Ik zocht mijn vader

Intussen is ie er al meer dan 12 jaar niet meer, maar er gaat nog steeds geen dag voorbij waarop ik niet aan hem denk. De scherpe kanten zijn van het verdriet af. Het verdriet is niet weg (ik denk niet dat het ooit weg gaat), maar het heeft een plaats gekregen in mijn leven. Ik kan er mee omgaan. Ik heb mijn realiteit aangepast aan het feit dat hij er niet meer is en dat hij nooit meer terug komt.

Elke dag nog denk ik aan hem. Aan hoe hij er plots niet meer was en ik mij zo lang ontworteld voelde. Vroeger ging dat gepaard met allesverzengende woede, ontroostbaar verdriet en algehele ontreddering. Tegenwoordig denk ik vooral nog elke dag ‘dju toch, papa’ en ‘he toch’ en ‘hai toch’ en ‘man man man’.

Er zijn zoveel dingen die me aan hem doen denken. Iemand die op hem lijkt. Mijn boterham in vierkantjes snijden en op elk vierkantje een stukje chocolade leggen. De Knack. Duitse televisieprogramma’s. Molière. Toneel in het algemeen. BB King. Bluesharp. West-Vlaams. Mannen met een ring aan hun pink. Mannen met een stoppelbaard en een bril. Eric Clapton Unplugged. Hoegaarden. Allemaal dingen die bij hem horen.

Maar net zo goed dingen die ik graag bij hem had willen laten horen – dingen die ik had willen vertellen, had willen tonen. Mijn kinderen. Het feit dat wij in het ouderlijk huis wonen. Mijn man. Mijn job. Mijn ideeën voor in de les. De boeken die ik lees. Mijn leesclub. Kasper die zo muzikaal is.

Onlangs verloor één van mijn dierbaarste collega’s haar papa. Dat is zo verschrikkelijk hard. Ze schreef een wonderschone tekst die ze heel moedig voorlas in de kerk. Ze draagt haar verlies en haar leed zo waardig. Zelfs in deze periode – die ongetwijfeld één van de moeilijkste uit haar leven is – blijft ze zichzelf: vrijgevig, joviaal, gul. Ik wil haar zo graag iets terug geven en liefst nog haar papa.

Veel is het niet, maar misschien vindt ze hem even hier in deze tekst – zoals ik de mijne er al vaak in gevonden heb.

 

Ik zocht mijn vader.
‘Waar is mijn vader?’ riep ik. ik zocht overal. ‘Heeft iemand mijn vader gezien?’

Wat moet ik beginnen zonder vader, dacht ik: ‘Mijn vader!!’

‘Hier!’ hoorde ik opeens zijn stem.
‘Waar?’

‘Hier!’ Ik hoorde hem roepen uit mijn broekzak. Ik haalde hem tevoorschijn.
Hij was het echt, maar heel klein.

Wat moest ik daar nu van denken?

‘Let op, zei hij.
En plotseling was hij groot en boog zich over mij heen.
‘Dag mijn kind’ zei hij.
Hij glom.

‘Hoe doe je dat toch?’ vroeg ik.

‘Ja…’ zei hij. Hij glimlachte geheimzinnig.

‘Kan je mij dat ook leren?’

‘Nou….’ Zei hij ‘Later misschien.’

‘Wanneer is later?’….

‘Ja….’

O, altijd dat geheimzinnige ja…. Van mijn vader. Daar hield ik helemaal niet van. Dat wilde ik hem ook zeggen.

Maar plotseling kromp hij weer in elkaar en was hij weg.

Ik voelde in mijn broekzakken. Daar was hij niet.

‘Waar ben je nu?’ riep ik.

‘Hier.’

‘Waar is hier?’

‘Later.

‘Later? Hoe kan dat nou weer?’

‘Ja….’

Hij was dus ergens later, waar het niet nu was. Ik had nog nooit zo iets ingewikkelds meegemaakt.
‘Is het daar mooi?’ vroeg ik.

‘Heel mooi, zei hij.

‘Wat is daar te zien?’ vroeg ik.
‘De zee, zei hij ‘Kleine scheepjes. Meeuwen’.

Ik kon zijn stem nauwelijks meer horen.

‘Waar ben je nu?’ riep ik…

‘Veel later, veel, veel later…’

‘Vaar je soms weg? Riep ik.
Toen hoorde ik hem niet meer.
Ik zuchtte.
Ik dacht: wat ze ook zeggen: ik heb de ingewikkeldste vader van de wereld, dat is zeker;

En ik was niet bang dat hij misschien niet meer terug zou komen. Hij komt altijd terug. Hij weet daar duizend manieren voor.

