De 6 geboden van mijn grootouders

Toen mijn grootouders langs mama’s kant 50 jaar getrouwd waren, schreef mijn vader een speech voor hen. In die speech vertelde hij het publiek over de 10 geboden van zijn schoonouders: 5 geboden die meter typeerden en 5 die typisch waren voor bompa. Onlangs las ik die speech opnieuw en ik moest er nog steeds om lachen. Papa had de gave om mensen goed te kunnen zien en hen daarna ook nog eens heel raak te kunnen omschrijven.
Toen ik onlangs in de auto zat, dacht ik aan mijn grootouders. Wij waren kind aan huis bij hen en het is dus ook niet gek dat er heel veel van hun visies in onze opvoeding geslopen zijn. Sta me toe u enkele geboden van hen toe te lichten zoals ik ze mij herinner.

1. Gij zult in de televisiegids omcirkelen wat gij wilt zien

Mijn grootvader zijn zetel stond naast het raam in de zitkamer. Op de marmeren vensterbank lag een stapel zakdoeken, een briefopener, zijn bril, de gazet, een stilo en een roze fluostift. Elke morgen haalde mijn grootvader de gazet uit de brievenbus. Hij las daar dan even in vooraleer hij in zijn hof ging schoffelen. Na het middageten zette mijn grootmoeder zich in haar zetel – die stond aan de andere kant van de kamer – en sloot ze haar ogen voor een uurtje. Mijn grootvader zou hetzelfde doen, maar niet vooraleer hij in de krant had gekeken wat er die dag op ‘den televies’ was. Hij nam de desbetreffende pagina’s (het waren er doorgaans twee) uit de krant, vouwde ze open en keek aandachtig naar de programma’s van de verschillende kanalen. Hij had daarbij speciaal aandacht voor ‘den één’, ‘den twee’ (canvas), de VTM en Dutsland drei. Met zijn roze fluostift markeerde hij de uren van de programma’s die hij wou zien. Dat waren doorgaans dezelfde: het nieuws op den één om zes uur, het nieuws op de VTM om zeven uur, iets over den oorlog op den twee, Bompa Lawijt op de VTM (hard lachen) en daarna de dagelijkse dosis hoempapa op Dutsland drei (” ‘t Zijn smeerlappen maar ze maken schone muziek” – zei hij dan). Als alles keurig was aangeduid, vouwde hij zijn krant weer dicht, knipoogde hij naar mij als ik aan tafel zat te lezen en sloot ook hij zijn ogen. Ik heb uit goede bron vernomen dat zijn enige dochter ook trouw omcirkelt wat ze elke week zeker wil bekijken. Bompa knipoogt ongetwijfeld tevreden.

2. Gij zult zeggen van “dank u Jezeke, Saartje braaf kinneke”

Als wij bij mijn grootouders gingen logeren, dan stak meter ons in bed. Maar eerst staken we ons vol met Zwanworsten met ketchup, aten we kommekes cornflakes om 21.00 en dronken we een flesje cola met een rietje. Zo rond de klok van tien gingen we naar boven. We poetsten in de kleine badkamer onze tanden (heel traag want het vuurke mocht op) en daarna kropen we ons bed in. Vooraleer het licht uit ging, kwam meter onze kamer binnen. Ze gaf ons elk een kruisje op ons voorhoofd en zei tegen elk van ons: “dank u Jezeke, Saartje/Simon/Pieter Jan braaf kinneke”. Daarna kregen we nog een natte kus op onze wang en dan ging het licht uit. Mijn grootmoeder is dat geen enkele keer vergeten te zeggen. Ik hoef niet ver in mijn geheugen te graven om het haar opnieuw te horen zeggen. Uit haar slaapwens sprak traditie, gewoonte maar ook echt oprechte dankbaarheid. Ik heb niet speciaal het gevoel dat ik me tot Jezus moet richten als ik mijn kind ‘s avonds over zijn bolleke aai, maar die grenzeloze dankbaarheid aan het adres van eender wie, die voel ik elke dag.

