Cartoon voor papa

Het moet zo’n twaalf jaar geleden zijn (say what?!) dat ik deze cartoon in de krant zag staan:

img_5366

Ik knipte hem uit en legde hem op papa’s bureau voor wanneer hij thuis zou komen. Ik liet de deur van mijn kamer wat openstaan, zodat ik alles goed kon horen. Ik hoorde hem thuiskomen en wat rommelen beneden. Ik hield het bijna niet meer van de zenuwen.
Ik hoorde hem de trap opkomen en kreeg al bijna zelf de slappe lach – zoals wanneer je ergens supergoed verstopt zit, iemand wil doen schrikken en van de nervositeit zelf moet lachen. De deur van zijn bureau ging open en enkele seconden erna hoorde ik zijn bulderlach. Ik stoof de trap op. Toen ik boven kwam, was hij de cartoon net met een magneetje op zijn chauffage aan het hangen. De tranen stonden hem in de ogen. Hij keek me stralend aan en we gniffelden nog even samen verder.

Toen papa in hetzelfde jaar stierf, plukte ik de cartoon terug van zijn verwarming af. Met een wasspeld hing ik hem tegen mijn eigen slaapkamermuur. Hij kreukte er door de wind wanneer het raam open stond. Hij vergeelde er door de zon die er in de namiddag pal op scheen. Maar wat hij vooral deed was troosten wanneer ik ‘aan papa denken’ enkel nog kon associëren met verdriet. Hij herinnerde mij eraan dat papa en ik, dat wij vooral lachen waren geweest. Zeker de laatste twee jaren.
Ik was oud genoeg geworden om iets terug te kunnen kaatsen op zijn spitsvondigheden. Hij vond het altijd fantastisch als ik dat deed – dat kon ik zien aan zijn reactie. Zijn gezicht toonde eerst verbazing – alsof hij telkens weer vergeten was dat ik nu ook grappig kon zijn. En daarna brak het open en weerklonk zijn luide bulderlach. Hij was blij dat ik blijkbaar humor in me had zitten.

Het deed hem plezier dat zijn dochter hem aan het lachen kon maken. Hij probeerde het uit te lokken, mijn terug-kaatsen, mijn mopjes. Meestal ging ik erop in. Maar soms – wanneer er zich in mijn puberwereld weer één of ander drama voltrok – dan toonde ik enkel een flauw lachje en zei verder niets terug. Hij vroeg wat er was en ik zei van niks.
Hij vroeg me om mijn pruillip te trekken – zoals ik dat als klein meisje deed wanneer ik iets gedaan wou krijgen. Ik weigerde want ik was natuurlijk groot en boos en ik zou zeker en vast geen pruillip trekken. Maar hij trok zo lang een pruillip en pinkelde met zijn ogen – zoals ik vroeger deed – tot ik half moest lachen en alsnog mijn beste pruillip trok.
Dan kneep hij in mijn been of in mijn arm, zo’n varkensbeet die pijn doet en kriebelt tegelijk. Dan zei hij van: “Saartje, geef mij eens een kus” en dat deed ik. Ik haakte mijn arm in de zijne en we wandelden samen verder. “Zo, nu denkt iedereen dat ik wel een héél jonge vrouw heb”, grapte hij. En ik verzekerde hem dat iedereen zag dat hij mijn papa was en dat ik daar blij om was. “Mijne papa,” zei ik, terwijl ik op zijn hand klopte. Hij snapte het mopje – ik verwees immers naar een toneelstuk dat hij ooit speelde. Hij gniffelde en we wandelden verder. Meestal werd het dan weer stil want een babbelaar was hij niet.

Vandaag zag ik deze cartoon:

img_5364

Ik knipte hem uit. Ik trok boven mijn grote papa-doos uit de kast. Toen ik het deksel eraf deed, rook ik zijn scheerzeep. De doos ruikt na al die jaren helemaal naar papa sinds ik de resterende zeepjes erin legde. Ik legde mijn cartoon bovenop de andere cartoon, ik gniffelde. Met mijn ogen dicht kon ik hem bijna horen bulderlachen.