Toon Tellegen

Advertenties

Archiveren

Zoals ik hier al schreef, ben ik thuis de bijhouder, de verslaggever, de historicus en de archivaris. Vage termen, zal je zeggen, maar wat doé je dan precies als ‘archivaris’. Ik zal het u eens gauw zeggen se.

Ik houd bijvoorbeeld brevetten bij. Tot nog toe zijn dat brevetten als ‘de eerste keer naar de kapper’ met zo’n klein haarlokje dat de vriendelijke kapster vast niette nadat mijn kind luider had geschreeuwd dan de dvd van Maya de Bij (en die naderde toch al bijna de limiet van 90 decibel). Ik houd knutselwerkjes bij van op de opvang: tekeningen, ingekleurde schoenen voor de Sint en foto’s waar ze allemaal opstaan – verkleed als Zwarte Piet. Ik heb een doos met kaartjes – verjaardagskaartjes en felicitatiekaartjes bij hun geboorte. Ik maakte een boekje over mijn zwangerschap bij Kasper, ik schreef wat teksten over onze eerste weken met drie en liet dat inbinden. Daarnaast heb ik per kind een Babyplakboek van Uitgeverij Snor voor hun eerste levensjaar. En uiteraard werk ik intussen nog aan de fotoalbums. In de eerste boeken staan we met z’n twee. Je ziet ons op reis gaan, je ziet ons trouwen, onze broers trouwen, we vieren kerst en nieuwjaar en iedereen is om de beurt jarig. Sinds we kinderen hebben, werk ik met jaarboeken waar alles netjes chronologisch ingekleefd wordt.

Als ik het zo opschrijf is het echt belachelijk veel. Bij momenten vraag ik me af voor wie of voor wat ik het doe. Ik ben doorgaans de enige die in zo’n boeken kijkt. Maar als kind was het verleden induiken echt één van mijn hobby’s. Als ik als 16-jarige alleen thuis was, dan gebeurde het heel regelmatig dat ik de avond doorbracht met een zak Pickles chips van de GB (waar enkel de bovenste laag écht naar Pickles smaakt) terwijl ik onze vakantiefilms opnieuw bekeek. Ik vond het fijn om al die dingen opnieuw te zien, om door beelden terug naar Amerika in 1997 gekatapulteerd te worden waar ik mijn t-shirt in een puntje draaide, dat puntje er aan mijn nek weer doortrok en onwaarschijnlijk fier was op mijn zelfgecreëerd en bij momenten weinig verhullend naveltruitje.

Die hobby was mogelijk verdwenen, mocht papa niet plots gestorven zijn. Maar toen hij in 2005 vertrok, dook ik opnieuw vaker het verleden in. Ik omringde me met foto’s van vroeger (veel waar hij opstaat zijn er niet want hij was de fotograaf), ik bekeek de films nog eens met een ander oog (ik lette bijvoorbeeld enkel op wat hij deed, op hoe hij zijn mond bewoog, op wat hij zei) en ik bladerde door alle fotoboeken – op zoek naar foto’s van ons twee. Ik vond er enkele van toen ik kind was, maar vanaf mijn 14e verjaardag nog amper iets. Digitale fotografie deed toen zijn intrede en waar wij vroeger trouw onze vakantiefoto’s ontwikkelden, zetten we ze vanaf toen op de computer ‘om later af te printen en in te plakken’. En later kwam er zelden.

Toen Kasper geboren werd, diepte ik de fotoalbums terug op. Kasper was als baby een kopietje van zijn vader en zijn grootvader. Ik wilde dus enkel bevestigd zien HOE ONGELOOFLIJK WEINIG mijn eerstgeborene op mij lijkt. De foto’s bevestigden wat ik al wist: HIJ LIJKT NIET OP MIJ. De fotoboeken bewezen opnieuw hun nut toen mijn broer onlangs vader werd en zijn eerste album kwam ophalen – om te kijken of zijn dochter dezelfde gelaatstrekken had als hij vroeger.

En dat is waarom ik het doe denk ik. Omdat ik hoop dat er ooit een tijd komt dat mijn kinderen die herinneringen belangrijk en fijn genoeg gaan vinden om ze nog eens te willen beleven. Misschien willen ze later met hun lief de foto’s bekijken. Misschien zullen ze zich verbazen over de kleren die ik hen durfde aandoen (ik hoop echt oprecht van niet). Misschien gaan ze lachen met de poses die ze aannamen, met de smoelen die ze trokken. Misschien ze ontroerd zijn als ze zien met hoeveel liefde wij hen hebben groot gebracht. Terwijl ik dit schrijf, prevel ik dat ik vooral hoop dat ik er samen met hen naar kan kijken en dat ze niet – net zoals ik – op zoek zullen moeten gaan naar kleine stukjes informatie om iemand die ze moeten missen weer bij elkaar te puzzelen.