3. Gij zult seizoensgroenten eten

Mijn grootvader was een echte hovenier. Als hij niet binnen in zijn zetel zat, dan was hij buiten in den hof. Ergens op uitstap gaan was aan hem niet besteed. Hij deed het enkel als het echt moest of als het iets met den oorlog te maken had. Hij kon niet begrijpen waarom mijn grootmoeder en mijn moeder bijna maandelijks naar Sint-Truiden gingen samen. Luidop vroeg hij zich elke keer af of er dan iets nieuws te zien zou zijn en hij gaf meteen ook zelf het antwoord (het antwoord was volgens hem nee). Hij keek hoofdschuddend naar mensen die op zondag voor de gezelligheid ergens een koffie gingen drinken. Dat kon immers net zo goed gewoon thuis. Daar was ook koffie en koekjes en als bijkomend voordeel moest onzen Tips (de oncontroleerbare boerenfox van mijn grootouders) dan niet in zijn kot en kon het beest als een wild paard door den hof blijven draven. Neen, bompa ging niet graag weg van huis. Hij had het prima in Zelem en hij kon zich uren zoet houden in zijn eigen tuin.
Hij was niet zomaar een hovenier. Hij was een hele goeie. Hij wist wat er wanneer moest gezaaid worden, wat best niet naast elkaar werd gezaaid, hoe groenten en fruit vrij bleven van ziektes, wanneer er geoogst moest worden en welk weer ideaal was voor zijn gewassen. Hij had veel materiaal dat allemaal samen stond in zijn kot. Hij had tuingerief met hopen en plastieken bussen waar hij met alcoholstiften opschreef wat er allemaal in zat.
Door de week rinkelde zo rond een uur of 5 regelmatig de telefoon bij ons thuis. Het was dan meter die belde – in opdracht van bompa om te vragen of Jos toevallig nog langs kwam en of hij dan zijn boor kon meebrengen. Vermoedelijk zou er weer iets getimmerd moeten worden rond de kroppen sla met stukken hout die bompa nog had liggen. Als papa en ik dan na het avondeten richting Zelem trokken, dan wist ik bijna zeker dat er ook groenten klaar zouden staan. We draaiden de oprit op, deden het hek open, en probeerden (tevergeefs) onzen Tips af te schudden. Ik ging via de achterdeur de keuken binnen en ja hoor, op de tafel stond de oogst dan netjes klaar. Bompa gaf alles mee wat zijnen hof ons weer geschonken had: courgettes, patatten, ne krop salaat, pompoenen, rabarber, noten, … you name it.
Nu er overal gepromoot wordt om meer volgens de seizoenen te eten, mis ik mijn grootvader regelmatig. Voor hem was dat een evidentie en hij zou eens hard gelachen hebben met de poster in onze keuken waarop ik aflees wat er nu precies seizoensgroenten zijn.

DSCN3109[1]

4. Gij zult anderen niet lastig vallen met uw verdriet

Ik heb heel veel herinneringen aan mijn grootouders. Wij zijn nooit naar de opvang geweest. Mijn ouders konden ons altijd in Zelem afdroppen als ze nood hadden aan een babysit. Dat betekent logischerwijs dat ik vele jaren van mijn leven regelmatig bij mijn grootouders was. Zij hebben ons echt “mee groot getrokken”, zoals ze dat hier wel eens zeggen. De meeste herinneringen die ik aan hen heb zijn vrolijke dingen, kleine typische gezichtsuitdrukkingen die ik plots terug zie bij mijn moeder of mijn broers, of uitspraken die legendarisch zijn. Maar ik zal nooit vergeten hoe mijn grootmoeder haar gezicht eruit zag als ze probeerde te verbergen dat er iets aan de hand was.
Eén van die keren was op een dinsdagmiddag. Ik zat nog in de lagere school en op dinsdag kwam mijn grootvader mij halen en at ik ‘s middags warm bij mijn grootouders. Heel de weg van school naar hun huis mocht ik raden wat we zouden eten. Het was meestal dat wat ik gevraagd had dus dat kwam goed uit. Die ene dinsdag kwam ik binnen via de garage, liep ik naar meter toe en ik zag dat ze gehuild had. Ze wou er niks over zeggen en ik had dat verkeerd gezien want meter was helemaal niet aan’t wenen lieveke en zet u nu maar gauw aan tafel want uw soep wordt koud. De hele maaltijd lang hield ik meter nauwlettend in de gaten. Ik wist zeker dat ik het goed gezien had. Bovendien zag ik dat ze regelmatig een traan wegveegde en hoorde ik haar in de keuken haar neus snuiten. In de auto terug op weg naar school vroeg ik aan bompa wat er was. Hij vertelde mij dat meter haar broer overleden was en dat ze daar nu een beetje verdrietig om was en meer niet en het zou gauw weer over zijn zalle.
Nu, zoveel jaren later, sta ik daar nog altijd van te kijken. Als er ooit iets met één van mijn broers gebeurt, dan zal ik mij ‘s morgens niet bezig houden met rodekool maken. Ik zal mijn verdriet niet wegsteken maar uitleggen waarom ik droevig ben.
Het was een andere generatie, die van mijn grootouders, en ze kregen zelf als kind mee dat het niet hoort om anderen daarmee lastig te vallen. Maar ik voelde toen als kind al heel goed aan dat er iets niet in de haak zat en ik had haar graag eens getroost zoals zij dat zelf zo vaak deed bij mij. Er zijn veel geboden van mijn grootouders die ik met veel liefde en een beetje eigen interpretatie meeneem in mijn leven, maar om dit gebod benijd ik hen niet.

