De kunst van Chinees bestellen

Ik heb bijna tien jaar lang elk weekend in een Chinees afhaalrestaurant gewerkt. Dat heeft mij een heel aantal vaardigheden opgeleverd. Ik versta nog steeds geen flikker Chinees maar die tien jaar van ‘Hallo, met Kokkie Wok’ hebben me geen windeieren gelegd. Zo ken ik bijvoorbeeld nog altijd de gerechten en hun bijhorende nummertjes uit mijn hoofd. Ik kan doosjes in plastieken zakken stapelen op zo’n manier dat de potjes saus niet omvallen, dat je de zak op de grond kan neerzetten en dat de kroepoek heel blijft. Verder kan ik nog supersnel blijven bestellingen noteren wanneer ik net een klodder warme currysaus over mijn handen heb gekieperd én ik kan in elk Chinees restaurant zo proeven of het brol is of niet. Naast al deze praktische vaardigheden kreeg ik daar ook elke week een inkijk in de verschillende lagen van de bevolking en kon ik aldus jaren schaven aan de volgende opsomming die een vrij waarheidsgetrouw beeld geeft van de verschillende types Chineesbestellers.

  • De vaste klant. De vaste klant belt elke week op exact hetzelfde tijdstip. Als de vaste klant niet gebeld heeft, dan is er iets. Dat wordt bij het volgende bezoek dan ook doorgaans gerechtvaardigd (“Ja sorry, maar we zaten met een communicant vorige week). De vaste klant neem al-tijd hetzelfde. Soms waagt hij het om de menukaart toch nog eens vast te nemen, op zoek naar een alternatief voor die wekelijkse portie kip met zoet gekruid pikante saus. Een kwartier lang staart hij naar de menukaart om vervolgens toch maar weer voor de kip te gaan.
  • De oude meet. De oude meet maakt haar bestelling vaak telefonisch en dat gaat zelden van een leien dakje. Doorgaans begrijpt de oude meet geen jota van wat er op die menukaart staat (al staat alles netjes in het Nederlands uitgelegd) en hoogstwaarschijnlijk wil ze ook helemaal geen Chinees eten maar hebben de kinderen haar overhaald.
    De oude meet roept door de telefoon. Dat is niet nodig, maar zo is ze zeker dat ik haar begrijp. De oude meet is ook erg wantrouwig. Nadat de bestelling is doorgegeven, moet ik alles nog eens herhalen om zeker te zijn dat ik haar gebrul juist verstaan heb. De oude meet neemt geen raad aan. Ze wil bij alles een potje currysaus. Ook bij gerechten waar al currysaus inzit, of waar al currysaus bij geserveerd wordt. De oude meet stuurt dan een van haar trawanten uit (doorgaans de man van de oude meet die al helemaal van niks weet) om het eten op te halen. De handlanger in kwestie vertrekt weer naar huis met twee loempia’s, een bak rijst en 7 potten currysaus.
    Soms belt de oude meet nog eens terug om te zeggen dat er veels te veel currysaus werd meegegeven.
  • De trage beslisser. De trage beslisser doet er uren over om zijn keuze te maken. Hij laat zijn vinger over de geplastificeerde menukaart glijden en spelt elk gerecht letter voor letter. Hij stelt overbodige vragen (“die groentegerechten, is dat dan met veel groenten?) en soms ronduit belachelijke vragen (“Chinese paddenstoelen, dat zijn eigenlijk Chinese champignons?). Hij leunt vaak ook breed over de hele toonbank waardoor zeker niemand anders voor hem kan bestellen in dat anderhalf uur dat hij erover doet om zijn keuze te maken. Eens hij gekozen heeft, vraagt hij onmiddellijk of het lang duurt om het eten klaar te maken.
  • De ongeorganiseerde beller. De ongeorganiseerde beller is schattig en charmant op een zondag waarin er maar niemand goesting lijkt te hebben in Chinees. De tijd kruipt voorbij en het is een welkome afwisseling wanneer de telefoon gaat. Als de ongeorganiseerde beller op zo’n moment belt, antwoordde ik geduldig en lachte ik met zijn onbeholpenheid. Op momenten dat het 45 graden is van de wokpannen die voortdurend moeten werken, op momenten dat de zaak volstaat met mensen dan is de ongeorganiseerde beller eerder storend.
    De ongeorganiseerde beller belt eerst en zoekt dan pas naar de menukaart. Hij verwacht dat ik nog weet wat hij 5 maanden geleden eens bestelde want dat was lekker. Hij vraagt aan de rest van de familie om eens op de kaart te kijken op het moment dat hij met mij aan de telefoon hangt en niet een kwartier ervoor zoals een verstandig man het zou aanpakken. Terwijl de hele familie van de ongeorganiseerde beller probeert te kiezen wat ze willen eten, leutert de ongeorganiseerde beller verder over het eten van 5 maanden geleden. Dat gaat ongeveer zo:
    “Alle, dat was zo iets met groenten.”
    “Ja, meneer, bijna al onze gerechten zijn met groenten.”
    “Er was ook saus bij.”
    “Ja, meneer, bijna al onze gerechten zijn met saus.”
    “Het zat in een wit doosje.”
    “Ja, meneer, al onze gerechten zitten in een wit doosje.”
    Enfin, u snapt het idee.Zo gaat het nog een kwartier verder. Uiteindelijk beseft de ongeorganiseerde beller dat hij 5 maanden geleden bij een andere afhaalchinees besteld had.
  • De consequent foute uitspreker. Dit is bij uitstek één van mijn favoriete chinees-bestellers omdat het onwaarschijnlijk grappig is als mensen iets wat perfect te verklanken en duidelijk geschreven is, toch fout uitspreken. Vooral babi pangang – niet moeilijk te lezen lijkt me – blijkt erg moeilijk voor de doorsnee Vlaming. Veel vaker bestelden mensen dan ook: baby wang wang, baby pang pang, baby pang wang of baby wang pang. Gelukkig heb ik ze altijd babi pangang meegegeven, want baby’s serveerden wij niet.
  • De fris gewassen mama met kind(eren). Deze soort Chinees-besteller is mijn ultieme favoriet. Het gaat vaak om mama’s die net in bad zijn geweest. Dat weet ik want hun haren zijn nog nat en ze ruiken naar zeep. Ik vermoedde altijd dat papa nog thuis was om de overige gezinsleden te wassen voor mama thuis kwam met het eten. De moeders hebben een sleutelbos met veel te veel sleutelhangers aan – er hangt meestal minstens één me to you beertje aan. De sleutel wordt gebruikt ter vervanging van de vinger om de menukaart te overlopen. Het kind dat mee is, wringt zich tussen de armen in waarmee moeder op de toonbank leunt en zegt voortdurend dat hij kroepoek wil. Ik geef het kind onmiddellijk een zakje kroepoek en voel me als de slagersvrouw die een schelleke vlees geeft. De moeder kiest doorgaans voor minstens één soort van gefrituurd eten voor de kindjes en vult aan met gerechten met groenten. In gevallen waarin het toch de vader was die eten kwam bestellen, dan werd er minstens twee keer gebeld met het thuisfront om zeker te zijn.
    Ik hield het meeste van deze klanten omdat de gezelligheid van hun afdroop. Ik kon de blijdschap zien bij de kinderen die uitkeken naar het eten en ik zag hoe moeder blij was dat ze eens niet zelf voor het eten moest zorgen. Meer dan eens voelde ik een gekke soort heimwee bij de vlaag huiselijkheid die deze klanten de zaak binnen brachten.

