GodverDamme

We slenteren door het dorpje. De markt staat vol fietsers. Ze kijken op kaarten of wijzen naar lege tafels op terrassen. Er is ook één gezin Indiërs dat zich met de taxi liet afzetten. Ik grinnik en kijk rond of nog iemand dat gezien heeft.

Zoals gewoonlijk zoek ik de kerk. Ik wijs de toren aan voor Kas. “Gaan we daar een kaarsje branden?” vraagt ie. Ik knik en samen bespreken we aan wie we dit keer zullen denken wanneer we de lont van de kaars aansteken. ’t Is meestal Kaatje of nonkel Simom. Onder mijn aansturen gaan we ook vaak voor onze buurman die wel wat kaarsjes gebruiken kan.

Aan de kerkdeur worden we aangesproken door een man. Eind in de 60 gok ik. Wit haar. Schoon hemd over zijn dikke buik. Hij spreekt West-Vlaams maar legt zijn accenten wat vreemd. Ik vermoed dat hij Franstalig is. Hij bestudeert de buggy. Kasper zit op het meerijdplankje. Veel bekijks heeft dat ding ons al opgeleverd. “Zullen we dan een kaarsje branden?”, vraag ik aan Kas. “Ah zeker!” antwoordt de witte man in zijn plaats. “Brand er maar twee! Ik zal betalen”, zegt ie. “We zullen wel nu wat stilletjes moeten zijn, jongen,” en ik begin al half te fluisteren. Maar de witte man kijkt me gespeeld verontwaardigd aan: de kerk is er voor iedereen. Stilte vraagt ie enkel wanneer de dienst bezig is. ‘Aha’, denk ik, ‘ ’t Is de pastoor’.  Wie anders trakteert er ook met kaarsen?

Ik duw de buggy de kerk binnen en word onmiddellijk overvallen door het licht. Overal laten de grote ramen de zon gemakkelijk binnen. A-typisch voor een kerk zijn het geen donkere glas-in-loodramen met taferelen van het leven van Christus maar witte kleine ruitjes. Dit is mijn soort kerk. Het is er licht. Ze staat vol bloemen. Geen overschotten van begrafenissen, maar kleurrijke bloemen. Sommigen komen recht uit het veld. Ze zijn geplukt en in een vaas gezet in plaats van perfect ingebonden. Er ligt een strooien hoed aan het altaar op de grond. Er staat een picknickmand met zonnebloemen in. Er mag leven zijn.

Aan het prikbord aan de ingang hangt een tekst over de kerkdeur.

De kerkdeur

Hij stelt ons de vraag:
heb je er wel eens over nagedacht,
wat er gebeurt als je door een kerkdeur naar binnen gaat?
Heb je wel eens aan den lijve ondervonden,
dat zo een deur een verbinding is tussen twee werelden?
Aan de ene kant van de deur
ligt het rumoerige, dagelijkse leven van werken en zakendoen.
Het leven met zijn zorg en zijn gezelligheid,
het leven waarvan wij genieten met zoveel goeds en 
ook met zoveel kwaads, narigheid, leugen, bedrog en achterdocht.
Aan de andere kant, de ruimte waar wij,
met al onze onrust en onze zorgen tot rust kunnen komen.
In die ruimte is het licht anders.
Het wordt getemperd door de sfeer van beschouwing 
en gebed, van dieper en anders zien.
Die ruimte is indrukwekkend door haar sterke muren
de oprijzende pilaren en de hoge gewelven.
Dat is de ervaring van vele toevallige bezoekers, pelgrims en toeristen.
Het moge de ervaring zijn van elke kerkganger, die door de kerkdeur naar binnengaat.

Processed with VSCO with c1 preset

Schoon, denk ik. En waar. Als vanzelf ga ik fluisteren als ik een kerk binnenstap. Mijn kinderen gaan er – meestal – ook stiller praten (behalve wanneer ik hen zeg dat ze geen koeken meer krijgen dan maakt het niet echt uit waar we zijn). Ik zoek automatisch de kaarsjes op. Er staan er meestal kleine ronde rode en lange witte. Twee witte kiest Kas dit keer en we steken ze samen aan. Ik denk aan papa, zoals altijd wat vaker wanneer ik op West-Vlaamse bodem rondwandel. ‘Vadertje’ denk ik en ook ‘Papa’. En voor de honderdduizendste keer vloek ik ook. ‘Dju toch’. Merde.