Ik bijt dus door. Ik blijf als een soort van fossiel mijn foto’s niet alleen opslaan op verschillende plaatsen (pc – de cloud – externe harde schijf), maar ik druk ze ook af, ik koop fotoklevers en ik plak ze in grote zwarte fotoboeken waar ik met witte pen de datum naast schrijf. Soms schrijf ik een zinnetje (‘Je had meer dan 39 graden koorts en ik was zo ongerust!’ of ‘Aan zee woont er boven ons een Frans wijf dat elke dag haar vent uitkaffert!’) maar vaak laat ik de beelden voor zichzelf spreken.

Ik probeer niet meer te tellen hoeveel uren ik hier al mee bezig ben. Ik bedenk geen andere dingen meer die ik intussen nog had kunnen doen. Ik wentel me niet meer in zelfmedelijden omdat ik alweer een halve namiddag fotoklevers aan mijn vingers heb plakken. Ik hoop niet meer vurig dat iemand op me af zal stappen om mij te feliciteren met mijn vastberadenheid, met mijn geduld en met mijn nobel streven. Ik wil dit graag zelf doen en het helpt om mezelf daar regelmatig aan te herinneren.
Ik wil dit doen, omdat ik zelf zo graag gekeken heb naar het verleden van ons gezin. Omdat ik me heb verwarmd aan de zon in Le Mas de Pinquie in de jaren 90. Omdat ik luidop moest lachen met de kleren die ik aanhad. Omdat ik vertederd werd toen ik opmerkte dat mijn broers exact dezelfde gezichtsuitdrukkingen hebben als zoveel jaren geleden. Omdat ik mijn vader vond op momenten dat ik het gevoel had dat ik hem echt helemaal en voor altijd kwijt was.

Dus ik selecteer foto’s. Ik rangschik ze chronologisch. Ik plak ze in. En ik hoop dat mijn kinderen lang genoeg slapen zodat ik naast hun foto’s met een witte pen kan schrijven “Je bent het mooiste wat ik ooit zag!” en zodat zij het kunnen lezen wanneer zij daar ooit nood aan zouden hebben.

Processed with VSCO with c1 preset

 

Meter

“Meter”, noemden we haar – terwijl ze enkel meter was van mijn oudste broer. “Meter en bompa” noemden we hen – ik vond het raar dat dat niet de standaard benaming was voor een grootouderset.

“Als ’t God belieft” zei ze, in één woord ‘Alstgodblieft’. Ze zei het zeker tien keer per dag. In de hoop dat het droog zou blijven. In de hoop dat we elkaar de dag nadien weer zouden zien. In de hoop dat we veilig zouden terugkeren van vakantie. In de hoop dat we allemaal nog lang en gezond zouden mogen leven.

“Dag me lieveke”, zei ze, en ze klopte op mijn poep wanneer ik haar een afscheidszoen gaf. “Niet doen!”, zei ik plots toen ik zo’n jaar of vijftien was. “Wordt ge te groot?”, vroeg ze. Maar ze bleef elke keer op mijn poep kloppen. Twee keer. “Alle, meter”, zei ik. “Och ja, just, dat mag niet meer.” Ze is er nooit mee gestopt.

“Spek met rodekool”, zei ze, wanneer ik haar vroeg wat ze zou klaarmaken. Of witte selder met gehakt. Of hutsepot met ribbekes. Of mosselen met friet. Of andijvie. Of snijbonen met bruine saus.

“Om één uur”, zei ze, wanneer ik haar nog eens aanmaande om nu eens vijf minuten te gaan zitten. Pas wanneer alles gedaan was, zette ze zich neer in de gele zetel met blauwe bloemen op. Ze klapte het voetenbankje uit en drukte de rugleuning wat achterover. Mijn grootvader in de andere zetel en ik aan tafel met ‘ne boek kaarten’. Patience spelen. Vijf keer. Zes keer. “Is’t al voorbij?”, probeerde ik. “Sssssshhht”, zei ze dan. Zeven keer. Acht keer. Nooit uitgespeeld geraakt.

“Later krijgt gij die”, zei ze, terwijl ze haar ring aandeed met de paarse steen. Ik liet hem altijd rond mijn vinger glijden wanneer ik hun slaapkamer binnenglipte. “Eerst uw mama, en dan gij. Alstgodblieft.” Ik zei haar dat ze wat te veel schmink op had gedaan op haar linkerwang. “Ja?” zei ze. Ik vaagde wat uit zodat ze toch wat meer oranje zag in plaats van lichtbruin. “Meter ziet dat niet altijd zo goed meer he”, en ze lachte haar hoog kakellachje.