Ik heb jarenlang graag bij de Chinees gewerkt. Ik heb er mij verveeld wanneer iedereen aan’t barbecuën was, ik heb er de slappe lach gekregen wanneer één van de bovenstaande klanten belden, ik heb er bijna mijn haar uit mijn hoofd getrokken op oudejaarsavonden en ik heb er chinees gegeten voor de rest van mijn leven. Ik kan u overigens de 12, de S6, de S39 en de 242 warm aanbevelen. Allemaal met groentjes, saus en in een wit bakske.

Advertenties

Haarlak en hespenworst

“En nog 100 gramme hespenworst”, zei ze terwijl ze een opgefrommeld plastieken haarkapje uit haar handtas tevoorschijn toverde.Ik stond achter haar in de supermarkt. Ze vulde de hele ruimte met de geur van haarlak. Ze had zich wat te oranje gepoederd. Het maakte me niet uit, ze had mijn hart al gewonnen want het was vrijdag en ze was duidelijk naar de kapper geweest voor haar permanent.

Mijn grootmoeder deed dat namelijk ook – iedere vrijdag. Om stipt 13.00 kwam ze thuis aan. Ze liet zichzelf binnen en als ze niemand aantrof in de woonkamer, dan schalde ze haar ‘koekoek’ in de traphal tot er antwoord kwam. Ze ging – zoals elke vrijdag – naar de kapper bij ons in de straat. En ze kwam – zoals elke vrijdag – ‘evekes’ binnen voor ze ging.
Ze had zich – zoals elke vrijdag – een beetje te hard gepoederd. Ongeveer twee uur later vulde ze ons huis met de geur van vers gespoten haarlak. Na haar kappersbezoek ging ze door naar de supermarkt samen met mijn moeder. Ze deed de wekelijkse inkopen en las haar benodigdheden af van het lijstje dat ze schreef in schoonschrift, zoals ze het geleerd had in het eerste leerjaar.

