Kiezen. Koos. Verkozen.

Gisteren beloofde het nog een laatste keer heel schoon weer te zijn. Maar gelukkig was daar de democratie en een sporthal zonder ramen waardoor ik daar pas vanaf 14.00 deel van mocht uitmaken. Want ondergetekende was voor de eerste keer voorzitter van een stembureau. Ik zou u nu een lange blogpost kunnen schrijven over hoeveel papieren ik moest invullen, over wie er in onze gemeente met de meeste stemmen aan de haal ging of over hoe het was om voorzitter te zijn. Maar wat ik vooral leerde vandaag, was hoeveel verschillende soorten kiezers er bestaan.
Luistert u even.

  1. Veruit de meest voorkomende kiezer, is de onopvallende schuifelaar. Het is de vrouw die in stilte haar pas en oproepbrief onder mijn neus schuift. Het is de man die een soort van berengrom antwoordt op mijn groet. Het is de Vlaming die vooral niet wil opvallen, geen tijd wil verprutsen en in stilte wil doen wat hij moet komen doen. In mijn kiesbureau waren er heel wat schuifelaars. Eentje had een trui met rits aan, en geen t-shirt. Dat was bijzonder.
  2. De tweede grote groep kiezers, zijn de pas-bewakers. Het zijn de kiezers die met héél veel tegenzin hun paspoort afgeven. Het zijn de mensen die ons bleven aanstaren tot we garandeerden dat ze hun paspoort zéker zouden terugkrijgen nadat ze gestemd hadden. Ze wierpen nog een laatste angstige blik op hun paspoort dat nu zo moederziel alleen op onze tafel lag en stapten dan het stemhokje in. Nadat ze hun bolletjes gekleurd hadden, riepen ze “mijne pas!” van zodra ze het stemhokje weer verlaten hadden. Dat moeten drie angstige minuten geweest zijn.
  3. De derde groep, is ongeveer even groot als de pas-bewakers. Het zijn de pas-vergeters. Dat zijn de mensen die net zo angstig als de leden van groep twee hun pas op tafel leggen. Ze kijken me misnoegd aan wanneer ze horen dat ze hem nog niet meteen terug krijgen maar besluiten dat verzet zinloos is en gaan dan toch maar stemmen. Eenmaal uit het stemhokje gekomen, steken ze hun brieven in de juiste doos. En dan moeten wij ze terug roepen terwijl we wapperen met oproepbrief en paspoort. “JUST – MIJNE PAS!”.
  4. Aansluitend bij deze groep: de mensen voor wie het evidente niet duidelijk is. Dit soort kiezer stapt uit het stemhokje en vraagt: “dus de groene papieren in de doos met de groene letter en de witte in de doos met de witte letter?” waarop hij het witte blad in de groene doos steekt of alles tesamen in de witte doos. Top!
  5. Kan ook niet ontbreken: de flauwe plezante. Het is de man die ons smalend zegt dat het buiten nog zo’n schoon weer is. Het is de man die naar onze belegde broodjes wijst en vraagt welk broodje er voor hem is. Het is de man die iemand van mijn stembureau herkent en al bulderlachend zegt: “da’s hie de job van ulle leven zekers!” (verder lacht er nie-mand want hij is tenslotte al de driehonderdeendertigste die het mopje maakt). Het is trouwens altijd een man.
  6. Tekent ook present (op elk dorpsfeest overigens): de mens die zorgt voor de overbodige vragen. Het is de kiezer die mij overduidelijk kan zien zitten en dan toch voor de zekerheid vraagt: ‘Ah, gij zit hier?’. Het is de mens die tegen iedereen voor hem en achter hem bulderlachend zegt: “voor de goei he!” (verder lacht er nie-mand want hij is tenslotte al driehonderzevenvijftigste die het mopje maakt).
  7. En dan – last but not least – : de paniekerige vrouw. Dat is een geval apart. Vermoedelijk is ze heel vroeg opgestaan zodat ze als eerste om 8 uur kon komen stemmen. Daar liep het al mis want aan ons bureau stond meteen een erg lange rij. Toen ze dan eindelijk aan onze tafel stond, bleek dat haar volmacht niet in orde was. Haar stem ging meteen wat de hoogte in. We probeerden haar rustig uit te leggen welk document er ontbrak en verzekerden haar dat de wereld zou blijven draaien.
    Ze vertrok en kwam een half uur later licht bezweet terug en nog wat paniekerig terug. Toen we haar zegden dat ze ook haar eigen oproepbrief moest afgeven om te kunnen stemmen met volmacht, ging ze zo hoog spreken dat enkel de honden en de vleermuizen in de gemeente nog echt konden begrijpen wat ze stond te piepen. We probeerden haar rustig uit te leggen dat het echt niet anders kon en verzekerden haar dat de wereld zou blijven draaien.
    Nog 20 minuten later kwam ze terug – eindelijk met alle documenten. Ik denk niet dat ze nog iets zei – en anders was het zo hoog dat ik het niet meer kon begrijpen. Ze stemde dan toch met volmacht en gritste haar oproepbrief terug van de tafel. Sorry mevrouw, dura lex – sed lex.

