef me in en ik hoop dat het me lukt om elke week mijn stukje geschreven te krijgen en dat ik het durf om elke keer zo eerlijk mogelijk te zijn.

1. Superbia (hoogmoed – hovaardigheid – ijdelheid)

“Waarom ben jij een goede ouder?” – “Waar blink jij in uit?” staat er bij deze hoofdzonde geschreven. Daar moet ik even over nadenken. Het is niet dat ik niet vind dat ik dingen goed doe als ouder, maar de antwoorden komen toch ook niet zomaar uit mijn pen gerold.

Vooreerst komt dat omdat ik natuurlijk nog niet zo heel lang ‘ouder van..’. Kasper werd nog maar net twee jaar. Ik zit dus eigenlijk nog in mijn stageperiode – dat zie ik trouwens ook bevestigd in de stomme taakjes die altijd voor mij zijn en in het teleurstellende loon. Ik luisterde onlangs naar de nieuwe podcast van “Ik ken iemand die” en daar merkte een van de sprekers terecht op dat je die eerste jaren gewoon niet echt kan zeggen of je een goede ouder bent of niet.  Ik las ook in een boek niet zo heel lang geleden (ik weet al niet meer welk) dat je eigenlijk pas echt weet of je’t goed gedaan hebt wanneer je kinderen zelf een gezin beginnen omdat je dan kan zien hoe ze zich gedragen in liefdesrelaties. Daar zijn we nog lang niet.

Aangezien kritisch zijn voor mezelf en de lat erg hoog leggen twee van mijn kwaliteiten/valkuilen zijn, vind ik het best moeilijk om op te sommen waar ik mezelf goed in vind. Het is niet dat het me ontbreekt aan zelfvertrouwen, het is vooral dat ik altijd dingen zie die beter kunnen. Maar laat ik nu maar bij de opdracht blijven. Wat doe ik goed als ouder?

Ik vind dat ik een goed voorbeeld probeer te zijn van hoe je goed kan omgaan met andere mensen. Ik vind vriendelijk, beleefd en hartelijk zijn in kleine dagelijkse contacten erg belangrijk. Kasper heeft dat intussen feilloos overgenomen. Overal waar we komen, zegt hij iedereen gedag (zelfs de levensgrote leeuw die voor de deuren van de Delhaize), charmeert hij de winkelbediende van Budgetslager met zijn ‘Dank u, vrouw’, zwaait hij naar alles wat beweegt en vast staat en is hij bijna altijd vrolijk.

Verder probeer ik hem te leren dat het ok is om hulp te vragen, om te zeggen dat iets niet lukt. Zeker voor een tweejarige die regelmatig overweldigd wordt door alles wat hij voelt of gefrustreerd geraakt door wat hij zou willen kunnen maar nog niet kan, lijkt ‘om hulp vragen’ een handige vaardigheid. En hij doet het sinds kort erg goed. Als hij de stoep niet opgeraakt met zijn fiets – als hij de kussens in zijn kamp niet juist gelegd krijgt – als hij zijn eten niet goed op zijn lepel krijgt – als hij de Duploblokjes niet in elkaar kan klikken: “Mama lukt niet – mama help” zegt ie. Ik becomplimenteer hem omdat hij het kan – om hulp vragen. Ik ken heel wat volwassenen die daar niet toe in staat zijn.

Ik laat ruimte voor hun persoonlijke interesses – ook als ik die zelf soms vervelend vind. In casu: de trommel. Kas houdt gewéldig veel van muziek horen en van muziek maken. Ik moet bijna voortdurend liedjes voor hem zingen of muziek opzetten. Hij slaat ongeveer 2 uur per dag op zijn trommel en hij is creatief in oplossingen zoeken als zijn trommel niet voorhanden is. Op vakantie aan zee pakte hij de frisbee en zijn tandenborstel om het dagelijkse ritme-uurtje vorm te geven. Er zijn momenten dat ik echt horendul word van dat lawaai. Ik kan mezelf soms niet horen denken. Ik word gek van zijn voeten die op de grond meestampen. Ik heb weinig geslapen en ik wil gewoon dat iedereen stil is en zo weinig mogelijk beweegt. Maar ik verkies om dat gevoel te negeren en hem toe te laten om dat te doen waar hij duidelijk heel intrinsiek voor gemotiveerd is. En doorgaans – niet altijd – merk ik het na een tijdje zelfs al niet meer op.
Dat ik er ruimte voor laat, betekent evenwel niet dat hij het altijd en overal mag doen. Ik wil hem namelijk ook graag leren dat het belangrijk is om rekening te houden met andere mensen. De afspraken zijn daarin erg duidelijk: als Elias slaapt, wordt er niet getrommeld. Hij weet dat en soms is hij er boos om maar doorgaans kan hij goed wachten.

