Om te (ont)houden

Hoe hij meezingt met alle liedjes van mijn oude Samson-cd’s. En hoe hij me dan matter of factly komt vertellen dat de hond Samson is en de mens Gurt.

Hoe hij nog niet alles juist uitspreekt maar duidelijk alle liedjes van de CD van kapitein Winokio ook al goed onthouden heeft. Er komen flarden uit (DOOD! roept ie in zijn lief peuterstemmetje wanneer de kapitein zingt over spin die hij uit de kamer wil hebben). Hij krijst “lentepoeeeeeets” wanneer ik hem zeg dat ik na 5 keer toch ook eens het volgende liedje wil opzetten. “Haasje chocowawawa” mompelt ie terwijl hij zijn chocolade eitje open peutert.

Hoe hij nog niet goed doorheeft hoe fluisteren precies werkt. Hij drukt zijn wang tegen de mijne en spreekt ongeveer even luid als anders. “Papa is chickedie & chick” en hij proest het zo hard uit dat hij het niet eens in één keer gezegd krijgt. Hij herhaalt hetzelfde grapje nog tien keer. Wij doen van onze beste fakelach en hij verslikt zich in zijn lachen en hikt nog een kwartier na.

Hoe hij voortdurend van elk van onze auto’s vertelt waar ze staan (in de gaazje / oppe makt). Hoe hij vertelt wat we met de auto doen (auto parkeet) en wie er mee rijdt (mama auto rije). Hoe hij me vanop de achterbank commandeert (luider! Lentepoets opzette! auto rije! zachtjes!). Hoe hij met zijn twee vingertjes in de lucht prikt op het ritme van de muziek.

Hoe hij zeker wil weten dat ons bezoek naar huis gaat wanneer hij slapen gaat. Niet omdat hij ze weg wil, maar omdat hij zéker niets wil missen. “Gaat ie nu ook slapen?”, vraagt hij, nadat Elias z’n peter weer vertrokken is. “Gaat hij nog iets eten?” (neen dat denk ik niet) “Waarom niet?” (omdat hij hier al gegeten heeft) “Waarom?” (omdat we hem dat gevraagd hebben) “Waarom?” (omdat we dat gezellig vinden en het leuk vinden wanneer hij er is). “oh”, zegt hij “ik ook dus wij zijn een tweeling.”

Hoe hij alles achteruit even snel kan als vooruit: stappen, fietsen, van de glijbaan afgaan, zijn bed uitklimmen, de trap afgaan. “Achtejuit”, zegt hij – bij wijze van aankondiging. Dat geeft me meestal een halve seconde om het potentiële gevaar in te schatten.

Hoe hij ’s avonds mag opsommen wat hij leuk vond en wat hij moeilijk vond of lastig of stom. En hoe hij de laatste week elke avond lang nadenkt en dan zegt dat hij niks stom vond en alles leuk. Hoe hij me altijd nog eens terugroept voor nog één kus “omdat hij me ziet tot aan de maan en terug”. Hoe hij roept van ‘lafjoe’ en ik dan roep van ‘lafjoe’ en hij dan nog eens en ik niet meer en hij dan roept van ‘MAMA’ en ik van ‘JA’ en hij van ‘IKZEILAFJOE’.

Hoe ik hem in bed stop en hij bij wijze van laatste clownstreek van de dag probeert om twee tutten tegelijk in zijn mond te stoppen. “Past niet!”, zegt hij en hij lacht. “Mama lachen!”, zegt ie. Hoe hij met zijn kleine vingertjes door mijn haren wrijft wanneer hij op mijn arm zit. Als zijn arm over mijn schouder hangt, dan voel ik zijn vingertjes de haren op mijn rug kammen.

Hoe hij bovenaan de trap staat en vraagt om hem te pakken. Ik zeg hem dat ik zeker weet dat hij het zelf kan. Hoe hij het dan probeert te zeggen zoals zijn kleine broer omdat hij hoopt dat het zo wel werkt. Hoe ik zeg dat hij groot wordt en dat mama nog eens tien lumbago’s krijgt. Maar ik zucht even, kom de trap terug omhoog en vraag hem of hij op de mamatrein wil. Zijn ogen lachen en hij steekt zijn armen in de lucht. Hij zegt dat ik sterk ben en dat zijn benen kapot waren en dat ze naar het containerpark moeten. Ik wrijf over zijn vers tondeuzekopke en ik weet dat dit allemaal dingen zijn om te (ont)houden.