5. Gij zult uw schoonkinderen als uw kinderen zien

Kleine kinderen hebben het niet gemakkelijk om inzicht te krijgen in de verschillende familierelaties. Als ik aan Kaat vraag wie mijn broers zijn, dan antwoordt ze vol overtuiging dat dat haar papa en nonkel Simon zijn. Maar als ik haar vervolgens vraag wie er allemaal de kindjes zijn van oma dan hoor ik haar hersenen bijna kraken.
Het is niet simpel om als kind al die mensen aan tafel op de juiste manier met elkaar in verband te brengen.
Dat was voor mij niet anders. Het hielp wel enigszins dat mijn grootouders langs papa’s kant in West-Vlaanderen woonden. Zo kon ik als kind makkelijk onthouden dat de ouders van mama in Zelem woonden en die van papa ver weg. Dat was duidelijk. Mijn grootouders in Zelem verwezen ook naar mijn mama als ‘Os Renild’. Oef, dachten mijn kinderhersenen, hypothese bevestigd: dit zijn de ouders van mama. Maar in de volgende zin hadden diezelfde mensen het over ‘Ozze Jos’. Alarmbellen gingen af: waren dit dan toch de mama en papa van mijn vader? Gelukkig bracht tijd raad en kon ook ik naarmate ik ouder werd alle mensen van mijn familie juist met elkaar verbinden. Er was nog wat verwarring met tante Gel en tant Simonne die niet mijn tantes waren maar die ik toch zo noemde, maar verder was alles vrij snel duidelijk.
Maar mijn papa is voor meter en bompa altijd hunne Jos geweest. ‘Ozze Jos’ moest eens langskomen en zijn boor meebrengen. En dan stond er voor ‘ozze Jos’ een porto’ke klaar. Of er werd trots aan de buren verteld dat ‘Ozze Jos’ zo handig was en dat ‘ozze Jos’ hen altijd kwam helpen als ze ‘in de petette’ zaten. Wat schoon van mijn grootouders, dat ze mijn vader een nieuwe thuis gaven met een extra ouderpaar nadat hij zo ver van zijn eigen ouders was gaan wonen. Wat schoon ook van mijn vader. Ik heb hem nooit weten zuchten wanneer meter nog eens aan de telefoon hing en vroeg achter de boor. Toen mijn grootmoeder stierf, enkele jaren na papa, was bompa zo content dat ze begraven werd naast ‘Ozze Jos’.