Ik keek er eerst nogal tegenop, tegen dat voorzitten. Ik ben graag de baas, maar liefst op eigen initiatief. Maar gelukkig wilde mijn BFF een nieuw avontuur met mij instappen en mijn secretaris zijn en dat verlichtte de pijn aanzienlijk. Mijn bijzitters bleken ook erg toffe mensen en zo werd het zelfs een aangename zondagvoormiddag daar in onze zuurstofloze sporthalbunker.

Voorwaar ik zeg u, lieve lezers, de democratie was in onze gemeente in goede handen.
En het deed deze voorzitter veel plezier te zien dat de belangrijkste instructie nog steeds gewoon op het stemhok geschreven staat.

IMG_3352

Advertenties

In mijn hoofd/ In mijn hart

Dat sommige dingen voor altijd in je hoofd zitten, dan merk ik de laatste tijd meer dan ooit. Sinds kort is mijn oudste zoon namelijk opeens me-ga-fan van de muziek van Samson & Gert.

Een tijdje geleden stak ik op een vrolijke zaterdagochtend de eerste cd in onze cd-speler (overigens de enige waar ‘Samson’ opstaat en niet ‘Samson & Gert’). Hij was echt meteen verkocht. De volle 48 min en 36 seconden heeft hij rondjes gedanst voor de boxen van de radio. Sindsdien moet er overal en altijd Samson opstaan: in de auto, tijdens het eten, twee seconden nadat we wakker zijn, al-tijd.

En zo komt het dus dat ik besefte dat het blijkbaar perfect mogelijk is om tegelijk géén geheugen te hebben (lees: één ding moeten hebben van de winkel en daar aangekomen totaal niet meer weten wat je kwam kopen) en een olifantengeheugen (lees: alle nummers nog kunnen meezingen). Ik herinner mij per-fect de mopjes in de liedjes (“Ja! We gaan swingelen!” in de Samsonrock), de liedjes die ik oversloeg want eng (nummer 3 Slaapliedje en nummer 11 neefje Kwik) en de stukken die we naspeelden op de speelplaats (het aftellen bij ‘In de disco). Ik kan bijna zien hoe mama de cd voor mij in de cd-speler stopt en hoe ik daarna rondjes rond onze ronde salontafel dans. Ik zie mezelf op zondagmorgen de trap afkomen en meteen de zetel induiken om Samson te kijken. Ik voel weer de grote, zware, glazen kom op mijn schoot die ik onder mijn pistolets (een keizerpistolet want die kon ik zelf in maantjes trekken) moest houden tegen het kruimelen. Ik kan mijn broer zien komen binnenschuifelen – voor de vorm zegt ie dat hij Samson stom vindt en voor kinderen. Daarna kijkt ie gewoon mee.
Nu ik het zo na ga bij mezelf, zijn er stukken van Samsonliedjes die nog steeds spontaan naar boven komen bij bepaalde momenten in mijn leven. Het is sterker dan mezelf. Toen we de voorbije jaren niet op vakantie gingen maar gezellig van Staycation deden, neuriede ik “Niet ver weg” terwijl ik het zwembad van de jongens vulde. Als ik een stevig staptempo probeer aan te houden, dan zing ik in mijn hoofd van “Wij zijn piraten van de zee en al wie zin heeft vaart maar mee” (ik kan er ongeveer 6,4 km per uur mee halen als ik wat door zing). En als ik zonder duidelijke reden erg vrolijk ben, dan zing ik van ‘krakzodemattebomladeropka fluitappekruttekui grotse knoot’ (vindt Kas werkelijk hi-la-risch). Mijn platencollectie als kind bestond uit 6 cd’s van Samson & Gert en die heb ik allemaal grijs gedraaid. En al die oorwurmen hebben zich onlosmakelijk in mijn hersenpan vastgezogen. Voor eeuwig Samson neuriën, het zal mijn deel zijn.