“Mama pakken”, zegt ie en hij steekt zijn armpjes de lucht in. Ik sta in de keuken honderd dingen tegelijk te doen dus het is zowat de minst goeie moment van de dag. Maar ik buk me en ik til hem op. Ik geef hem een kusje op zijn neusje en hij wrijft in mijn haren en ik weet dat dit allemaal dingen zijn om te (ont)houden.

Processed with VSCO with c1 preset

 

Advertenties

Over een tijger die (even niet) naar school gaat.

Een half jaar later zit ik weer in dezelfde gang naar dezelfde deur te kijken. De kindjes die op de deur plakken, die ken ik intussen allemaal. De deur is niet veranderd, maar de kindjes in de ballonnetjes wel.

De juf roept me binnen en ik voel dat ik toch een beetje zenuwachtig ben. Die kleuterklas, dat is het eerste stukje van Kasper zijn wereld waar ik geen deel van uitmaak. Het is zijn eigen stukje en hij kan er mij zo veel of zo weinig over vertellen als hij zelf wil. Ik gun hem dat plekje met heel mijn hart, maar ik ben natuurlijk erg benieuwd wat hij er zo allemaal uitsteekt.

Op het tafeltje ligt de juf haar boek al klaar. “Waar staat ‘em, onze Kasper”, zegt ze terwijl ze doorheen haar schrift bladert. “Hij is echt groot geworden de laatste tijd”, zegt ze en ik knik. Ze vertelt hoe hij eerst vooral wilde spelen en hoe hij nu graag mee komt doen met de geleide activiteit die ze voorziet in kleine groepjes. Dat hij veel geleerd heeft, dat zie ik thuis elke dag in zijn spel. Onze woonkamer wordt elke avond omgetoverd in een omloop waar Elias dan als proefkonijn door moet (En hier moet je dan twee keer springen Elias, kijk – zo!). Hij vertelt zijn broer de dingen die hij op zijn beurt op school gehoord heeft (dit is de mama en dat is de kip en daar is de papa en dat is de haan en die doet kukelululuuuu). Hij maakt associaties met dingen die op school indruk op hem gemaakt hebben (Kijk! Een kraan! Op school was er eens een grote machine en die kwam de boom pakken die was omgewaaid). De mensen op school zijn voor hem onvervangbaar (“Elias, jij mag eens mee naar school komen en dan kan jij naast mij zitten bij juf Annelies maar het is wel mijn juf. Ok is dat goed?) en de rituelen die bij zijn klas horen die kent hij op zijn duimpje (“Ri Ra Roosje wie komt er uit mijn doosje” zingt hij terwijl hij kaartjes uit een doosje haalt. “Het is de aap – Elias.”). 

We praten nog wat over hem, de juf en ik. Ze vertelt over zijn beste vriendje V. – over hoe ze hele dikke vrienden zijn en toch ook soms eens goed ruzie kunnen maken, over hoe hij kleuren steeds preciezer begint te doen maar hoe hij zijn potlood nog niet helemaal juist vasthoudt. We lachen omdat hij uiteindelijk zijn fruit met veel plezier is beginnen opeten en omdat hij me elke dag in een soort mini-ceremonie na school toont hoe elk doosje leeg is. Als hij iets doet wat niet mag en de juf geeft ‘m tegen zijn voeten, dan is hij er het hart van in. Dat herken ik – ook thuis wil hij meteen een knuffel als hij nog maar het gevoel heeft dat ik mogelijk een beetje boos op hem zou zijn. Ze had ook opgemerkt dat hij al een paar lettertjes kan lezen. ’s Ochtends speurt hij op de trui van zijn beste vriend naar de letters van zijn naam. Ze vertelt me dus geen grote verrassingen en dat maakt me zo heel erg blij. Het toont dat hij zichzelf is in de klas.

We nemen afscheid en ik wens haar nog fijne laatste dagen toe. Terwijl ik naar huis wandel, overvalt er me toch een lichte bui van melancholie. Binnenkort is hij de kleinste niet meer. Hij gaat naar de tweede kleuterklas en dat betekent afscheid van de allereerste juf die hij ooit gehad heeft.