Ik blijf staan voor een pilaar en kijk naar een wat kitscherige uitvoering van Maria met kind. Mijn Paulien kent alle verschillende Maria’s – handen open, handen toe, met kind, zonder kind, in’t blauw of niet. Deze versie heeft een soort zilveren cape. Het zal Maria van Star Wars zijn, bedenk ik me. Op de grond lees ik nog over Jacobus die daar ligt. Hij was er priester meer dan 200 jaar geleden. Barbara ligt daar ook – de huisvrouw. Ze stierf maar enkele dagen later. Zou het ook liefde geweest zijn tussen die twee, vraag ik me af? Stiekem? Of heel het dorp dat ervan wist? ’t Is ze van harte gegund – die liefde. Misschien stierf ze wel aan een gebroken hart? De steen barst net waar haar leeftijd staat. 31 gok ik. Dan zal het wel een gebroken hart geweest zijn.

Processed with VSCO with c1 preset

Ik duw de kinderen in hun mini-caravaan weer naar buiten.
Ik draai me nog één keer om naar het licht
en stap dan weer
de andere wereld in.

Advertenties

Vandaag

Luister ik eindeloos dit en dit en dit en dit . Ik loop door het huis en neurie verbeten mee (but listen carefully to the sound of your loneliness like a heartbeat drives you mad in the stilness of remembering what you had and what you lost).

Besta ik uit kleine stukjes. De samenhang is zoek. Wat waar gaat, dat ben ik even vergeten.

Raap ik kleine spullen op, verdwaald en op de verkeerde plek terecht gekomen. Ik steek ze in een mandje en probeer ze weer juist te zetten.

Kijk in de spiegel en speur mijn gezicht af. Ik zie wat ik eerder al eens zag. Ik kijk lang in mijn eigen ogen tot ik bijna door mezelf heen kan kijken.

Leg ik mijn hand op mijn buik en probeer ik te ademen. Ik moet soms nadenken over hoe dat ook weer moest. En hoeveel te meer ik nadenk, hoeveel te moeizamer het gaat.

Rijd ik naar papa met de ramen open. Ik steek mijn hand uit, spreid mijn vingers, voel het door mijn vingers glijden. Ik herken wat ik bij hem soms zag. De melancholie. “De wereld is even zwaar voor mij – vandaag”, zei ie. En: “Neen, natuurlijk ben ik niet boos op jou, Saartje”.

Zeg ik mezelf waar ik ben en wat ik doe. Je zit op een stoel en je schrijft.

Doodnormaal

Mijn kinderen gaan bijna wekelijks naar het kerkhof. Aangezien mijn papa en hun grootvader daar rust, is dat niet abnormaal.

Het is iets wat voor hen bij het leven hoort. Zoals we naar oma gaan, zo gaan we naar opa. Hoewel zo verschillend, is het voor hen eigenlijk hetzelfde.
We laden onze kindjes achterop onze fiets, we gespen hun helmpjes vast en we zijn weg. Onderweg wijzen we naar de dieren die we zien. Richting oma zien we struisvogels en paarden, we zien schapen, we fietsen over een bruggetje en tussen de perenbomen. Elke keer verzekeren we Kas dat de peren inderdaad nog wat moeten groeien. En ja, daarna komt de boer ze plukken en hij brengt ze naar de winkel. Daar kunnen wij ze kopen. “Mama en Kas?”, vraagt ie. “Ja lief, mama en kas en alle andere mensen die graag peren eten.”
Richting opa zien we twee uilen. Ze wonen in een veel te laag afgespannen stuk grond. Het is eigenlijk zielig. Ik vraag hem of hij denkt dat de uiltjes niet liever willen vliegen. Hij antwoordt dat ze misschien willen slapen. Dat ze niet veel anders kunnen doen daar op die 10 vierkante meter, dat zeg ik hem niet. Daarna passeren we meer perenbomen (ja, die moeten ook nog wat groeien), koeien met kalfjes (hij legt veel klemtoon op de F – kal-fjes zegt ie), een groot paard en een klein paard en veel velden met maïs. Hij wijst alles aan, benoemt en wij bevestigen.