Als we dan toch bezig zijn met dingen voor altijd in te kapselen in mijn hersenpan, dan zijn er nog wel een aantal zaken die ik graag nooit wil vergeten.
Hoe Kasper zegt dat hij graag naar “Sukse en Wikse” kijkt en dat hij samali op zijn boterhammen wil. Of hoe hij me bij elk nummer van Samson vraagt: “Ken jij dit liedje, mama? Dat is van Samsom!”. Of hoe hij elke dag wel honderd keer zegt dat hij nog iets aan juf Annelies moet vertellen, of aan oma, of aan nonkel Pieter Jan of aan papa. Of hoe hij me zijn eigen wensen als “goede afspraken” verkoopt (“We zullen samen één koekje eten en dan is het genoeg. Is dat een goede afspraak, mama?”). Of hoe hij gisteren voor het eerst met “ik zie jou ook zo graag” antwoordde toen ik bij het slapengaan vertelde hoe graag ik hem zie. Of hoe hij naar zijn broer toeloopt en hem een handje wil geven, of Elias dat nu zelf wil of niet. Of hoe hij naar schaapjes wijst en “ooh! hoe lief!” zegt.

Ik hoop dat ik nooit zal vergeten hoe we samen naar de bakker gaan, hoe we blaadjes van de brug in de rivier gooien en dan naar de andere kant lopen om ze nog eens te zien passeren, hoe hij ‘sneller, mama!’ roept als ik alweer moet hollen om op tijd op school te zijn, hoe we naar de kinderboerderij gaan en hij ons telkens een rondleiding geeft alsof we er nooit eerder waren en hij er dagelijks komt. Ik hoop dat ik nooit vergeten zal hoe het voor hem evident is wie er overal mee naartoe gaat met hem en hoe hij er toch op staat om telkens iedereen op te sommen – om zeker te zijn dat we allemaal weten om wie het gaat: mama, papa, Kas en Eli. Ik hoop dat ik nooit vergeten zal, dat ik ook weet om wie het allemaal gaat: om papa, mama, Kas en Eli.

Processed with VSCO with c1 preset

 

Camera obscura

In maart overleed mijn nonkel Johan, daar schreef ik eerder al wat over. Ik denk nog vaak aan hem. Want hoewel wij elkaar amper zagen, was hij toch aanwezig in mijn leven. We stuurden elkaar e-mails. De ene keer begreep ik wat ie zei, de andere keer moest ik lezen met het woordenboek ernaast of ging ik in elke zin eerst op zoek naar het vervoegde werkwoord om zo de zinsconstructie enigszins te achterhalen. Het was dus geen ‘gewone’ familierelatie, maar bon. (Bestaan die wel?) Ergens onderweg had ik besloten te handelen naar mijn gevoel en niet zozeer naar wat als ‘normaal’ beschouwd zou kunnen worden. Dat creëerde een vrijheid en die heeft ons – toch zeker in de laatste jaren – wat korter bij elkaar gebracht.

