Van 10 naar 1

Ik zag de laatste tijd bij veel bloggers deze leuke tag passeren. Ik neem hem graag over. Voor wie nog niet veel over mij weet en dat graag anders wil zien: misschien helpt dit.

 

10 dingen over mezelf

Docente – getrouwd – moeder van twee kinderen – lezer – perfectionistisch – gevoelig – zorgzaam – grote bek – gezond eten – pilates

9 dingen die ik leuk vind

Kinderen die tegelijk dutjes doen – de Focus Knack lezen – helemaal opgezogen worden in een boek – mijn leesclub – met ons vieren een leuke dag hebben – de zon – het vuurke – onnozel doen met mijn broers en schoonzussen – de slappe lach met mijn kameraden

8 dingen die ik niet leuk vind

Onderbroken slapen – mensen die zich niet kunnen verontschuldigen – tanken – ramen wassen – het gevoel niet voorbereid te zijn – achter de feiten aanhollen – mensen die ik graag zie ongelukkig zien – mijn kinderen missen

7 plekken waar ik graag ben

Bij mijn jongens – op school – voor het vuurke – in Donk (met twee huizen in’t bijzonder) – in New York – in een stoel in de zon in onze tuin met een boek – onderweg naar ergens waar ik graag zijn wil

6 manieren om mijn hart te winnen

mijn grenzen respecteren – humor hebben en met jezelf kunnen lachen – zorgzaam zijn – attent zijn – mij inspireren – van Guns ‘N Roses houden

5 plaatsen waar ik nog terug heen wil

Opnieuw: New York – ons plekje aan zee
Voor het eerst: Sint-Petersburg – verre reizen met de jongens – Zweden

254840_10150211528469259_1193026_n

Ik wandel casual door Chinatown – New York 2011 – op reis met mijn broer – very good times

4 dingen waar ik niet zonder kan

mijn geliefden – wat tijd voor mezelf – fruit en groenten – mijn stijltang (maar dat doe ik ook voor de buitenwereld, geloof mij)

3 lievelingsliedjes

Playin’ with my friends/BB King – Last Goodbye/Jeff Buckley – You make lovin’ fun/ Fleetwood Mac (3 is echt te weinig)

2 wensen

Mijn geliefden (en ikzelf) gezond, gelukkig en in de buurt – in de categorie: ‘onmogelijk’: mijn papa nog eens zien

1 laatste woord

Bye! (zie ook: Luc Steeno groet de camera aan het einde van Het Swingpaleis)

 

Advertenties

Ouderzonden: Gula

Intussen is het al week 5 van de blogchallenge over ouderzonden. Deze week gaat het over ‘gula’ ofwel: onmatigheid, gulzigheid, vraatzucht. De concrete vraag die erbij hoort luidt: ‘Wat kan je je kinderen nooit weigeren wanneer ze erom vragen?

Mijn zoektocht in het ouderschap is nog niet zo heel lang bezig. Kasper is 2 jaar en een klets, ik ben dus zelf nog maar 2 jaar en een klets iemand zijn mama. Dat betekent dat ik – net zoals zij – heel veel dingen voor het eerst doe. Ik weet dus niet altijd meteen welke strategie of aanpak het beste zal werken. Ik ga graag op zoek naar methodes die passen bij mijn visie op het ouderschap. Ik dacht voor ik kinderen had heel goed te weten wat mijn visie op het ouderschap was – maar blijkt dat ik nogal veel dacht heel goed te weten vooraleer ik kinderen had.

Ik denk niet dat ik ‘onmatigheid’ of ‘gulzigheid’ overbreng op de jongens. Dat komt omdat ik zelf niet erg gulzig ben. Ik ben behoorlijk gedisciplineerd. Ik kan goed van de koeken afblijven. Ik overdrijf zelden. Ik kan goed met mate leven. Ik voel mijn grenzen steeds beter aan (al blijft het moeilijk om ze ook gerespecteerd te zien). Ik geloof heel erg dat kinderen leren van wat ze jou zien doen en niet zozeer van wat ze jou horen zeggen. Ik leer mijn kinderen dus aan dat het soms genoeg is en dat dat misschien niet leuk is, maar het hoort erbij.