Hij gaat vragen of er ijsjes zijn, zegt hij al nog voor we de oprit opdraaien. We bevrijden hem uit zijn fietsstoeltje en hij spurt naar de deur. Oma tovert mini-ijsjes tevoorschijn en voor ongeveer 3 minuten en 23 seconden horen we hem niet. Daarna wil hij nog water, een koekje, het kleine balletje, of nee toch de grote. Elias kruipt in zijn kielzog – volgt zijn grote broer als een schaduw. Hij zet zich op zijn zachte pamperpoep en probeert met zijn kleine, korte vingertjes de kruimels van Kasper zijn koekje op te rapen.

Bij opa is het meer van hetzelfde – al moet ik hier zelf voor de snackjes zorgen. Voor we vertrekken, moffel ik nog gauw twee reepjes kinderchocolade in mijn handtas en een flesje water. Ik bevrijd hem uit zijn fietsstoel en hij spurt naar het graf van opa. Ik zet hem neer op het stukje gras, zijn kleine broer naast hem. Wanneer ze het papiertje van de kinderchocolade horen ritselen, kunnen ze allebei niet snel genoeg op mijn schoot zitten. Langzaam eten we samen – blokje voor blokje – de chocolade op. We breken de reep in stukjes en laten allemaal een stukje smelten op onze tong. Het is even stil en rustig. De wind waait door onze haren. “Het windt!”, zegt Kas en ik wil hem niet verbeteren want ik vind het juist.

De dingen die ze doen zijn hetzelfde bij oma en bij opa: koekjes ontfutselen, hard lopen en knieën openvallen, bloemetjes water geven, helpen met poetsen, kijken naar vogels en zwaaien naar dieren. Elias zoekt op beide plaatsen dingen om in zijn mond te steken: kruimels bij de ene, stenen bij de andere.
Ook de dingen die ze voelen zijn – tot hiertoe – gelijkaardig. Ze kijken ernaar uit om hun grootouders te zien. Het ritje naar daar is altijd heerlijk. “Wij zijn met ons viertjes!”, zegt Kas – en hij somt ons allemaal op zodat er geen twijfel over bestaat wie hij bedoelt. We komen aan met veel lawaai – op beide plaatsen. We vertellen wat we meemaakten, dat de juf langs kwam, dat we nieuwe schoenen kochten, dat de zon schijnt en dat alle bloemetjes veel dorst hebben. Het afscheid is ook hetzelfde: een kus voor oma en ook een kus voor opa. Hij zag mij ooit papa’s foto kussen en sindsdien hoort het ook bij Kas z’n afscheidsritueel.

Hun grootouders opzoeken, dat is voor mijn kinderen bijna dagelijkse kost. Dat hoort erbij. Dat is – gelijk ze zeggen – doodnormaal.

Processed with VSCO with c1 preset

Rijk

Als ik denk aan alle boeken die ik nog ga mogen lezen en hoe plezant het is dat ik dat zo onwaarschijnlijk graag doe
Als ik de koelkast opentrek en uit zoveel dingen kan kiezen en toch altijd voor de aardbeien ga
Als ik wat rondscharrel in mijn bureau en enkele toetsen induw op mijn piano
Als ik mijn kinderen hoor schaterlachen terwijl ik aan het koken ben – net voordat er eentje begint te mekkeren
Als ik in de Colruyt niet moet kiezen, maar drie verschillende soorten koeken in de kar kan leggen
Als ik mijn vingers over de zijkanten van mijn cd-rek laat glijden en Rumours er nog eens uitpik
Als ik groenteschillen naar het VAM-vat breng en stilsta om de achterkant van ons huis te bekijken
Als ik op zondag met Kas naar de bakker wandel en op de terugweg een kaarsje aansteek voor onze buurman
Als ik in mijn oranje tuinstoel zit en de wind mij de lavendelgeur tegemoet blaast
Als ik met een collega die intussen ook mijn vriend is aan de waterkant over de zelfbewustzijns-ui praat en nog een halve dag nadenk over haar input
Als ik aan de slaapkamerdeur ga luisteren naar de diepe slaapadem van mijn jongste zoon
Als ik kijk naar hoe mijn lief ’s morgens gel in zijn haar doet en dan met gespreide vingers naar de pompbak loopt om zijn handen te wassen
Als ik denk aan mijn familie, aan mijn nichtjes en onze naderende vakantie – allemaal samen
Als ik met een oude vriend die nog altijd gloednieuw aanvoelt onnozel doe op een fuif en me nog eens écht jong voel
Als ik mijn oudste in bed stop en hij – zoals elke avond – “I love you! Doe-hoeg!” roept
Als ik op het trapje aan onze achterdeur ga zitten met een tas thee en de kat langs mijn benen komt kopjes geven
Als ik denk aan de weg die ik heb afgelegd – als vrouw, als partner, als moeder – en hoe ik steeds beter en makkelijker en liever mezelf ben
Als ik besef hoeveel schoner mijn leven aanvoelt sinds ik eraan denk om elke dag mijn zegeningen te tellen
Als ik de lichtjes aansteek boven onze tuintafel zodat de zomeravond nog wat langer kan duren

Dan weet ik
dat ik
de koning
te rijk
ben.