Om tien uur at ze soep of een cracotte met boter. Daarna begon ze aan de middag. Het luikje van de dampkap klepperde en verraadde wat ze aan het klaarmaken was. Ik speelde buiten en probeerde te ruiken of het rodekool was of niet. Door het keukenraam keek ze naar mij. Ik zwaaide en ze wuifde terug – zoals de royalties. Enkel haar hoofd en haar schouders kwamen boven het hoge keukenraam uit. Ze had haar blauwe werkschort aan. Zo had ze er veel – die hingen achter de deur in het waskot.
Thuiskomen – dat was haar jas uit en haar schort aan.

Thuiskomen – dat is op de markt een vrouw zo’n schort zien kopen. Ik passeer haar heel kortbij en probeer te ruiken of ze rodekool gemaakt heeft.

IMG_5186

Mu-ziekjes

Ik zing regelmatig voor mijn kinderen. Dat is doorgaans niet toonvast, maar voorlopig schijnen ze daar niet al te veel om te geven.

Ik zing omdat ik ervan overtuigd ben dat het bijdraagt aan hun taalontwikkeling. (Google maar wat als je mij niet gelooft). Ik zing ook omdat ik gemerkt heb dat ze hun sneb houden of stoppen met jammeren wanneer ik zing. En verder zing ik omdat het mij ook rustig houdt op momenten dat armen weer niet door mouwen willen of peutertjes niet willen snappen dat op broertjes gaan liggen geen tof idee is.

Ondertussen heb ik een uitgebreid repertoire. Sommige liedjes worden hier wat vaker aangevraagd dan anderen (hoofd-schouders-knie en teen en natuurlijk dat van die beren die broodjes smeren). Andere liedjes blijf ik zingen omdat ik ze zelf ook maar niet uit mijn hoofd krijg. En als ik ergens last van heb, ja, dan heb ik graag dat iedereen thuis er toch op z’n minst ook een beetje last van heeft.

En nu moet er mij toch iets van’t hart. Sommige van die liedjes – die klinken nog zo lieflijk, maar die teksten die zijn echt onwaarschijnlijk fout! Duik even met mij mee in de Vlaamsche kindermuziekjes van weleer.

 

  1. Daar was laatst een meisje loos

Mijn mama zong dit lied vroeger voor mij wanneer ik ziek was. ’t Is te zeggen: als ik ’s nachts koortsig wakker werd, dan tilde ze mij uit bed. We verhuisden naar de badkamer en ze nam de thermometer uit het apothekerskastje. Ik kreeg de thermometer onder mijn oksel geduwd en ik moest mijn arm tegen mijn lijf drukken. Terwijl we samen wachtten op het piepje dat aangaf dat de temperatuur was vastgesteld zat ik op haar schoot op de witte badkamerstoel. Ze wiegde me en ik vroeg om een lied. ‘Dat van dat meisje loos’. Ik had klaarblijkelijk geen enkel idee waar dat precies over ging. Als ik het nu zing voor mijn kinderen, vind ik het toch wat lastig dat ik lieflijk loop te hummen over een kind dat een ferm pak slaag krijgt in een kajuit nadat de zeilen door slecht weer zijn losgekomen. U zal nu zeggen: stop met het te zingen. Maar dat gaat niet, want het is een ideaal ritme om een kindje mee in slaap te wiegen. Luister hier zelf maar.

2. Goedenavond speelman

Ah – dit nummer is ideaal bij het aan-en uitkleden van spartelende kinderen. Belangrijk is hoog genoeg te beginnen bij de ‘Goe-den-avond speel-maaan’ om de aandacht meteen te pakken te krijgen. Dan is het vooral zaaks om te doen alsof jij wél begrijpt wat er in godsnaam bedoeld wordt met ‘voor de kleine poppedijne en de grote bimbam’. Kas zit al in een soort van waarom-fase en het angstzweet breekt mij uit wanneer ik denk dat hij hier weldra vragen over zal stellen. Ik denk dat ik ga zeggen dat het over klokken gaat.