Onlangs mocht Kasper van mij een klein chocolade eitje eten. Ik laat hem dat altijd zelf opendoen, dat geeft mij bijna 5 minuten de tijd om intussen de tafel af te ruimen. Toen zijn eitje op was, probeerde hij uiteraard meteen om er nog een af te snoepen. Hij kreeg de gevreesde ‘nee’ en zei: “Maar mama, de chakka wéént!”. Nice try, big boy.

Maar er zijn natuurlijk dingen waar ik veel in geef – in tijd bijvoorbeeld. Ik vind het heel moeilijk om mijn kinderen tijd en aandacht te weigeren. Kasper kan bij momenten heel goed alleen spelen. En soms lukt het mij om hem ook ‘aan het werk’ te zetten wanneer ik zelf iets gedaan wil krijgen. Hij poetst graag mee (hij kapt dan eigenlijk gewoon water over de zetel en wrijft erover met een doek), hij borstelt graag (hij schept zand met de borstel en sleurt dat naar binnen), hij steekt graag de was in (hij duwt graag op de knopjes van de wasmachine) en hij wast graag mee af (hij steekt zijn armen tot aan zijn oksels in het water).

Die dag werd de mat om onduidelijke redenen maar niet proper.

Maar er zijn ook dagen waarop hij zelf niet aan het spelen geraakt. Ik kijk het altijd even aan en soms vindt hij toch lol in kussens op elkaar stapelen of in zich laten omvallen op de zetel. (Grote frustraties ook wanneer de kussen niet op elkaar blijven liggen). Als het toch niet lukt en hij komt me vragen om mee te spelen, dan ga ik bijna altijd op zijn vraag in. Dan leg ik me op mijn buik voor de Fisher Price Garage en tank ik blauwe auto’s vol. Dan eet ik lucht van houten borden met houten vorken. Dan bouw ik torens, dan kleed ik de pop aan en uit, dan kleur ik in kleurboeken en plak ik stickers.

Als ik naar boven ga om me om te kleden en hij jammert dat hij mee wil (terwijl hij perfect beneden kan blijven bij zijn vader), dan laat ik hem bijna altijd meegaan. Het zijn mij de tranen niet waard om ‘neen’ te zeggen. Hij laat me met rust boven. Hij loopt wat door de slaapkamers heen, hij doet alsof hij telefoneert met oma (‘hallo oma, alles goed? ja? dada oma!), hij probeert op ons bed te klimmen, hij doet het licht aan en uit op onze slaapkamer, hij stapelt rollen wc-papier en duwt de toren weer omver. Ik zou er een punt van kunnen maken en zeggen dat het mijn tijd even is. Als het echt een lastige dag is geweest, dan doe ik dat. Dan glip ik naar boven of zeg hem dat hij niet mee kan. Maar op andere dagen klautert hij achter me aan op de trap en dan laat ik hem. Hij is gelukkig en vrolijk en wat maakt het mij ook uit.

Hij heeft graag dat ik meespeel, hij heeft me graag in de buurt als hij alleen speelt om me even iets te tonen (“kijk, mama, toren maken!”) en hij mist me als ik weg ben (ik hem ook trouwens). Dus als er één ding is waar ik erg gul ben dan is het in tijd en aandacht geven aan mijn kinderen. “Je bent er veel mee bezig”, hoor ik wel eens. Dat klopt. En ik ben daar best trots op want “To a child, ‘Love’ is spelled: T-I-M-E.”

 

 

 

Ouderzonden: Onkuisheid – lust

Wat doe je om jezelf graag te blijven zien? En hoe breng je dat over aan je partner nu je in de eerste plaats vooral ‘ouder van…’ bent?

Ik luisterde onlangs naar een aflevering van The Longest Shortest Time (een podcast over ouderschap) en daarin kwam Esther Perel aan het woord. Esther Perel is relatietherapeute en ze is vooral gespecialiseerd in ontrouw en hoe koppels daarvan kunnen herstellen. Ze zei enkele dingen die me echt zijn bijgebleven en waar ik sindsdien vaak over heb nagedacht.

Zo vertelde ze dat ouders vroeger niet samen bleven omdat ze het zelf samen goed hadden, dat was eigenlijk van ondergeschikt belang. Koppels bleven samen omdat ze kinderen hadden en omdat een uitweg niet zo gemakkelijk voorhanden was – al zeker niet voor een vrouw. Nu liggen de kaarten anders. Vrouwen kunnen makkelijker dan vroeger uit een relatie stappen omdat ze nu eenmaal zelfstandiger zijn geworden dan enkele decennia geleden. Het zijn dus niet meer enkel de kinderen die een koppel samen houden – de kwaliteit van de relatie doet er ook toe.

