4 goede redenen waarom ik al een hele tijd niets meer schreef

U moet al echt stekeblind zijn (of analfabeet) om te zien dat hier de voorbije tijd niet al te veel neergeschreven werd. Ik zou zelfs durven zeggen dat hier zo ongeveer niks meer gebeurd is sinds half mei. Vooraleer u de blogpolitie belt om mij te komen arresteren op gronde van nalatigheid, luister alstublieft eerst naar de vier goeie redenen van mijn virtueel stilzwijgen.

1. Ik heb de laatste tijd vooral gelezen

Ik zou hier nu graag noteren dat ik verschillende fantastische romans gelezen heb de voorbije weken, maar zo zit het niet – helaas. De voorbije weken was ik vrijwel constant aan het lezen maar het was zelden ter ontspanning. Het is namelijk die tijd van het jaar waarin ik vragen op een blad schreef en een hoop studenten daar een antwoord onder moeten neerpennen. Sommige van hen deden dat uitmuntend, anderen deden het goed, nog anderen schreven wel iets op maar het was eerder niet juist dan wel juist en nog anderen maakten een tekening op hun blad (ik heb daar 6 jaar op moeten wachten maar dit jaar heb ik EINDELIJK een tekening gekregen). Als ik dan zo’n hele dag en avond gelezen heb, dan blijk ik niet meer in staat te zijn om nog iets van betekenis uit mijn pen te schudden. Wanneer ik uiteindelijk mijn rode pen neerlegde en mijn computer dichtklapte, dan staarde ik nog zo’n half uur op mijn Iphone (echt stichtend, ik weet het) om dan uiteindelijk gewoon te gaan slapen.

2. Ik heb de laatste tijd vooral geluisterd

Ik zou hier nu graag noteren dat ik verschillende fantastische nieuwe cd’s beluisterd heb, of dat ik naar concerten ben geweest of dat ik zélf wat muziek gecomponeerd heb, maar zo zit het niet – helaas. Het is namelijk die tijd van het jaar waarin ik luidop vragen stel en een hoop studenten daar dan een antwoord op moet geven. Sommige van hen deden dat uitmuntend, anderen deden het goed en nog anderen hebben veel gepraat maar niet noodzakelijk over datgene wat ik wilde bespreken. Dat luisteren, dat deed ik al zittend op een keiharde stoel in lokalen waar het bij momenten de 40 graden naderde denk ik. Zowel de studenten als ik waren daar natuurlijk SUPERBLIJ mee want angstzweet en stresszweet komen dan immers nog beter tot hun recht.
Gelukkig mocht ik af en toe rechtstaan om naar de vuilbak aan de deur te wandelen. Dag 1 maakte ik de fout om daar ‘s ochtends de kroontjes van mijn aardbeien in te gooien waardoor ik de rest van de dag in een soort van aardbeiserre leek te werken. Maar goed, als ik dus zo’n hele dag geluisterd heb dan blijk ik niet meer in staat om ‘s avonds nog veel zinnigs op papier te zetten. Bovendien was het luisteren nog niet gedaan eens de werkdag om was. Thuis wou mijn zoon van anderhalf graag nog wat uitbundig dansen waardoor ik dus zo rond een uur of zeven het beste van mezelf gaf terwijl ik zong dat ik Jacques was – een kikker die formidabel kan kwaken en ook een modezaak heeft (het klinkt zo absurd als het is). Kasper klapt dan in zijn handen, stampt zijn schoenmaat 22 vrolijk op de grond en ik besef dan altijd extra hard dat wij voorlopig geen gordijnen voor onze ramen hebben hangen.

3. Ik heb de laatste tijd – ondanks alles – toch wel geschreven

Ja, bloed kruipt waar het niet gaan kan dus niet schrijven dat bestaat niet voor mij. Mijn schrijfsels beperkten zich de voorbije weken echter tot korte notities op mijn Iphone en doorgaans was dat in de vorm van TO DO-lijstjes. Ik heb algemene to do’s, to do’s voor de baby, to do’s voor het huis, to remembers om het leven van al mijn gezinsleden in goede banen te leiden en ten slotte heb ik nog een ‘to want to do’ lijstje. Ik hoor u al denken dat dat laatste lijstje waarschijnlijk het langste is, maar dan hebt u het mis. Dat is het enige blad waar niets opstaat. Niet omdat ik niets wil doen, maar omdat ik vooral niets wil doen. Het vervelende is dat ik van mijn mama veel heb geleerd maar ze heeft me niet geleerd hoe ik niks moet doen. Verder geen klachten over mijn opvoeding.

De enige uitzondering op mijn beperkte schrijven, is de speech die ik schreef voor de trouw van mijn broer. Exact twee weken geleden vierde hij immers dat hij zo’n kleine drietal maanden geleden getrouwd is. Ik wou hem vanalles zeggen, maar ik heb me uiteindelijk beperkt tot 2 pagina’s van anekdotes, verhalen en herinneringen en ik zei hem ook nog eens hoe graag ik hem zie. Normaal als wij dan samen dronken worden dan zeggen wij het later op de avond nog een paar keer tegen elkaar. Dit feestje was ik nogal zwanger maar hij niet dus werd hij dronken zonder mij maar dat hield me niet tegen van het later op de avond toch nog een paar keer tegen hem te zeggen.

IMG_3148
Simon en ik – luttele momenten voor hij het ja-woord gaf.

4. Ik heb een identiteitscrisis

Ja, die had u misschien niet zien aankomen. De identiteitscrisis is ook vrij plaatselijk en situeert zich vooral hier op deze blog. Ik ben even zoekende over waarom ik schrijf, en waarover en voor wie? Ik weet het eerlijk gezegd nog altijd niet helemaal. Ik weet dat ik graag schrijf en dat ik het tof vind als iemand graag leest. Maar verder dan dat ben ik voorlopig nog niet geraakt.

Enfin, tot hier mijn eerlijke verantwoording voor mijn ongewild stilzwijgen.
Aan mezelf en aan u: welcome back!