Advertenties

Dingen die ik onlangs googelde III

De tijd vliegt hier weer voorbij. Het duurde tot ergens halfweg januari vooraleer we met iedereen nieuwjaar hadden gevierd, we gingen elke dag gezwind arbeiden, ons kind eiste onze aandacht op en daartussen probeerden we ruimte te maken voor beweging, gezond eten, ontspanning, vrienden, lezen en elkaar. Had ik mijn goede vriend Google niet, ik wist ook niet hoe ik het allemaal rond kreeg.

1. Goede series Netflix

Sinds begin februari hebben we een abonnement op Netflix. De jongeling van Proximus liet me via de telefoon weten dat het slechts 10 euro per maand zou kosten. Aangezien Wout en ik quasi alles op de televisie prut vinden (met uitzondering van De Mol), leek het me geen slecht idee om die Netflix eens een kans te geven. Ik weet het, we zijn zo’n twee jaar te laat om nog mee te doen met de hype maar vroeger was er precies minder prut op tv. Ofwel ligt onze lat wat hoger sinds onze vrije tijd gevoelig is ingekort – het zou dat ook kunnen zijn.
Enfin, die jongeling van Proximus zei dus dat het niet veel kostte en sindsdien zijn wij ook mensen die op verzoek keiveel series kunnen kijken. Tot nu hebben we al veel naar Planet Earth gekeken omdat ons kind daar mega-fan van blijkt te zijn. Hij ziet dus liever echte Nijntjes dan de witte versie met oranje kleedjes aan en het schijnt hem niet te storen dat die in zijn lievelingsprogramma doorgaans in stukken worden getrokken door een cheeta of een jachtluipaard. Verder kijkt mijn lief naar Narcos terwijl ik boeken lees. Het was iets te veel van vermoorden en verkrachten om mij echt te kunnen bekoren, maar mijn lief heeft een minder teer zieltje en hij vindt het goed. Er zijn er zo nog, want online krijgt Narcos veel sterren. Samen kijken we nog naar The Crown – een serie over het leven van Queen Elizabeth II – en dat vinden we allebei goed.
Ik googelde dus al naar lijstjes van goede series omdat er volgens mij heel wat opstaat wat ik goed zou kunnen vinden maar dat waren vaak standaardlijstjes waar ik niet meteen van dacht dat alle suggesties bij mij/ons zouden passen.

Netflixtips zijn dus welkom!

2. Openingsuren Speelfabriek

Enkele zaterdagen geleden kreeg ik plots een briljante inval. Ik bedacht me dat er tussen dat ene huis en dat andere huis op de Leuvensesteenweg een binnenspeeltuin verscholen lag en dat wij ons kind daar nog nooit mee naartoe hadden genomen. Ik vroeg snel aan mijn raadgever Google of het spellement open zou zijn en warempel, het was open vanaf 10.00. Toen ik dat googelde was het natuurlijk ver voor tien uur want Kasper had mogen kiezen wanneer we zouden opstaan. We hadden dus nog tijd om ons om te kleden (wij) en alle stoelen een andere plaats te geven in onze woonkamer (Kas) vooraleer we moesten vertrekken. Ik ben normaal niet het type vroege vogel of het type dat zijn badhanddoek alvast op de ligstoel gaat leggen nog voor het ontbijt, maar iets zei me dat het niet onverstandig was om de drukte wat te mijden. We vertrokken dus rond iets voor 10 naar de Fabriek der Spelen.

We hadden nog net parkeerplaats en nog geen drie minuten bevond ik mij al in een claustrofobische ruimte, afgesloten door netten en gevuld met duizenden ballenbadballen. Met veel overdreven vrolijk gedoe probeerde ik Kasper te overtuigen van het feit dat het megaleuk was om tussen een vijftiental andere peuters in het ballenbad te zitten. Ik negeerde daarbij de ballen die regelmatig rakelings langs mijn smoel vlogen, ik stak mijn duim op en probeerde boven het lawaai uit te komen: KOM MAAR KASJE, ECHT, HET IS HIER LEUK! KIJK MAAR NAAR MAMA!