6. Als’t God belieft

Als mensen van elkaar afscheid nemen dan zeggen ze tegen elkaar iets in de strekking van: “Salut he!” of “Alle, tot de volgende he!”. De gesprekspartner dient dan te antwoorden met “Jaaaa, salut he!” Ik hoef u dat niet uit leggen, u weet hoe dat gaat.
Maar mijn grootmoeder, die deed dat niet. Daar zeiden wij tegen: “tot morgen, meter!” en dan antwoordde zij: “Ja, als’t God belieft.” JA-REN heeft het mij gekost om te ontcijferen wat dat precies te betekenen had. Dat ze de hele taaluiting als één woord uitsprak (alstgodblieft) hielp niet. Dat de taaluiting in veel verschillende situaties gebruikt werd, hielp ook niet. Als ik haar vertelde dat ik een week op vakantie was en dan terug kwam, dan antwoordde ze ‘alstgodblieft’. Als ik zei dat mijn broers vrijdags naar huis kwamen van Leuven, dan zei ze ‘alstgodblieft’. Als iemand van haar kennissen vertelde dat er binnen zoveel maanden een kleinkind zou bijkomen dan zei ze ook van ‘alstgodblieft’. En toen onzen Tips plots ging manken en bompa zei dat het wel zou beteren was er daar opnieuw die ‘alstgodblieft’.
Het kostte me zoals gezegd jaren, maar ik kwam er uiteindelijk toch achter wat die woorden precies betekenden. Voor haar was de verwoording van dat natuurlijk ‘uit handen geven’ van de zaken. Ze had er geen vat op, God zou het wel aanpakken zoals Hij dat wou. Of ze dat echt zelf geloofde, dat weet ik niet. Vermoedelijk werd het haar aangeleerd als kind en paste het binnen de katholieke opvoeding zoals die toen gegeven werd (ik denk er elke keer aan als ik iemand Insjallah hoor zeggen).
Ik betrap mezelf erop dat ik ook wel eens antwoord van alstgodblieft als ik niet zeker weet hoe iets zal lopen. Dan hoor ik het mezelf zeggen en dan denk ik: meter zou content zijn.

Ik leerde heel veel van mijn grootouders. Sommige dingen nam ik heel bewust over, anderen heel onbewust en nog anderen passen niet meer zo goed in hoe de wereld nu in elkaar zit. Maar als ik zo zie welke tips er nu aan jonge mensen gegeven worden (Terug naar de natuur! Legere agenda’s! Meer écht samenzijn! Bewust tijd maken voor familie!) dan kan ik alleen maar concluderen dat het net die zaken zijn die voor mijn grootouders heel vanzelfsprekend waren.
Het huis van mijn grootouders staat er niet meer. Het is afgebroken en in de plaats kwam een moderne woning. De tuin is er nog, maar ik denk niet dat er courgettes geplant staan of dat het vers gemaaide gras wordt verspreid tussen de rozen als mest. Maar de brievenbus van mijn grootouders – een huisje op een paal – die staat er nog. Ze past totaal niet bij de nieuwbouwwoning die in de plaats kwam van het huis van mijn bompa en meter, maar ik ben zo blij dat ze er nog staat. Elke keer als ik er passeer met de wagen, dan vertraag ik even (ik hoor mijn bompa dan zeggen ” ‘t Is hier feftig’) en kijk ik naar het huisje op de paal waar ik bompa zo vaak op zag leunen als hij ons uitzwaaide wanneer wij de oprit afreden.

De blijde intrede van Dorus

De aandachtige lezer is het vermoedelijk niet ontgaan dat wij sinds een tijdje een adoptiekat hebben toegevoegd aan ons gezin. Laat mij u vertellen hoe een onbekende kat erin geslaagd is om een plek te veroveren aan tafel naast dé meest overtuigde kattenhater die het mensenlijk ras ooit mocht voortbrengen (mijn lief, nvdr.) Ik kan daar heel kort in zijn – het komt door Kas – maar dat zou geen blogpost opleveren dus sta me toe u het hele verhaal uit de doeken te doen.

Het zal ergens in de zomer geweest zijn dat de poes zich voor het eerst manifesteerde in onzen hof. U moet weten, ik heb als kind ook altijd een kat gehad (eerst was er Femke en daarna kwam Flurk) dus ik vond het helemaal top dat een kat uit de omgeving de weg naar onze tuin gevonden had. Mijn lief dacht daar enigszins anders over. Als notoire kattenhater vond hij het geen tof idee dat er een kat door onze hof liep want het beest zou voorzekers uit het niets een sprong maken van 50 meter en bovenop zijn schouders landen alwaar het meteen zou starten met zijn ogen uit te krabben. In eerste instantie waren de spelregels dus erg duidelijk: de kat buiten en wij binnen. Dat zag er zo uit:

