Kas als grote broer: een ‘gewoon’ verhaal

Misschien is het des mensen, maar zeker Vlamingen hebben de speciale gave om in plaats van positieve dingen te zeggen vooral te willen waarschuwen aan de hand van allerhande gruwelverhalen. Niet dat er iets mis is met waarschuwen, maar als het gaat over zaken waar toch nog weinig aan te doen is (zoals daar zijnde zwanger zijn), dan zijn sommige verhalen gewoon zinloos om te vertellen.
Toen ik aankondigde zwanger te zijn van Kasper, haalde echter heel wat mensen die ik tegenkwam in die periode allemaal hun bloederigste bevallingsverhaal boven. Speciaal voor mij herinnerde iedereen zich toevallig die éne baby waar nog net geen duiveluitdrijving aan te pas moest komen om het kind te laten doorslapen. Bij elke groente die ik in mijn mond stak, was er wel iemand die me angstig vroeg of ik niet bang was dat ‘die van de keuken’ dat misschien niet hadden gewassen maar gewoon zo – VOL TOXOPLASMOSE – op mijn bord hadden gekwakt. Als je voor het eerst zwanger bent, dan kruipen die dingen toch in je hoofd. Hoe hard je ook probeert van dat te negeren. Bij mij was dat althans zo.

Toen ik zwanger werd van Elias was ik dan ook opgelucht dat ik me die dingen dit keer minder hoefde aan te trekken. Het was immers goedgekomen met Kasper en ik had al wat meer vertrouwen in wat ik deed, ik wist al beter wat kon en wat niet kon. Dit keer gingen ze me dus niet meer de stuipen op het lijf jagen met allerhande negatiefs, verpakt als goedbedoelde waarschuwingen. Boy, was I wrong! Want ook bij kind twéé kan er natuurlijk heel wat mis gaan. En vooral – zo werd er mij verteld – kind één zou per direct veranderen in een bloeddorstig monster dat zijn babybroer zou proberen te versmachten van zodra ik even mijn rug zou keren. Het was dus zeker en vast een domme beslissing van zo snel al een tweede kind te maken want het ik het had mezelf nodeloos moeilijk gemaakt en beter wat gewacht. En nog proficiat he!
Al die verhalen – hoe goed bedoeld ook – zorgen er vaak voor dat moeders (of ik althans) zich kapot piekeren op voorhand over situaties die ze niet kunnen voorspellen. Bovendien zijn ze vaak waardeloos in die zin dat elk verhaal anders is, net zoals elk kind anders is en dus anders zal reageren. Tel daar nog bij op dat het vooral de erge verhalen zijn die verteld worden – want een kind waar het gewoon ‘goed’ mee gaat en die zich dus ‘gewoon’ als een baby’tje gedraagt met bleiten en weinig slapen en alles wat daarbij hoort – daar ben je nu eenmaal sneller over uitverteld.
Pas op, ik ben echt voorstander van eerlijke verslaggeving wat kinderen betreft. Als ik sommige moeders in mijn omgeving mag geloven dan is het altijd rainbows, lollipops and sunshine. Die moeders maken kinderen die altijd prima slapen overal waar je ze neerlegt, die altijd flink en met veel smaak hun vers gestoomde groenten opeten en die niet naar Bumba willen kijken maar liever naar verantwoorde programma’s zoals Ter Zake of De Afspraak. Ook dat zou ik me vroeger aantrekken – dat doet mijn kind immers allemaal niet – maar ook daar weet ik intussen beter. Maar om terug naar mijn verhaal te keren: ook bij Elias kreeg ik heel wat goedbedoelde verhalen te horen die mij vaak enkel stress opleverden. Waar er bij kind één gefocust wordt op de zwangerschap en wat er allemaal verkeerd kan gaan, wordt er bij kind twee vooral verteld hoe zwaar het zal zijn en hoe stout en jaloers kind één zich zal gedragen.

Intussen zijn we bijna twee maanden verder en kan ik dus enigszins een balans opmaken over mijn situatie. Dat is dus heel persoonlijk en ik wil géénzins waarschuwen/opscheppen/uitpakken.
Wat ‘zwaar zijn’ betreft: soms is het zwaar. Op momenten dat ik net een uur heb staan klooien in de keuken om tegelijk vers te koken, de keuken al wat op te ruimen en mijn oudste geëntertaind te houden is het best klote als de tweede liever niet heeft dat ik ga zitten op het moment dat ik het eten op tafel zet. Wanneer de jongste net zijn ogen sluit en de oudste vindt het dan net tijd om op zijn trommel te mokeren, dan zucht ik wel eens. Als ik Kasper voor de tv parkeer zodat ik de was kan ophangen maar dan hoor dat Elias het even moeilijk krijgt, dan vind ik dat stom voor mezelf dat ik mijn dingen niet kan afwerken. En meestal is er geen tijd in de dag en geen plaats in mijn hoofd om veel met mezelf bezig te zijn. Dus ja, soms is het heavy. Het goede nieuws is: dat is meestal op voorspelbare momenten. Als ik me daar dus mentaal wat op voorbereid, dan merk ik dat ik veel rustiger kan blijven wanneer iedereen jonger dan 2 het lastig heeft in mijn huis. Die rust straalt dan op hen af en doorgaans krijg ik de boel sneller weer op de rails als ik zelf kalm blijf.