Ze zei ook dat iedereen doorgaans in zijn leven twee tot drie lange en betekenisvolle relaties heeft. Ze merkte daarbij op dat dat niet per se met verschillende mensen hoeft te zijn. Een koppel gaat door transities in de jaren dat ze samen zijn. Ze nam het voorbeeld van een koppel waarvan één van de partners vreemd ging. Toen dat koppel naar haar toe kwam, zei ze hen: “jullie eerste huwelijk is nu over. Willen jullie nog een tweede huwelijk met elkaar aangaan of niet?” Ze trok die lijn door naar koppels voor en na kinderen. “De echte transitie is niet het huwelijk”, vertelde ze. “De echte overgang naar een nieuw leven samen zijn kinderen.” Amai, dacht ik, dat is allemaal echt ende waarachtig.

Ik luisterde heel geconcentreerd verder naar haar verhaal. Ze zei nog dat kinderen dus in zekere zin ook een einde inluiden van de oude relatie (waar het enkel om jullie twee draait) en de start van een nieuwe relatie. Als je het zo bekijkt – als een andere relatie met dezelfde partner – dan hoef je misschien niet voortdurend te vergelijken met hoe het ervoor was toen we nog elke week naar de cinema gingen, toen we op restaurant gingen en ons niet dood geneerden omdat iemand met zijn bestek tegen de glazen trommelt en het op een brullen zet als hem vragen ermee te stoppen, toen we uren tijd hadden om samen te koken, met elkaar te praten, series te kijken, toen planning veel minder nodig was en we met niemand zijn dutjes moesten rekening houden – toen we godbetert zélf nog dutjes deden wanneer we daar zin in hadden.

Ik vond het een bevrijdende gedachte – om het als de start van een nieuwe relatie te zien met dezelfde persoon. Want daar ben ik wel van overtuigd – dat er in al die jaren nooit iemand anders was die maar in de buurt kwam. Ik kan mijn lief nog altijd missen als ik hem de hele dag niet zie, of als de tijd tussen mijn vingers door glipt en we pas op vrijdagavond – zo net voordat hij in de zetel in slaap valt – wat tijd vinden om met elkaar te praten. Ik heb nog altijd buikpijn van het lachen als hij zich pijn doet door zijn eigen onhandigheid (als het echt veel pijn is dan lach ik echt minder lang, beloofd). Ik kijk nog altijd opzij of hij aan het wenen is bij stukjes op televisie waarvan ik weet dat die hem ontroeren. Ik vind hem nog altijd schoon in zijn kostuum en even goed in dat van Adam.

Maar het is wel zo: ik mis hem meer dan vroeger en mezelf vaak ook. Life gets in the way en onze agenda’s zitten alweer vol tot ergens in april. We zijn moe en na een dag van lawaai en gejengel en kinderen proberen op te voeden hebben wij ’s avonds vooral goesting om elk even ons eigen ding te doen.

We zeggen elkaar vaak: dit zijn de tropenjaren. Bijzonder zware, slopende jaren – noemt Van Dale dat. Jaren van vermoeidheid, van overschreden grenzen, van andere prioriteiten, van duizend vragen, van veel proberen en niet weten of het goed is, van jezelf voorbij lopen, van doodvermoeid zijn en het brood in de microgolf steken in plaats van in de broodbak.

IMG_1908

En niet alleen vermoeidheid speelt een rol. Ouderschap maakt iets in je los waar je je niet op voor kunt bereiden. Je kunt er wel een idee over hebben, maar je zult zien dat je een andere ouder bent dan je van tevoren had gedacht of had gewild of van plan was. Iedereen ervaart ouderschap anders. Als je geluk hebt, zitten jij en je partner op één lijn.
Maar er zullen altijd dingen zijn waar je anders over denkt: misschien ben jij minder streng dan je partner, misschien kan je toch niet zo goed tegen dat onderbroken slapen als je altijd dacht, misschien wil jij geen televisie voor het eten en hij wel. Het zijn allemaal onschuldige dingen die toch vaak tot discussies gaan leiden.