Ze reed met een rode Renault, zonder servo-stuur. Als ik haar aan haar stuur zag draaien, dan dacht ik altijd dat het 100 kilo woog. Ze gaf te veel gas in eerste en te weinig tweede. Ze pinkte naar links 800 meter voor ze naar links moest. Ze reed 30 waar je 50 mocht en 50 waar je 70 mocht. Maar ze reed. Zelf. Dat leerde ze nog toen ze 60 was. Zo was ze na zoveel jaren niet meer afhankelijk van mijn grootvader om ergens te geraken.

Na het winkelen stopte ze weer even thuis. Ze telde met mama uit wie elkaar wat nog verschuldigd was – tot op 2 cijfers na de komma. Ze cijferde op de achterkant van de rekening. Ze schreef alles recht onder elkaar en telde luidop. Soms ging ze even zitten. Dan keek ze rond. Ze vroeg hoe het op school was en of ik graag ging. “Ge moet maar goed uw best doen” zei ze, “op school” – om zeker te zijn dat we het over hetzelfde hadden. Ze vroeg ook nog toen ik al naar ’t unief ging of er fijne kindjes in mijn klas zaten. En of ik nog graag ging, naar’t school.

Daarna vertrok ze weer. Ze keek naar links en naar rechts voor ze rond de wagen wandelde om in te stappen. Ze deed haar gordel aan nog voor ze de auto startte. Netjes zoals de wet dat voorschrijft. Ze keek in haar spiegel voor ze uit haar parkeerplaats reed. Ze draaide heel traag aan het zware stuur. Ze gaf te veel gas in eerste en ze vertrok.

Een aangename postumiteit

9789029581332_273_416_s_c1
bron: Google

U vraagt waarom dit mijn lievelingsboek is?
Daarom:

aan de Stad Mechelen, Stadskas
Geachte Heer
Ik verneem dat het u spijt dat mijn moeder Leontina Deron bij haar overlijden nog een bedrag van 9.321 F verschuldigd was wegens rioleringsbelasting 1984-1985.
Mijn moeder overleed in 1983.
In het jaar na haar dood zou zij dus voor meer dan negenduizend frank bij elkaar gekakt en doorgesjast hebben. Dat lijkt mij een prestatie, gezien ze bij leven al een lichte neiging tot constipatie vertoonde, die er na haar dood zeker niet beter op geworden is.
Maar zelfs als zij nog geleefd zou hebben en gemiddeld één keer per dag een drol kwijtmoest, zou dat betekenen dat de Stad Mechelen ongeveer 30F per drol belasting heft. Terwijl het hier toch om ontlasting zou moeten gaan.
Gelieve me bijgevolg te laten weten of het hier niet om een kwalijke grap gaat.
Met hoogachting,

Herman de Coninck

uit ‘Een aangename postumiteit – Brieven 1965-1997’ – Herman de Coninck

En ook wel hierom:

Aan de directie van Waterman pennen

Zeer Geachte Heer,
Hier volgt een oneerbaar voorstel.
Ik ben hoofdredacteur van het aantrekkelijkste, meest internationaal gerichte, breedste literair-cultureel tijdschrift, het Nieuw Wereldtijdschrift.
Zo kan ik nog een tijdje doorgaan, maar liever sluit ik ons recentste nummer in, plus een uittreksel uit een lezersonderzoek naar het profiel van onze lezers. Die vormen in elk geval een beperkt (oplage 6 a 7000 exemplaren) maar zeer vulpen-vriendelijk publiek.

Mijn oneerbaar voorstel is het volgende. Ik zou graag hebben dat u een beetje royaal adverteerde in het Nieuw Wereldtijdschrift. Tja, dat zou elk tijdschrift wel graag hebben. Maar ik heb een speciaal voorstel, waarmee ik ook mezelf een beetje oneerbaar maak: op de linkeradvertentiepagina drukt u een fraai belichte Waterman af, zoals u dat zo mooi kunt – en op de rechterbladzij schrijf ik dan (ik ben een nogal populair dichter) een handgeschreven ode aan Waterman, met mijn naam en/of handtekening eronder. (….)

Minimaal is mijn voorstel dat u enkele keren adverteert in het Nieuw Wereldtijdschrift over een dubbele bladzijde (tarieven sluit ik in) – waarbij mijn Waterman-ode ongeveer als volgt zou gaan:

Ik doe ’t wel eens met Bic. Kater van.
Mij concentreren zoals alleen een pater kan,
lukt mij slechts met mijn Waterman.
O, inspiratie, klater dan!

Zoiets. Ik richt mij tot u omdat ik inderdaad met een Waterman schrijf – maar ik ben natuurlijk niet te beroerd, als u nee zou zeggen, om de concurrentie te benaderen. Hoewel, ik ken niet meteen een rijmwoord op Parker.
Daar hebt u geven geluk.
Met hartelijke groet,

Herman de Coninck

uit ‘Een aangename postumiteit – Brieven 1965-1997’ – Herman de Coninck

 

Veel beter dan dit wordt het niet. Ik kan het blijven lezen. En nu ik er zo weer aan begonnen ben, vermoed ik dat dat exact is wat ik zal doen.