Processed with VSCO with c1 preset

Een zacht afscheid

“Het is je alweer niet gegund, dat zachte afscheid”, zei L. me onlangs toen ik tegenover haar zat. Ze doelde op mijn nonkel Johan die in maart op een week tijd van diagnose naar overlijden ging. Ik heb sindsdien nog vaak aan haar woorden terug gedacht, aan dat zachte afscheid dat er weer niet kwam.

Veel zag ik hem niet, die nonkel van mij. Hij wou dat graag zo, hij was op zichzelf. Dat hij wat anders was, dat heb ik altijd zo ervaren. Zo spraken mensen over hem. Niet altijd met slechte bedoelingen, zeker niet. Maar het viel op. Hij kon lange lange mails sturen over het sterrenstelsel. De hele tekst stond in een fluogeel dat met het menselijk oog amper waar te nemen was. Ik markeerde alles – kopieerde en plakte in Word. Na drie alinea’s kon ik al niet meer volgen.

Hij gaf niet veel om hoe hij erbij liep. Toen papa stierf, koos hij wat kleren uit. Die moeten hem allemaal verschrikkelijk veel te groot geweest zijn. Hij was kleiner en magerder dan papa. Maar hij droeg ze. Dat weet ik, want ik heb ze enkele weken geleden uit zijn kleerkast gehaald en ze in zakken gestopt om weg te geven.

Hij was niet helemaal mee met bepaalde conventies. Als we op bezoek gingen, gaf hij op voorhand aan dat hij niets van koeken in huis had. We mochten zelf meebrengen wat we wilden en hij zou het ons betalen. We zagen hem niet veel, maar als we gingen dan trakteerde hij. Hij at zelf het meest: twee pannenkoeken met boter. Hij schepte het bakje zorgvuldig leeg, liet de boter traag smelten en trok er nog een open. De koekjes van de koffie schoof hij door naar Kasper.

De laatste jaren lette ik goed op wanneer ik hem zag. Ik speurde zijn gelaat af, op zoek naar gelijkenissen met papa. Vroeger waren die er amper. De laatste jaren begonnen de broers meer op elkaar te lijken. Zijn haarlijn week terug op dezelfde manier. Hij zette zijn bril weer op de juiste plek op zijn neus met hetzelfde gebaar. Hij zei “niewaar”, aan het einde van de zin en ik herinnerde me weer hoe papa dan antwoordde van “welwaar”.

Ik vroeg hem vorig jaar of hij voor mij misschien wat herinneringen aan papa wilde opschrijven. Ik kan geen nieuwe verhalen meer maken met mijn vader, maar ik kan wel proberen er oude te verzamelen. Hij vond het een hele eer, zei ie en hij ging aan het schrijven. Zes weken lang kreeg ik elke zondagvoormiddag een lange e-mail. Hij had mijn vaders leven opgedeeld in stadia en hij had voor elk stadium één van papa’s bijnamen gebruikt. Hij beschreef momenten uit papa’s leven, kleine dingen die ik niet wist en sommige die ik al heel vaak heb gehoord. Ik las de mails altijd eerst heel snel – mijn ogen spurtten over de zinnen – en daarna nog twee of drie keer heel traag. Ik las stukken hardop voor, voor mezelf. Alsof ik zo weer wat leven in hem kon praten.
Ik las – zonder dat hij dat telkens letterlijk zei, hoewel hij het ook letterlijk zei – dat hij mijn papa miste en ik voelde plots heel erg dat het natuurlijk zijn broer was. Ik wist dat al, maar toen voelde ik het echt. Broers. Het waren broers.