En jongens, wat heeft ze de lat hoog gelegd voor haar opvolgers. Het was de juf die verhaaltjes voorlas in de klas waar hij thuis nog over vertelde. Het was de juf waar hij met ballonnen mocht schilderen. Het was de juf die auto’s had die wij thuis niet in de schuif hebben liggen. Het was de juf die hem hielp in zijn groei naar zelfstandigheid. Het was de juf die zijn gevoeligheden opmerkte en daar ruimte voor liet. Het was de juf die dieren in de klas bracht en er zo onrechtstreeks voor zorgde dat onze poes binnenkort vermoedelijk morbide obees is omdat haar bak zowat uitpuilt. Het was de juf die hem liedjes aanleerde die hij zo vaak zingt dat ik ze zelf ook voortdurend loop te neuriën. Het was de juf die louter door haar aanwezigheid voor voldoende vertrouwdheid zorgde om nieuwe dingen te durven doen.

Het schooljaar is bijna voorbij. Binnenkort zal ik doorgaans alleen thuis zijn met mijn twee jongens. Dat is vaak onwaarschijnlijk plezant en ook meer dan twee handen vol. Ik denk op zo’n drukke dagen met hen vaak aan Kasper zijn juf. Die doet het immers 5 dagen van de week voor meer dan 20 kinderen waarvan niet één haar eigen kind is. En dat is misschien nog het allerbijzonderste: al die kindjes in die ballonnen hebben zich toch een jaar lang haar kindjes gevoeld. Daarvoor moet je een héél groot hart hebben. Bedankt, juf.

Processed with VSCO with c1 preset

Deel 1 en deel 2 kan je hier en hier lezen.

Ziektebeelden

Eli werd de voorbije dagen opgenomen in het ziekenhuis. Ik vind het nog moeilijk om erover te schrijven. Té emotioneel – dat is nog te kortbij. Té ‘matter of fact’ doet afbreuk aan alles wat ik erbij voel. Maar schrijven helpt, dus hier enkele flitsen uit mijn hoofd.

***

Terwijl je ligt te slapen, zit ik aan de deur van je ziekenhuiskamer een boek vast te houden. Ik luister naar de biep-biep-biep van de monitor die aangeeft dat je hart klopt. Als je huilt dan biep-biep-biept het ding harder en gaan er allerlei alarmen af. Ik sluip de kamer in en leg me in het zetelbed aan het raam. Ik denk aan hoe snel het plots allemaal ging. Ik moet haast droevig lachen om de versie van mezelf zo’n 12 uur geleden die dacht dat bloed trekken vast het ergste zou zijn wat er zou gebeuren. Daarna volgden nog de longscan, de baxters, de ruggenprik. Ik sluit mijn ogen en probeer het weg te duwen. Ik hoor je diep ademen en toch voel ik dat je onrustig slaapt. Je schrikt regelmatig wakker en tilt je hoofd moeizaam op. Als je me ziet liggen in de zetel naast je, leg je traag je hoofd weer neer op je beer.

***

Je drinkt een beetje van je flesje. Je zwaait ‘daa-haag’ met je handje naar de verpleegster – omdat ik het vraag. Ik probeer je te laten stappen en je wil je voetjes zelfs niet neerzetten. Je eet een beetje vis – kieskeurig wijs je de stukjes aan die ik op je vork mag prikken. Ik juich om elke hap en denk dat we nu wel door het ergste heen moeten zijn.

 

***

Ik ga achter je stoel staan en roep je naam – Eli – Eli – Eli-as. Je draait je romp omdat het niet meer lukt om je hoofd te draaien. “We brengen jullie zo meteen met de ambulance naar een ander ziekenhuis. Daar zullen ze jullie beter kunnen helpen.” In de ambulance hang je als een lappenpop tegen me aan. Je wilt tegelijk naar mij kijken en voor je uit kunnen kijken. Ik probeer rust voor je uit te stralen. Ik zoek de frequentie van mijn stem die ik reserveer voor jou en je broer. “Nu zitten we in een speciale auto”, zeg ik – en “zie je de lichtjes?”. In mijn hoofd groeit het ontwijkende antwoord op die grote vraag (hij gaat toch wel gewoon genezen he?) uit tot een gruwelijk scenario. “Wa-te” zeg je en je wijst naar je flesje. Ik mag je niets geven en het breekt mijn hart in stukken. “Zie je de lichtjes, Eli?”, probeer ik nog eens.