IMG_8622

Dat ik iemands moeder ben

Aan de muziekkeuze in mijn auto (kapitein Winokio) en de liedjes die in mijn hoofd zitten en die ik er tijdens stressmomenten uit tover om het kindje rustig te maken (“ge kunt het niet geloven hoe lekker dat dat is – stokvis”)
Aan de pruts die in mijn handtas zit (doekjes, halfopgegeten koeken, tutjes en mini-leesboekjes)
Aan de dingen die ik aanwijs bij elke wandeling door ons dorp (de eendjes! een auto! een bus! kijk, een kindje! hoor, een vliegtuig! Oh, de klokken luiden, hoor je’t?!)
Aan de verschillende kamers in ons huis waar speelgoed ligt om het kind bezig te houden zodat ik kan koken, opruimen, mij aankleden, … (zijn slaapkamer, de living, de keuken, de badkamer)
Aan de foto’s op mijn Iphone waar ik elke dag minstens een kwartier naar kijk (allemaal van hem – met zijn vader of andere familieleden – filmpjes die ik opnieuw bekijk omdat hij op seconde 46 zijn wenkbrauwtjes zo grappig optrekt)

Daaraan merk ik dat ik iemands moeder ben.

IMG_6535

Aan de prioriteiten die ik stel (hij komt altijd eerst, in grote dingen maar veel vaker nog in de kleintjes van alledag en hoe dat soms wel eens voelt als een opoffering maar nooit als iets onnatuurlijks of geforceerd)
Aan de manier waarop ik mijn agenda invul (en het soms moeilijke evenwicht tussen werk, familie en tijd voor mezelf – waarbij altijd het laatste eraan inschiet)
Aan mijn rug wanneer ik ‘s avonds uitgeteld in de zetel plof na een dag werken en achter hem aan hossen (en duizend keer alles oprapen, opruimen, terug zetten, uithalen, voordoen, assisteren, uitdagen, prikkelen, tot rust brengen)
Aan hoe ik bij andere mensen thuis dingen onmiddellijk naar het midden van de tafel schuif of omhoog zet (omdat hij snel is en nieuwsgierig en mijn familiale geen antieke vazen dekt)
Aan de rust en het geduld waarmee ik dagen alleen met hem doorbreng (dagen die vaak wel eens traag gaan en saai zijn wanneer ik voor de tienduizendste keer hetzelfde boekje moet lezen)

Daaraan merk ik dat ik iemands moeder ben.

Processed with VSCO with c1 preset

Aan mijn hoofd dat nooit meer leeg is (maar zo vaak gevuld met ‘to do lijstjes’ en ‘te onthouden lijstjes’ en ‘ik moet zeker nog … voor hij gaat slapen lijstjes’)
Aan het gevoel nooit meer helemaal vrij te zijn (want een stuk van mij is toch altijd daar waar hij is)
Aan de tijd die het mij kost om ergens heen te vertrekken (heb ik alles mee? Misschien toch voor zekerheid nog even dit.. En zouden ze daar wel een X hebben, best toch die van mij meenemen.. En ik zal hem eerst nog zijn pyjama aandoen en zijn flesje geven vooraleer ik vertrek)
Aan hoe aan tafel zitten steeds minder met eten te maken heeft (want aan tafel moet ik borden terug neerzetten en scheefgehoude bekers afpakken en tonen en voordoen en lucht proeven en “hmmm lekker” zeggen)

Daaraan merk ik dat ik iemands moeder ben.

Processed with VSCO with c1 preset

Aan hoe ik niet meer naar bepaalde dingen op televisie kan kijken (omdat ik zoveel kwetsbaarder ben geworden en de wereld er vaak niet netjes uitziet)
Aan hoe ik anders kijk naar mijn eigen moeder (niet met meer waardering – want die was er al – maar met een beter begrip van wat ze allemaal voor ons heeft gedaan en hoe dat in dagelijkse dingen zat en zit en hoe wij dat allemaal gratis en voor niks gekregen hebben en nog altijd krijgen ook al zijn we nu zelf groot en sterk)
Aan hoe mijn leven plots zo anders is (veel kleiner dan ervoor en veel minder van vanalles, maar moeiteloos genoeg om alles op te vullen wat gevuld moet worden want tegelijk is er ook zoveel meer)
Aan hoe ik nu plots veel meer oog heb voor dingen om mij heen (aan hoe eenden broeden bijvoorbeeld omdat we er elke dag naar gaan kijken of hoe één boom de verschillende seizoenen doorstaat)
Aan hoe ik nooit meer echt een hele hele slechte dag kan hebben als hij er in voorkomt (want hoe hard het ook wel eens tegen zit, de zwierige moeiteloosheid waarmee hij mij gelukkig, trots en vrolijk maakt is een medicijn tegen eender welke zwaarte)
Aan hoe liefde een totaal nieuwe dimensie heeft gekregen (want écht onvoorwaardelijk graag zien dat begrijp je pas als het er is) en hoe die liefde mij bij momenten lam kan slaan (want het maakt zo rijk en tegelijk heb ik ook zoveel meer te verliezen en ik mag er niet aan denken dat er hem ooit iets zou overkomen)
Aan hoe ik mij rijker voel dan ooit tevoren en zo’n diepe dankbaarheid kan voelen voor die rijkdom dat het mij op de vreemdste momenten tot tranen toe ontroert (want hoeveel geluk heb ik en waar heb ik het toch aan verdiend dat ik elke dag zijn mama, zijn veilige haven mag zijn)
Aan hoe ik ervan houd om elke avond nog even zijn kamer binnen te gaan als hij al slaapt (want dan wrijf ik nog eens over zijn hoofdje en dan druk ik nog een kusje in zijn knuistje voor de nacht) en ik hem dan zeg dat hij mijn hele hart is en dat ik hem altijd altijd liever zal zien dan eender wie

Daaraan merk ik dat ik iemands moeder ben.

