Gelezen: My life with Bob / Flawed Heroine keeps Book of Books, Plot Ensues

Naar aanleiding van mijn goede voornemen waar ik eerder al over schreef, ziehier mijn eerste boekverslag sinds een jaar!

Ik las dit boek al in juli en ik ben er nog steeds erg over te spreken. De schrijfster – Pamela Paul – is editor bij The New York Times Book Review en sleept al heel haar leven BOB met zich mee. BOB is in dit geval geen man, hond of verantwoord chauffeur. Neen, BOB is haar Book of Books – het schriftje waarin Pamela elk boek noteerde dat ze de voorbije 28 jaar las. Het verhaal zelf gaat niet over alle boeken in haar schriftje, maar over wat de verschillende boeken haar vertellen over haar leven: welke boeken ze wanneer las en hoe elk van die boeken op het juiste moment in haar leven kwamen.

De titels van de hoofdstukken zijn ook titels van boeken: “Anna Karenina” bijvoorbeeld, voor het hoofdstuk over haar helden en “The Norton Anthology of English Literature” voor het hoofdstuk over de canon en verplichte literatuur. Het boek zelf is dus zeker geen droog, chronologisch overzicht van alle boeken die ze ooit verslond. Aan de hand van de boeken die ze leest, krijg je een zicht op het leven van Pamela Paul. Zo voelde ze voor het eerst intuïtief aan dat het niet zou blijven duren met één van haar grote liefdes toen ze ruzie kregen omdat hij haar uitlachte omwille van haar BOB. Net zoals ze zoveel jaren later voelde dat het wél zou lukken met die man die BOB wel met het vereiste respect wilde behandelen.

Ik gaf het boek vier sterren op Goodreads. Het las heel erg vlot en ik herkende me vaak in de dingen die ze schreef. Zo begon het al op pagina 1:

And if for some inexplicable reason, I don’t have anything to fret over, I will easily find it. Should it be resolved at 4:16 am one sleepless night, it will swiftly be replaced with something new. I am, alas, a worrier.

Nog maar net begonnen en ik moest al gniffelen om zoveel herkenbaarheid. Toen ze zichzelf beschreef als een kind dat altijd las, een kind dat uren in boeken kon verdwijnen, herkende ik mezelf opnieuw:

I did everything I could to read my way out of doing anything else.

Ik herinner me nog goed die zaterdagen waarop ik heel de voormiddag aan het lezen was op mijn kamer. Ik kwam enkel naar beneden voor het middageten en ik las daarna weer verder. Als mama me vroeg om iets te doen (een kleine boodschap of helpen alle lakens opvouwen- ver uit elkaar staan – strekken en dan in de helft) dan beloofde ik het altijd te doen wanneer mijn hoofdstuk klaar was of soms – zoals bij lakens opvouwen – vroeg ik of ik intussen mocht blijven verder lezen. Liefst van al lag ik heelder dagen te lezen – op mijn buik op mijn bed tot ik kramp kreeg van op mijn ellebogen te leunen. Of in die ene streep zon die in de winter op mijn dekbed kon vallen en dan mee opschuiven zodat ik erin kon blijven liggen. Soms kwam mama na een kwartiertje binnen om te zeggen dat ik mocht blijven verder lezen. Cadeaus waren dat. Want hoeveel te ouder ik werd, hoeveel te meer ik besefte dat er nog zoveel te lezen was. Of zoals Pamela Paul schrijft:

This is every reader’s catch 22: the more you read, the more you realize you haven’t read; the more you yearn to read more, the more you understand that you have, in fact, read nothing.

Het boek was dus van bij de start erg herkenbaar voor mij. Bovendien houd ik – net zoals zij – mijn eigen BOB bij. Ik begon in 2013 met netjes te noteren welk boek ik las, wie het schreef en in welke periode ik het boek las. Onder de titel schreef ik de zinnen die ik mooi vond, de bedenkingen die ik had tijdens het lezen of soms de korte inhoud van het boek. Maar in 2016 maakte ik een account aan op Goodreads en sindsdien houd ik via die app bij wat ik nog wil lezen en wat ik gelezen heb. Meteen nadat ik een boek heb uitgelezen, vraagt de app mij het boek te quoteren aan de hand van sterren. Dat is allemaal heel snel en simpel maar het zorgt ervoor dat ik dan vaak niet de goesting heb om het ook nog eens in mijn BOB te schrijven. Ik doe het nog wel, maar eerder in staccato: de titel, de auteur en de sterren die ik eraan gaf. Toch houd ik mijn BOB in ere want het is fijn om achteraf nog eens te bekijken wat ik wanneer las. En net zoals Pamela Paul kan ik ‘periodes’ onderscheiden in mijn leesgedrag die nauw aanleunden bij wat er toen speelde in mijn leven.