IMG_1646

Wat bleek er nu al gauw: dat kind van ons – dat tot dan toe een kopie van zijn vader was – bleek toch de liefde voor katten van zijn moeder geërfd te hebben. Dat was nu niet speciaal waar ik op gehoopt had (ik dacht meer in de richting van mijn verantwoordelijkheidsgevoel, mijn zorgzaamheid, mijn verstandelijk vermogen of mijn onwaarschijnlijk gevoel voor humor), maar ik was al lang blij dat hij toch ook iets van mij in zich bleek te hebben. ‘Ah! Dat zal ik hier eens stimuleren!’, dacht ik zo bij mezelf. De eerstvolgende keer dat de kat – die ik intussen zonder enig overleg ‘Dorus’ had genoemd – zich in onze hof begaf, nam ik ons mensenkind in mijn armen en sleepte ik hem mee naar buiten om de poes echt te aaien in plaats van door een vliegenraam ernaar te prikken. Dat zag er zo uit:

IMG_1702

Het maken van de foto ging trouwens niet van een leien dakje. Wie goed kijkt, kan misschien zelfs zien hoe ik tussen mijn tanden naar de kattenhater slis dat hij normaal moet doen en dat de kat duidelijk geen enkele interesse vertoont om één laat staan twéé van zijn ogen uit te krabben. De aandachtige kijker heeft vermoedelijk ook opgemerkt dat ik in deze fase ook al gebruik maakte van ‘het kommeke met melk’ om de poes te overhalen om regelmatig zijn gevlekte lijf nog eens tot bij ons te slepen. ‘Het kommeke met melk’ deed exact wat het moest doen, want Dorus bleef regelmatig terugkomen. Er zaten vaak wat dagen tussen, maar na enkele dagen was ze daar toch altijd weer.

Als de kattenhater dan op zo’n momenten toevallig niet in de kamer was, dan gebeurde het wel eens dat er iemand per ongeluk het raam openzette waardoor de kat mogelijkerwijs par accident binnen zou geraken. Dat zag er dan zo uit:

Processed with VSCO with f2 preset

U ziet het niet want zijn hoofd is niet doorzichtig, maar indien dat wel zo was dan zou u een brede glimlach kunnen waarnemen op het smoeleke van onze zoon. Die vond het namelijk helemaal de max dat hij dus blijkbaar al niet eens meer uit zijn stoel moest komen om de kat van dichtbij te kunnen aanschouwen.
‘SCHAT DIE KAT IS HIER OP DE EEN OF ANDERE MANIER BINNEN GERAAKT KUNT GE DIE ONMIDDELLIJK KOMEN VANGEN ALSTUBLIEFT WANT DIE KIJKT HEEL RAAR NAAR MIJ’, klonk het plots vanuit de keuken. Ik haastte me gauw de woonkamer in om daar te zien dat de kat gewoon voor zich uit zat te staren op de vensterbank, volstrekt niet in de richting van de kattenhater terwijl ons kind als een gek naar de kat zat te wijzen en daarbij POE POE POE POE POE riep. Ik besloot te gebaren van krommen aas (‘Alle, zo gek, ik dacht echt dat ik het raam had dichtgedaan’) en zette de kat buiten. Die bleef op de vensterbank zitten en tikte regelmatig eens met haar poot tegen het raam om aan te geven dat ze het toch beter vond om aan de andere kant van het venster in het niets te kunnen staren. ‘Alles op zijn tijd, Dorus’, sprak ik hem toe, ‘ik heb hier alles onder controle.’

Wanneer de kattenhater in de weken daarop niet thuis was, gebeurde het bijvoorbeeld nog wel eens dat er iemand per on-ge-luk alweer vergat het raam te sluiten. Mijn partner in crime deed wat er van hem verwacht werd en verwelkomde de poes met open armen. Dat zag er dan zo uit:Processed with VSCO with f2 preset

Op een dag gebeurde er iets erg vreemds. De kat zat zoals wel vaker op de vensterbank buiten als een freak naar binnen te staren terwijl wij aan tafel zaten. Er is maar één iemand die niet met zijn rug naar het raam van de poes zit en laat dat nu toevallig de cat hater zijn. Hij opende plots zijn mond en zei totaal onverwacht: “Zouden we anders ook eens geen eten voor de kat zetten?”. Ik geloof dat ik mijn lepel in mijn bord liet vallen en dat Kasper door de schok zijn boterhammen op de grond gooide (maar dat doet hij ook wel wanneer er niks speciaals gebeurt). Ik probeerde kalm te blijven en niet in mijn kaarten te laten kijken: “Ja, schat”, sprak ik, “als we dat doen dan gaat die wel blijven komen en zich hier echt thuis voelen natuurlijk. Zouden we dat wel doen?” U moet begrijpen, beste lezer, dat ik deze uitspraak achter de hand diende te houden om mij mee te kunnen verdedigen in de toekomst mocht dat eventueel nodig zijn. In situaties waarin de kat uit het niets een sprong van 50 meter zou doen en één van de kattenhater zijn groen-bruine ogen zou uitkrabben zou het handig van pas komen als ik kon zeggen dat ik hem nog gewaarschuwd had.

