Vandaag

Luister ik eindeloos dit en dit en dit en dit . Ik loop door het huis en neurie verbeten mee (but listen carefully to the sound of your loneliness like a heartbeat drives you mad in the stilness of remembering what you had and what you lost).

Besta ik uit kleine stukjes. De samenhang is zoek. Wat waar gaat, dat ben ik even vergeten.

Raap ik kleine spullen op, verdwaald en op de verkeerde plek terecht gekomen. Ik steek ze in een mandje en probeer ze weer juist te zetten.

Kijk in de spiegel en speur mijn gezicht af. Ik zie wat ik eerder al eens zag. Ik kijk lang in mijn eigen ogen tot ik bijna door mezelf heen kan kijken.

Leg ik mijn hand op mijn buik en probeer ik te ademen. Ik moet soms nadenken over hoe dat ook weer moest. En hoeveel te meer ik nadenk, hoeveel te moeizamer het gaat.

Rijd ik naar papa met de ramen open. Ik steek mijn hand uit, spreid mijn vingers, voel het door mijn vingers glijden. Ik herken wat ik bij hem soms zag. De melancholie. “De wereld is even zwaar voor mij – vandaag”, zei ie. En: “Neen, natuurlijk ben ik niet boos op jou, Saartje”.

Zeg ik mezelf waar ik ben en wat ik doe. Je zit op een stoel en je schrijft.

Advertenties

Doodnormaal

Mijn kinderen gaan bijna wekelijks naar het kerkhof. Aangezien mijn papa en hun grootvader daar rust, is dat niet abnormaal.

Het is iets wat voor hen bij het leven hoort. Zoals we naar oma gaan, zo gaan we naar opa. Hoewel zo verschillend, is het voor hen eigenlijk hetzelfde.
We laden onze kindjes achterop onze fiets, we gespen hun helmpjes vast en we zijn weg. Onderweg wijzen we naar de dieren die we zien. Richting oma zien we struisvogels en paarden, we zien schapen, we fietsen over een bruggetje en tussen de perenbomen. Elke keer verzekeren we Kas dat de peren inderdaad nog wat moeten groeien. En ja, daarna komt de boer ze plukken en hij brengt ze naar de winkel. Daar kunnen wij ze kopen. “Mama en Kas?”, vraagt ie. “Ja lief, mama en kas en alle andere mensen die graag peren eten.”
Richting opa zien we twee uilen. Ze wonen in een veel te laag afgespannen stuk grond. Het is eigenlijk zielig. Ik vraag hem of hij denkt dat de uiltjes niet liever willen vliegen. Hij antwoordt dat ze misschien willen slapen. Dat ze niet veel anders kunnen doen daar op die 10 vierkante meter, dat zeg ik hem niet. Daarna passeren we meer perenbomen (ja, die moeten ook nog wat groeien), koeien met kalfjes (hij legt veel klemtoon op de F – kal-fjes zegt ie), een groot paard en een klein paard en veel velden met maïs. Hij wijst alles aan, benoemt en wij bevestigen.

Hij gaat vragen of er ijsjes zijn, zegt hij al nog voor we de oprit opdraaien. We bevrijden hem uit zijn fietsstoeltje en hij spurt naar de deur. Oma tovert mini-ijsjes tevoorschijn en voor ongeveer 3 minuten en 23 seconden horen we hem niet. Daarna wil hij nog water, een koekje, het kleine balletje, of nee toch de grote. Elias kruipt in zijn kielzog – volgt zijn grote broer als een schaduw. Hij zet zich op zijn zachte pamperpoep en probeert met zijn kleine, korte vingertjes de kruimels van Kasper zijn koekje op te rapen.

Bij opa is het meer van hetzelfde – al moet ik hier zelf voor de snackjes zorgen. Voor we vertrekken, moffel ik nog gauw twee reepjes kinderchocolade in mijn handtas en een flesje water. Ik bevrijd hem uit zijn fietsstoel en hij spurt naar het graf van opa. Ik zet hem neer op het stukje gras, zijn kleine broer naast hem. Wanneer ze het papiertje van de kinderchocolade horen ritselen, kunnen ze allebei niet snel genoeg op mijn schoot zitten. Langzaam eten we samen – blokje voor blokje – de chocolade op. We breken de reep in stukjes en laten allemaal een stukje smelten op onze tong. Het is even stil en rustig. De wind waait door onze haren. “Het windt!”, zegt Kas en ik wil hem niet verbeteren want ik vind het juist.