Ik heb onmetelijk veel geduld met mijn kinderen – toch zeker in vergelijking met de hoeveelheid geduld die ik doorgaans heb voor mensen en situaties. Ik ben zeker niet heilig, ik ben ook al mijn geduld verloren. Op momenten dat kind 1 te vroeg wakker wordt en daardoor voor alles begint te jammeren en te zeuren (ik wil dat de zon schijnt! ik wil op de glijbaan zitten! ik wil hier een hondje zien! ik wil een mandarijn! ik wil geen mandarijn! ik wil een mandarijn maar niet in deze stukjes!) en wanneer kind 2 ook na 30 minuten in bed beslist dat het welletjes geweest is, dan moet ik echt overal op zoek gaan naar kleine restjes geduld. Soms vind ik die door heel traag het afval te gaan wegdoen en eventjes enkel de wind in mijn oren te horen. Soms vind ik die door 10 keer diep in en uit te ademen. Dat zijn momenten waarop ik fier ben op mezelf: ik toon mijn kinderen dat het normaal is dat geduld ook opgeraakt en en passant geef ik hen strategieën mee om daarmee om te gaan. Ik doe echt mijn uiterste best om niet te roepen want dat wil ik echt niet. Wij hebben samen afgesproken dat wij zo weinig mogelijk willen roepen in ons huis. Ik ben er niet van overtuigd dat ik mijn kinderen iets leer door tegen hen te roepen en als ik hen iets leer dan is het vooral een foute manier om om te gaan met dingen die ze moeilijk vinden. Ook dat voornemen kan ik niet altijd in de praktijk omzetten, maar voorlopig lukt het redelijk tot goed.

Er zijn nog wel dingen die ik vind dat ik goed doe (ik zing veel met de kinderen, ik neem hen mee naar het theater, ik durf hen ook mijn verdriet tonen, ik ben helemaal bereid mij te verontschuldigen als ik vind dat ik iets verkeerd deed), maar er is er nog eentje die ik wil vermelden: ik durf andere keuzes maken. Ik durf het aan om niet te vertrekken vanuit de veronderstelling dat ik het allemaal al weet. Ik durf om me heen kijken, boeken lezen, artikels, blogs van mensen die me inspireren in hun manier van opvoeden. Ik durf eerst genoeg te lezen over een bepaald onderwerp alvorens ik opmaak wat het beste aansluit bij wat mijn manier is. Het is heel bevrijdend te vertrekken vanuit de idee dat ik het nog niet hoef te weten – dat het niet van mij verwacht wordt dat ik op elk dingetje dat het ouderschap me voor de voeten gooit meteen een juist antwoord kan formuleren. Als er zich dus iets nieuws voordoet, dan neem ik altijd de tijd om na te denken en om te lezen en te vragen als ik dat nodig vind. Pas dan bepaal ik een ‘tactiek’ die bij me past en die ik dus zonder dat het ‘geforceerd’ voelt, lang zal kunnen aanhouden.

Ik lees wat ik schreef opnieuw en het geeft me een lastig gevoel. Zoveel eigen lof, ik ben dat niet gewoon. Ik doe dat niet graag. Ik ben op mijn hoede om mensen tegen de borst te stuiten. Ik wil niet oordelen of aangeven dat mijn manier de juiste is. Maar het is de mijne en voor mij voelt ze juist. Dat kan perfect naast alle andere manieren van opvoeden bestaan. Ik ben er van overtuigd dat iedereen het allerbeste met zijn kinderen voorheeft en dat voornemen vorm geeft in de praktijk op een manier die goed bij haar/hem past.