For each of us, the books we’ve chosen across a lifetime reveal not only our evolving interest and tastes, but also our momentary and insatiable desires, the questions we can’t stop asking, the failings we recognize in ourselves at the time, and the ones we can see clearly only years later.
We pass our lives according to our books – relishing and reacting against them, reliving their stories when we recall where we were when we read them and the reasons we did.

Dat zegt het zowat helemaal.

Ik vond “My life with Bob” een heel fijn boek om te lezen. Ik las het in het Engels omdat ik het liefst van al een boek lees in zijn oorspronkelijke taal. Het is niet erg dik (zo’n 250 pagina’s) en het is een bron van inspiratie. Ik noteerde bijvoorbeeld enkele titels die ik graag nog wil lezen. Ik las het boek in juli toen ik even vreesde dat ik nooit van mijn leven meer zou kunnen lezen met twee kleine kinderen. Maar intussen is het eind oktober en weet ik wel beter. Lezen is nog steeds mogelijk. Ik moet dan alleen nog wat minder slapen of nog iets sneller eten.

Mijn BOB dateert nog uit de tijd dat Hema nog niet echt heel mooie schriftjes maakte. Of uit de tijd dat ik bloemige schriftjes heel mooi vond. Beide tijden zijn gelukkig gepasseerd en dus ligt er een nieuw schoon exemplaar te popelen om volgeschreven te worden. Maar los daarvan: Never judge a book by its cover. 

Bronvermelding: My life with Bob: Flawed Heroin keeps Book of Books, Plot Ensues – Pamela Paul. 

 

Advertenties

Playin’ with my friend

We stappen in de auto. Het is zaterdag en er zijn wat boodschappen te doen. Ik weet niet meer in welke volgorde maar vermoedelijk gaan we iets wegbrengen, iets halen en iets wassen (in casu: de auto). We zijn onder ons twee en daar hoort muziek bij.
Ik rommel wat met de cd’s. Die zitten overal: in de twee deuren, in het handschoenkastje en in het opbergvakje in het midden. Ik tik tegen zijn elleboog want die verhindert mij van het opbergvakje te openen. Ah, hier zit ie.
Ik vis de cd op uit het bakje en toon hem aan papa. Hij kan zich helemaal vinden in mijn keuze. Terwijl de radio de cd leest, zet hij het volume alvast op maximum. (Je kan via deze link meeluisteren).

I’m gonna call up all of my buddies
And a few of the ladies I know
I’m gonna rent a hall and get them all and
Put on a heck of a show

Make sure we got a kitchen
With an oven and a stove
We’ll all get in there cookin’
Then we’ll throw open all the doors

Playin’ with my friends
Playin’ with my friends
We’ll have a good time
Playin’ with my friends

De radio staat zo luid dat ik de boxen voel trillen in de deur. Papa zingt de strofes want hij is BB King. Het refrein zingen we allebei heel hard mee, zonder schroom. Ik geneer mij eigenlijk nooit bij papa, besef ik. Ik ben 17 jaar dus dat betekent wel iets. Maar ik vind mijn vader cool. Hij speelt bluesharp in een bandje bij mijn broers. Hij kan mensen aan het lachen brengen. Hij draagt een pak om te gaan lesgeven want dat hoort zo vindt hij. Als hij thuiskomt doet hij gemakkelijke kleren aan – een zwarte jeans met een trui erop. “Mijnen boy” zegt ie, want hij is een West-Vlaming. “Mijn speelkleren”, zegt ie, want hij is een grappenmaker.

I’m gonna buy a hundred pounds of catfish
Cook it all up on the grill
Make some beans and corn bread
Everybody’s gonna get their fill

Then we’ll grab all the guitars
Greasy hands and all
Someone’ll count off a shuffle
And man, we’ll have a ball

Playin’ with my friends
Playin’ with my friends
We’ll have a good time
Playin’ with my friends

Dit stuk zing ik want Robert Cray heeft een hogere stem dan BB King dus het was een uitgemaakte zaak dat ik Robert was en hij BB. Hij zet op pauze na de eerste strofe. “Wat is catfish?”, vraagt hij mij. Hij vertelde mij intussen al honderdvijftig keer wat catfish is en ik zeg hem dat ook. “Ja maar, ik moet toch zeker zijn dat je luistert”. Ik rol met mijn ogen. “En wat is dan corn bread?”, vraagt hij nog. “Papaaaaaa”, zeg ik en ik duw weer op play. “Maar weet je wel wat ‘to have a ball’ betekent?”, roept hij boven de muziek uit. Hij moet hard lachen omdat ik blijf verder zingen en zijn vraag negeer. Ik zwaai naar buiten en hij vraagt me wie ik zag. “Niemand”, zeg ik, “maar die meneer dacht dat het naar hem was en die zwaaide terug. Die zal zich nu de ganse voormiddag afvragen wie hij toch gepasseerd is.” Daar moet hij zo hard om lachen dat het sindsdien iets wordt wat we vaker doen: we zwaaien zomaar naar iemand die geconcentreerd aan het rijden is en lachen wanneer die verschrikt – en vaak verward – terug zwaait.