 

 

De 6 geboden van mijn grootouders

Toen mijn grootouders langs mama’s kant 50 jaar getrouwd waren, schreef mijn vader een speech voor hen. In die speech vertelde hij het publiek over de 10 geboden van zijn schoonouders: 5 geboden die meter typeerden en 5 die typisch waren voor bompa. Onlangs las ik die speech opnieuw en ik moest er nog steeds om lachen. Papa had de gave om mensen goed te kunnen zien en hen daarna ook nog eens heel raak te kunnen omschrijven.
Toen ik onlangs in de auto zat, dacht ik aan mijn grootouders. Wij waren kind aan huis bij hen en het is dus ook niet gek dat er heel veel van hun visies in onze opvoeding geslopen zijn. Sta me toe u enkele geboden van hen toe te lichten zoals ik ze mij herinner.

1. Gij zult in de televisiegids omcirkelen wat gij wilt zien

Mijn grootvader zijn zetel stond naast het raam in de zitkamer. Op de marmeren vensterbank lag een stapel zakdoeken, een briefopener, zijn bril, de gazet, een stilo en een roze fluostift. Elke morgen haalde mijn grootvader de gazet uit de brievenbus. Hij las daar dan even in vooraleer hij in zijn hof ging schoffelen. Na het middageten zette mijn grootmoeder zich in haar zetel – die stond aan de andere kant van de kamer – en sloot ze haar ogen voor een uurtje. Mijn grootvader zou hetzelfde doen, maar niet vooraleer hij in de krant had gekeken wat er die dag op ‘den televies’ was. Hij nam de desbetreffende pagina’s (het waren er doorgaans twee) uit de krant, vouwde ze open en keek aandachtig naar de programma’s van de verschillende kanalen. Hij had daarbij speciaal aandacht voor ‘den één’, ‘den twee’ (canvas), de VTM en Dutsland drei. Met zijn roze fluostift markeerde hij de uren van de programma’s die hij wou zien. Dat waren doorgaans dezelfde: het nieuws op den één om zes uur, het nieuws op de VTM om zeven uur, iets over den oorlog op den twee, Bompa Lawijt op de VTM (hard lachen) en daarna de dagelijkse dosis hoempapa op Dutsland drei (” ‘t Zijn smeerlappen maar ze maken schone muziek” – zei hij dan). Als alles keurig was aangeduid, vouwde hij zijn krant weer dicht, knipoogde hij naar mij als ik aan tafel zat te lezen en sloot ook hij zijn ogen. Ik heb uit goede bron vernomen dat zijn enige dochter ook trouw omcirkelt wat ze elke week zeker wil bekijken. Bompa knipoogt ongetwijfeld tevreden.

2. Gij zult zeggen van “dank u Jezeke, Saartje braaf kinneke”

Als wij bij mijn grootouders gingen logeren, dan stak meter ons in bed. Maar eerst staken we ons vol met Zwanworsten met ketchup, aten we kommekes cornflakes om 21.00 en dronken we een flesje cola met een rietje. Zo rond de klok van tien gingen we naar boven. We poetsten in de kleine badkamer onze tanden (heel traag want het vuurke mocht op) en daarna kropen we ons bed in. Vooraleer het licht uit ging, kwam meter onze kamer binnen. Ze gaf ons elk een kruisje op ons voorhoofd en zei tegen elk van ons: “dank u Jezeke, Saartje/Simon/Pieter Jan braaf kinneke”. Daarna kregen we nog een natte kus op onze wang en dan ging het licht uit. Mijn grootmoeder is dat geen enkele keer vergeten te zeggen. Ik hoef niet ver in mijn geheugen te graven om het haar opnieuw te horen zeggen. Uit haar slaapwens sprak traditie, gewoonte maar ook echt oprechte dankbaarheid. Ik heb niet speciaal het gevoel dat ik me tot Jezus moet richten als ik mijn kind ‘s avonds over zijn bolleke aai, maar die grenzeloze dankbaarheid aan het adres van eender wie, die voel ik elke dag.

3. Gij zult seizoensgroenten eten

Mijn grootvader was een echte hovenier. Als hij niet binnen in zijn zetel zat, dan was hij buiten in den hof. Ergens op uitstap gaan was aan hem niet besteed. Hij deed het enkel als het echt moest of als het iets met den oorlog te maken had. Hij kon niet begrijpen waarom mijn grootmoeder en mijn moeder bijna maandelijks naar Sint-Truiden gingen samen. Luidop vroeg hij zich elke keer af of er dan iets nieuws te zien zou zijn en hij gaf meteen ook zelf het antwoord (het antwoord was volgens hem nee). Hij keek hoofdschuddend naar mensen die op zondag voor de gezelligheid ergens een koffie gingen drinken. Dat kon immers net zo goed gewoon thuis. Daar was ook koffie en koekjes en als bijkomend voordeel moest onzen Tips (de oncontroleerbare boerenfox van mijn grootouders) dan niet in zijn kot en kon het beest als een wild paard door den hof blijven draven. Neen, bompa ging niet graag weg van huis. Hij had het prima in Zelem en hij kon zich uren zoet houden in zijn eigen tuin.
Hij was niet zomaar een hovenier. Hij was een hele goeie. Hij wist wat er wanneer moest gezaaid worden, wat best niet naast elkaar werd gezaaid, hoe groenten en fruit vrij bleven van ziektes, wanneer er geoogst moest worden en welk weer ideaal was voor zijn gewassen. Hij had veel materiaal dat allemaal samen stond in zijn kot. Hij had tuingerief met hopen en plastieken bussen waar hij met alcoholstiften opschreef wat er allemaal in zat.
Door de week rinkelde zo rond een uur of 5 regelmatig de telefoon bij ons thuis. Het was dan meter die belde – in opdracht van bompa om te vragen of Jos toevallig nog langs kwam en of hij dan zijn boor kon meebrengen. Vermoedelijk zou er weer iets getimmerd moeten worden rond de kroppen sla met stukken hout die bompa nog had liggen. Als papa en ik dan na het avondeten richting Zelem trokken, dan wist ik bijna zeker dat er ook groenten klaar zouden staan. We draaiden de oprit op, deden het hek open, en probeerden (tevergeefs) onzen Tips af te schudden. Ik ging via de achterdeur de keuken binnen en ja hoor, op de tafel stond de oogst dan netjes klaar. Bompa gaf alles mee wat zijnen hof ons weer geschonken had: courgettes, patatten, ne krop salaat, pompoenen, rabarber, noten, … you name it.
Nu er overal gepromoot wordt om meer volgens de seizoenen te eten, mis ik mijn grootvader regelmatig. Voor hem was dat een evidentie en hij zou eens hard gelachen hebben met de poster in onze keuken waarop ik aflees wat er nu precies seizoensgroenten zijn.