***

Terwijl je ligt te slapen, zit ik aan de deur van je ziekenhuiskamer een boek vast te houden. De monitor is weg. Het grote gevaar ook. Ik probeer de voorbije dagen te voelen. De angst, de onzekerheid, het ongeduld, de woede ook, de onmacht, de reddeloosheid, de verveling, de eenzaamheid, de vermoeidheid. Ik zet de rest aan de andere kant van de lijn: de warmte, de dankbaarheid, het geduld, de chance, het instinct, de vriendschap, de hulp, de Liefde. Je huilt en ik til je uit je bedje. “Awel, wat was dat allemaal?”, vraag ik. En jij weet het ook niet.

Processed with VSCO with c1 preset

 

Over een tijger die naar school gaat

Gisteren rond een uur of 7 werd ik op Kasper zijn nieuwe school verwacht voor een eerste infomoment. In de polyvalente zaal stonden de eettafels met de stoeltjes al klaar voor de kleuters die er maandag hun drinkbus weer over zullen uitkappen. Andere ouders keken ietwat ongerust over hoe ze in godsnaam op die stoelen zouden passen, maar dankzij mijn werkervaring ben ik het intussen gewend. Ik zit immers de helft van het schooljaar op mini-stoeltjes notities te nemen terwijl ik kijk naar hoe studenten en kleuters samen aan het leren zijn. Ik kan mijn knieën dus in vier vouwen waardoor ik net tussen de stoel en de tafel pas. Op hele goeie dagen kan ik dan nog mijn laptop laten balanceren op mijn bovenbenen. Ik ben werkelijk een acrobaat.

We kregen een korte inleiding waar de bevoegde instanties werden voorgesteld. Ik had mijn oranje schriftje op de tafel liggen en hoopte dat het niet te hard duidelijk was dat ik veel vragen had genoteerd.

Na de korte inleiding werden we door de juf van Kasper meegenomen naar de klas. Mijn hart sprong op toen ik er binnenwandelde. De kring was groot, Jules zat klaar, in de poppenhoek was de tafel gedekt, de auto’s lagen in de bakken, klaar om rondgereden te worden. Ik plofte neer op de bank en ik voelde vanalles tegelijk toen ik me inbeeldde dat hij hier over enkele dagen ook zal gaan zitten. Ik liet mijn ogen gaan over de nog lege plekken aan de muur waar binnenkort tekeningen zullen ophangen – steenhard omdat de kleuters weer drie keer zoveel verf als nodig gebruikt hebben.

De juf vertelde ons hoe het eraan toe gaat op school, wat er in de boekentas mag en wat niet, ze legde uit wie Jules is, hoe verjaardagen worden gevierd. Ze toonde ons foto’s van uitstapjes (naar de fruitboer! naar het bos!) en ik vond het allemaal zo plezierig dat ik wou dat ik er zelf bij kon zijn. Laat dat nu net zijn wat school niet is: een plek waar mama er altijd bij is.

De voorbije dagen heb ik er al vaak bij stilgestaan, wat het precies met mij doet dat mijn eerste zoon binnenkort naar school gaat. Ik voel er heel wat bij. Ik voel me eerst en vooral erg fier. Kasper leert graag, hij luistert graag naar verhalen, hij knutselt graag, hij zou liefst alle dagen papier stijf maken door er vijftien lagen verf op te smeren. Hij is nieuwsgierig naar andere kindjes en hij babbelt mij de oren van het hoofd. De laatste maanden is hij geweldig gegroeid – niet enkel in lengte. Hij kijkt nog amper naar me om wanneer Joris of Eloïse (onze babysits)  de kamer binnenstappen. Met veel moeite zwaait hij nog even, maar dat doet ie vooral omdat hij weet dat ik opflikker daarna. Ik ben ervan overtuigd dat ie op zijn plaats zal zijn op school en ik verwoord dat ook zo wanneer ik met andere mensen erover spreek en hij erbij staat. Zijn oren werken namelijk bijzonder goed (behalve wanneer ik zeg dat hij moet stoppen met speelgoed door de kamer te gooien). Ik hoop dat ie voelt en weet dat wij alletwee heel erg in hem geloven.