Toen hij in maart zo heel erg snel van diagnose naar overlijden ging, konden mijn hoofd en hart dat tempo niet helemaal volgen. Ik had het al eens meegemaakt – iemand die er altijd geweest was naar iemand die er nooit meer zou zijn – maar ik was er klaarblijkelijk niet beter in geworden. Een maand of twee later ging ik met mijn broers, mijn neven en mijn tante en oom het huis van nonkel Johan leegmaken. We vonden bizarre dingen (lege afgewassen doosjes waar in 2000 filet americain had ingezeten – mannen alleen, wie begrijpt ze?), echte schatten (cassettes van Pink Floyd! En van Randy Newman! Het trouwboekje van mijn grootouders! nieuwjaarsbrieven van ons alle vijf!), grappige dingen die we herkenden (zijn flashy fuchia trainingspak mét bijhorende zweetband) en dingen die we zonder nadenken in de container gooiden (hopen hopen hopen gazetten, Knacks, parochiebladen, you name it). Enkele spullen namen we mee. Die kregen een nieuwe bestemming in onze huizen. “’t Is gek,” zei ik tegen mijn tante, “maar doordat hij er nu niet meer is, zien we elkaar wat vaker en ik ben altijd zo blij als ik samen ergens ben met alle jongens. Dan ben ik echt helemaal op mijn plek.”

Ergens in een kast vonden we nog een oude camera. Zo’n exemplaar dat je nog moest doordraaien na het nemen van een foto. Wel al zo’n – toen toch – hip ding dat een klein zwart venstertje voor de lens sloot wanneer je de camera niet gebruikte. Ik nam het mee om de foto’s te laten ontwikkelen. Maanden heeft het hier op de kast gestaan. Ik pakte de camera af en toe eens vast. Achteraan hing een kleine post-it met cijfers op. Een telefoonnummer? De datum waarop het rolletje in de camera ging? Afmetingen van iets? Ik heb het nooit kunnen uitvogelen wat het precies was. Ik draalde om de camera naar de fotograaf te brengen. Ik wilde weten wat erop stond en toch weer niet.

Maar afgelopen week deed ik het eindelijk. Ik bracht het cameraatje binnen. “Volgende week vrijdag zal het klaar zijn”, zei het meisje aan de toonbank. “Da’s best lang”, dacht ik bij het buiten stappen. Maar in de loop van de week kwamen de herinneringen terug aan foto’s ontwikkelen zoals dat vroeger ging: twee wegwerpkodakjes mee op kamp – eentje voor binnen, eentje voor buiten. De flash die moest opladen en rode pinkende lichtje wanneer het klaar was. Pas doordraaien wanneer je een foto wilde maken want anders maakte je waarschijnlijk foto’s van de binnenkant van je rugzak. Enkele foto’s die ik maakte kon ik onthouden en ik hoopte vurig dat ze goed gelukt waren (die van mijn lief met zijn blonde krullen aan de fontein in Frankrijk), anderen waarvan ik vergeten was dat ik ze gemaakt had (selfies avant la lettre met Paulien op een plein in Krakau). De week wachten op het ontwikkelen en dan nog voor ik goed en wel buiten stond de foto’s bekijken: eerst razendsnel de hele stapel, daarna allemaal nog eens één voor één – op zoek naar details.