Er komt een lang instrumentaal stuk nu. De rollen zijn ook hier weer duidelijk: als hij BB is ben ik de drum. Als ik Robert ben, is hij één van de blazers of de pianist. Hij kan fantastisch luchtorgel spelen en hij gebruikt daarbij het hele dashboard – zelfs mijn stuk.

Yes, we’re gonna buy some of that red, red wine
The best that money can buy
You gotta drink it all from a paper cup
That this here Saturday life is right

Everybody’s gonna stand up
Play their favorite tune
You can pick any tune you want to
As long as it’s the blues

Playin’ with my friends
Playin’ with my friends
We’ll have a good time
Playin’ with my friends

BB roept van “Yeah!” en het is papa zijn favoriete stukje. Het nummer gaat in crescendo nu. De gitaristen strijden om de mooiste solo. Wanneer het niet aan mij is, doe ik de blazers na. De laatste 40 seconden zijn de allerbeste. Robert Cray speelt met het ritme en lijkt te hakkelen in zijn solo. Schitterend vindt hij het en soms spoelt hij het wel drie keer terug. Altijd nog eens die tien seconden. Het nummer heeft geen einde, het stopt niet – fade out en het nummer is voorbij.

“Nog eens?”, zegt hij. Hij heeft het al opnieuw opgezet zonder mijn antwoord af te wachten.

Tuurlijk nog eens. Ik zou nu alles geven voor nog eens. Nog één keertje.
“Playin’ with my friends” is van ons. We hebben het samen zoveel gespeeld en gezongen in de auto. Loeihard. Superuitgelaten. “Playin’ with my friends” is het nummer waarmee ik papa vier. Ik heb er andere om bij te wenen, om bij te missen. Maar deze schijf is er eentje om hem te vieren. Na twaalf jaar vier ik hem nog elke dag – maar vandaag heel speciaal.

You can pick any tune you want to
As long as it’s the blues

IMG_0752

 

 

Feeling all the feels

Een tijd geleden volgden we op school een interessante training rond coaching. We leerden heel wat bij over hoe we onze studenten kunnen begeleiden tijdens hun opleiding. Eén ding wat me zo bijvoorbeeld erg is bijgebleven was de volgende uitspraak: “het enige wat gevoelens vragen, is dat ze mogen bestaan en gevoeld worden.” Niet dat ik daar zelf nog niet eerder aan gedacht had, maar soms heeft een mens het nodig dat iemand iets voor jou verwoordt voordat het zo kraakhelder wordt in je hoofd. “Eens gevoelens echt gevoeld zijn geweest, gaan ze meestal weg.” Helemaal waar, dacht ik. Bij wijze van oefening probeerde ik mezelf een moment voor de geest te halen waar mijn gevoelens niét gevoeld mochten worden en ze dus ook niet weg gingen.

Dat was bijvoorbeeld zo op 24 december ergens in de beginjaren van het nieuwe millenium. Zoals ieder jaar vierden we kerstavond samen met ons gezin en met mijn grootouders.  Pakjes geven deed ik nog niet, maar krijgen des te meer. Nochtans waren we intussen allemaal al op zo’n leeftijd gekomen dat de pakjes niet meer het belangrijkste onderdeel van de avond waren maar we waren ook nog niet oud genoeg om niét naar Home Alone te willen kijken. (Ik betwijfel overigens sterk of ik daar ooit oud genoeg voor zal zijn – maar dit geheel terzijde).
Naar goede gewoonte aten we fondue – hét kerstgerecht bij uitstek waar iedereen zich traag maar zeker een stevige indigestie mee vreet. Mijn grootmoeder had speciale fondueborden. Elk bord woog zo’n 2 kilo en was gigantisch groot. Schoon waren ze niet maar er waren speciale vakjes om al de sausjes die je wou in te kappen zonder dat ze in elkaar zouden overlopen.
Als mijn herinnering me niet in de steek laat, stonden er twee fonduepotten op tafel waardoor we elk twéé fonduestokken ter beschikking hadden. Dat versnelde de indigestie aanzienlijk en zo was het dat wij rond de klok van tienen allemaal geen pap meer konden zeggen.