Langs de andere kant raakt het me ook op een manier die ik nog al gevoeld heb – bij elke grote stap in zijn tot nu toe korte leven. Elke stap naar voren is er eentje een beetje weg van mama. Hij zal nu alweer een eigen stukje van de wereld veroveren waar ik slechts vanop afstand een deeltje van uitmaak. Ik ben me er ook van bewust dat hij niet alle dagen graag zal gaan, misschien wil hij in het begin zelfs helemaal niet gaan, vindt hij het moeilijk om niét bij mij te kunnen zijn. Op zulke momenten zeg ik hem altijd dat ik zeker weet dat ie een fijne dag zal hebben, dat ik hem snel weer komen halen en dat ik er dan alles over wil horen. En ik wéét dat het waar is, en toch is het soms zo lastig.
Los-la-ten heet dat geloof ik. Ik schrijf het op mijn blad met werkpunten.

En dus zat ik daar op dat bankje, te luisteren naar de juf. Ik keek rond en zag al meteen heel wat spullen staan waar hij geweldig enthousiast over zou zijn. Mijn oranje schriftje lag open op mijn schoot, maar de juf had eigenlijk al mijn vragen al beantwoord. De vragen die ik niet stelde (gaat ie wenen? ga je goed voor hem zorgen? denk je eraan dat hij soms wat meer tijd nodig heeft bij het klimmen?) die beantwoordde ze ook. Daar hoefde ze zelfs niets voor te zeggen.

Net voor het vertrekken, deelde de juf nog de kentekens uit. Kleine figuurtjes waardoor de kleuters weten waar ze hun boekentas kunnen vinden, welke tekening van hun is en waar ze moeten zitten in de kring. Het duurde me jaren om te verwerken dat ik een heel jaar lang een fantasieloze theepot moest zijn dus ik hield mijn hart vast. Maar de juf gaf me een prentje met zijn naam op en daaronder stond een tijger. En het paste perfect.

Go get them, tiger.
Jij gaat dat zo goed doen.

Processed with VSCO with c1 preset

Ouderzonden: Acedia

De laatste ouderzonde is ‘Acedia’ ofte gemakzucht, traagheid, luiheid. De vraag die erbij hoort: Hoe ga je om met de druk die van jongs af aan op kinderen (en dus ook op hun ouders) wordt gelegd? Doe je mee aan de ratrace?

Ik vind dat echt een moeilijke vraag. Er kwam niet ineens vanalles in me op. Voorlopig wordt er nog niet veel druk op mijn kinderen gelegd. Ik ben niet zo’n moeder die zit te wachten op de volgende mijlpaal en dan gaat vergelijken met andere kinderen. In die eerste weken met Kasper vond ik dat moeilijker. Ik kon toen wel echt nog uit mijn lood geslagen worden wanneer een wildvreemde in de Colruyt mij vroeg of hij nog niet in een kar kon zitten (op 5 maanden – echt gebeurd). Dan reed ik naar huis en vroeg ik me af of ik hem misschien niet genoeg stimuleerde, of ik iets verkeerd deed.

Dat is gelukkig gebeterd. Kasper heeft bijvoorbeeld nooit echt gerold op het moment dat ‘standaard’ baby’s dat doorgaans doen. Maar op 7 maanden ging hij zitten, op 9 maanden kroop hij, op 1 jaar stapte hij en op 2 jaar zingt hij alle kinderliedjes mee en praat hij mij bijna onder tafel. Ik durf er dus gewoon op vertrouwen dat het wel snor zit met mijn kinderen en dat de natuur zijn gang wel zal gaan.

Ook de doorslaapdruk voelde ik veel erger bij Kasper dan bij Elias. Ik dacht écht dat ik iets verkeerd deed omdat hij die eerste maanden niet doorsliep. Maar nu weet ik dat er veel over gelogen wordt (vermoedelijk evenveel als over seks) en dat de methodes om hen snel te laten doorslapen gewoon niet passen in mijn aanpak. Dus ik laat het los en ik aanvaard dat het eerste levensjaar er eentje is met onregelmatige slaap. Kas sliep uiteindelijk de klok rond net voor hij 1 jaar werd. Elias zal vermoedelijk iets gelijkaardigs doen. Dat is ok. Ik loop wel eens gefrustreerd rond omdat ik moe ben en alweer geen nacht doorsliep, maar dat vreet dan enkel nog meer energie dus ik probeer er niet mee bezig te zijn.

Ik probeer mijn kinderen wel een beetje af te schermen van het gejaagde weekendleven. Wij kiezen de activiteiten die we doen zorgvuldig uit en we proberen ook altijd te zorgen voor voldoende rustpunten. Hen van het ene naar het andere slepen is niet ons ding. Kas kon daar als kleine baby niet zo heel goed tegen en dat heeft denk ik zowat de toon gezet voor onze aanpak. We merken dat hij bijna altijd goed gezind is en ik wijt dat voor een stukje aan genoeg slaap en niet te veel drukte.