Mijn verwachtingen gingen alle kanten op dit keer. De fotograaf had al aangegeven dat de foto’s waarschijnlijk kwalitatief niet zo goed zouden zijn omdat het rolletje al zo lang in de camera zat. Dat kon me niet zo deren. Want er zou hoe dan ook wel iets opstaan wat ik zou herkennen. Misschien stonden er wel leuke familiefoto’s op van ergens in de jaren ’90. Misschien had nonkel Johan ooit een geheim lief gehad en zouden we haar te zien krijgen. Of hem, wie weet. Misschien had hij foto’s gemaakt op een lezing over Steiner en zou ik gezichten kunnen plakken op de mensen die hij sporadisch vermeldde in e-mails. Misschien maakte hij lange wandelingen en kiekte hij ‘skone vuuwe’ zoals mijn West-Vlaamse grootmoeder het altijd zei. Misschien had hij een vreemde hobby waar ik liever niks over zou weten en zou ik daar nu mee geconfronteerd worden. Misschien had hij wel foto’s gemaakt van het huis van mijn grootouders voor het tegen de vlakte ging (ik deed het zelf niet en ik vind dat nog altijd zo heel erg jammer). Of misschien – en die verwachting was natuurlijk het scherpst van ze allemaal – stonden er wel foto’s op van papa die ik nog nooit gezien had. Nieuw voer uit het verleden voor een hongerige verzamelaarsziel zoals de mijne.

Wat het uiteindelijk werd, daar had ik geen rekening mee gehouden: het rolletje bleek leeg. Het was een ongebruikt exemplaar dat hij in de camera had gestoken ergens in de jaren ’90. Hij was misschien vergeten dat het erin zat. Of hij had niets de moeite waard gevonden om te fotograferen, dat zou ook kunnen. Of fotograferen was gewoon zijn ding niet geweest. Ik ga voor optie nummer drie – omdat dat de mooiste uitleg is en omdat het wel past bij hoe ik hem kende.

Ik kreeg geen foto’s dus, ik ontdekte geen geheimen, geen schatten, geen nieuwe beelden om te koesteren. Maar wat ik wel kreeg, was nog eens het gevoel van ergens op te wachten. Van uitkijken naar, van voorstellen en inbeelden, van geduld – ook al werd het niet echt helemaal beloond. Ik verkies om de ervaring op die manier om te buigen tot iets positiefs. En in de tussentijd maak ik – waar ik ook kom – foto’s van oude kapperszaken, bij gebrek aan foto’s van die éne kapperszaak die ik zo graag zelf gefotografeerd had toen het nog kon.

IMG_0889

 

GodverDamme

We slenteren door het dorpje. De markt staat vol fietsers. Ze kijken op kaarten of wijzen naar lege tafels op terrassen. Er is ook één gezin Indiërs dat zich met de taxi liet afzetten. Ik grinnik en kijk rond of nog iemand dat gezien heeft.

Zoals gewoonlijk zoek ik de kerk. Ik wijs de toren aan voor Kas. “Gaan we daar een kaarsje branden?” vraagt ie. Ik knik en samen bespreken we aan wie we dit keer zullen denken wanneer we de lont van de kaars aansteken. ’t Is meestal Kaatje of nonkel Simom. Onder mijn aansturen gaan we ook vaak voor onze buurman die wel wat kaarsjes gebruiken kan.

Aan de kerkdeur worden we aangesproken door een man. Eind in de 60 gok ik. Wit haar. Schoon hemd over zijn dikke buik. Hij spreekt West-Vlaams maar legt zijn accenten wat vreemd. Ik vermoed dat hij Franstalig is. Hij bestudeert de buggy. Kasper zit op het meerijdplankje. Veel bekijks heeft dat ding ons al opgeleverd. “Zullen we dan een kaarsje branden?”, vraag ik aan Kas. “Ah zeker!” antwoordt de witte man in zijn plaats. “Brand er maar twee! Ik zal betalen”, zegt ie. “We zullen wel nu wat stilletjes moeten zijn, jongen,” en ik begin al half te fluisteren. Maar de witte man kijkt me gespeeld verontwaardigd aan: de kerk is er voor iedereen. Stilte vraagt ie enkel wanneer de dienst bezig is. ‘Aha’, denk ik, ‘ ’t Is de pastoor’.  Wie anders trakteert er ook met kaarsen?