De dingen die ze doen zijn hetzelfde bij oma en bij opa: koekjes ontfutselen, hard lopen en knieën openvallen, bloemetjes water geven, helpen met poetsen, kijken naar vogels en zwaaien naar dieren. Elias zoekt op beide plaatsen dingen om in zijn mond te steken: kruimels bij de ene, stenen bij de andere.
Ook de dingen die ze voelen zijn – tot hiertoe – gelijkaardig. Ze kijken ernaar uit om hun grootouders te zien. Het ritje naar daar is altijd heerlijk. “Wij zijn met ons viertjes!”, zegt Kas – en hij somt ons allemaal op zodat er geen twijfel over bestaat wie hij bedoelt. We komen aan met veel lawaai – op beide plaatsen. We vertellen wat we meemaakten, dat de juf langs kwam, dat we nieuwe schoenen kochten, dat de zon schijnt en dat alle bloemetjes veel dorst hebben. Het afscheid is ook hetzelfde: een kus voor oma en ook een kus voor opa. Hij zag mij ooit papa’s foto kussen en sindsdien hoort het ook bij Kas z’n afscheidsritueel.

Hun grootouders opzoeken, dat is voor mijn kinderen bijna dagelijkse kost. Dat hoort erbij. Dat is – gelijk ze zeggen – doodnormaal.

Processed with VSCO with c1 preset

Rijk

Als ik denk aan alle boeken die ik nog ga mogen lezen en hoe plezant het is dat ik dat zo onwaarschijnlijk graag doe
Als ik de koelkast opentrek en uit zoveel dingen kan kiezen en toch altijd voor de aardbeien ga
Als ik wat rondscharrel in mijn bureau en enkele toetsen induw op mijn piano
Als ik mijn kinderen hoor schaterlachen terwijl ik aan het koken ben – net voordat er eentje begint te mekkeren
Als ik in de Colruyt niet moet kiezen, maar drie verschillende soorten koeken in de kar kan leggen
Als ik mijn vingers over de zijkanten van mijn cd-rek laat glijden en Rumours er nog eens uitpik
Als ik groenteschillen naar het VAM-vat breng en stilsta om de achterkant van ons huis te bekijken
Als ik op zondag met Kas naar de bakker wandel en op de terugweg een kaarsje aansteek voor onze buurman
Als ik in mijn oranje tuinstoel zit en de wind mij de lavendelgeur tegemoet blaast
Als ik met een collega die intussen ook mijn vriend is aan de waterkant over de zelfbewustzijns-ui praat en nog een halve dag nadenk over haar input
Als ik aan de slaapkamerdeur ga luisteren naar de diepe slaapadem van mijn jongste zoon
Als ik kijk naar hoe mijn lief ’s morgens gel in zijn haar doet en dan met gespreide vingers naar de pompbak loopt om zijn handen te wassen
Als ik denk aan mijn familie, aan mijn nichtjes en onze naderende vakantie – allemaal samen
Als ik met een oude vriend die nog altijd gloednieuw aanvoelt onnozel doe op een fuif en me nog eens écht jong voel
Als ik mijn oudste in bed stop en hij – zoals elke avond – “I love you! Doe-hoeg!” roept
Als ik op het trapje aan onze achterdeur ga zitten met een tas thee en de kat langs mijn benen komt kopjes geven
Als ik denk aan de weg die ik heb afgelegd – als vrouw, als partner, als moeder – en hoe ik steeds beter en makkelijker en liever mezelf ben
Als ik besef hoeveel schoner mijn leven aanvoelt sinds ik eraan denk om elke dag mijn zegeningen te tellen
Als ik de lichtjes aansteek boven onze tuintafel zodat de zomeravond nog wat langer kan duren

Dan weet ik
dat ik
de koning
te rijk
ben.