Dat is nog allemaal los van de praktische kant. Los van de beladen vragen, zoals wie van jullie twee er dan minder gaat werken, heb je ook nog gewoon de wekelijks terugkerende vragen. Hoe ziet jouw week eruit? Wie brengt de kinderen naar de onthaalmoeder? Wie haalt ze op? Ben jij die avond wel op tijd thuis, want ik heb een afspraak..?  Wat gaan we doen aan het feit dat hij steeds niets wil eten behalve tonnen rozijnen?
Dat is zo’n beetje de gespreksstof tijdens de tropenjaren. Je relatie, je grote liefde gereduceerd tot de vraag wie er deze keer aan de beurt is om pampers te verversen en vermoedelijk ondergepist te worden.

Je relatie speelt zich voortaan af in de luttele uurtjes tussen de bedtijd van je baby en je eigen bedtijd. Je eigen bedtijd die toch al vervroegd wordt omdat je zó moe bent dat je je afvraagt wat er in vredesnaam belangrijker is dan slapen. Terwijl je de wijzer op de klok voorbij ziet razen, tel je ondertussen de uren die je nog hebt tot je kind van 6 maanden het vermoedelijk op een zingen zal zetten (niet wenen, nee nee, hij zingt en hij lacht en hij vindt het alllemaal HELEMAAL DOLLETJES OM VIER UUR ‘S NACHTS). Wanneer mijn lief dan de baby optilt en ik mijn kop zo hard in mijn hoofdkussen duw als ik maar kan – in de hoop snel terug in slaap te vallen (veel succes daar), besef ik dat dit het is. Dit is waarvan mensen zeggen: ‘…maar je krijgt er ook heel veel voor terug.’ Het punt is dat dat op zo’n moment – waarop ik gewoon eens wil slápen – niet echt het eerste is wat er door mijn hoofd schiet.

Maar het zijn ook de jaren van een nieuwe soort liefde en geluk waarvan je ervoor niet wist dat het bestond. Het zijn de jaren waarin we elkaar kruisen – elk met een kind dat wel weer een probleem heeft – en begripvol kijken naar elkaars geïrriteerde blik. Het zijn de jaren waarin we proberen te lachen met alles wat we moeten meeslepen voor een halve namiddag erop uit. Het zijn de jaren waarin ik elke dag voel dat je veel meer getrouwd bent door kinderen dan door trouwboeken. Het zijn de jaren waarin woorden als ‘gezin’, ‘broer’, ‘thuis’, ‘samen’ en ‘wij’ bij mij een golf van warmte over mij heen laat vallen – alsof ik onder een gigantische regendouche sta. Het zijn de jaren waarin we kijken naar onze twee kinderen, met de armen om elkaar heen – de oudste ligt uiteraard weer op de jongste die zich eronderuit probeert te wriemelen – en we tegen elkaar zeggen: die hebben wij gemaakt! die zijn van ons voor altijd!

We zijn intussen 7 jaar samen – we zijn er bijna vier van getrouwd. Twee jaar met kinderen en twee jaar zonder. Ons tweede huwelijk duurt dus al net zo lang als ons eerste en ze zijn allebei totaal anders. Soms mis ik ons eerste huwelijk hartstochtelijk. Dan vraag ik hem of we het hebben stuk gemaakt – en dat we toch wel nog voor altijd gaan samen blijven zoals we gezegd hadden nu alles zo anders is.
Want alles is anders – maar één ding is hetzelfde gebleven en mag voor mij voor altijd onveranderd blijven. En dat is hij – behalve dan zijn gesnurk, zijn onvermogen om kleine taakjes binnen de week uit te voeren en de papieren zakdoeken die hij vergeet uit zijn broek te halen waardoor ik die in mini-stukjes uit de wasmachine moet plukken – daar mag stilaan wel eens iets aan gebeuren.

Processed with VSCO with c1 preset

Beter

Twee paar ogen gleden over mijn gelaat heen. “Uhu uhu”, zei de ene. “Hmmm,” mompelde de andere bevestigend. Afwachtend keek ik hen aan, maar ze hadden geen oog voor mij. Hun vingers zweefden net boven mijn gezicht. De grote lamp werd erbij gehaald. Ik kneep mijn ogen wat dicht tegen het felle licht. Eentje boog langs links over me heen, de andere via rechts. “Ja, ja, ik zie het al”, zei de ene weer. “Dat lijkt me duidelijk”, bevestigde de andere. Ze keken elkaar aan en schoten in actie.