Een verstandig mens zou dan besluiten dat ie genoeg gegeten heeft voor drie dagen, maar zo werkt het niet op Kerstmis – dat weten we allemaal. Bovendien volgde er bij ons thuis na de fonduetraditie nog de Chinese koffie-traditie. (Intussen hebben we ook nog de Ronnie-met-de-Ipad-traditie, maar da’s een ander verhaal) Dat zit zo.
Mijn ouders hadden ooit een Chinese koffiezet gekocht. Dat waren in feite twee grote glazen bollen boven elkaar. In de bovenste bol werd de koffie en het hete water gekapt en dat liep dan traag naar de onderste bol en zo kreeg je dan koffie. Klinkt als een gewone koffiezet, zegt u, en dat klopt afgezien van het feit dat déze koffiezet loodzwaar is, garandeert dat ge uw pollen verbrandt aan de onderste bol en enkel gebruikt wordt op kerstavond. Ik dronk toen nog niet eens koffie, maar toch was ik de eerste die vroeg om dat spel uit de kast te halen. Mijn moeder met tegenzin op haar knieeën voor de kast, eerst honderd dingen eruit halen die voor de Chinese koffiezet stonden – Chinese koffiezet pakken en alles er terug in: the real Christmas feeling!

Nadat wij onze magen to the limit hadden gerokken, was het tijd voor de volgende kerstavondtraditie: de middernachtmis. Begin jaren 2000 werd die waar ik woon nog echt om middernacht gedaan. Die zat ook altijd afgeladen vol en ik vermoed dat het kerststalletje met glühwein en jenever daar voor iets tussen zat. Mijn grootouders hadden de aftocht intussen al geblazen, maar het gezin Steverlinck duffelde zich in en vertrok te voet naar de kerk.

Al het eten van de uren ervoor zal er wel voor iets tussen gezeten hebben, maar al gauw zaten wij – met uitzondering van mijn moeder – daar met z’n allen ongeveer zo in de kerk:

mr-bean-falling-asleep-in-church-video-dailymotion

Mijn mama heeft veel talenten, maar één van haar best ontwikkelde talent is haar gave om met één blik duidelijk te maken hoe ze over een situatie denkt. Het werd ons in dit geval dan ook ogenblikkelijk woordeloos duidelijk gemaakt dat ze het vreselijk gênant vond dat wij daar met z’n vieren half onderuit gezakt zaten te luisteren naar het woord van de Heer. Mijn vader moet mijn moeders geseinde boodschap ook begrepen hebben. Het was tijd om ons zo snel mogelijk weer bij de les te krijgen. Toen de priester de kerkgangers opriep om recht te staan voor het Evangelie greep mijn vader zijn kans.

U weet dat, of u weet dat niet – maar ergens in die periode had Carl Huybrechts een zondagavondprogramma op Eén waar hij met behulp van een oortje en een partner in crime mensen in vreemde situaties bracht. Hij fluisterde die partner in crime dan altijd in wat ie moest zeggen en lachte zichzelf een kriek in de kamer waar hij verscholen zat. In die afleveringen was ook altijd een stukje over kleuters die aan het spelen waren met speelgoed dat dan plots begon te spreken in de vorm van Carl Huybrechts en zijn oortje. Zo was er ook een taart die smeekte aan de twee kleuters voor hem om de juf te overhalen om hem niet op te eten. Die kleuters namen dat verzoek erg serieus want toen ze met z’n tweetjes stevig discussieerden over of ze al dan niet zouden verbieden om de taart te laten opeten, sprak de ene kleuter gedecideerd tegen de andere: “We moeten doen wat de taart zegt!”.

Wij stonden dus recht voor het Evangelie en wiegden zacht en half slaperig wat op onze voeten zoals alleen mensen in de kerk dat doen. Op dat moment boog mijn vader zich naar mij toe,fluisterde “Saar, we moeten doen wat de taart zegt” en knikte daarbij met zijn hoofd in de richting van mijn streng voor zich uitkijkende moeder.  Ik moest daar zo hard van lachen dat ik bijna niet meer bijkwam, maar dat was uiteraard keihard verboden in het huis van de Heer. Intussen begon mijn broer links van mij – zonder geluid – mee te schudden van het lachen. Toen het mopje zich tenslotte ook verspreidde naar mijn tweede broer stonden wij met zijn vieren zo hard onze slappe lach in te houden dat het echt pijnlijk werd.
Het was muisstil in het huis van de Heer en regelmatig draaiden enkele hoofden zich om naar het gesnuif van mensen die krampachtig proberen om normaal te blijven ademen. Zoals altijd met situaties waarvan je hoopt dat ze snel voorbij gaan, duurde ook deze eindeloos lang. En de slappe lach krijgen tijdens het langste evangelieverhaal uit de Bijbel is niet om mee te lachen. Want voor het stuk waarin Jezus geboren wordt, moet immers nog heel dat stuk komen van al die herbergen waar ze niet binnen mogen en ondertussen liepen de tranen over mijn wangen en probeerde ik vooral geen oogcontact te maken met mijn broers of met mijn vader. Ook niet met mijn moeder, maar dat was om een andere reden.
Toen het koor na een eeuwigheid eindelijk zong van Gloria In Excelsis Deo kon ik eindelijk mijn lach een beetje toelaten.Nu ik eindelijk mocht lachen, was mijn lachbui snel voorbij.
Een schoon voorbeeld van wat ik leerde op die coachingsdag.