DSCN3109[1]

4. Gij zult anderen niet lastig vallen met uw verdriet

Ik heb heel veel herinneringen aan mijn grootouders. Wij zijn nooit naar de opvang geweest. Mijn ouders konden ons altijd in Zelem afdroppen als ze nood hadden aan een babysit. Dat betekent logischerwijs dat ik vele jaren van mijn leven regelmatig bij mijn grootouders was. Zij hebben ons echt “mee groot getrokken”, zoals ze dat hier wel eens zeggen. De meeste herinneringen die ik aan hen heb zijn vrolijke dingen, kleine typische gezichtsuitdrukkingen die ik plots terug zie bij mijn moeder of mijn broers, of uitspraken die legendarisch zijn. Maar ik zal nooit vergeten hoe mijn grootmoeder haar gezicht eruit zag als ze probeerde te verbergen dat er iets aan de hand was.
Eén van die keren was op een dinsdagmiddag. Ik zat nog in de lagere school en op dinsdag kwam mijn grootvader mij halen en at ik ‘s middags warm bij mijn grootouders. Heel de weg van school naar hun huis mocht ik raden wat we zouden eten. Het was meestal dat wat ik gevraagd had dus dat kwam goed uit. Die ene dinsdag kwam ik binnen via de garage, liep ik naar meter toe en ik zag dat ze gehuild had. Ze wou er niks over zeggen en ik had dat verkeerd gezien want meter was helemaal niet aan’t wenen lieveke en zet u nu maar gauw aan tafel want uw soep wordt koud. De hele maaltijd lang hield ik meter nauwlettend in de gaten. Ik wist zeker dat ik het goed gezien had. Bovendien zag ik dat ze regelmatig een traan wegveegde en hoorde ik haar in de keuken haar neus snuiten. In de auto terug op weg naar school vroeg ik aan bompa wat er was. Hij vertelde mij dat meter haar broer overleden was en dat ze daar nu een beetje verdrietig om was en meer niet en het zou gauw weer over zijn zalle.
Nu, zoveel jaren later, sta ik daar nog altijd van te kijken. Als er ooit iets met één van mijn broers gebeurt, dan zal ik mij ‘s morgens niet bezig houden met rodekool maken. Ik zal mijn verdriet niet wegsteken maar uitleggen waarom ik droevig ben.
Het was een andere generatie, die van mijn grootouders, en ze kregen zelf als kind mee dat het niet hoort om anderen daarmee lastig te vallen. Maar ik voelde toen als kind al heel goed aan dat er iets niet in de haak zat en ik had haar graag eens getroost zoals zij dat zelf zo vaak deed bij mij. Er zijn veel geboden van mijn grootouders die ik met veel liefde en een beetje eigen interpretatie meeneem in mijn leven, maar om dit gebod benijd ik hen niet.

5. Gij zult uw schoonkinderen als uw kinderen zien

Kleine kinderen hebben het niet gemakkelijk om inzicht te krijgen in de verschillende familierelaties. Als ik aan Kaat vraag wie mijn broers zijn, dan antwoordt ze vol overtuiging dat dat haar papa en nonkel Simon zijn. Maar als ik haar vervolgens vraag wie er allemaal de kindjes zijn van oma dan hoor ik haar hersenen bijna kraken.
Het is niet simpel om als kind al die mensen aan tafel op de juiste manier met elkaar in verband te brengen.
Dat was voor mij niet anders. Het hielp wel enigszins dat mijn grootouders langs papa’s kant in West-Vlaanderen woonden. Zo kon ik als kind makkelijk onthouden dat de ouders van mama in Zelem woonden en die van papa ver weg. Dat was duidelijk. Mijn grootouders in Zelem verwezen ook naar mijn mama als ‘Os Renild’. Oef, dachten mijn kinderhersenen, hypothese bevestigd: dit zijn de ouders van mama. Maar in de volgende zin hadden diezelfde mensen het over ‘Ozze Jos’. Alarmbellen gingen af: waren dit dan toch de mama en papa van mijn vader? Gelukkig bracht tijd raad en kon ook ik naarmate ik ouder werd alle mensen van mijn familie juist met elkaar verbinden. Er was nog wat verwarring met tante Gel en tant Simonne die niet mijn tantes waren maar die ik toch zo noemde, maar verder was alles vrij snel duidelijk.
Maar mijn papa is voor meter en bompa altijd hunne Jos geweest. ‘Ozze Jos’ moest eens langskomen en zijn boor meebrengen. En dan stond er voor ‘ozze Jos’ een porto’ke klaar. Of er werd trots aan de buren verteld dat ‘Ozze Jos’ zo handig was en dat ‘ozze Jos’ hen altijd kwam helpen als ze ‘in de petette’ zaten. Wat schoon van mijn grootouders, dat ze mijn vader een nieuwe thuis gaven met een extra ouderpaar nadat hij zo ver van zijn eigen ouders was gaan wonen. Wat schoon ook van mijn vader. Ik heb hem nooit weten zuchten wanneer meter nog eens aan de telefoon hing en vroeg achter de boor. Toen mijn grootmoeder stierf, enkele jaren na papa, was bompa zo content dat ze begraven werd naast ‘Ozze Jos’.