Er werd een kast open gedaan en daarna weer dicht. Flesjes tikten tegen elkaar. “Melkzuur”, zei de ene. “Precies wat ik ook al dacht”, antwoordde de andere.
Ik kreeg een deken over me heen. Een warm deken met exact de juiste zwaarte. Ik schuifelde een klein beetje in de stoel tot ik beter lag.

“Slaap je weinig?”, vroeg de ene. Ik knikte. “Het valt wel mee. Ik bedoel, het kan erger.” Achter mijn rug werden meer potjes en flesjes uit kasten gehaald. Ze overlegden. Ze spraken over hydrateren en over peelings en over van binnen uit weer gezond maken.

Ik luisterde maar half. Ze smeerden een dikke brij op mijn gezicht. “Mag het ook over je ogen?”, vroeg de ene. “Doe maar”, zei ik. Mijn vertrouwen was zo blind als ikzelf was de volgende tien minuten. Voor het eerst in een heel lange tijd lag ik zelf eens stil overdag. Ik hoorde de zachte muziek en toch ook weer niet. Ik was daar en toch ook niet helemaal.

“Het gaat een beetje koud zijn”, waarschuwde de ene. Zou ze buiten bedoelen of het leven in het algemeen? Juist, ze had het over het wegnemen van het masker. Dat kan ook al wel eens koud zijn, bedacht ik me. “Het ziet er al veel beter uit”, zei de andere. Ze hingen weer met z’n twee boven mijn gezicht – hun ogen gleden bedachtzaam over mijn gelaat. “Ja, dat ziet er al veel beter uit.”

Toen ik na anderhalf uur weer buiten stapte en mijn reflectie zag in het etalageraam, kon ik niet anders dan haar helemaal gelijk geven.

080-SaarEnWout

 

 

Archiveren

Zoals ik hier al schreef, ben ik thuis de bijhouder, de verslaggever, de historicus en de archivaris. Vage termen, zal je zeggen, maar wat doé je dan precies als ‘archivaris’. Ik zal het u eens gauw zeggen se.

Ik houd bijvoorbeeld brevetten bij. Tot nog toe zijn dat brevetten als ‘de eerste keer naar de kapper’ met zo’n klein haarlokje dat de vriendelijke kapster vast niette nadat mijn kind luider had geschreeuwd dan de dvd van Maya de Bij (en die naderde toch al bijna de limiet van 90 decibel). Ik houd knutselwerkjes bij van op de opvang: tekeningen, ingekleurde schoenen voor de Sint en foto’s waar ze allemaal opstaan – verkleed als Zwarte Piet. Ik heb een doos met kaartjes – verjaardagskaartjes en felicitatiekaartjes bij hun geboorte. Ik maakte een boekje over mijn zwangerschap bij Kasper, ik schreef wat teksten over onze eerste weken met drie en liet dat inbinden. Daarnaast heb ik per kind een Babyplakboek van Uitgeverij Snor voor hun eerste levensjaar. En uiteraard werk ik intussen nog aan de fotoalbums. In de eerste boeken staan we met z’n twee. Je ziet ons op reis gaan, je ziet ons trouwen, onze broers trouwen, we vieren kerst en nieuwjaar en iedereen is om de beurt jarig. Sinds we kinderen hebben, werk ik met jaarboeken waar alles netjes chronologisch ingekleefd wordt.

Als ik het zo opschrijf is het echt belachelijk veel. Bij momenten vraag ik me af voor wie of voor wat ik het doe. Ik ben doorgaans de enige die in zo’n boeken kijkt. Maar als kind was het verleden induiken echt één van mijn hobby’s. Als ik als 16-jarige alleen thuis was, dan gebeurde het heel regelmatig dat ik de avond doorbracht met een zak Pickles chips van de GB (waar enkel de bovenste laag écht naar Pickles smaakt) terwijl ik onze vakantiefilms opnieuw bekeek. Ik vond het fijn om al die dingen opnieuw te zien, om door beelden terug naar Amerika in 1997 gekatapulteerd te worden waar ik mijn t-shirt in een puntje draaide, dat puntje er aan mijn nek weer doortrok en onwaarschijnlijk fier was op mijn zelfgecreëerd en bij momenten weinig verhullend naveltruitje.