3. Vogelke, gij zijt gevangen

Nog een van mijn troosters. Ik vind het heerlijk om over hun bolleke te strelen terwijl ik mijn innerlijke Pavarotti totaal loslaat op de laatste zin: “Lieve vogel, gij blijft hier.” Maar ik krijg toch altijd zo’n beetje een onbehaaglijk gevoel als ik het hele plaatje beschouw (Vogelke gij zijt gevangen – in het kooike zult gij hangen – gij blijft hier – gij blijft hier – Lieve vogel, gij blijft hier). Bij wijze van compensatie zeg ik dan altijd: ‘Maar mama wil natuurlijk heel graag dat jullie later jullie vleugels uitslaan. Maar wel pas later he.’ Dan zit ik opvoedgewijs weer safe, toch?

4. Papegaai is ziek

Dit is één van de nummers waarmee ik instant punten scoor en kindjes aan het lachen krijg. Die IEJA-DEEJA doet het hem werkelijk al-tijd. Maar ik heb zelf jarenlang mijn hoofd gebroken over dit lied. Als kind begreep ik eerst niet wat conserven waren. Toen ik dat eenmaal uitgevogeld had, kon ik totaal niet snappen hoe men in godsnaam van conserven plots appelmoes zou kunnen maken. Toen ik uiteindelijk doorhad dat de papegaai appelmoes uit blik kreeg, besefte ik dat ik al appelmoes in potten had gezien maar eigenlijk nog nooit in blik (en ook dat het echt erg was dat ik 16 jaar was vooraleer ik hier geraakt was in mijn denkproces).

5. Daar was een vrouw

Daar was een vrouw
Die koeken bakken zou.
En het deeg dat wou niet rijzen.

(tot hier ben ik natuurlijk nog helemaal mee – we’ve all been there.)

En de pan viel om.
En de koeken waren krom.

(nog steeds heel erg herkenbaar).

En de man heet Jan Van Gijzen.

(You lost me).

 

En zo komt het dus dat ik soms probeer om wat nieuwere kinderliedjes te zingen. Liedjes die een iets hedendaagser wereldbeeld weergeven, om zomaar iets te zeggen. Kapitein Winokio maakt er hele leuke en Samson en Gert zijn nog steeds helemaal top. Maar om de een of andere reden, werken die niet zo goed. Kasper vraagt ook altijd naar die maffe nummers uit de jaren stillekes – zoals zijn moeder 3 decennia geleden ook al deed (het lijkt wel alsof hij enkel de rare dingen van mij geërfd heeft – hij kruist bijvoorbeeld ook zijn middenvinger over zijn wijsvinger als hij zenuwachtig wordt net zoals ik).

Die oude liedjes die werken hier dus het beste. Hoe raar ik het ook vind wat ik soms allemaal aan het zingen ben voor hem (“ze kreeg een pak ransel en toen was het uuuuiiit”). Maar voorwaar ik zeg u – het zijn die nummer waardoor hij zijn bebber eens vijf seconden houdt. Het zijn die liedjes waar hij stil(ler) van gaat liggen. Het zijn die melodietjes die hij nu zelf stilaan begint te zingen en te neuriën (“hi hi hi! ha ha ha! stondebij en keekena” – helemaal de max als ie dat doet).

Maar net toen ik nogal pocherig tegen Wout zei dat hij eens een foto moest maken want dat kind 1 altijd zo goed zijn jas laat aandoen wanneer ik zing, gebeurde er dit.

Processed with VSCO with c1 preset

Ik kon zweren dat hij zong van: “ze kreeg een pak ransel en toen was het uuuuiiit” bij het weglopen.

Het vaderland

Van zodra ik West-Vlaanderen binnen rijd, overvalt er mij een soort van tristesse.
Het is de plek waar mijn vader vandaan komt en waar een stuk van mijn roots liggen. Dit is mijn vaderland. Van zodra ik in de buurt van de Westhoek kom, loert de melancholie onverbiddellijk om de hoek.

Ik voel het in een gulp omhoog komen als ik in de apotheek oogzalf voor mijn zoon koop. “Ik ben ook een beetje van hier!”, wil ik zeggen. Ik stap de auto weer in en Wout vraagt of de apothecaris vriendelijk was. “Hij was als een West-Vlaming”, zeg ik. En ik wou dat ik het tegen papa kon zeggen.  Die zou er smakelijk om lachen. Of mij misschien diepzinnige vragen stellen waar ik me aan zou storen maar toch nog lang over zou nadenken.

Als we vroeger naar het Westen reden, dan reden we naar de plek waar mijn vader was opgegroeid. We bezochten de vrienden die hij moest missen. We speelden gezelschapsspelletjes tot middernacht met hun kinderen – tot onze ouders klaar waren met heel hard te lachen en te veel trappist te drinken. We logeerden bij onze grootouders. Ik sliep er tussen mijn ouders in. Ik lag er in het pikkedonker naar het plafond te staren. Ik luisterde naar de stemmen van mijn familieleden die elkaar vertelden over wat er gaande was in hun leven. Ik moest als eerste gaan slapen en ik luisterde dus het langst. Ik bleef altijd wakker tot ik op zijn minst mijn broers naar boven hoorde komen.