Processed with VSCO with c1 preset

Tears in Heaven

Het is u vermoedelijk allen bekend, dat nummer van Eric Clapton. Waarschijnlijk hebt u het – net zoals ik – al honderdmiljoenmiljard keer gehoord en raakt het u zelfs niet eens meer zo heel erg. Dat kan. Dat had ik ook.

Maar gisteren keek ik naar ‘Eric Clapton – life in 12 bars’ – een documentaire over het leven van Eric Clapton. En sjonge jonge, dat kwam binnen. Het eerste deel zag ik in “Het uur van de wolf” op NPO 3. Ik was matig geboeid. Het ging over Claptons jeugd en over hoe zijn moeder zich lang uitgaf als zijn zus. Over hoe ze later doodleuk kwam vertellen dat ze hem niet moest hebben hoewel nu ze toch voor hem kon zorgen. Ze had haar handen immers al vol met zijn halfbroer en halfzus. Die wilde ze klaarblijkelijk wél graag bijhouden. Het ging over hoe hij troost vond in muziek en hoe hij zich toen al anders kleedde dan zijn leeftijdsgenoten. Het typische eerste stuk van het levensverhaal van een muzikant: de tijd voor hij muzikant werd.

Deel 2 keek ik gisteren op mijn computer. Dat was andere koek. Ik zag hoe Eric Clapton verslaafd geraakte aan heroïne. Hoe hij daarvan afkickte om onmiddellijk een nieuwe verslaving te kiezen: alcohol. Dat was zowaar nog destructiever voor hem. Ik zag hem waggelen op het podium. Ik zag hem jarenlang achter Patty Boyd – de vrouw van George Harrison – aanlopen. En haar dan slecht behandelen toen hij haar eindelijk had. Ik zag hem racistische dingen zeggen en zich schamen. Ik hoorde hem zelf commentaar geven bij die beelden. Hij vertelde hoe hij al die albums zo lang niet graag gehoord heeft – ‘because I could always hear how drunk I was’.

En dan komt het kantelpunt. Na een korte affaire wordt ie vader van Connor. De geboorte van zijn zoon zorgt ervoor dat hij eindelijk fatsoenlijk korte metten maakt met zijn alcoholverslaving. Het kind groeit op en het lijkt goed te gaan met Clapton. Tot het noodlot toeslaat. Kleine Connor stort zijn dood tegemoet wanneer hij uit het raam klimt op de 35e verdieping van een flatgebouw in New York. De beelden tonen het totaal verbouwereerde gezicht van Clapton. Een man die niet beseft wat er zonet gebeurd is. We zien nog wat beelden van de begrafenis van het jongetje.
En dan. En dan. En dan zoomt de camera in op de handen van Clapton. Hij heeft een gitaar vast. De eerste noten maken meteen duidelijk welk nummer hij zal inzetten. Ik wist wat hij zou gaan zingen, maar het kwam toch nogal binnen. Hij vertelt dat hij troostbrieven kreeg, tienduizenden. En eentje was van Connor. Een week ervoor gepost in Milaan. “I love you. I want to see you again” had het kind aan zijn vader geschreven. Clapton schreef ‘Tears in Heaven’ en besloot de rest van zijn leven te leven op een manier die zijn zoon recht aandeed. Een jaar lang speelde hij elke dagen urenlang op zijn Spaanse gitaar. Het resultaat is het album “Unplugged” waarmee hij veel prijzen won.

IMG_9836
De documentaire eindigt positief. Clapton vond de ware liefde en kreeg nog drie dochters. Hij is niet meer terug verslaafd geraakt, hij maakte fantastische albums (“Me & Mr. Johnson” is één van mijn favoriete platen aller tijden).  BB King sluit de reportage met een speech waarin hij zijn vriend Eric eert: “May I live forever. But may you live forever and a day.”
Man, wat greep me dat aan. Dat kleine kindje, die mens die totaal verbijsterd is, die ronde bril zoals mijn papa er ook één had en zoals mijn broer er nu een op zijn neus heeft staan. Dat lied dat ik intussen regelmatig heb overgeslagen omdat ik het al te vaak gehoord heb. Dat lied heb ik vandaag veel gespeeld en het klonk weer helemaal nieuw en rauw en schoon, zo schoon. En ik dacht: als één van mijn jongens ooit…. en ik dacht: nee, nee, nee!