Voorlopig valt het hier nogal mee dus met die ‘druk’. Belangrijk is denk ik hoe jij je als ouder al dan niet onder druk laat zetten over wat ‘normaal’ is en over wat ‘hoort en niet hoort’. Sommige mensen zullen misschien met hun ogen rollen over onze aanpak, maar dat is dan maar zo. Ik ga er echt van uit dat iedereen zijn kinderen graag ziet en het beste met hen voorheeft. Hoe je dat invult, dat kies je zelf.

 

 

 

 

Ouderzonden: Ira

Intussen zitten we al aan de voorlaatste blogpost in het kader van ‘ouderzonden’. Deze week gaat het over ‘IRA’ – ’t is te zeggen over woede, toorn, gramschap. De vraag die erbij hoort: “Wanneer komt er stoom uit je oren? Wanneer word je echt boos op de kinderen en hoe ga je daar dan mee om?”

Ik moet zeggen dat ik dit tot hiertoe de moeilijkste vraag van ze allemaal vond. Want toen ik zo eens stilletjes nadacht in mijn hoofd, besefte ik dat eigenlijk helemaal niet zo vaak boos word op mijn kinderen.
Dat betekent zeker niet dat ze altijd superbraaf zijn (Elias wel, maar dat telt niet). Kasper heeft zeker zijn streken en hij kan mij bij momenten echt moeiteloos het bloed vanonder mijn nagels halen. Dat doet hij bijvoorbeeld door te zingen van ‘Inne maaaaneschijn inne maaaaneschijn *mompelt onverstaanbaar* oppe raamkozijn’ te zingen wanneer hij eigenlijk van Slaap kindje Slaap zou moeten doen. Of wanneer hij zijn eten uit zijn bord schept en het naast zijn stoel op de grond laat vallen ‘voor de poes.’ Of wanneer hij ALLE pampers uit het mandje haalt omdat hij de onderste pamper voor de pop wil gebruiken. Of toen hij enkele weken geleden plots zijn broer begon te bijten wanneer ik even uit de kamer was.

Op die momenten komt er wel eens stoom uit mijn oren. Maar dan haal ik diep adem en dan zie ik al heel gauw in dat er doorgaans een duidelijke reden achter zijn gedrag zit. Hij wil effectief eten geven aan de poes en dat beest zit hem ook aan te moedigen door rond zijn stoel te draaien. En hij wil graag voor de pop zorgen zoals mama voor hem zorgt. En in het bijtgeval: ik begreep niet waarom hij opeens Elias pijn zou willen doen. Hij is eigenlijk altijd betrekkelijk blij geweest met zijn broer en hij vindt het vooralsnog meestal ok om rekening met hem te houden (behalve speelgoed delen, da’s nog een moeilijke). Ik vertelde hem heel duidelijk dat bijten niet mocht (ik probeer de boodschap nooit persoonlijk te maken dus ik zeg: “In dit huis doen wij elkaar geen pijn!”) en hij weende onmiddellijk dus hij wist best dat hij iets verkeerd deed. Toen hij het nog eens deed en ik hem daarna ook zijn tanden op elkaar hoorde slaan terwijl hij met de auto’s speelde, viel mijn frank. Ik vroeg hem of hij tandjespijn had en hij zei van ‘ja’. De opluchting was zichtbaar op zijn gezicht. We hebben dan samen een bijtring gekozen die hij leuk vond en sindsdien komt hij altijd vragen of hij op de aap mag bijten als hij pijn heeft. “Niet Elias bijten”, zegt ie dan, “echt niet.”

Ik geloof dus nogal sterk in grenzen aangeven op een positieve manier en zeker en vast zonder te roepen. Als ik merk dat hij over die grenzen gaat, dan ga ik altijd op zoek naar het achterliggende gedrag. Wanneer hij bijvoorbeeld dingen in het rond begint te gooien, dan is dat vaak omdat hij zich verveelt en even niet ‘tot spel komt.’ Als ik dan de tijd neem om hem weer op gang te zetten, dan is hij in geen tijd weer vertrokken en dan kan hij weer verder spelen. Mocht ik ervoor kiezen om mij op zo’n moment erg boos te maken, dan weet ik dat hij op zijn beurt luid zou antwoorden en zou huilen en dan zouden we nog verder van huis zijn. Tot hiertoe werkt mijn aanpak goed en ik voel mij er zelf ook het beste bij.