Ik duw de buggy de kerk binnen en word onmiddellijk overvallen door het licht. Overal laten de grote ramen de zon gemakkelijk binnen. A-typisch voor een kerk zijn het geen donkere glas-in-loodramen met taferelen van het leven van Christus maar witte kleine ruitjes. Dit is mijn soort kerk. Het is er licht. Ze staat vol bloemen. Geen overschotten van begrafenissen, maar kleurrijke bloemen. Sommigen komen recht uit het veld. Ze zijn geplukt en in een vaas gezet in plaats van perfect ingebonden. Er ligt een strooien hoed aan het altaar op de grond. Er staat een picknickmand met zonnebloemen in. Er mag leven zijn.

Aan het prikbord aan de ingang hangt een tekst over de kerkdeur.

De kerkdeur

Hij stelt ons de vraag:
heb je er wel eens over nagedacht,
wat er gebeurt als je door een kerkdeur naar binnen gaat?
Heb je wel eens aan den lijve ondervonden,
dat zo een deur een verbinding is tussen twee werelden?
Aan de ene kant van de deur
ligt het rumoerige, dagelijkse leven van werken en zakendoen.
Het leven met zijn zorg en zijn gezelligheid,
het leven waarvan wij genieten met zoveel goeds en 
ook met zoveel kwaads, narigheid, leugen, bedrog en achterdocht.
Aan de andere kant, de ruimte waar wij,
met al onze onrust en onze zorgen tot rust kunnen komen.
In die ruimte is het licht anders.
Het wordt getemperd door de sfeer van beschouwing 
en gebed, van dieper en anders zien.
Die ruimte is indrukwekkend door haar sterke muren
de oprijzende pilaren en de hoge gewelven.
Dat is de ervaring van vele toevallige bezoekers, pelgrims en toeristen.
Het moge de ervaring zijn van elke kerkganger, die door de kerkdeur naar binnengaat.

Processed with VSCO with c1 preset

Schoon, denk ik. En waar. Als vanzelf ga ik fluisteren als ik een kerk binnenstap. Mijn kinderen gaan er – meestal – ook stiller praten (behalve wanneer ik hen zeg dat ze geen koeken meer krijgen dan maakt het niet echt uit waar we zijn). Ik zoek automatisch de kaarsjes op. Er staan er meestal kleine ronde rode en lange witte. Twee witte kiest Kas dit keer en we steken ze samen aan. Ik denk aan papa, zoals altijd wat vaker wanneer ik op West-Vlaamse bodem rondwandel. ‘Vadertje’ denk ik en ook ‘Papa’. En voor de honderdduizendste keer vloek ik ook. ‘Dju toch’. Merde.

Ik blijf staan voor een pilaar en kijk naar een wat kitscherige uitvoering van Maria met kind. Mijn Paulien kent alle verschillende Maria’s – handen open, handen toe, met kind, zonder kind, in’t blauw of niet. Deze versie heeft een soort zilveren cape. Het zal Maria van Star Wars zijn, bedenk ik me. Op de grond lees ik nog over Jacobus die daar ligt. Hij was er priester meer dan 200 jaar geleden. Barbara ligt daar ook – de huisvrouw. Ze stierf maar enkele dagen later. Zou het ook liefde geweest zijn tussen die twee, vraag ik me af? Stiekem? Of heel het dorp dat ervan wist? ’t Is ze van harte gegund – die liefde. Misschien stierf ze wel aan een gebroken hart? De steen barst net waar haar leeftijd staat. 31 gok ik. Dan zal het wel een gebroken hart geweest zijn.

Processed with VSCO with c1 preset

Ik duw de kinderen in hun mini-caravaan weer naar buiten.
Ik draai me nog één keer om naar het licht
en stap dan weer
de andere wereld in.

Vandaag

Luister ik eindeloos dit en dit en dit en dit . Ik loop door het huis en neurie verbeten mee (but listen carefully to the sound of your loneliness like a heartbeat drives you mad in the stilness of remembering what you had and what you lost).

Besta ik uit kleine stukjes. De samenhang is zoek. Wat waar gaat, dat ben ik even vergeten.