6. Als’t God belieft

Als mensen van elkaar afscheid nemen dan zeggen ze tegen elkaar iets in de strekking van: “Salut he!” of “Alle, tot de volgende he!”. De gesprekspartner dient dan te antwoorden met “Jaaaa, salut he!” Ik hoef u dat niet uit leggen, u weet hoe dat gaat.
Maar mijn grootmoeder, die deed dat niet. Daar zeiden wij tegen: “tot morgen, meter!” en dan antwoordde zij: “Ja, als’t God belieft.” JA-REN heeft het mij gekost om te ontcijferen wat dat precies te betekenen had. Dat ze de hele taaluiting als één woord uitsprak (alstgodblieft) hielp niet. Dat de taaluiting in veel verschillende situaties gebruikt werd, hielp ook niet. Als ik haar vertelde dat ik een week op vakantie was en dan terug kwam, dan antwoordde ze ‘alstgodblieft’. Als ik zei dat mijn broers vrijdags naar huis kwamen van Leuven, dan zei ze ‘alstgodblieft’. Als iemand van haar kennissen vertelde dat er binnen zoveel maanden een kleinkind zou bijkomen dan zei ze ook van ‘alstgodblieft’. En toen onzen Tips plots ging manken en bompa zei dat het wel zou beteren was er daar opnieuw die ‘alstgodblieft’.
Het kostte me zoals gezegd jaren, maar ik kwam er uiteindelijk toch achter wat die woorden precies betekenden. Voor haar was de verwoording van dat natuurlijk ‘uit handen geven’ van de zaken. Ze had er geen vat op, God zou het wel aanpakken zoals Hij dat wou. Of ze dat echt zelf geloofde, dat weet ik niet. Vermoedelijk werd het haar aangeleerd als kind en paste het binnen de katholieke opvoeding zoals die toen gegeven werd (ik denk er elke keer aan als ik iemand Insjallah hoor zeggen).
Ik betrap mezelf erop dat ik ook wel eens antwoord van alstgodblieft als ik niet zeker weet hoe iets zal lopen. Dan hoor ik het mezelf zeggen en dan denk ik: meter zou content zijn.

Ik leerde heel veel van mijn grootouders. Sommige dingen nam ik heel bewust over, anderen heel onbewust en nog anderen passen niet meer zo goed in hoe de wereld nu in elkaar zit. Maar als ik zo zie welke tips er nu aan jonge mensen gegeven worden (Terug naar de natuur! Legere agenda’s! Meer écht samenzijn! Bewust tijd maken voor familie!) dan kan ik alleen maar concluderen dat het net die zaken zijn die voor mijn grootouders heel vanzelfsprekend waren.
Het huis van mijn grootouders staat er niet meer. Het is afgebroken en in de plaats kwam een moderne woning. De tuin is er nog, maar ik denk niet dat er courgettes geplant staan of dat het vers gemaaide gras wordt verspreid tussen de rozen als mest. Maar de brievenbus van mijn grootouders – een huisje op een paal – die staat er nog. Ze past totaal niet bij de nieuwbouwwoning die in de plaats kwam van het huis van mijn bompa en meter, maar ik ben zo blij dat ze er nog staat. Elke keer als ik er passeer met de wagen, dan vertraag ik even (ik hoor mijn bompa dan zeggen ” ‘t Is hier feftig’) en kijk ik naar het huisje op de paal waar ik bompa zo vaak op zag leunen als hij ons uitzwaaide wanneer wij de oprit afreden.

De blijde intrede van Dorus

De aandachtige lezer is het vermoedelijk niet ontgaan dat wij sinds een tijdje een adoptiekat hebben toegevoegd aan ons gezin. Laat mij u vertellen hoe een onbekende kat erin geslaagd is om een plek te veroveren aan tafel naast dé meest overtuigde kattenhater die het mensenlijk ras ooit mocht voortbrengen (mijn lief, nvdr.) Ik kan daar heel kort in zijn – het komt door Kas – maar dat zou geen blogpost opleveren dus sta me toe u het hele verhaal uit de doeken te doen.

Het zal ergens in de zomer geweest zijn dat de poes zich voor het eerst manifesteerde in onzen hof. U moet weten, ik heb als kind ook altijd een kat gehad (eerst was er Femke en daarna kwam Flurk) dus ik vond het helemaal top dat een kat uit de omgeving de weg naar onze tuin gevonden had. Mijn lief dacht daar enigszins anders over. Als notoire kattenhater vond hij het geen tof idee dat er een kat door onze hof liep want het beest zou voorzekers uit het niets een sprong maken van 50 meter en bovenop zijn schouders landen alwaar het meteen zou starten met zijn ogen uit te krabben. In eerste instantie waren de spelregels dus erg duidelijk: de kat buiten en wij binnen. Dat zag er zo uit:

IMG_1646

Wat bleek er nu al gauw: dat kind van ons – dat tot dan toe een kopie van zijn vader was – bleek toch de liefde voor katten van zijn moeder geërfd te hebben. Dat was nu niet speciaal waar ik op gehoopt had (ik dacht meer in de richting van mijn verantwoordelijkheidsgevoel, mijn zorgzaamheid, mijn verstandelijk vermogen of mijn onwaarschijnlijk gevoel voor humor), maar ik was al lang blij dat hij toch ook iets van mij in zich bleek te hebben. ‘Ah! Dat zal ik hier eens stimuleren!’, dacht ik zo bij mezelf. De eerstvolgende keer dat de kat – die ik intussen zonder enig overleg ‘Dorus’ had genoemd – zich in onze hof begaf, nam ik ons mensenkind in mijn armen en sleepte ik hem mee naar buiten om de poes echt te aaien in plaats van door een vliegenraam ernaar te prikken. Dat zag er zo uit:

IMG_1702

Het maken van de foto ging trouwens niet van een leien dakje. Wie goed kijkt, kan misschien zelfs zien hoe ik tussen mijn tanden naar de kattenhater slis dat hij normaal moet doen en dat de kat duidelijk geen enkele interesse vertoont om één laat staan twéé van zijn ogen uit te krabben. De aandachtige kijker heeft vermoedelijk ook opgemerkt dat ik in deze fase ook al gebruik maakte van ‘het kommeke met melk’ om de poes te overhalen om regelmatig zijn gevlekte lijf nog eens tot bij ons te slepen. ‘Het kommeke met melk’ deed exact wat het moest doen, want Dorus bleef regelmatig terugkomen. Er zaten vaak wat dagen tussen, maar na enkele dagen was ze daar toch altijd weer.