Enkele weken geleden maakten we zijn appartement leeg: ik en de jongens waar ik mee groot geworden ben. De zon scheen loeihard en het was warm. We lachten om gekke dingen die we vonden, we hoestten omdat er stof in ons gezicht vloog. We namen een aanloop om zware kasten op een plank met wielen het bergje naar de container op te duwen. We aten in de speeltuin waar we vroeger sigaretten gingen roken, of neen, spelen bedoel ik. Op het einde van de dag sloegen we de container – die stampvol zat – dicht. Daarna moest ie nog eens open omdat J. een kast ontdekte die nog een schat aan oude cassettes bevatte. “Ik heb niet eens een cassettespeler”, zei ie, en hij nam tien cassettes mee naar huis. Toen sloegen we hem nog eens dicht – de container. Met veel lawaai viel de zware deur in het slot. 60 jaar opgeruimd in één dag.

Alweer geen zacht afscheid dus. Geen handen vasthouden, geen afscheidsgroet, geen laatste woorden. Maar gelukkig kom ik de twee broers nog wel eens tegen. Ik zie ze in de man bij de apotheker die met hoog opgetrokken sokken in moccasins zijn Dafalgan bestelde. Ik hoor ze in West-Vlaamse klanken – “mo ba nink!”. Ik ruik ze in lindebomen, in echte scheerzeep en ook in sigarettenrook. Ik kan ze ook voelen. Als ik mijn ogen sluit, dan kan ik precies wijzen waar ze zitten. Vanbinnen.

Processed with VSCO with c1 preset

Van 10 naar 1

Ik zag de laatste tijd bij veel bloggers deze leuke tag passeren. Ik neem hem graag over. Voor wie nog niet veel over mij weet en dat graag anders wil zien: misschien helpt dit.

 

10 dingen over mezelf

Docente – getrouwd – moeder van twee kinderen – lezer – perfectionistisch – gevoelig – zorgzaam – grote bek – gezond eten – pilates

9 dingen die ik leuk vind

Kinderen die tegelijk dutjes doen – de Focus Knack lezen – helemaal opgezogen worden in een boek – mijn leesclub – met ons vieren een leuke dag hebben – de zon – het vuurke – onnozel doen met mijn broers en schoonzussen – de slappe lach met mijn kameraden

8 dingen die ik niet leuk vind

Onderbroken slapen – mensen die zich niet kunnen verontschuldigen – tanken – ramen wassen – het gevoel niet voorbereid te zijn – achter de feiten aanhollen – mensen die ik graag zie ongelukkig zien – mijn kinderen missen

7 plekken waar ik graag ben

Bij mijn jongens – op school – voor het vuurke – in Donk (met twee huizen in’t bijzonder) – in New York – in een stoel in de zon in onze tuin met een boek – onderweg naar ergens waar ik graag zijn wil

6 manieren om mijn hart te winnen

mijn grenzen respecteren – humor hebben en met jezelf kunnen lachen – zorgzaam zijn – attent zijn – mij inspireren – van Guns ‘N Roses houden

5 plaatsen waar ik nog terug heen wil

Opnieuw: New York – ons plekje aan zee
Voor het eerst: Sint-Petersburg – verre reizen met de jongens – Zweden

254840_10150211528469259_1193026_n

Ik wandel casual door Chinatown – New York 2011 – op reis met mijn broer – very good times

4 dingen waar ik niet zonder kan

mijn geliefden – wat tijd voor mezelf – fruit en groenten – mijn stijltang (maar dat doe ik ook voor de buitenwereld, geloof mij)

3 lievelingsliedjes

Playin’ with my friends/BB King – Last Goodbye/Jeff Buckley – You make lovin’ fun/ Fleetwood Mac (3 is echt te weinig)

2 wensen

Mijn geliefden (en ikzelf) gezond, gelukkig en in de buurt – in de categorie: ‘onmogelijk’: mijn papa nog eens zien

1 laatste woord

Bye! (zie ook: Luc Steeno groet de camera aan het einde van Het Swingpaleis)

 

Ouderzonden: Gula

Intussen is het al week 5 van de blogchallenge over ouderzonden. Deze week gaat het over ‘gula’ ofwel: onmatigheid, gulzigheid, vraatzucht. De concrete vraag die erbij hoort luidt: ‘Wat kan je je kinderen nooit weigeren wanneer ze erom vragen?

Mijn zoektocht in het ouderschap is nog niet zo heel lang bezig. Kasper is 2 jaar en een klets, ik ben dus zelf nog maar 2 jaar en een klets iemand zijn mama. Dat betekent dat ik – net zoals zij – heel veel dingen voor het eerst doe. Ik weet dus niet altijd meteen welke strategie of aanpak het beste zal werken. Ik ga graag op zoek naar methodes die passen bij mijn visie op het ouderschap. Ik dacht voor ik kinderen had heel goed te weten wat mijn visie op het ouderschap was – maar blijkt dat ik nogal veel dacht heel goed te weten vooraleer ik kinderen had.