Hij was niet overtuigd. Kasper vond het stukje net voor het echte speeltuig leuker, het rustige stukje mat omringd door slechts honderden ballenbadballen. Hij vond het meer dan plezant genoeg om op zijn sokken rond te lopen op de plastieken matten terwijl hij een bal vasthield die hij soms inruilde voor een andere bal. Wout toonde intussen hoe hij gezwind naar boven kon klimmen en probeerde daarbij evengoed aan Kas duidelijk te maken hoe plezierig het zou zijn om dan samen van de glijbaan te gaan. Maar Kasper dacht er opnieuw anders over. Hij was duidelijk nog wat bang van de glijbaan, trok een lip en zette het net niet op een bleiten toen we hem op de glijbaan zetten. Alleen, op onze schoot, pas starten in de helft van de glijbaan, het mocht allemaal niet baten. Ik pakte hem van Wout over en zette hem weer gewoon op de grond. Eenmaal beneden, haalde hij opgelucht adem en ging hij weer vrolijk verder met rond te lopen met een bal in zijn pollen.

Wout was enigszins teleurgesteld door het gebrek aan avontuur bij zijn zoon, maar uiteindelijk aanvaardde hij dat klimmen en rollen en schuiven nog wel zou komen. We hebben dan maar een uur toegekeken hoe Kasper extreem uitgelaten van links naar rechts ijsbeerde met een bal of twee drie in zijn pollekes. Ieder zijn meug, zeg ik altijd maar.

 

3. Cake bakken ei te weinig

Toen ik zonet besloot dat ik de eitjes uit de koelkast zou opmaken door een overheerlijke cake te bakken, vond ik dat een uitstekend idee. Ik kapte de bloem en de tagatesse alvast in de kom, ik haalde de boter en de eitjes uit de frigo en ik was helemaal klaar voor de geur van verse appelcake. Bij het openen van het doosje bleek ik echter een ei te weinig te hebben. Er daagde me vaag iets over een ei dat ik in de week zacht wou koken maar dat ik te hard tegen de rand van de pot tikte en kapot deed nog voor het het water raakte. Te weinig eieren dus.

Ik vroeg raad aan vriend Google, maar dit keer liet hij me in de steek. Ik kreeg wel enkele suggesties (vervangen door bananen, bakmeel mengen met iets anders en dan zeven) maar niks wat echt leek te passen bij mijn cake. Gelukkig kon ik een beroep doen op één van mijn trouwe hulplijnen en nog voor ik ‘appelcake ei te weinig’ kon googelen stond Redcap Ronnie hier al met een ei. Hij redde zo mijn dag en meer nog mijn appelcake.

img_5227
Er zijn duidelijk te weinig eieren.

4. Bette Westera

Onlangs liep ik door de gang op school en spotte ik daar deze poster:

img_5041

Dit gedicht staat erop:

Altijd overal

Ik mis je achter op de fiets,
ik mis je in de trein.
Ik mis je bij de H&M
en bij de Albert Heijn

Ik mis je onder rekenen,
ik mis je onder lezen.
Ik mis je in de winter,
bij het voeren van de mezen.

Ik mis je als ik jarig ben
en als de oma’s komen.
Ik mis je als ik wakker lig,
ik mis je in mijn dromen.

Ik mis je zonder woorden,
elke dag en elke nacht.
Ik mis je als ik grapjes maak
en niemand om me lacht.

Ik mis jouw tandenborstel
naast de mijne in het glas.
Ik mis je voeten op de trap.
Ik mis je blauwe jas.

Ik mis jouw kleren in de kast,
je broeken en je truien.
Ik mis je geur, ik mis je stem,
ik mis je boze buien.

Ik mis je als je jarig was
en iedereen er is.
Ik mis je als ik eventjes
niet merk dat ik je mis.

Ik mis je als ik keelpijn heb,
ik mis je als ik val.
Ik mis je nergens echt het ergst
maar altijd overal.

uit het boek Dood-Gewoon van Bette Westera en Sylvia Weve.