Deze hoofdzonde ligt me niet zo. De aard van het beestje – ik moet echt nog leren om mezelf meer schouderklopjes te geven. En bovendien is het iets wat ik meekreeg in mijn opvoeding: doe maar gewoon. Kraai maar niet te rap victorie. Kijk altijd naar wat nog beter kan. En zo is mijn cirkel weer rond: ik eindigde waar ik begon – met kritisch zijn voor mezelf – met de lat hoog leggen.
Ik noteer ‘kinderen aanleren dat goed goed genoeg is‘ bij op het lijstje van dingen die ik ‘goed wil kunnen als ouder’. Ik besef dat ik dat enkel kan overbrengen als ik het ook voor mezelf laat gelden. Ik werk daaraan. Traag, maar het komt wel – hopelijk.
Er is nog één kwaliteit, nog één kunde – besef ik net – die ik nog niet eerder vermeldde: ik kan mijn kinderen graag zien zoals werkelijk niemand anders dat kan. Ik ben er echt rotsvast van overtuigd dat dat voor elke moeder en vader net zo is. Als je jezelf dus nog eens voor het hoofd slaat omdat je het alweer niet goed genoeg vond, te veel zus of te weinig zo – denk dan daar nog eens aan. Er past niemand beter bij je eigen kinderen, dan jij. Er past niemand beter bij die van ons, dan wij.

Processed with VSCO with c1 preset

 

 

 

Archiveren

Zoals ik hier al schreef, ben ik thuis de bijhouder, de verslaggever, de historicus en de archivaris. Vage termen, zal je zeggen, maar wat doé je dan precies als ‘archivaris’. Ik zal het u eens gauw zeggen se.

Ik houd bijvoorbeeld brevetten bij. Tot nog toe zijn dat brevetten als ‘de eerste keer naar de kapper’ met zo’n klein haarlokje dat de vriendelijke kapster vast niette nadat mijn kind luider had geschreeuwd dan de dvd van Maya de Bij (en die naderde toch al bijna de limiet van 90 decibel). Ik houd knutselwerkjes bij van op de opvang: tekeningen, ingekleurde schoenen voor de Sint en foto’s waar ze allemaal opstaan – verkleed als Zwarte Piet. Ik heb een doos met kaartjes – verjaardagskaartjes en felicitatiekaartjes bij hun geboorte. Ik maakte een boekje over mijn zwangerschap bij Kasper, ik schreef wat teksten over onze eerste weken met drie en liet dat inbinden. Daarnaast heb ik per kind een Babyplakboek van Uitgeverij Snor voor hun eerste levensjaar. En uiteraard werk ik intussen nog aan de fotoalbums. In de eerste boeken staan we met z’n twee. Je ziet ons op reis gaan, je ziet ons trouwen, onze broers trouwen, we vieren kerst en nieuwjaar en iedereen is om de beurt jarig. Sinds we kinderen hebben, werk ik met jaarboeken waar alles netjes chronologisch ingekleefd wordt.

Als ik het zo opschrijf is het echt belachelijk veel. Bij momenten vraag ik me af voor wie of voor wat ik het doe. Ik ben doorgaans de enige die in zo’n boeken kijkt. Maar als kind was het verleden induiken echt één van mijn hobby’s. Als ik als 16-jarige alleen thuis was, dan gebeurde het heel regelmatig dat ik de avond doorbracht met een zak Pickles chips van de GB (waar enkel de bovenste laag écht naar Pickles smaakt) terwijl ik onze vakantiefilms opnieuw bekeek. Ik vond het fijn om al die dingen opnieuw te zien, om door beelden terug naar Amerika in 1997 gekatapulteerd te worden waar ik mijn t-shirt in een puntje draaide, dat puntje er aan mijn nek weer doortrok en onwaarschijnlijk fier was op mijn zelfgecreëerd en bij momenten weinig verhullend naveltruitje.