Als de kattenhater dan op zo’n momenten toevallig niet in de kamer was, dan gebeurde het wel eens dat er iemand per ongeluk het raam openzette waardoor de kat mogelijkerwijs par accident binnen zou geraken. Dat zag er dan zo uit:

Processed with VSCO with f2 preset

U ziet het niet want zijn hoofd is niet doorzichtig, maar indien dat wel zo was dan zou u een brede glimlach kunnen waarnemen op het smoeleke van onze zoon. Die vond het namelijk helemaal de max dat hij dus blijkbaar al niet eens meer uit zijn stoel moest komen om de kat van dichtbij te kunnen aanschouwen.
‘SCHAT DIE KAT IS HIER OP DE EEN OF ANDERE MANIER BINNEN GERAAKT KUNT GE DIE ONMIDDELLIJK KOMEN VANGEN ALSTUBLIEFT WANT DIE KIJKT HEEL RAAR NAAR MIJ’, klonk het plots vanuit de keuken. Ik haastte me gauw de woonkamer in om daar te zien dat de kat gewoon voor zich uit zat te staren op de vensterbank, volstrekt niet in de richting van de kattenhater terwijl ons kind als een gek naar de kat zat te wijzen en daarbij POE POE POE POE POE riep. Ik besloot te gebaren van krommen aas (‘Alle, zo gek, ik dacht echt dat ik het raam had dichtgedaan’) en zette de kat buiten. Die bleef op de vensterbank zitten en tikte regelmatig eens met haar poot tegen het raam om aan te geven dat ze het toch beter vond om aan de andere kant van het venster in het niets te kunnen staren. ‘Alles op zijn tijd, Dorus’, sprak ik hem toe, ‘ik heb hier alles onder controle.’

Wanneer de kattenhater in de weken daarop niet thuis was, gebeurde het bijvoorbeeld nog wel eens dat er iemand per on-ge-luk alweer vergat het raam te sluiten. Mijn partner in crime deed wat er van hem verwacht werd en verwelkomde de poes met open armen. Dat zag er dan zo uit:Processed with VSCO with f2 preset

Op een dag gebeurde er iets erg vreemds. De kat zat zoals wel vaker op de vensterbank buiten als een freak naar binnen te staren terwijl wij aan tafel zaten. Er is maar één iemand die niet met zijn rug naar het raam van de poes zit en laat dat nu toevallig de cat hater zijn. Hij opende plots zijn mond en zei totaal onverwacht: “Zouden we anders ook eens geen eten voor de kat zetten?”. Ik geloof dat ik mijn lepel in mijn bord liet vallen en dat Kasper door de schok zijn boterhammen op de grond gooide (maar dat doet hij ook wel wanneer er niks speciaals gebeurt). Ik probeerde kalm te blijven en niet in mijn kaarten te laten kijken: “Ja, schat”, sprak ik, “als we dat doen dan gaat die wel blijven komen en zich hier echt thuis voelen natuurlijk. Zouden we dat wel doen?” U moet begrijpen, beste lezer, dat ik deze uitspraak achter de hand diende te houden om mij mee te kunnen verdedigen in de toekomst mocht dat eventueel nodig zijn. In situaties waarin de kat uit het niets een sprong van 50 meter zou doen en één van de kattenhater zijn groen-bruine ogen zou uitkrabben zou het handig van pas komen als ik kon zeggen dat ik hem nog gewaarschuwd had.

Ik deed dus wat ik moest doen en repte me daarna naar de winkel om katteneten te kopen. Aan de kassa oefende ik alvast mijn nieuwe rol als katteneigenaar toen ik tegen de cassière zei dat “onzen Dorus liefst die brokskes met kip eet”. Zo, dat ging me prima af. De kat ging echt deel uitmaken van ons gezin. Of toch van het stuk van ons gezinsleven dat zich buiten in de tuin afspeelde. Kasper nam elke dag de tijd om zijn planning even te overlopen met zijn beste maat. Dat ziet er als volgt uit:

Processed with VSCO with c1 preset
Ons mensenkind eet hier gewoon een bo’ke, maar het is ook al wel eens gebeurd dat hij liever eens wou proeven wat Dorus in zijn bak gestrooid kreeg.

Enkele weken geleden zagen we dat onze Dorus bij het stappen één van zijn achterpootjes niet meer neerzette. Vermoedelijk was hij slecht neergekomen bij een val. Ik gaf de poes trouw eten, ik ging hem veel aaien en ik probeerde Kasper aan te leren dat te veel enthousiasme katten eerder angstig maakt (vooralsnog zonder succes). Maar na twee dagen bleef de kat manken. Het was op die tweede dag – ik zat met kind en kat in de tuin – dat de voorzitter der kattenhaters thuis kwam, naar de kat keek en de profetische woorden sprak: “zouden we eens niet naar de dierenarts gaan met Dorus?”. Ik was te verbaasd om nog eens te gebaren van krommen aas. Ik was er immers zeker van dat de kattenhater vanbinnen nogal eens in zijn pollekes wreef toen hij zag dat de kat geblesseerd was en voorzekers geen sprongen van 50 meter meer zou kunnen doen. Maar kijk, ik had me vergist. Het koude, stenen kattenhart van de kattenhater vertoonde stilaan barstjes, zo bleek.