 

Wat schoon, dacht ik, daar moet ik wat meer over te weten komen.
Ik had al gehoord van Bette Westera, maar ik kon haar niet heel precies meer plaatsen. Google vertelde me dat het een Nederlandse schrijfster is van prentenboeken (van daar ken ik haar dus), maar ze schrijft ook gedichten, voorleesboeken en boeken voor lagereschoolkinderen. Voor Doodgewoon – de dichtbundel waar dit gedicht uit komt – won ze in 2015 de Gouden Griffel. Het was voor het eerst in 20 jaar dat die weer eens naar een gedichtenbundel ging.
“Aha!”, dacht ik, “dringend eens wat lezen van Bette Westera”. Ik zag mijn taalcollega H. goedkeurend knikken: haar poster had zijn (leesbevorderend) werk gedaan.
Straf eigenlijk, hoe een kort overzicht van mijn recente Google-activiteiten altijd zo mooi lijkt weer te geven wat er speelt in mijn hoofd en in mijn leven. Het deed me meteen beseffen waarom iemand van de ICT-dienst me met een knipoog zei dat sommige mensen hun zoekgeschiedenis beter wat vaker zouden deleten.

3 antwoorden die mijn leven voorgoed veranderden

Het gebeurt regelmatig wel eens dat mijn lief en ik naast elkaar in de zetel zitten, allebei op onze gsm kijkend naar foto’s van ons kind. “Kijk wat hij hier doet – grappig he!”, zeg ik dan waarop hij mij een andere foto toont die we dan nog grappiger vinden.
Het gebeurt regelmatig wel eens dat ik mijn lief ongemerkt observeer en dat ik moet gniffelen omdat ik elk gezicht van hem herken en op voorhand vaak kan voorspellen hoe hij op iets zal reageren.
Het gebeurt wel eens dat ik dan verzeil in mijn eigen gedachten. Ik ben dan wel eens verwonderd, dat ik mij net aan déze mens heb vastgehaakt. Ik sta dan wel eens stil bij het feit dat het zo vaak heel kleine dingen geweest zijn die ervoor zorgden dat mijn leven die kant op ging en niet die andere kant. Sta me toe u enkele van die kleine levensbelangrijke antwoorden te presenteren.
1. “Alle dan”

Deze warme liefdevolle woorden gaf ik als antwoord aan mijn toen-nog-niet-lief toen hij me vroeg of ik hem eens wou komen opzoeken in Amerika.
We kenden elkaar al van enkele jaren voordien in Leuven, maar waren elkaar uit het oog verloren. Ik studeerde nog wat jaren, hij werkte zich intussen te pletter en vertrok als expat naar Baton Rouge. Toevallig raakten we weer aan de praat en na heel wat uren gebabbeld te hebben via Skype vroeg hij me of ik niet naar Baton Rouge wou afzakken. Hij zou me dan zijn terminal laten zien.
Vol verwachting vertrok ik begin september 2011 naar Baton Rouge, waar ik – enigszins teleurgesteld – vaststelde dat hij me effectief zijn terminal wilde laten zien. Hij had een rondleiding van 1,5 uur voorbereid langs allerhande machines waar plastieken korrels bewerkt werden tot iets anders van plastiek. (U hoort dat ik goed heb opgelet tijdens de rondleiding). Vervolgens heb ik mij 3 weken lang steendood verveeld op de parking van bovengenoemde terminal waar ik boeken las bij een temperatuur van zo’n 40 graden en een tropische luchtvochtigheid terwijl mijn lief zich dood werkte van 06.00 ’s morgens tot 22.00 des avonds. Het was een van de saaiste vakanties van mijn hele leven.
Maar er moet toch iets geweest zijn (liefde, vermoed ik) dat ervoor zorgde dat wij nog maandenlang met een oceaan tussen ons in verder ploeterden. En toen ik hem dan uiteindelijk vroeg of hij niet terug naar huis wou komen zodat we misschien dan eens echt een relatie konden hebben – zo eentje waarin we elkaar niet enkel via een beeldscherm zien dat regelmatig net tijdens vreselijke gezichtsuitdrukkingen blijft haperen – zei hij op zijn beurt: “Alle dan”.