Ik heb geen herinneringen met mijn ouders aan zee. Hier zou de melancholie me vast niet weten te vinden, dacht ik nog. Maar ik had het mis. Ook hier kreeg ze me moeiteloos te stekken. Ze vond me – temidden van mijn drie jongens – en ze tikte op mijn schouders.

“Ik mis papa vandaag,”, zeg ik in de auto. “Ik wou dat ik hem kon vertellen dat we hier op vakantie komen nu. Ik wou dat ik hem kon zeggen hoe West-Vlaams klinkt voor mij. Hoe mensen opkijken in de winkel als ze me horen praten tegen mijn kinderen – hoe ik onmiddellijk als ‘van verre’ word herkend. Ik wil hem vertellen dat sommige mensen nors lijken en gesloten. Ik praat vriendelijk tegen hen en vanbinnen glimlach ik, omdat ik weet dat ik daar met papa een grappige conversatie over zou kunnen hebben. “Ha,” denk ik “die gaat straks nogal lachen met mijn observaties”. Maar daar is miss Melancholie weer: “dat zal niet gaan”, zegt ze, “want hij is er niet meer.” Juist ja.

“Ik mis papa vandaag”, zeg ik in de auto. “Gaat het?”, vraagt hij.
“Het gaat”, zeg ik, “maar het is droevig.”

Processed with VSCO with c1 preset

 

Gelezen en geluisterd

In de laatste weken van het jaar las ik nog enkele boeken uit. Ik had mezelf als doel gesteld om 25 boeken te lezen in 2017. Dat werden er 42. Ik wil dus wel hoger mikken voor volgend jaar, maar dan heb ik een kleuter en een peuter dus misschien toch maar geleven realistisch zijn.

Enfin, wat ik nog las:

Het groeit! Het leeft! – Marjolijn van Heemstra

Een boekje met korte columns van Marjolijn van Heemstra. Niet erg van onder de indruk. Wel vaak erg herkenbaar (we zitten in dezelfde levensfase) en ik hou van de schrijfstijl van (de meeste) Nederlanders. Maar het was ‘gewoon’ (en dat is zeker niet slecht). Ik gaf het drie sterren op Goodreads.

 

Bullet Journal – De Handleiding – Kelly Deriemaeker

Uiteraard geen roman, maar wel heel leerrijk. Ik gaf het 4 sterren omdat het me heel helder duidelijk maakte hoe ik dat Bullet Journallen best zou aanpakken. Eigenlijk deed ik het al wat, op mijn eigen manier en verspreid over veel te veel boekjes. Nu heb ik het allemaal mooi overzichtelijk samen in mijn oranje boekje en ik ben er heel blij. Ik denk dat het nog meer van pas zal komen wanneer ik half maart terug aan de slag ga. Al heb ik nu ook het gevoel dat ik alle dagen meer dan mijn werk doe.

IMG_4277

 

Gelukkig hebben we de foto’s nog – Marcel Langedijk

Een waargebeurd verhaal over de broer van Marcel Langedijk. Mark Langedijk kampt al heel zijn leven met een alcoholverslaving. Nochtans is Mark voor de buitenwereld altijd een hele normale man geweest: zelfstandige, getrouwd, twee zonen, verdiende goed zijn brood. Als hij na het werk thuis kwam, ging hij even dutten. Achteraf bekende hij dat hij altijd een fles wijn onder de matras had steken. Na al die jaren van alcoholmisbruik en verschillende opnames in verschillende afdelingen van verschillende instellingen ziet Mark het niet meer zitten en dient hij een aanvraag voor euthanasie in.
Dit boek beschrijft de laatste maand van het leven van Mark door de ogen van zijn broer Marcel. Het boekje was dun, maar het verhaal was heftig. Een verhaal over een mens die zo afgetakeld is, die zichzelf zo heeft opgegeven omdat hij voelt dat hij het gewoon niet meer recht getrokken krijgt. En onrechtstreeks ook een verhaal over alle mensen die hem graag zien en die ook geleden hebben. Het boek opende opnieuw de discussie voor euthanasie bij psychisch lijden.