Raap ik kleine spullen op, verdwaald en op de verkeerde plek terecht gekomen. Ik steek ze in een mandje en probeer ze weer juist te zetten.

Kijk in de spiegel en speur mijn gezicht af. Ik zie wat ik eerder al eens zag. Ik kijk lang in mijn eigen ogen tot ik bijna door mezelf heen kan kijken.

Leg ik mijn hand op mijn buik en probeer ik te ademen. Ik moet soms nadenken over hoe dat ook weer moest. En hoeveel te meer ik nadenk, hoeveel te moeizamer het gaat.

Rijd ik naar papa met de ramen open. Ik steek mijn hand uit, spreid mijn vingers, voel het door mijn vingers glijden. Ik herken wat ik bij hem soms zag. De melancholie. “De wereld is even zwaar voor mij – vandaag”, zei ie. En: “Neen, natuurlijk ben ik niet boos op jou, Saartje”.

Zeg ik mezelf waar ik ben en wat ik doe. Je zit op een stoel en je schrijft.

Doodnormaal

Mijn kinderen gaan bijna wekelijks naar het kerkhof. Aangezien mijn papa en hun grootvader daar rust, is dat niet abnormaal.

Het is iets wat voor hen bij het leven hoort. Zoals we naar oma gaan, zo gaan we naar opa. Hoewel zo verschillend, is het voor hen eigenlijk hetzelfde.
We laden onze kindjes achterop onze fiets, we gespen hun helmpjes vast en we zijn weg. Onderweg wijzen we naar de dieren die we zien. Richting oma zien we struisvogels en paarden, we zien schapen, we fietsen over een bruggetje en tussen de perenbomen. Elke keer verzekeren we Kas dat de peren inderdaad nog wat moeten groeien. En ja, daarna komt de boer ze plukken en hij brengt ze naar de winkel. Daar kunnen wij ze kopen. “Mama en Kas?”, vraagt ie. “Ja lief, mama en kas en alle andere mensen die graag peren eten.”
Richting opa zien we twee uilen. Ze wonen in een veel te laag afgespannen stuk grond. Het is eigenlijk zielig. Ik vraag hem of hij denkt dat de uiltjes niet liever willen vliegen. Hij antwoordt dat ze misschien willen slapen. Dat ze niet veel anders kunnen doen daar op die 10 vierkante meter, dat zeg ik hem niet. Daarna passeren we meer perenbomen (ja, die moeten ook nog wat groeien), koeien met kalfjes (hij legt veel klemtoon op de F – kal-fjes zegt ie), een groot paard en een klein paard en veel velden met maïs. Hij wijst alles aan, benoemt en wij bevestigen.

Hij gaat vragen of er ijsjes zijn, zegt hij al nog voor we de oprit opdraaien. We bevrijden hem uit zijn fietsstoeltje en hij spurt naar de deur. Oma tovert mini-ijsjes tevoorschijn en voor ongeveer 3 minuten en 23 seconden horen we hem niet. Daarna wil hij nog water, een koekje, het kleine balletje, of nee toch de grote. Elias kruipt in zijn kielzog – volgt zijn grote broer als een schaduw. Hij zet zich op zijn zachte pamperpoep en probeert met zijn kleine, korte vingertjes de kruimels van Kasper zijn koekje op te rapen.

Bij opa is het meer van hetzelfde – al moet ik hier zelf voor de snackjes zorgen. Voor we vertrekken, moffel ik nog gauw twee reepjes kinderchocolade in mijn handtas en een flesje water. Ik bevrijd hem uit zijn fietsstoel en hij spurt naar het graf van opa. Ik zet hem neer op het stukje gras, zijn kleine broer naast hem. Wanneer ze het papiertje van de kinderchocolade horen ritselen, kunnen ze allebei niet snel genoeg op mijn schoot zitten. Langzaam eten we samen – blokje voor blokje – de chocolade op. We breken de reep in stukjes en laten allemaal een stukje smelten op onze tong. Het is even stil en rustig. De wind waait door onze haren. “Het windt!”, zegt Kas en ik wil hem niet verbeteren want ik vind het juist.