Wij sloten onze kerstavond af met nog wat minachtend gesnuif van ons mama en veels te warme drank in plastieken bekertjes die geen enkel normaal mens kan vasthouden. Sinds die coach op onze trainingsdag zo helder verwoordde dat gevoelens vooral gevoeld moeten worden, laat ik mijn studenten altijd helemaal uitlachen als ze de slappe lach hebben voor ik weer verder ga met de les. Al moet ik zeggen, dat zo iemand half zien sterven van het ingehouden lachen ergens op de tweede rij zo plezant is om te zien dat ik het toch ook niet altijd wil toelaten. De helft van het plezier van de slappe lach, zit immers in hem niet te mogen laten horen. En dus doe ik soms met opzet alsof ik het niet merk dat er iemand zijn lach moet inhouden – en ik doe het al zeker op momenten dat ik mijn langste evangelies sta te verkondingen, dat spreekt.

De hele aflevering van Mister Bean kan je hier vinden. Hilarisch!

 

Eerlijk duurt het langst I.

Ik ben nogal actief op Instagram. Dat zit zo. Instagram blijkt een heel erg tof medium te zijn om met moeders in contact te komen die – net als ik – kleine kindjes hebben en daardoor regelmatig wel eens geïsoleerd zitten. Op de zetel vast zitten met een baby’tje op je arm en enkel je smartphone binnen handbereik verenigt mensen klaarblijkelijk.
Instagram doet mij regelmatig voorstellen van andere moeders die ik misschien zou willen volgen. Heel vaak zitten daar moeders tussen die perfecte foto’s maken van perfecte kindjes. Die kindjes liggen op een schapenvel voor een haardvuur met een schattig hondje naast hen. Die kindjes hebben perfecte outfitjes aan en zitten naast een lightbox waar “THANK GOD IT’S FRIDAY” opstaat. Die kindjes liggen in cirkels van bloemen en in mandjes van riet en de merken van de kleren die de kindjes dragen worden getagd in de foto. In hun profielomschrijving staat vaak dat ze zeker bereid zijn tot ‘samenwerking’. Dat betekent dat ze graag dingen gratis krijgen om daar dan hé-le-maal objectief over te zijn in hun “recensies”. Ik krijg daar werkelijk het zuur van.

Ik wil hier meer een stem zijn voor eerlijk ouderschap. Je kan hier – hopelijk – lezen dat het niet altijd rozengeur en maneschijn is. Je kan hier – hopelijk – lezen dat ik mijn stinkende best doe voor mijn kinderen maar dat ik zeker en vast niet beweer het beter te weten dan iemand anders. Ik heb de waarheid niet in pacht en ik doe ook maar wat. Hoog tijd dus voor wat eerlijkheid én een nieuw rubriekse: eerlijk duurt het langst.
Bekentenis 1


Kasper slaapt al enkele maanden netjes het klokje rond. Hij vliegt er om 20.00 in en komt er zo’n 12 uur later met slaapstrepen op zijn smoeleke terug uit. Dat is niet altijd zo geweest. Het heeft ongeveer 12 maanden geduurd vooraleer hij ’s nachts niet meer wakker werd. We zijn daar ook altijd eerlijk over geweest. Kinderen die na 6 weken doorslapen – wie zijn ze? wat doen ze?  wie heeft ze?

Doorgaans werd hij dus wakker zo rond een uur of 3. Als het mijn beurt was, dan ging ik naar zijn kamer, suste hem, wiegde hem wat rond en legde hem terug in bed. Als het Wout zijn beurt was, dan ging die ongeveer 3 seconden zijn kamer binnen, kwam terug met het kind en legde dat tussen ons in. “Het lukte echt niet”, zei ie, “ik heb keilang geprobeerd.” Halfslapend liet ik hem beloven dat hij Kasper zou terug leggen als die weer was ingeslapen. Ongeveer élke keer als ik dan iets later wakker werd en vroeg of hij Kasper had terug gebracht, bevestigde hij: “jaja, die ligt al lang in zijn bed.” Dat was geen enkele keer waar. Het kind lag altijd nog gewoon tussen ons in – gelukzalig te knorren en uitgespreid als een zeester in het midden van ons bed. Nog elke avond zegt Wout dat hij hoopt dat Kasper wakker zal worden zodat hij hem kan gaan halen.