We belden de dierenarts en die belde ons terug om te zeggen dat er foto’s gemaakt moesten worden van de poot. Ik keek naar de kattenhater (ik hield mijn blik met opzet neutraal) en zei dat hij moest beslissen. De kost zou immers bij ons komen aangezien niemand de oproep als eigenaar van Dorus had beantwoord. “Doe maar”, zei de kattenhater tegen de dierenarts. Toen hij de telefoon weer neerlegde keek hij mij verontschuldigend aan en zei hij “Ja, we kunnen ze toch ook niet laten creperen he? Maar ik ga ze niet pakken of niks dat moet gij doen!”. Het was zo’n drie uur later dat hij mij vroeg of we niet ergens nog een mand hadden staan zodat de kat daarin kon rusten.
De dierenarts had ons gevraagd of de poes nog even bij ons mocht blijven om uit te rusten en of we haar dagelijks pijnstillers konden geven totdat het teentje genezen was. Een mand hadden we niet, maar we hadden wel the next best thing. En dat zag er zo uit:

Processed with VSCO with c1 preset

De poes liet haar poten rusten in de beste zetel die onze living te bieden heeft en de kattenhater liet begaan. Sindsdien zijn alle grenzen weg. De kat ligt hier regelmatig ‘s avonds in de zetel te ronken en ik zie dat de veiligheidsperimeter van de kattenhater steeds groter wordt. Intussen heeft Dorus ook al enkele plekken gevonden waar het kleine mensenkind zelfs met al zijn enthousiasme niet aan hem kan. We vinden dus allemaal ons plekje. Ons gezin telt dus na maanden van geduld en doorzettingsvermogen een extra lid. En dat ziet er zo uit:

Processed with VSCO with c1 preset

Voorlopig wil de kattenhater zijn voorzitterschap nog niet opzeggen (ik denk dat hij nog even alles uit zijne cumul wil halen) , maar ik geloof dat de Vlaamse Vereniging der kattenhaters toch beter stillekesaan begint na te denken over een mogelijke opvolger.

Home sweet home

“Sst”, zei mijn lief terwijl hij rechtop ging zitten in ons bed, “ik hoor iets beneden”.
Ik spits mijn oren. “Neen, dat zijn de luiken die bewegen door de wind.”
“Jamaar, ben je zeker, ik wil gerust gaan kijken”, zegt hij. Hij kijkt alsof hij nog liever een bord rauwe tonijn met hardgekookte eieren binnen werkt (daar heeft hij eens verschrikkelijk van moeten kotsen, nvdr.). Mijn lief is een fantastische vent, maar als het erop aankomt onder druk verstandige beslissingen te nemen, dan zou ik mijn geld niet op hem inzetten. Toen enkele jaren geleden in ons appartement in Antwerpen het wasrek omviel in het holst van de nacht, sprintte hij als de weerlicht naar beneden om eventuele moordenaars snel knock-out te slaan. Hij nam uiteraard niks mee om zich te verdedigen en hij viel bijna van de trap af en stootte daarbij zijn teen zo hard dat hij er nog dagen over liep te kermen. Ik begreep toen al dat het op mij zou moeten aankomen in noodsituaties. Enfin.
“Ik ben zeker. Het zijn de luiken. Ga maar weer slapen, jongen”, zeg ik nog.

Wat een gemak is het eigenlijk om het ouderlijk huis over te kopen. Al bijna 30 jaar leg ik hier elke nacht mijn hoofd neer om te slapen. Ik ken alle geluiden die bij dit huis horen. Ik kan aan de luiken horen hoe hard het waait buiten. Ik weet welke treden ik moet vermijden als ik geen lawaai wil maken. Ik wijs je zo aan waar de houten vloer kraakt in de badkamer, in de slaapkamer, in de kamer van Kas. In elke kamer en in elke gang vind ik met mijn ogen dicht de weg. Ik breng mijn hand exact hoog genoeg op de muur om meteen op de lichtknop te kunnen duwen. Ik kan inschatten hoe lang het duurt vooraleer het automatische licht in de gang weer uitgaat. Ik weet hoeveel trappen je neemt tot aan de eerste verdieping en hoeveel er bij komen als je naar de zolder wilt. Ik weet waar de zon staat in elke slaapkamer en hoe dat evolueert in de verschillende seizoenen. Ik weet de beste plekjes in de tuin om je te verstoppen, om te spelen, om te zonnen.

Ik ken ook de tred van iedereen die met mij in dit huis gewoond heeft. Mijn slaapkamer – die nu onze slaapkamer geworden is – ligt vlak aan de trap op de eerste verdieping. Van daar kan je naar de tweede verdieping, naar de badkamer of naar de kamer waar mijn ouders vroeger sliepen. Ik wist nog voor ie boven was welke van mijn broers de trap opkwam. Ik kon soms zelfs horen hoe het met hun humeur gesteld was aan de hand van hun tred.

Toen we het huis net kochten, vroeg men mij regelmatig of het niet gek was om terug ‘thuis’ te wonen. Soms was het inderdaad gek. Niet dat ik niet kon loskomen van hoe het er vroeger uitzag. Dat stuk lukte prima. Ik ben blij met onze eigen meubels en spulletjes en ik keek ernaar uit om die een plaats te geven.
Het rare zat ‘m in de kleine dingen. De woorden die we kozen om naar een plek te verwijzen zijn veranderd. De strijkplaats werd de overloop – de logeerkamer werd de kamer van Kas. Het is pas nu, na bijna twee jaar, dat ik niet meer aan de gang denk als Wout zegt dat hij iets op de overloop gelegd heeft. Ook de locatie van sommige huishoudspulletjes is anders. Het kostte me enkele maanden om het brood niet meer in de broodschuif te leggen zoals vroeger, maar het in onze broodbak te steken.
Soms overvalt het mij nog wel eens – het besef dat ik vermoedelijk een groot stuk van mijn leven in één huis gewoond zal hebben. Dat voelt niet beklemmend – al denk ik ook wel eens aan de voordelen van tabula rasa – maar vooral vertrouwd.