Die hobby was mogelijk verdwenen, mocht papa niet plots gestorven zijn. Maar toen hij in 2005 vertrok, dook ik opnieuw vaker het verleden in. Ik omringde me met foto’s van vroeger (veel waar hij opstaat zijn er niet want hij was de fotograaf), ik bekeek de films nog eens met een ander oog (ik lette bijvoorbeeld enkel op wat hij deed, op hoe hij zijn mond bewoog, op wat hij zei) en ik bladerde door alle fotoboeken – op zoek naar foto’s van ons twee. Ik vond er enkele van toen ik kind was, maar vanaf mijn 14e verjaardag nog amper iets. Digitale fotografie deed toen zijn intrede en waar wij vroeger trouw onze vakantiefoto’s ontwikkelden, zetten we ze vanaf toen op de computer ‘om later af te printen en in te plakken’. En later kwam er zelden.

Toen Kasper geboren werd, diepte ik de fotoalbums terug op. Kasper was als baby een kopietje van zijn vader en zijn grootvader. Ik wilde dus enkel bevestigd zien HOE ONGELOOFLIJK WEINIG mijn eerstgeborene op mij lijkt. De foto’s bevestigden wat ik al wist: HIJ LIJKT NIET OP MIJ. De fotoboeken bewezen opnieuw hun nut toen mijn broer onlangs vader werd en zijn eerste album kwam ophalen – om te kijken of zijn dochter dezelfde gelaatstrekken had als hij vroeger.

En dat is waarom ik het doe denk ik. Omdat ik hoop dat er ooit een tijd komt dat mijn kinderen die herinneringen belangrijk en fijn genoeg gaan vinden om ze nog eens te willen beleven. Misschien willen ze later met hun lief de foto’s bekijken. Misschien zullen ze zich verbazen over de kleren die ik hen durfde aandoen (ik hoop echt oprecht van niet). Misschien gaan ze lachen met de poses die ze aannamen, met de smoelen die ze trokken. Misschien ze ontroerd zijn als ze zien met hoeveel liefde wij hen hebben groot gebracht. Terwijl ik dit schrijf, prevel ik dat ik vooral hoop dat ik er samen met hen naar kan kijken en dat ze niet – net zoals ik – op zoek zullen moeten gaan naar kleine stukjes informatie om iemand die ze moeten missen weer bij elkaar te puzzelen.

Ik bijt dus door. Ik blijf als een soort van fossiel mijn foto’s niet alleen opslaan op verschillende plaatsen (pc – de cloud – externe harde schijf), maar ik druk ze ook af, ik koop fotoklevers en ik plak ze in grote zwarte fotoboeken waar ik met witte pen de datum naast schrijf. Soms schrijf ik een zinnetje (‘Je had meer dan 39 graden koorts en ik was zo ongerust!’ of ‘Aan zee woont er boven ons een Frans wijf dat elke dag haar vent uitkaffert!’) maar vaak laat ik de beelden voor zichzelf spreken.

Ik probeer niet meer te tellen hoeveel uren ik hier al mee bezig ben. Ik bedenk geen andere dingen meer die ik intussen nog had kunnen doen. Ik wentel me niet meer in zelfmedelijden omdat ik alweer een halve namiddag fotoklevers aan mijn vingers heb plakken. Ik hoop niet meer vurig dat iemand op me af zal stappen om mij te feliciteren met mijn vastberadenheid, met mijn geduld en met mijn nobel streven. Ik wil dit graag zelf doen en het helpt om mezelf daar regelmatig aan te herinneren.
Ik wil dit doen, omdat ik zelf zo graag gekeken heb naar het verleden van ons gezin. Omdat ik me heb verwarmd aan de zon in Le Mas de Pinquie in de jaren 90. Omdat ik luidop moest lachen met de kleren die ik aanhad. Omdat ik vertederd werd toen ik opmerkte dat mijn broers exact dezelfde gezichtsuitdrukkingen hebben als zoveel jaren geleden. Omdat ik mijn vader vond op momenten dat ik het gevoel had dat ik hem echt helemaal en voor altijd kwijt was.

Dus ik selecteer foto’s. Ik rangschik ze chronologisch. Ik plak ze in. En ik hoop dat mijn kinderen lang genoeg slapen zodat ik naast hun foto’s met een witte pen kan schrijven “Je bent het mooiste wat ik ooit zag!” en zodat zij het kunnen lezen wanneer zij daar ooit nood aan zouden hebben.

Processed with VSCO with c1 preset