Ik deed dus wat ik moest doen en repte me daarna naar de winkel om katteneten te kopen. Aan de kassa oefende ik alvast mijn nieuwe rol als katteneigenaar toen ik tegen de cassière zei dat “onzen Dorus liefst die brokskes met kip eet”. Zo, dat ging me prima af. De kat ging echt deel uitmaken van ons gezin. Of toch van het stuk van ons gezinsleven dat zich buiten in de tuin afspeelde. Kasper nam elke dag de tijd om zijn planning even te overlopen met zijn beste maat. Dat ziet er als volgt uit:

Processed with VSCO with c1 preset
Ons mensenkind eet hier gewoon een bo’ke, maar het is ook al wel eens gebeurd dat hij liever eens wou proeven wat Dorus in zijn bak gestrooid kreeg.

Enkele weken geleden zagen we dat onze Dorus bij het stappen één van zijn achterpootjes niet meer neerzette. Vermoedelijk was hij slecht neergekomen bij een val. Ik gaf de poes trouw eten, ik ging hem veel aaien en ik probeerde Kasper aan te leren dat te veel enthousiasme katten eerder angstig maakt (vooralsnog zonder succes). Maar na twee dagen bleef de kat manken. Het was op die tweede dag – ik zat met kind en kat in de tuin – dat de voorzitter der kattenhaters thuis kwam, naar de kat keek en de profetische woorden sprak: “zouden we eens niet naar de dierenarts gaan met Dorus?”. Ik was te verbaasd om nog eens te gebaren van krommen aas. Ik was er immers zeker van dat de kattenhater vanbinnen nogal eens in zijn pollekes wreef toen hij zag dat de kat geblesseerd was en voorzekers geen sprongen van 50 meter meer zou kunnen doen. Maar kijk, ik had me vergist. Het koude, stenen kattenhart van de kattenhater vertoonde stilaan barstjes, zo bleek.

We belden de dierenarts en die belde ons terug om te zeggen dat er foto’s gemaakt moesten worden van de poot. Ik keek naar de kattenhater (ik hield mijn blik met opzet neutraal) en zei dat hij moest beslissen. De kost zou immers bij ons komen aangezien niemand de oproep als eigenaar van Dorus had beantwoord. “Doe maar”, zei de kattenhater tegen de dierenarts. Toen hij de telefoon weer neerlegde keek hij mij verontschuldigend aan en zei hij “Ja, we kunnen ze toch ook niet laten creperen he? Maar ik ga ze niet pakken of niks dat moet gij doen!”. Het was zo’n drie uur later dat hij mij vroeg of we niet ergens nog een mand hadden staan zodat de kat daarin kon rusten.
De dierenarts had ons gevraagd of de poes nog even bij ons mocht blijven om uit te rusten en of we haar dagelijks pijnstillers konden geven totdat het teentje genezen was. Een mand hadden we niet, maar we hadden wel the next best thing. En dat zag er zo uit:

Processed with VSCO with c1 preset

De poes liet haar poten rusten in de beste zetel die onze living te bieden heeft en de kattenhater liet begaan. Sindsdien zijn alle grenzen weg. De kat ligt hier regelmatig ‘s avonds in de zetel te ronken en ik zie dat de veiligheidsperimeter van de kattenhater steeds groter wordt. Intussen heeft Dorus ook al enkele plekken gevonden waar het kleine mensenkind zelfs met al zijn enthousiasme niet aan hem kan. We vinden dus allemaal ons plekje. Ons gezin telt dus na maanden van geduld en doorzettingsvermogen een extra lid. En dat ziet er zo uit:

Processed with VSCO with c1 preset

Voorlopig wil de kattenhater zijn voorzitterschap nog niet opzeggen (ik denk dat hij nog even alles uit zijne cumul wil halen) , maar ik geloof dat de Vlaamse Vereniging der kattenhaters toch beter stillekesaan begint na te denken over een mogelijke opvolger.