Bekentenis 2


Elke middag eet Kasper flink zijn groenten. Hij eet die zelf met zijn eigen lepel maar omdat dat echt zo tergend traag gaat, geef ik hem tussendoor ook nog telkens een hapje. Het meeste van wat we hem voorschotelen eet hij met veel smaak op. Hij kan bijna alle groenten bij naam noemen en hij doet zelden lastig. Maar als ik diezelfde groenten ’s avonds – wanneer wij warm eten – in zijn bord leg, dan moet hij er niks van hebben en eet hij alleen het vlees op. Het heeft me al vaak gefrustreerd want het zijn EXACT DEZELFDE GROENTEN KIND. Ik heb ze al verstopt tussen zijn vlees. Ik heb al het vliegtuigtrucje gedaan. Ik heb al hapjes voor oma gegeven en voor de poes en voor God weet wie, maar het mag niet baten. En dus eet ons kind ’s avonds vaak gewoon vlees met rozijnen. Ik heb het opgegeven. Hij eet ’s middags zijn groeten dus ’t zal wel goed zijn zeker.

Processed with VSCO with f2 preset

Bekentenis 3

Ik kuis regelmatig met de vochtige doekjes. Ja kijk, het is dat of niks.

Bekentenis 4

Als wij discussiëren met Kas erbij, dan kan hij blijkbaar perfect opmaken wie er boos is op wie. Onlangs hadden we ruzie aan tafel – niks ernstigs, maar zo’n typisch geval van man die anders redeneert dan vrouw – waarop Kas plots (terwijl hij smakelijk zijn kip met rozijnen aan’t schransen was): “doedoe papa!” Hij zwaaide met zijn vingerke en al. Heel grappig en het brak de gespannen sfeer. Ik gaf hem nog wat extra rozijnen omdat hij aan mijn kant stond. (De dag erna was het helaas omgekeerd.

Bekentenis 5

Als Kasper ’s avonds een flesje drinkt, mag hij altijd een aflevering kijken van iets van die kinderprogramma’s van Netflix. Eén van de series die hij graag kijkt is ‘Beertje Bruin’. Oorspronkelijk een Franse serie uit de jaren ’70 met heel korte verhaaltjes die erg herkenbaar zijn voor peuters (genre “niet liegen, beertje bruin!). Er is één aflevering waar Beertje Bruin bang is omdat het licht in zijn kamer flikkert en hij denkt dat er een wolf op zijn kamer is. Kas is dan ook bang en wil dan op mijn schoot zitten. Soms zet ik die aflevering met opzet op omdat het ZO SCHATTIG is als hij komt aangelopen en MAMA MAMA BANG zegt en helemaal wegkruipt op mijn schoot. Hashtag slechte moeder.

Bekentenis 6

Elias is nog te klein, daar komt nog niet veel ‘opvoeden’ aan te pas – maar toch ook daar alvast één bekentenis: ik pulk aan zijn melkkorstjes als hij op mijn arm slaapt.

SORRY WERELD IK ZAL HET ALLEMAAL NOOIT MEER DOEN BELOOFD.

Nuts.

“Uw papa, at die eigenlijk graag noten?”, vraagt Wout wanneer hij de keuken terug binnenkomt. “Noten?”, zeg ik enigszins verbaasd. Ik graaf in mijn herinneringen.
At papa graag noten? Ik denk aan de noten die rond deze tijd vanuit bompa’s tuin mee naar Halen kwamen. Ze stonden in een mandje op de rand van het aanrecht. In het mandje lag de notenkraker. Het was een heel zwaar exemplaar. De handvaten waren rood en het ‘kraakstuk’ was wit. Ik stak er als kind mijn vingers tussen. Die waren zo klein en smal dat er dan niks gekraakt werd. Ik moest er twee vingers in steken om de ribbels aan de binnenkant te voelen.
Ik herinner me hoe hij de noten voor me kraakte omdat mijn hand nog te klein was om de handvaten toe te krijgen als er een noot tussen zat. Ik had de ‘fors’ nog niet. Hij kraakte en de noot spleet open – netjes in het midden. Hij toonde me hoe je de vliesjes ertussenuit kon pulken en zo enkel het gladde, lekkere stuk noot moest opeten. In elke helft één stukje. Hij at de noten op die we samen kraakten.
“Ik weet eigenlijk niet of hij dat graag at, maar ik denk het wel”, zeg ik eindelijk. “Maar waarom vraag je dat?” Mijn lief vertelt dat hij regelmatig halve okkernoten vindt in onze tuin. Hij raapt ze altijd op, maar ze blijven telkens terugkomen. Alsof ze zich per se willen manifesteren in onze tuin.
Er is geen logische verklaring voor, zegt ie, want wij hebben helemaal geen okkernotenboom. En dus had hij zelf al bedacht dat het misschien wel een zwaaike van papa kon zijn, een groet in de vorm van een halve okkernoot die maar blijft terugkomen. Ik vind het onmiddellijk een schoon gedacht dat papa tegenwoordig zijn groeten zou overbrengen via noten. Of is dat nuts?