Die enkele keren dat ik wél echt boos word (en die zijn er), dan is er meestal een samenloop van omstandigheden. Ik ben heel moe, de dingen lopen niet allemaal even vlot, iedereen heeft tegelijk verdriet, niemand wil slapen behalve mama, de eieren vallen kapot op de keukenvloer, ik kan even zijn zeurstemmetje niet aan en het lukt me niet om hem te vragen om het op een andere manier te zeggen. Als ik dan boos word (omdat ik reageer vanuit vermoeidheid, frustratie, ergernis), dan voelt Kasper dat onmiddellijk dat er emotie zit achter wat ik zeg. Hij voelt het feilloos aan wanneer ik niet helemaal goed in mijn vel zit en dus niet stevig in mijn ‘leider’schoenen sta. Hij merkt dat ik de situatie minder onder controle heb dan anders, hij weet dat hij me wat uit mijn lood kan slaan. Kinderen hebben daar voelsprieten voor en mijn oudste zoon heeft twee sets gekregen denk ik soms. Hij reageert dan vaak met dezelfde dingen die hij dan op mijn gezicht ziet: frustratie, verdriet, ergernis. Ik zeg hem dan: mama gaat nu even hier zitten tot ze weer kalm is en dan kom ik jou helpen. Of soms ga ik heel traag het afval sorteren en probeer ik mij te concentreren op wat ik buiten hoor (en niet op wat er in mijn hoofd rond zoemt). Achteraf verontschuldig ik mij want ik vind het belangrijk dat hij leert dat iedereen fouten maakt en dat dat mag, maar dat je verontschuldigen wel belangrijk is.
“Sorry Kasjebasje”, zeg ik. “Dikke kus op geven, mama”, zegt hij. Dan moet ik soms bleiten omdat hij het snapt en omdat hij lief en zoet is.

Afgelopen vrijdag riep hij me opeens (ik was aan het werk in de woonkamer). Aan zijn smoel kon ik zo zien dat hij gekleurd had en dat hij wist dat het niet was op de daartoe voorziene plaats (oppe blad teken mama!). Hij had op de kast van zijn keuken getekend. Ik deed van “Kasper?” (met één hand in de zij, dat spreekt). Hij zei: “Ja?” – de tactiek van krommen aas – as usual. Ik keek heel verontwaardigd naar zijn schrijfsels op de kast. “Oh!”, zei hij, alsof hij plots weer besefte waarom hij mij geroepen had, “kijk, naam mama schrijven!”. Ik zei dat ik het heel tof vond, maar dat het toch echt niet mocht op de kast. Ik vroeg hem hoe we dat nu samen zouden kunnen oplossen want ja, nu was er natuurlijk wel op de kast getekend. Zonder iets te zeggen, liep hij naar de keuken en haalde hij er een propere vod uit. “Kas pjoper maken!” zei ie. En als niet getuigt van het feit dat mijn aanpak van ‘samen problemen oplossen’ werkt, dan toont het tenminste dat hij weet waar de vodden liggen. En dat is toch ook al wat.

 

Disclaimer: voor de moeder die onzeker wordt na het lezen van dit berichtje – het is niet altijd zo. Ik verlies mijn geduld ook regelmatig. Ik denk soms ook: kan ik niet beter gewoon even luid schreeuwen zodat ie zijn bek houdt? Want eerlijk, deze aanpak vraagt erg veel. En soms gaat hij de vod niet halen als hij iets vuil maakt en dan moet ik al zijn rommel opkuisen. En soms dan roept hij tegen mij omdat hij zijn zin niet krijgt. Maar soms dan lukt het, zoals ik hierboven beschreef en dan ben ik weer helemaal overtuigd van deze aanpak. En als jij het graag anders doet, lieve andere mama, en jij bent daar gelukkig mee dan is dat allemaal net zo goed. Ik ben er zeker van dat jij het allerbeste voorhebt met je kind(eren). 

IMG_6295

 

 

 

Ouderzonden: Invidia (nijd-jaloezie-afgunst)

We zitten intussen al aan de vierde van de zeven hoofdzonden. De andere kan je hier, hier en hier lezen. Deze week gaat het over Invidia ofte Nijd en Jaloezie. Toevallig twee emoties die ik dagelijks wel eens voel – niks groots maar wel in kleine steekjes.