295795_10150833776430241_1828461060_n
Ik en de mijne in New Orleans – september 2011

2. “Ik ga het toch maar niet doen”

Toen ik in 2012 eindelijk uitgestudeerd was, spendeerde ik mijn laatste zomervakantie als studente aan het uitzenden van zo’n 250 sollicitatiebrieven. Ik schreef elke school aan via e-mail en ik stuurde hen een sollicitatiebrief. Daarna moest ik wekenlang mijn kas opvreten want ik kreeg werkelijk nul respons – noch negatieve noch positieve.
Tot ik ergens eind augustus twee telefoons kreeg op één dag. De eerste was van de XIOS Hogeschool in Hasselt. Ze zochten een vervanger voor een halftijdse opdracht in de lerarenopleiding Secundair Onderwijs. Ik zei meteen ja.
Enkele uren later volgde de tweede telefoon. Het was de directrice van een middelbare school in Lier die dringend op zoek was naar een Germaniste die meteen kon beginnen. Meer vereisten had ze niet en ik voldeed aan alle twee. Dus ik stapte op de trein naar Lier voor een sollicitatiegesprek. Ik gaf aan dat ik al had toegezegd voor een andere halftijdse opdracht in Hasselt. Ze verzekerde me dat we een oplossing zouden uitwerken waardoor ik de twee halftijdse opdrachten kon combineren. Ik kreeg nog een rondleiding (waarbij ik werd voorgesteld aan minstens 35 mensen waarvan ik niet één iemand zijn naam onthield), kreeg wat handboeken in mijn pollen geduwd en ik vertrok weer naar huis om mijn eerste lessen voor te bereiden.
Ik was de schoolpoort nog niet uit of mijn maag begon zich al in een serieuze knoop te draaien. Hoe moest ik dat immers aanpakken? Ik woonde in Antwerpen, ik zou halftijds werken in Hasselt en halftijds in Lier en ik had nul auto’s om die afstanden te overbruggen en nul onderwijservaring om op terug te vallen – de niet realistische stage-ervaringen niet meegeteld. Het begon me al te dagen dat ik mijzelf mogelijks in een lastig parket had gebracht. Ik besefte dat ik zou moeten kiezen.
Lier lag op een 20 minuten sporen van Antwerpen terwijl het naar Hasselt bijna anderhalf uur treinen was. De school zag er aangenaam uit en ik kende al 35 mensen die ik allemaal zou aanspreken als ‘dingske’. De keuze leek me evident.
Maar ik koos voor Hasselt. De job leek me inhoudelijk meer aan te sluiten bij wat ik graag wilde doen om mijn brood te verdienen. De afstand, daar zou ik gewoon eventjes niet over nadenken. Ik nam mijn telefoon, belde naar de lieve directrice in Lier en zei: “Dag mevrouw, ik ga het toch maar niet doen.”

De goden beloonden me rijkelijk voor mijn keuze want nog geen twee dagen later kon ik voltijds aan de slag in Hasselt. En nu – meer dan 5 jaar later – werk ik er elke dag liever.

14681641_10153779056747172_1077916305177956629_n
Ik en mijn collega Ruth fungeren hier als levende reclame voor onze PXL Hogeschool.. 

3. “Ok. En we zien dan wel hoe het gaat.”

Het moet ergens begin 2015 geweest zijn dat Wout en ik voor het eerst echt spraken over samen kinderen hebben. In de jaren ervoor hadden we dat al vaak gedaan natuurlijk, maar altijd abstract: “Als wij kinderen zouden hebben, dan … ” of “Als wij later dan kinderen hebben, dan gaan die zeker nooit …” (Wisten wij veel).
Maar begin 2015 werd het plots echt. We waren intussen getrouwd, we waren lang genoeg samen om echt te weten wie de ander was en wilden desondanks nog altijd samen blijven, we hadden allebei een job, we waren er klaar voor. De gesprekken over kinderen werden concreter. We spraken over timing en wanneer wel en wanneer niet. Zoals altijd in mijn leven wilde ik voorbereid zijn en de touwtjes goed in handen houden. Controle is jarenlang mijn middle name geweest. “Ok”, zeiden we elkaar ergens in februari 2015 “en we zien dan wel hoe het gaat”.
Het was mijn beveiligingsmechanisme dat meteen zijn werk deed. Na het plotse overlijden van mijn papa had ik mezelf immers aangeleerd altijd van het slechtste uit te gaan. Zo was ik altijd voorbereid op verdriet en zou niemand me ooit nog zo ‘off guard’ kunnen pakken. “Ok,” zeiden we nietsvermoedend, ” en we zien dan wel hoe het gaat.” In mijn hoofd had ik me voorbereid op jarenlang vruchteloos proberen, op frustratie en verdriet, op jaloezie en op radeloosheid.
Enkele weken later bleek ik al zwanger te zijn van onze eerste koter die me – nog voor hij geboren werd – alvast de illusie van controle afleerde. Intussen zijn we al meer dan een jaar respectievelijk mama en papa van Kasper en het is een rol die ons steeds meer ligt. Dagelijks zeggen wij zo’n 10 keer liefdevol tegen elkaar dat het zo’n topkind is en dat we hem zo graag zien dat het pijn doet. Intussen leer ik – via Kas – steeds meer los te laten en “wel te zien hoe het gaat”. Tot nu toe gaat het zo goed dat ik regelmatig in mijn arm moet knijpen om te geloven dat ik zoveel geluk kan hebben.