Die hobby was mogelijk verdwenen, mocht papa niet plots gestorven zijn. Maar toen hij in 2005 vertrok, dook ik opnieuw vaker het verleden in. Ik omringde me met foto’s van vroeger (veel waar hij opstaat zijn er niet want hij was de fotograaf), ik bekeek de films nog eens met een ander oog (ik lette bijvoorbeeld enkel op wat hij deed, op hoe hij zijn mond bewoog, op wat hij zei) en ik bladerde door alle fotoboeken – op zoek naar foto’s van ons twee. Ik vond er enkele van toen ik kind was, maar vanaf mijn 14e verjaardag nog amper iets. Digitale fotografie deed toen zijn intrede en waar wij vroeger trouw onze vakantiefoto’s ontwikkelden, zetten we ze vanaf toen op de computer ‘om later af te printen en in te plakken’. En later kwam er zelden.

Toen Kasper geboren werd, diepte ik de fotoalbums terug op. Kasper was als baby een kopietje van zijn vader en zijn grootvader. Ik wilde dus enkel bevestigd zien HOE ONGELOOFLIJK WEINIG mijn eerstgeborene op mij lijkt. De foto’s bevestigden wat ik al wist: HIJ LIJKT NIET OP MIJ. De fotoboeken bewezen opnieuw hun nut toen mijn broer onlangs vader werd en zijn eerste album kwam ophalen – om te kijken of zijn dochter dezelfde gelaatstrekken had als hij vroeger.

En dat is waarom ik het doe denk ik. Omdat ik hoop dat er ooit een tijd komt dat mijn kinderen die herinneringen belangrijk en fijn genoeg gaan vinden om ze nog eens te willen beleven. Misschien willen ze later met hun lief de foto’s bekijken. Misschien zullen ze zich verbazen over de kleren die ik hen durfde aandoen (ik hoop echt oprecht van niet). Misschien gaan ze lachen met de poses die ze aannamen, met de smoelen die ze trokken. Misschien ze ontroerd zijn als ze zien met hoeveel liefde wij hen hebben groot gebracht. Terwijl ik dit schrijf, prevel ik dat ik vooral hoop dat ik er samen met hen naar kan kijken en dat ze niet – net zoals ik – op zoek zullen moeten gaan naar kleine stukjes informatie om iemand die ze moeten missen weer bij elkaar te puzzelen.

Ik bijt dus door. Ik blijf als een soort van fossiel mijn foto’s niet alleen opslaan op verschillende plaatsen (pc – de cloud – externe harde schijf), maar ik druk ze ook af, ik koop fotoklevers en ik plak ze in grote zwarte fotoboeken waar ik met witte pen de datum naast schrijf. Soms schrijf ik een zinnetje (‘Je had meer dan 39 graden koorts en ik was zo ongerust!’ of ‘Aan zee woont er boven ons een Frans wijf dat elke dag haar vent uitkaffert!’) maar vaak laat ik de beelden voor zichzelf spreken.

Ik probeer niet meer te tellen hoeveel uren ik hier al mee bezig ben. Ik bedenk geen andere dingen meer die ik intussen nog had kunnen doen. Ik wentel me niet meer in zelfmedelijden omdat ik alweer een halve namiddag fotoklevers aan mijn vingers heb plakken. Ik hoop niet meer vurig dat iemand op me af zal stappen om mij te feliciteren met mijn vastberadenheid, met mijn geduld en met mijn nobel streven. Ik wil dit graag zelf doen en het helpt om mezelf daar regelmatig aan te herinneren.
Ik wil dit doen, omdat ik zelf zo graag gekeken heb naar het verleden van ons gezin. Omdat ik me heb verwarmd aan de zon in Le Mas de Pinquie in de jaren 90. Omdat ik luidop moest lachen met de kleren die ik aanhad. Omdat ik vertederd werd toen ik opmerkte dat mijn broers exact dezelfde gezichtsuitdrukkingen hebben als zoveel jaren geleden. Omdat ik mijn vader vond op momenten dat ik het gevoel had dat ik hem echt helemaal en voor altijd kwijt was.