Processed with VSCO with g3 preset
De deur is hetzelfde – de slaapkamerbewoner is nieuw

Ik ken dit huis vanbinnen en vanbuiten. Ik weet de beste plekken om te soezen in de zon – zowel binnen als buiten. Ik weet als de beste hoe ik geluidloos door dit oude huis kan bewegen – en voordeel dat mijn lief (nog) niet heeft waardoor ik dus perfect vanuit de zetel kan horen waar hij zich bevindt. Ik heb hier geleerd, ik heb hier naar dingen toegeleefd, ik heb hier verdriet gehad, ik ben hier gelukkig geweest. Ik ben hier groot geworden.
Ik vind het een voorrecht dat mijn kinderen dat alles hier ook zullen doen. Ik kijk ernaar uit om hen dezelfde dingen te zien ontdekken als ik. Ik hoop dat ze evenveel van dit huis zullen houden. Ik hoop dat ze het tegen hun vrienden zullen hebben over ‘bij ons thuis’ en over ‘ons mama’. Ik hoop dat ze hier gelukkig zullen zijn en dat ze mij weten te vinden wanneer dat niet zo is. Ik hoop dat ze hier altijd graag zijn en dat ze in ieder geval graag terug zullen komen wanneer dat even niet zo is. Ik hoop dat ze hier – net zoals ik – thuis zullen zijn.

IMG_3431

Huiselijke aubade

IMG_5597

Ik hoorde ze maandag samen spelen terwijl ik in de keuken bezig was. Kasper riep heel luid ‘PAPAAAA’ en Wout antwoordde van ‘KASPEEER’. Het ontroerde me. Ik besefte plots hoe blij ik ben dat hij het is die antwoordt als mijn kind op zijn vader roept.

Nu is Kasper ziek en het is een zielig hoopje mens. De nacht was pittig en mijn hoofd voelt alsof er watten inzitten. Maar hij liet een briefje achter en dat hij heel gewoontjes ondertekende met zijn nieuwe titel maakte het voor mij heel bijzonder.

Zonder melig te willen zijn, had ik de behoefte om hem dat te zeggen, om hem dat toe te zingen. Een aubade is het toezingen van een geliefde of een vorst in de vroege morgen. Ik was als student meer van de serenades maar the times they are a changin’.

Het deed me meteen denken aan die andere huiselijke aubade, die we vroeger levensgroot aan de muur hingen in ons appartement in Antwerpen.

Nog
En nog
En nog
Ben jij mijn liefste.
Dag en nacht en dag
Ben jij mijn liefste
Tot vervelens toe. 

Het hele gedicht van Leonard Nolens kan je hier vinden.

Cartoon voor papa

Het moet zo’n twaalf jaar geleden zijn (say what?!) dat ik deze cartoon in de krant zag staan:

img_5366

Ik knipte hem uit en legde hem op papa’s bureau voor wanneer hij thuis zou komen. Ik liet de deur van mijn kamer wat openstaan, zodat ik alles goed kon horen. Ik hoorde hem thuiskomen en wat rommelen beneden. Ik hield het bijna niet meer van de zenuwen.
Ik hoorde hem de trap opkomen en kreeg al bijna zelf de slappe lach – zoals wanneer je ergens supergoed verstopt zit, iemand wil doen schrikken en van de nervositeit zelf moet lachen. De deur van zijn bureau ging open en enkele seconden erna hoorde ik zijn bulderlach. Ik stoof de trap op. Toen ik boven kwam, was hij de cartoon net met een magneetje op zijn chauffage aan het hangen. De tranen stonden hem in de ogen. Hij keek me stralend aan en we gniffelden nog even samen verder.

Toen papa in hetzelfde jaar stierf, plukte ik de cartoon terug van zijn verwarming af. Met een wasspeld hing ik hem tegen mijn eigen slaapkamermuur. Hij kreukte er door de wind wanneer het raam open stond. Hij vergeelde er door de zon die er in de namiddag pal op scheen. Maar wat hij vooral deed was troosten wanneer ik ‘aan papa denken’ enkel nog kon associëren met verdriet. Hij herinnerde mij eraan dat papa en ik, dat wij vooral lachen waren geweest. Zeker de laatste twee jaren.
Ik was oud genoeg geworden om iets terug te kunnen kaatsen op zijn spitsvondigheden. Hij vond het altijd fantastisch als ik dat deed – dat kon ik zien aan zijn reactie. Zijn gezicht toonde eerst verbazing – alsof hij telkens weer vergeten was dat ik nu ook grappig kon zijn. En daarna brak het open en weerklonk zijn luide bulderlach. Hij was blij dat ik blijkbaar humor in me had zitten.

Het deed hem plezier dat zijn dochter hem aan het lachen kon maken. Hij probeerde het uit te lokken, mijn terug-kaatsen, mijn mopjes. Meestal ging ik erop in. Maar soms – wanneer er zich in mijn puberwereld weer één of ander drama voltrok – dan toonde ik enkel een flauw lachje en zei verder niets terug. Hij vroeg wat er was en ik zei van niks.
Hij vroeg me om mijn pruillip te trekken – zoals ik dat als klein meisje deed wanneer ik iets gedaan wou krijgen. Ik weigerde want ik was natuurlijk groot en boos en ik zou zeker en vast geen pruillip trekken. Maar hij trok zo lang een pruillip en pinkelde met zijn ogen – zoals ik vroeger deed – tot ik half moest lachen en alsnog mijn beste pruillip trok.
Dan kneep hij in mijn been of in mijn arm, zo’n varkensbeet die pijn doet en kriebelt tegelijk. Dan zei hij van: “Saartje, geef mij eens een kus” en dat deed ik. Ik haakte mijn arm in de zijne en we wandelden samen verder. “Zo, nu denkt iedereen dat ik wel een héél jonge vrouw heb”, grapte hij. En ik verzekerde hem dat iedereen zag dat hij mijn papa was en dat ik daar blij om was. “Mijne papa,” zei ik, terwijl ik op zijn hand klopte. Hij snapte het mopje – ik verwees immers naar een toneelstuk dat hij ooit speelde. Hij gniffelde en we wandelden verder. Meestal werd het dan weer stil want een babbelaar was hij niet.

Vandaag zag ik deze cartoon:

img_5364

Ik knipte hem uit. Ik trok boven mijn grote papa-doos uit de kast. Toen ik het deksel eraf deed, rook ik zijn scheerzeep. De doos ruikt na al die jaren helemaal naar papa sinds ik de resterende zeepjes erin legde. Ik legde mijn cartoon bovenop de andere cartoon, ik gniffelde. Met mijn ogen dicht kon ik hem bijna horen bulderlachen.