img_4864
Vrolijk kind met bal. 

Nu ik stilsta bij de antwoorden die de grote veranderingen in mijn leven aankondigden, dan blijken dat allemaal heel erg kleine, weinig memorabele uitspraken te zijn. Ik sprak geen grote profetische woorden en elk van de drie antwoorden toont op z’n minst dat ik niet wist waar het me brengen zou. En zo was het ook.
Wist ik veel dat die relatie met die kerel uit Amerika vaak veeleisend zou zijn, en soms zelfs erg moeilijk maar zo vaak ook licht en allesvervullend. Wist ik veel dat wij uiteindelijk zouden trouwen en concreet zouden spreken over kinderen en dat we er samen eentje op de wereld zou zetten. Toevallig een kind dat uit onze genenpoel zo’n toffe combinatie heeft weten te maken dat wij er elke dag versteld van staan. Wist ik veel dat met het sluiten van die ene deur ik een veel grotere deur elders opzette. Een deur die ik elke dag met veel goesting opentrek om naar al mijn collega’s – die ik trouwens allemaal bij naam ken (en het zijn er veel meer dan 35) – ‘goeiemorgen’ te roepen.

Het zal met ouder worden te maken hebben- ik heb immers een steeds langer pad om op terug te kijken maar toen ik vandaag keek, zag ik dat aan kruispunten soms links ging en soms rechts. Ik zag dat ik op elk kruispunt de tijd nam om de andere wegen te bekijken. Ik zag dat ik telkens koos met mijn hart en dat ik dat bange hart soms de eerste kilometers moest slepen omdat het tegen me zei dat ik beter de andere weg had gekozen.
Nu ik hier ben en achterom kijk, besef ik dat ik net zo goed de andere wegen had kunnen kiezen. Misschien was ik net zo gelukkig geweest. Dat weet ik niet, daarvoor heet het kiezen. Maar wat ik wel weet, is dat het hier – waar ik nu zit – werkelijk aangenaam vertoeven is.

 

In de leefclub

Vorige week maandag kwam ik weer samen om het met mijn leesvriendinnen te hebben over een boek dat we allemaal gelezen hebben. Dit keer lazen we Het absurde idee je nooit meer te zienDe Spaanse schrijfster Rosa Montero belandt in een depressie na het overlijden van haar man. Toevallig krijgt ze in dezelfde periode het rouwdagboek dat Marie Curie schreef na het overlijden van haar man Pierre in handen. Deze vondst zet Montero aan tot het schrijven van haar eigen persoonlijke verslag van het verdriet om haar man. Toch gaat het boek zeker niet alleen over rouw. Het leven als vrouw toen en nu, een carrière als vrouw in de wetenschap, de kracht van literatuur, de relatie tussen mannen en vrouwen in het algemeen, het komt allemaal aan bod in dit boek.