Processed with VSCO with c1 preset

Intussen weten we natuurlijk hoe het zit. We zagen de logische verklaring met onze eigen ogen: vogels gebruiken die noten om nesten mee te maken. En regelmatig zijn die sjarels niet in staat om die zware okkernoot daar te krijgen waar ze hem hebben willen. De okkernoot valt en splijt in twee – netjes in het midden. Dus de rede heeft ons een uitleg gegeven die al die halve okkernoten verklaart. Maar toch, maar toch. Telkens als ik er eentje zie liggen, kan ik niets anders denken dan: dag papa.

Het lezen.

Nog niet zo heel lang geleden stond er in de titelomschrijving van mijn blog ook nog het woord ‘boeken’. Ik heb dat er vol schroom tussenuit gedaan. Niet omdat ik niet meer lees – integendeel! – maar vooral omdat ik er maar niet toe kwam om mijn bevindingen of recensies of notities hier ook neer te pennen. Mijn blogvoornemen is om daar wat meer aandacht aan te besteden. Bij deze alvast een korte situatieschets.

Ik ben al heel mijn leven een lezer geweest. Ik was zo’n kind dat na school speelkleren moest aandoen om mijn ‘goei kleren’ te sparen. Met die speelkleren aan ging ik dan in een hoekje van de zetel boeken lezen. Als lagereschoolkind ging ik elke zondag en elke donderdag naar de bibliotheek in Halen. Die bibliotheek bevond zich in een klein lokaal dat leeg stond in de jongensschool. Het was daar altijd pokkewarm of ijskoud. Iets ertussen bestond niet. Ik las in de winter de boeken kortbij de chauffage en in de zomer de rest van het rek. In die tijd verslond ik alle kinderboeken die er voorhanden waren. Van Eefje Donkerblauw naar Roald Dahl en via Paul Kustermans rolde ik stilaan de adolescentliteratuur in. Boete betaalde je toen nog in franken en de kassa was een sigarenkistje met een gleuf erin gesneden. Dat kistje dat open en toe klapte was doorgaans het enige geluid dat je hoorde in de bib. Dat en de stem van de bibliothecaris. De bibliothecaris telde de boeken al fluisterend (een, twee, drie, vier, vijf), maakte er een stapeltje waarmee hij altijd even op de tafel tikte en zei “Da’s vijf frank alstublieft.” Eén frank boete per boek. Daarna weer stilte.

Toen ik de bib van Halen kapot gelezen had, schoof ik door de naar de bib van Diest. Die was supergroot en de temperatuur was doorgaans kamer. Dat was aangenaam. Bovendien stonden daar computers waar ik met één vinger de titels van boeken intypte die ik in Halen niet vond en voorwaar ik zeg u: ze waren er allemaal. Jarenlang ging ik vroeger naar de muziekschool zodat ik eerst nog in de bib kon rondhangen. Ik vond het niet erg als mijn ouders wat later waren om mij op te pikken, want dan kon ik nog gauw enkele boeken meegritsen. Ik las het hele rek tegen de muur aan de computers waar in het groot ADOLESCENTEN op stond. De eerste keer dat ik er kwam vertelde ik achteraf thuis met veel trots dat ik nu adoselentenboeken las. Ik voelde mij de koning te rijk met zoveel boeken die er nog te lezen waren. Ik las Gerda Van Erkel, Bart Moeyaert, Do van Ranst, Jan Terlouw, Dirk Bracke, Aidan Chambers, nog wat Paul Kustermans en natuurlijk alle Harry Potters. Er zijn nog wat gaten te dichten – ik las bijvoorbeeld nooit Thea Beckman omdat ik die ventjes op de kaft zo gek getekend vond – maar ik kan toch zeggen dat ik het meeste gelezen heb van wat er toen (eind jaren 90-begin 2000) als jeugdliteratuur gold.

Het zal je dan ook niet verbazen dat ik met al mijn liefde voor boeken naar Leuven trok om Germaanse te studeren. Het moeten – clichégewijs – de jaren zijn waarin ik het minste las. Niet omdat ik niet graag las, maar er was plots zoveel anders wat ik graag deed (pinten drinken met mijn maten om zomaar iets te zeggen). Tel daar nog bij dat er veel “verplicht” gelezen moest worden en dat dat vaak van die klassiekers waren waar je als 18-jarige gewoon nog niet helemaal klaar voor bent. Of ik toch niet. Als ik het boek uitgelezen kreeg, dan haalde ik doorgaans niet de helft eruit wat we achteraf in de les bespraken. Ik had soms het gevoel dat ik toch niet zo goed kon lezen als ik altijd gedacht had. Gelukkig waren er ook boeken bij die ik toen al naar waarde wist te schatten en waar ik echt van genoten heb. Maar laat ons wel wezen: de helft van mijn Norton Anthologies (ik heb drie van die kloefers) zal ik nooit lezen of nooit begrijpen of allebei. Ik ben naast die verplichte literatuur ook in die jaren wel altijd blijven lezen. Het was de tijd van Connie Palmen, de tijd van Herman Brusselmans, van Willem Frederik Hermans, van Herman de Coninck en uiteraard van Harry Potter (toen al voor de 10e keer denk ik). Achteraf bekeken ben ik blij dat ik toch heel wat klassiekers las tijdens mijn studies. Nu vind ik er veel moeilijker de tijd voor. En bovendien deden sommige van die boeken echt wat klassiekers horen te doen: ze bleken onvergetelijk.