Dus ik selecteer foto’s. Ik rangschik ze chronologisch. Ik plak ze in. En ik hoop dat mijn kinderen lang genoeg slapen zodat ik naast hun foto’s met een witte pen kan schrijven “Je bent het mooiste wat ik ooit zag!” en zodat zij het kunnen lezen wanneer zij daar ooit nood aan zouden hebben.

Processed with VSCO with c1 preset

 

Meter

“Meter”, noemden we haar – terwijl ze enkel meter was van mijn oudste broer. “Meter en bompa” noemden we hen – ik vond het raar dat dat niet de standaard benaming was voor een grootouderset.

“Als ’t God belieft” zei ze, in één woord ‘Alstgodblieft’. Ze zei het zeker tien keer per dag. In de hoop dat het droog zou blijven. In de hoop dat we elkaar de dag nadien weer zouden zien. In de hoop dat we veilig zouden terugkeren van vakantie. In de hoop dat we allemaal nog lang en gezond zouden mogen leven.

“Dag me lieveke”, zei ze, en ze klopte op mijn poep wanneer ik haar een afscheidszoen gaf. “Niet doen!”, zei ik plots toen ik zo’n jaar of vijftien was. “Wordt ge te groot?”, vroeg ze. Maar ze bleef elke keer op mijn poep kloppen. Twee keer. “Alle, meter”, zei ik. “Och ja, just, dat mag niet meer.” Ze is er nooit mee gestopt.

“Spek met rodekool”, zei ze, wanneer ik haar vroeg wat ze zou klaarmaken. Of witte selder met gehakt. Of hutsepot met ribbekes. Of mosselen met friet. Of andijvie. Of snijbonen met bruine saus.

“Om één uur”, zei ze, wanneer ik haar nog eens aanmaande om nu eens vijf minuten te gaan zitten. Pas wanneer alles gedaan was, zette ze zich neer in de gele zetel met blauwe bloemen op. Ze klapte het voetenbankje uit en drukte de rugleuning wat achterover. Mijn grootvader in de andere zetel en ik aan tafel met ‘ne boek kaarten’. Patience spelen. Vijf keer. Zes keer. “Is’t al voorbij?”, probeerde ik. “Sssssshhht”, zei ze dan. Zeven keer. Acht keer. Nooit uitgespeeld geraakt.

“Later krijgt gij die”, zei ze, terwijl ze haar ring aandeed met de paarse steen. Ik liet hem altijd rond mijn vinger glijden wanneer ik hun slaapkamer binnenglipte. “Eerst uw mama, en dan gij. Alstgodblieft.” Ik zei haar dat ze wat te veel schmink op had gedaan op haar linkerwang. “Ja?” zei ze. Ik vaagde wat uit zodat ze toch wat meer oranje zag in plaats van lichtbruin. “Meter ziet dat niet altijd zo goed meer he”, en ze lachte haar hoog kakellachje.

Om tien uur at ze soep of een cracotte met boter. Daarna begon ze aan de middag. Het luikje van de dampkap klepperde en verraadde wat ze aan het klaarmaken was. Ik speelde buiten en probeerde te ruiken of het rodekool was of niet. Door het keukenraam keek ze naar mij. Ik zwaaide en ze wuifde terug – zoals de royalties. Enkel haar hoofd en haar schouders kwamen boven het hoge keukenraam uit. Ze had haar blauwe werkschort aan. Zo had ze er veel – die hingen achter de deur in het waskot.
Thuiskomen – dat was haar jas uit en haar schort aan.

Thuiskomen – dat is op de markt een vrouw zo’n schort zien kopen. Ik passeer haar heel kortbij en probeer te ruiken of ze rodekool gemaakt heeft.

IMG_5186

De bijhouder

Ik ben de bijhouder.

Ik ben de bijhouder van schema’s. Van doktersafspraken. Van consults bij Kind en Gezin. Ik weet de uren van de dutjes. Ik weet wanneer het te vroeg is. En ook wanneer het te laat is.