De dingen die ze doen zijn hetzelfde bij oma en bij opa: koekjes ontfutselen, hard lopen en knieën openvallen, bloemetjes water geven, helpen met poetsen, kijken naar vogels en zwaaien naar dieren. Elias zoekt op beide plaatsen dingen om in zijn mond te steken: kruimels bij de ene, stenen bij de andere.
Ook de dingen die ze voelen zijn – tot hiertoe – gelijkaardig. Ze kijken ernaar uit om hun grootouders te zien. Het ritje naar daar is altijd heerlijk. “Wij zijn met ons viertjes!”, zegt Kas – en hij somt ons allemaal op zodat er geen twijfel over bestaat wie hij bedoelt. We komen aan met veel lawaai – op beide plaatsen. We vertellen wat we meemaakten, dat de juf langs kwam, dat we nieuwe schoenen kochten, dat de zon schijnt en dat alle bloemetjes veel dorst hebben. Het afscheid is ook hetzelfde: een kus voor oma en ook een kus voor opa. Hij zag mij ooit papa’s foto kussen en sindsdien hoort het ook bij Kas z’n afscheidsritueel.

Hun grootouders opzoeken, dat is voor mijn kinderen bijna dagelijkse kost. Dat hoort erbij. Dat is – gelijk ze zeggen – doodnormaal.

Processed with VSCO with c1 preset

Rijk

Als ik denk aan alle boeken die ik nog ga mogen lezen en hoe plezant het is dat ik dat zo onwaarschijnlijk graag doe
Als ik de koelkast opentrek en uit zoveel dingen kan kiezen en toch altijd voor de aardbeien ga
Als ik wat rondscharrel in mijn bureau en enkele toetsen induw op mijn piano
Als ik mijn kinderen hoor schaterlachen terwijl ik aan het koken ben – net voordat er eentje begint te mekkeren
Als ik in de Colruyt niet moet kiezen, maar drie verschillende soorten koeken in de kar kan leggen
Als ik mijn vingers over de zijkanten van mijn cd-rek laat glijden en Rumours er nog eens uitpik
Als ik groenteschillen naar het VAM-vat breng en stilsta om de achterkant van ons huis te bekijken
Als ik op zondag met Kas naar de bakker wandel en op de terugweg een kaarsje aansteek voor onze buurman
Als ik in mijn oranje tuinstoel zit en de wind mij de lavendelgeur tegemoet blaast
Als ik met een collega die intussen ook mijn vriend is aan de waterkant over de zelfbewustzijns-ui praat en nog een halve dag nadenk over haar input
Als ik aan de slaapkamerdeur ga luisteren naar de diepe slaapadem van mijn jongste zoon
Als ik kijk naar hoe mijn lief ’s morgens gel in zijn haar doet en dan met gespreide vingers naar de pompbak loopt om zijn handen te wassen
Als ik denk aan mijn familie, aan mijn nichtjes en onze naderende vakantie – allemaal samen
Als ik met een oude vriend die nog altijd gloednieuw aanvoelt onnozel doe op een fuif en me nog eens écht jong voel
Als ik mijn oudste in bed stop en hij – zoals elke avond – “I love you! Doe-hoeg!” roept
Als ik op het trapje aan onze achterdeur ga zitten met een tas thee en de kat langs mijn benen komt kopjes geven
Als ik denk aan de weg die ik heb afgelegd – als vrouw, als partner, als moeder – en hoe ik steeds beter en makkelijker en liever mezelf ben
Als ik besef hoeveel schoner mijn leven aanvoelt sinds ik eraan denk om elke dag mijn zegeningen te tellen
Als ik de lichtjes aansteek boven onze tuintafel zodat de zomeravond nog wat langer kan duren

Dan weet ik
dat ik
de koning
te rijk
ben.

Processed with VSCO with c1 preset