Eenmaal afgestudeerd kon ik weer zonder schuldgevoel alles lezen wat ik wou. Ik woonde in Antwerpen en ontdekte de bib aan het De Coninckplein. Mijn god wat een openbaring! In zo’n grote bibliotheek had ik nog nooit een lidkaartje gehad. Ik mocht er twintig boeken per keer uitlenen en om de twee weken sleepte ik twee zakken vol boeken op en af. Ik las Stieg Larsson en Marja Vuijsje, nog wat Connie Palmen en ook A.F. Th. Van der Heijden vond zijn weg naar mijn boekenkast. Ik las Markus Zusak en Bernard Schleck, Stefan Hertmans, Brené Brown, Robert Galbraith en wat biografiën over muzikanten die ik bewonder. Ik las zoveel dat ik soms in een boek begin en me ergens halfweg bedenk dat ik het al gelezen heb. Ik startte een leesgroepje in het stadje waar ik van afkomstig ben om samen met andere leesliefhebbers te praten over een boek dat we lazen. Ik had nog geen kinderen en ik las op de trein, na het eten, voor het slapen en op alle andere vrije momenten waarop de tv niet te hard stond.

Nu zijn er kinderen en lezen is soms moeilijker in te plannen. Maar het is zo erg een stuk van mezelf geworden dat ik niet kan om niét te lezen. Dus als er even tijd is, dan lees ik. Goodreads helpt me om een doel te stellen. Vorig jaar wilde ik er 20 lezen en ik las er 37. Dit jaar kwam er een tweede kind bij dus stelde ik mijn doel op 25. Het is oktober en ik heb intussen 31 boeken gelezen. Ook mét kinderen schijnt het mij te lukken om te blijven lezen. Niet omdat het moet, maar omdat ik het wil. Het blijkt dat televisie en series kijken een pak lager op mijn prioriteitenlijstje staan dan ik eerder al dacht. Als het er echt op aankomt, kies ik liever voor een boek.

Mijn leesclubje bestaat nog altijd. Sommige zijn er al bij van bij de start. Onderweg vertrokken er enkele leden en er kwamen er weer bij. Er zijn er die altijd komen en sommige duiken na lange tijd opeens weer op. Het is mij allemaal gelijk. Ik vind het altijd fijn om samen met hen te praten over een boek dat we lazen.

Lezen is voor mij als ademen, eten en schrijven. Ik heb het nodig om mij goed te voelen. Het verrijkt mijn leven, mijn visies, mijn taal. Leren lezen is één van de beste dingen die mij ooit overkomen is. Het is maar juist dat ook die passie van mij hier wat vaker aan bod komt.

IMG_0952

Ontmoeting.

“Alle, moet ge nu kaka doen of niet?”, vroeg ze.
Ik kijk op om me ervan te vergissen dat het toch zéker niet tegen mij is. Ik maan Kasper aan om wat sneller te stappen. “Amai, dat is ook al ne grote!”, zegt ze – “hoe oud is hem?”
Ik antwoord dat hij twee wordt in december maar dat ik wel vaker hoor dat hij groot is voor zijn leeftijd. “En die van u?”, vraag ik een beetje aarzelend. Ik ben dit soort small talk niet gewend. “Oh, maar die van mij is al wat ouder. Die wordt binnenkort acht maar ze is heel snel voor hare leeftijd.” Ik zeg dat ik daar weinig ervaring mee heb, maar dat ik haar geloof op haar woord.
“Ja, ik zie ze doodgraag. Maar hoe gaat dat he, ge blijft daar voor thuis en voor ge’t weet doet ge niks anders meer.” gaat ze verder. Ik knik van uhu en dat het herkenbaar is. Mijn uitgaan beperkt zich nu ook vooral tot dingen die mijn kinderen leuk vinden. “Maar alle, madam, ge krijgt er wel veel liefde van”, besluit ze nog. Ik zeg haar dat dat bij momenten klopt maar dat het die eerste jaren toch vooral geven lijkt te zijn met soms eens krijgen en dan alles pakken wat er te pakken valt. Ze lacht luidop. “Ja, ge zegt het goe! Alle, wij zijn eens zien.”
“Kom Kas”, zeg ik terwijl ik mijn hand uitnodigend uitsteek. “Alle, kom pruts”, zegt zij en ze klikt haar hond weer vast aan de leiband.
Moeders – allemaal dezelfde.