Origin – Dan Brown

Ik zakte een beetje weg in een leesdipje zowat half december. Ik had veel boeken liggen die ik wou lezen, maar ik geraakte maar niet vertrokken. Ik heb veel tijdschriften gelezen, maar dat is toch niet hetzelfde. Uiteindelijk haalde dit boek me weer uit de leesdip. Dat komt natuurlijk omdat Dan Brown altijd wel vlot leest en omdat het een vertrouwd recept is: er gebeurt iets onverwacht, er ontstaan heel wat misverstanden over wie nu verantwoordelijk is, Robert Langdon vlucht en de zoektocht om te code te kraken kan beginnen. In elk boek – en ook hier – heeft hij een vrouwelijke rechterhand. Het leuke aan de boeken van Brown vind ik de dunne grens tussen feit en fictie. Ik googelde heel wat af zodat ik me de plaatsen van het boek beter kon voorstellen. Sommige dingen vond ik bevestigd op het internet, andere niet. Maar het was een onderhoudend verhaal. Niet zoals Het Bernini Mysterie maar dat was misschien omdat ik dat lang geleden als eerste las en de formule van Browns boeken toen nog niet zo ‘same old’ voelden.
Het was dus meer van hetzelfde, maar het was ook exact wat ik nodig had om terug vertrokken te geraken.

 

Geluisterd: Jasper Steverlinck

In november ging ik samen met een van mijn beste vriendinnen naar Jasper luisteren in Het Depot. Hij tourt nu rond samen met Valentijn om zijn album ‘Uncut’ voor te stellen. In maart komt het full album uit (iets waar ik overigens geweldig naar uitkijk).

Het optreden was zittend en dat paste perfect bij de sfeer. Enkel Jasper, Vally en hun muziekinstrumenten en het licht dat perfect wist waar het moest vallen. Ze speelden een dik uur en het was de hele tijd quasi muisstil. Het leek bij momenten alsof de hele zaal voortdurend zijn adem inhield. Ik vond het fantastisch en alle nummers waren wonderschoon. Zeker het laatste waar Vally op een oud instrument speelt dat hij van een non gekregen heeft (en als het niet waar is, dan heeft hij het keigoed verzonnen). Ik zag heel regelmatig mensen met tranen in de ogen kijken en luisteren.
Ik ben onwaarschijnlijk trots op mijn neef en ik ben het helemaal eens met wat zijn producer Jean Blaute liet optekenen in de Humo. Mocht je nog geen ticket hebben: er zijn er nog voor enkele van de extra shows (o.a. in Gent, Antwerpen, Brussel en Leuven).

Tom Gorré maakt mooie foto’s tijdens het optreden – zie foto links.
Ik maak mooie foto’s terwijl ik de Humo lees – zie foto rechts.

 

Geluisterd: Podcast ‘Iemand’

De podcastreeks ‘Iemand’ van Radio 1 is weer terug met nieuwe afleveringen. Ik vind het nieuwe seizoen nog boeiender dan het eerste. De verschillende mensen die aan het woord komen hebben allemaal een heel bijzonder verhaal te vertellen. Uit dit seizoen onthoud ik tot nu toe vooral Corinne de transgender (geboren in 1936), Rita dochter van een vrouw in het verzet en een man die collaboreerde en Karl Eriksson, muzikant bij The Broken Circle Breakdown Band en zoon van een vader die het nogal had voor de Duitsers en het zuivere bloed terwijl Karl het eerder had voor hippie’s en patchouli.
Als mijn kinderen tegelijk aan het dutten zijn, dan verzacht ik de pijn van wasmanden leeg strijken met een aflevering van Iemand en dan ga ik het zelfs bijna plezant vinden. Dat is dan tot ik aan de hoop hemden kom en ik al die knoopjes erna weer moet dichtdoen.

 

Ik ben tevreden over mijn leesjaar en ik plan minstens zoveel te lezen in 2018.
Wat muziek betreft, zag ik dit jaar niet veel optredens maar wel vier steengoede: Guns ‘N Roses op Werchter Boutique, Jasper in Het Depot, Fleetwood Mac Tribute Band in Den Egger en last but not least mijn broer met zijn band M&L.
Voor 2018 staan er al enkele toneelstukken op de agenda – zowel voor volwassenen als voor Kas, Janne en Kaat – en een show van Jan Jaap Van der Wal en ook mijn ‘to read’ lijst wordt alsmaar langer. Gelukkig is er nog steeds doorgaans weinig op tv wat mij kan boeien, dus dat komt helemaal goed.

IMG_4852

 

 

 

 

 

De bijhouder

Ik ben de bijhouder.

Ik ben de bijhouder van schema’s. Van doktersafspraken. Van consults bij Kind en Gezin. Ik weet de uren van de dutjes. Ik weet wanneer het te vroeg is. En ook wanneer het te laat is.