Want ik voel wel eens een prik van jaloezie als ik door mijn Instagramfeed scroll en ik zie perfecte witte keukens met mooie kookeilanden waar vrolijke brooddozen in elkaar geknutseld worden. Waar foto’s gemaakt worden met perfecte lichtinval en kinderen die zich gewillig dezelfde outfit als hun ouders laten aanmeten- uiteraard allemaal zelf gemaakt. Kinderen die kleren aanhebben die gebreid zijn en voornamelijk in de tinten beige en zalmroze. Kleren die vermoedelijk nog nooit geel zagen van een plotse kakaanval.

Dan zucht ik wel eens. Want ik kook graag en ik kook ook graag vers en gezond, maar als ik er ook nog eens artistieke brooddozen ga moeten bijnemen dan ga ik helemaal zot worden denk ik. Dus wanneer Kas in september naar school gaat, dan zal hij een snoezige brooddoos krijgen met daarin keisaaie boterhammen met kaas en choco. Eten in vrolijke figuurtjes dat zal hij krijgen als het vakantie is en ik alle boeken van de wereld al gelezen heb waardoor ik veel tijd heb om halve druiven op tandenstokers te prikken tot ze een mooi egeltje vormen.

Jaloezie passeert ook wel eens als ik prachtige knutselwerkjes zie – samen met mama gemaakt. Ik kan namelijk echt niet knutselen of tekenen. Toen ik vroeger een giraf tekende voor Janne – met veel precisie, ik zweette peentjes van de inspanning – zei het kind doodleuk ‘FIETS’ toen ze hem zag. Als kind haatte ik de vrijdagnamiddag in de lagere school omdat het dan knutselen was. De rest van de klas haalde opgelucht adem dat het lezen en schrijven en rekenen er weer op zat voor een week terwijl mijn cortisolniveau los de hoogte inschoot bij het idee dat ik weer de hele namiddag onhandig zou moeten klungelen met stiften en scharen. Ik was altijd als eerste klaar en dat was zelden een goed teken. De mooie knutselwerkjes werden altijd boven de deur gehangen voor een week. Dat van mij heeft er maar één keer gehangen en dat was omdat de juf na 51 weken echt niet anders meer kon en het toch de dag erna zomervakantie was.

Als het dus op knutselen aankomt, dan zal Kasper van mij niet veel leren behalve misschien hoe hij moet omgaan met frustratie. Ik geniet nu dus nog even volop van die heel korte periode in mijn leven waarin ik beter kan knutselen en tekenen dan mijn kinderen. Ik maakte onlangs een muis uit plasticine voor Kas en hij zat helemaal te glunderen. Als hij nu de klei boven haalt dan vraagt hij mij steevast om opnieuw een muisje te maken. Ik voel mij een hele baas wanneer ik mijn misbaksel aan hem presenteer en hij heel uitgelaten roept: JA MAMA! MUIS!

Er zijn nog wel wat dingen die ik graag wat beter zou kunnen: go with the flow – op sommige dagen, mij niet druk maken, mij geen zorgen maken over dingen die nog ver in de toekomst liggen en die ik toch niet in de hand heb, de boel de boel laten, mezelf niet honderd keer per dag voor de kop slaan voor kleine onbenulligheden die niet perfect lopen maar het is de aard van het beestje. Met veel werk en geduld kom ik elke keer wat dichter bij (zelf)aanvaardig en mezelf wat liever zien.

Zoals mijn ouders vroeger zeiden wanneer ik jaloers was op iets wat iemand had of kon: “Vergelijk jezelf niet met anderen, daar word je enkel ongelukkig van.” Ze zegden er ook nog bij dat er net zo goed mensen waren die vermoedelijk een beetje groen naar iets van mij keken. Ze hadden natuurlijk gelijk. Er zullen altijd mensen zijn die meer hebben, die andere dingen kunnen, die iets kunnen wat ik nooit nog maar een klein beetje tot mijn capaciteiten zal kunnen rekenen. Maar zo gaat dat in de wereld. Je kan niet alles hebben en de gelukkigste mensen zijn diegenen die vrede hebben met zichzelf.

Hoe zei God dat ook weer in de Bijbel – Zalig zijn de menschen verstoken van knutseltalent, want zij zullen vertroost worden.

IMG_6158

Ik ben gewoon de Salvador Dali onder de plasticinegebruikers.