Ik denk niet dat ik ‘onmatigheid’ of ‘gulzigheid’ overbreng op de jongens. Dat komt omdat ik zelf niet erg gulzig ben. Ik ben behoorlijk gedisciplineerd. Ik kan goed van de koeken afblijven. Ik overdrijf zelden. Ik kan goed met mate leven. Ik voel mijn grenzen steeds beter aan (al blijft het moeilijk om ze ook gerespecteerd te zien). Ik geloof heel erg dat kinderen leren van wat ze jou zien doen en niet zozeer van wat ze jou horen zeggen. Ik leer mijn kinderen dus aan dat het soms genoeg is en dat dat misschien niet leuk is, maar het hoort erbij.

Onlangs mocht Kasper van mij een klein chocolade eitje eten. Ik laat hem dat altijd zelf opendoen, dat geeft mij bijna 5 minuten de tijd om intussen de tafel af te ruimen. Toen zijn eitje op was, probeerde hij uiteraard meteen om er nog een af te snoepen. Hij kreeg de gevreesde ‘nee’ en zei: “Maar mama, de chakka wéént!”. Nice try, big boy.

Maar er zijn natuurlijk dingen waar ik veel in geef – in tijd bijvoorbeeld. Ik vind het heel moeilijk om mijn kinderen tijd en aandacht te weigeren. Kasper kan bij momenten heel goed alleen spelen. En soms lukt het mij om hem ook ‘aan het werk’ te zetten wanneer ik zelf iets gedaan wil krijgen. Hij poetst graag mee (hij kapt dan eigenlijk gewoon water over de zetel en wrijft erover met een doek), hij borstelt graag (hij schept zand met de borstel en sleurt dat naar binnen), hij steekt graag de was in (hij duwt graag op de knopjes van de wasmachine) en hij wast graag mee af (hij steekt zijn armen tot aan zijn oksels in het water).

Die dag werd de mat om onduidelijke redenen maar niet proper.

Maar er zijn ook dagen waarop hij zelf niet aan het spelen geraakt. Ik kijk het altijd even aan en soms vindt hij toch lol in kussens op elkaar stapelen of in zich laten omvallen op de zetel. (Grote frustraties ook wanneer de kussen niet op elkaar blijven liggen). Als het toch niet lukt en hij komt me vragen om mee te spelen, dan ga ik bijna altijd op zijn vraag in. Dan leg ik me op mijn buik voor de Fisher Price Garage en tank ik blauwe auto’s vol. Dan eet ik lucht van houten borden met houten vorken. Dan bouw ik torens, dan kleed ik de pop aan en uit, dan kleur ik in kleurboeken en plak ik stickers.

Als ik naar boven ga om me om te kleden en hij jammert dat hij mee wil (terwijl hij perfect beneden kan blijven bij zijn vader), dan laat ik hem bijna altijd meegaan. Het zijn mij de tranen niet waard om ‘neen’ te zeggen. Hij laat me met rust boven. Hij loopt wat door de slaapkamers heen, hij doet alsof hij telefoneert met oma (‘hallo oma, alles goed? ja? dada oma!), hij probeert op ons bed te klimmen, hij doet het licht aan en uit op onze slaapkamer, hij stapelt rollen wc-papier en duwt de toren weer omver. Ik zou er een punt van kunnen maken en zeggen dat het mijn tijd even is. Als het echt een lastige dag is geweest, dan doe ik dat. Dan glip ik naar boven of zeg hem dat hij niet mee kan. Maar op andere dagen klautert hij achter me aan op de trap en dan laat ik hem. Hij is gelukkig en vrolijk en wat maakt het mij ook uit.

Hij heeft graag dat ik meespeel, hij heeft me graag in de buurt als hij alleen speelt om me even iets te tonen (“kijk, mama, toren maken!”) en hij mist me als ik weg ben (ik hem ook trouwens). Dus als er één ding is waar ik erg gul ben dan is het in tijd en aandacht geven aan mijn kinderen. “Je bent er veel mee bezig”, hoor ik wel eens. Dat klopt. En ik ben daar best trots op want “To a child, ‘Love’ is spelled: T-I-M-E.”