Ik ben de bijhouder van alle soorten informatie. Ik weet wie wanneer wat graag wil eten. Ik zie wanneer tantrums nog nét vermeden kunnen worden met de juiste aanpak. Ik weet hoe die juiste aanpak eruit ziet.  Ik merk rode blosjes op die wijzen op vermoeidheid. Ik weet welke kleren gewassen moeten worden en op hoeveel graden. Ik weet wat er in de droogkast kan en wat niet. Ik weet welke rekeningen wanneer in de bus vallen en hoe hoog ze zullen zijn. Ik weet wanneer ze betaald moeten worden. Ik weet wat er op het boodschappenlijstje moet en welke dingen er stilaan vervallen zijn in de koelkast. Ik weet wie wanneer jarig is. Ik weet welke pakjes wanneer gekocht moeten worden. Ik schrijf de kaartjes en stuur ze op.

Ik ben de bijhouder van oplossingen. Ik weet de juiste pleisters liggen. Ik weet de tutjes te vinden die troosten kunnen. Mijn kusjes toveren pijntjes weg. In mijn handtas zitten noodkoekjes en noodtutjes en noodzakdoeken. Ik weet welke liedjes ik moet zingen om kindjes rustig te krijgen, of in slaap. Ik ben de vinder van zoekgeraakt speelgoed. Ik ben de opzetter van muziek. Ik ben het metaforische deken dat bange kindjes warm kan houden.

Ik ben de bijhouder van voorkeuren. Ik weet wie wat op zijn boterhammen wil en hoe die gesneden mogen worden. Ik weet in welk kommetje de peer moet en welke lepel bij de yoghurt hoort. Ik weet hoe het handje vastgehouden moet worden terwijl de fles gedronken wordt. Ik weet de volgorde van het aantrekken van de kledingstukken. Ik weet welke sjaal prikt en welke niet. Ik weet hoe de avondrituelen eruit zien en welke groenten er niet op het bord mogen blijven liggen.

Ik ben de bijhouder van rituelen en herinneringen. Ik neem de foto’s, ik druk ze af, ik plak ze in. Ik houd de tekeningen bij en schrijf er de datum op. Ik verzamel ‘eerste keren’ in boekjes en ‘grappige uitspraken’ in andere. Ik houd de dagboeken bij voor elk kind. Ik ben de verzamelaar van kleine spulletjes waar werelden mee staan of vallen. Ik ben de brievenschrijver. Ik ben de verslaggever en de historicus.

Ik ben de bijhouder van emotionele veiligheid. Ik ben de belichaming van de veilige haven. Ik ben het kompas dat ons door de woeste zee net naast de uitbarstingen kan leiden. Ik ben degene die ’s avonds de monsters onder de bedden uit jaagt. Ik steek tutjes terug die uit wenende mondjes vallen. Ik houd kleine handjes vast tot ze de grip lossen en zich overgeven aan de slaap.

Ik ben de bijhouder van vrede. Ik ben de scheidsrechter die tussenkomt. Ik ben de tolk die van taal voorziet. Ik ben de uitlegger van nieuwe en vreemde dingen. Ik ben degene die de verschillende persoonlijkheden met elkaar leert omgaan.

Ik ben de bijhouder van zorgen. De hunne en de mijne.
Ik ben de bijhouder van het goede. Van het kwade. Van het kleine en het grote. Van het schone en het pijnlijke.

Ik ben de bijhouder. Alles wat ik bijhoud, zoemt soms zo hard in mijn hoofd dat ik er niet van kan slapen. De gedachten suizen in mijn oren. “Niet vergeten! Niet vergeten! Zeker doen! Zeker doen!” roepen ze.

Het werk van de bijhouder is onzichtbaar. Het is moeilijker er de vinger op te leggen. Het werk passeert onopgemerkt totdat ik er niet ben om het te doen. Ik krijg er geen punten op. Niemand doet van peer assessment. Ik krijg geen onderscheidingen of felicitaties. Heel vaak wordt het werk van de bijhouder als vanzelfsprekend gezien.

Aan alle andere bijhouders: ik zie jullie.

Ik ken het gewicht van de dingen die jullie bijhouden en dragen in jullie hoofd.

Ik weet van al het onzichtbare werk dat jullie doen – werk dat niet gepaard gaat met een vette cheque aan het einde van de maand. Geen bonussen of ziekteverlof. Geen applaus of felicitaties. Maar het is dat werk – dat stil en ongedwongen alle dagen gedaan wordt – dat de wereld laat draaien.

Ik zie jullie, mede bijhouders.
And I salute you.

SubstandardFullSizeRender