Ik ben de bijhouder van alle soorten informatie. Ik weet wie wanneer wat graag wil eten. Ik zie wanneer tantrums nog nét vermeden kunnen worden met de juiste aanpak. Ik weet hoe die juiste aanpak eruit ziet.  Ik merk rode blosjes op die wijzen op vermoeidheid. Ik weet welke kleren gewassen moeten worden en op hoeveel graden. Ik weet wat er in de droogkast kan en wat niet. Ik weet welke rekeningen wanneer in de bus vallen en hoe hoog ze zullen zijn. Ik weet wanneer ze betaald moeten worden. Ik weet wat er op het boodschappenlijstje moet en welke dingen er stilaan vervallen zijn in de koelkast. Ik weet wie wanneer jarig is. Ik weet welke pakjes wanneer gekocht moeten worden. Ik schrijf de kaartjes en stuur ze op.

Ik ben de bijhouder van oplossingen. Ik weet de juiste pleisters liggen. Ik weet de tutjes te vinden die troosten kunnen. Mijn kusjes toveren pijntjes weg. In mijn handtas zitten noodkoekjes en noodtutjes en noodzakdoeken. Ik weet welke liedjes ik moet zingen om kindjes rustig te krijgen, of in slaap. Ik ben de vinder van zoekgeraakt speelgoed. Ik ben de opzetter van muziek. Ik ben het metaforische deken dat bange kindjes warm kan houden.

Ik ben de bijhouder van voorkeuren. Ik weet wie wat op zijn boterhammen wil en hoe die gesneden mogen worden. Ik weet in welk kommetje de peer moet en welke lepel bij de yoghurt hoort. Ik weet hoe het handje vastgehouden moet worden terwijl de fles gedronken wordt. Ik weet de volgorde van het aantrekken van de kledingstukken. Ik weet welke sjaal prikt en welke niet. Ik weet hoe de avondrituelen eruit zien en welke groenten er niet op het bord mogen blijven liggen.

Ik ben de bijhouder van rituelen en herinneringen. Ik neem de foto’s, ik druk ze af, ik plak ze in. Ik houd de tekeningen bij en schrijf er de datum op. Ik verzamel ‘eerste keren’ in boekjes en ‘grappige uitspraken’ in andere. Ik houd de dagboeken bij voor elk kind. Ik ben de verzamelaar van kleine spulletjes waar werelden mee staan of vallen. Ik ben de brievenschrijver. Ik ben de verslaggever en de historicus.

Ik ben de bijhouder van emotionele veiligheid. Ik ben de belichaming van de veilige haven. Ik ben het kompas dat ons door de woeste zee net naast de uitbarstingen kan leiden. Ik ben degene die ’s avonds de monsters onder de bedden uit jaagt. Ik steek tutjes terug die uit wenende mondjes vallen. Ik houd kleine handjes vast tot ze de grip lossen en zich overgeven aan de slaap.

Ik ben de bijhouder van vrede. Ik ben de scheidsrechter die tussenkomt. Ik ben de tolk die van taal voorziet. Ik ben de uitlegger van nieuwe en vreemde dingen. Ik ben degene die de verschillende persoonlijkheden met elkaar leert omgaan.

Ik ben de bijhouder van zorgen. De hunne en de mijne.
Ik ben de bijhouder van het goede. Van het kwade. Van het kleine en het grote. Van het schone en het pijnlijke.

Ik ben de bijhouder. Alles wat ik bijhoud, zoemt soms zo hard in mijn hoofd dat ik er niet van kan slapen. De gedachten suizen in mijn oren. “Niet vergeten! Niet vergeten! Zeker doen! Zeker doen!” roepen ze.

Het werk van de bijhouder is onzichtbaar. Het is moeilijker er de vinger op te leggen. Het werk passeert onopgemerkt totdat ik er niet ben om het te doen. Ik krijg er geen punten op. Niemand doet van peer assessment. Ik krijg geen onderscheidingen of felicitaties. Heel vaak wordt het werk van de bijhouder als vanzelfsprekend gezien.

Aan alle andere bijhouders: ik zie jullie.

Ik ken het gewicht van de dingen die jullie bijhouden en dragen in jullie hoofd.

Ik weet van al het onzichtbare werk dat jullie doen – werk dat niet gepaard gaat met een vette cheque aan het einde van de maand. Geen bonussen of ziekteverlof. Geen applaus of felicitaties. Maar het is dat werk – dat stil en ongedwongen alle dagen gedaan wordt – dat de wereld laat draaien.

Ik zie jullie, mede bijhouders.
And I salute you.

SubstandardFullSizeRender