9200000045904474
Bron: google

Vorige week zaten we dus weer met z’n allen rond de tafel. Bij de start van onze avond bleek al dat bijna iedereen het een goed boek vond. Ieder van ons had er wel iets in gevonden wat ons raakte tot diep in ons hart. We lazen elkaar korte stukjes voor, we haalden bepaalde fragmenten aan en we trokken de lijn door naar ons eigen leven.
Ik koos bijvoorbeeld voor dit stukje tekst:

“Laat me je vertellen over een van de mooiste momenten uit mijn leven. Als goede stoïcijnse en gereserveerde krijger vreesde Pablo dat mensen medelijden met hem zouden krijgen, en hij koos ervoor zich af te zonderen. Daardoor waren we in de tien maanden dat hij ziek was vrijwel altijd alleen. Tot Pablo in de laatste dagen buiten bewustzijn raakte. Op dat moment, toen de aanwezigheid van anderen hem niet meer kon deren, stroomden onze vrienden ons huis binnen als het water van een stuwmeer na instorting van de dam. Ze stroomden binnen, gedreven door de grote ongerustheid die ze hadden gevoeld omdat ze zo lang op afstand waren gehouden. En ze bezetten onze woning, bivakkeerden in onze huiskamer, sliepen op de banken, losten elkaar af, bereidden maaltijden, schudden met medicijnflesjes en gingen naar de markt en de apotheek. En dat deden ze allemaal om hem te verzorgen, om mij te verzorgen, om ons te omringen met hun genegenheid. En ze bleven in het huis en gingen pas weg nadat Pablo was overleden, een strijdvaardig leger van vrienden die het voor elkaar kregen dat de afschuwelijke dood ook iets onbeschrijflijk moois kreeg.” 

Toen ik klaar was met voorlezen, keek ik op en zag ik knikkende hoofden me aankijken. We zijn allemaal immers al geconfronteerd met rouw en ieder van ons herkende ook dat warme, dat zorgzame, dat volle huis en al die thermossen koffie die bij rouw horen.
Ja, zeiden we tegen elkaar, zo is het maar net. Wie wou vertelde over zijn persoonlijke ervaringen, maar net zo goed werd er vooral geluisterd. De gesprekken waren bij momenten erg intiem en vertrouwelijk, maar niemand leek het gek te vinden om zulke persoonlijke gedachten met elkaar te delen. Dat is op zich speciaal, want voor onze leesclub geboren werd kenden we elkaar amper. Kijk ons hier nu zitten, dacht ik. Het is bijna beter dan therapie. Toen ik weer thuis was voelde ik me opgeladen en geïnspireerd. Niet alleen door het boek, maar zeker en vast ook door de input van mijn leesvrienden.

Eén van hen vertelde nog al lachend dat haar zoon zich met de beste wil van de wereld niets kon voorstellen bij onze leesclub. “Maar mama”, zei hij net voor I. vertrok, “wat doén jullie daar in godsnaam?”. “Tja,” antwoordde I, “heel veel eigenlijk, maar het is moeilijk uit te leggen wat precies”. Net voor ze de auto instapte kreeg ze nog telefoon van een vriendin die haar niet goed begreep: “Waar ga jij naartoe? Naar de leefclub?!”
I. verbeterde haar al lachend: “Maar neen gij, naar de leesclub!” Daar begreep ze al niet veel meer van, maar goed.

Achteraf bekeken had haar vriendin misschien gelijk, bedacht ik me. Misschien hebben we wel eerder een leefclub dan een leesclub. Het is een plek waar we’t hebben over het leven, dat van personages maar even goed dat van ons. We vertrekken vanuit een boek, maar al gauw schuift het verhaal over ons eigen verhaal heen en wisselen we ideeën, visies en ervaringen uit. Daar samen zitten toont me iedere keer de kracht van literatuur. En het helende en verrijkende van praten met andere mensen.
Eens thuis vroeg mijn lief hoe het was. “Het was weer super in onze leefclub”, zei ik.
“In de leesclub?”, vroeg hij, met een half oog naar Extra Time kijkend.
“Neen, neen, in de leefclub”, zei ik terwijl ik mijn ogen over de planken van mijn boekenkast liet gaan – alweer op zoek naar ons volgende verhaal.

Processed with VSCO with t1 presetI
Ik als zeventienjarige tijdens één van de moeilijkste periodes in mijn leven – in een innige omhelzing met de aanvoerder van mijn strijdvaardig leger aan zorgzame vrienden.