Wat de houding van kind één betreft: ook dat is helemaal goedgekomen. Kasper was nog wat te klein om hem echt ‘voor te bereiden’ op de komst van zijn broer, maar ik heb toch met hem wat boekjes gelezen. Niet van die boekjes waarin het kind moet leren dat hij nu wat moet leren wachten, maar wel boekjes waarin alle diertjes kindjes hebben en waarin dat allemaal doodnormaal is. Ik heb ook niet te veel willen lezen en voorbereiden omdat ik dat niet nodig vond. Ik had geen zin om hem op te dringen dat hij nu ‘de grote broer’ werd, want voor mij is dat niet zijn belangrijkste rol. Kasper moet vooral maar zichzelf zijn en als hij het fijn vindt om grote broer te spelen dan is dat mooi meegenomen.
We vonden het belangrijk om het leven voor hem zo goed mogelijk gewoon te laten verder gaan toen zijn broer erbij kwam – want het is hoe dan ook een grote aanpassing. Wout is dus niet in het ziekenhuis gebleven zodat Kas in zijn eigen bedje kon slapen en tenminste één van zijn ouders gewoon thuis had. Ik las overal dat het belangrijk was om hem bij de verzorging te betrekken en dat probeer ik te doen.

’t Is te zeggen, ik nodig hem ertoe uit en als hij wil dan is dat tof en als hij niet wil dan is dat ook tof. Hij kreeg een pop en een buggy – het voordeel van oudere nichtjes te hebben – en soms krijgt die pop een fles en soms wordt die pop hardhandig uit de buggy gezwierd of bedolven onder 40 bavetten. Maar doorgaans krijgt ze eten, een propere pamper en wordt ze tig keer aan en uitgekleed.

Kasper z’n leven is dus voornamelijk gewoon verder gegaan, maar nu met een broer erbij. Ik heb hem zijn broer niet in zijn kleine armpjes geduwd vanop het moment dat die geboren werd. Als hij erom gevraagd had, dan had hij zeker gemogen – maar hij deed het niet en dat was ook prima. Afgelopen week – en dus pas na zés weken – deed hij het opeens wél: “baba pak?” vroeg hij – en zo geschiedde.

Hij heeft dat supergoed gedaan, hij was heel fier dat het mocht en na 45 seconden wou hij liever gewoon weer zijn velcro-groenten in stukken snijden in zijn keuken. Voor hem hoort Elias bij ons en er zijn dagen dat hij daar geen ene zier om geeft en er zijn dagen dat hij dat leuk schijnt te vinden. Ik kan niet in zijn hoofd kijken maar ik merk wel dat hij zelf ook aan zijn broer denkt. Als we ergens aankomen zegt ie steevast: “baba aijol” (de baby heet Elias). Of hij dat nu doet omdat hij het wil, of omdat hij denkt dat het moet of omdat zoveel mensen het hem al vroegen – wie zal het zeggen? Ik heb hem in ieder geval verteld dat ik het heel lief vind, maar dat hij net zo goed iets anders mag zeggen. Maar als hij wil vertellen over baby Aijol, dan moet ie dat zeker en vast doen. Voor hem hoort Elias gewoon bij ons gezin en krijgt die dus – net als wij – een keinatte zoen als hij gaat slapen. Alle horrorverhalen van stikjaloerse peuters waren hier dus overbodig. En zoals ik al zei: zelfs als hij wel heel erg jaloers zou zijn of het nog zou worden, dan heb ik niets gehad aan die verhalen op voorhand want zelden zijn ze constructief – veel vaker waarschuwend of belerend.

Wat ik dus zeggen wou met deze hele lange blogpost.
1: zwangere vrouwen hebben niks aan gruwelijke bevallingsverhalen. Ik vertel mijn verhalen enkel als er expliciet naar gevraagd wordt én ik benadruk dan dat elk verhaal anders is en dat het soms ook gewoon ‘gewoon’ meevalt. De ene bevalling is de andere niet, net zoals de ene vrouw de andere niet is en iedereen dat dus heel persoonlijk ervaart.
2: moeders hebben niks aan waarschuwende ‘uw kinderen gaan elkaar vanaf dag één  willen vermoorden’ legendes. Want opnieuw: elk kind is anders en elke moeder en elk gezin en dus elk verhaal. Wacht gewoon even af en kijk hoe het gaat.
3: in ons geval valt het allemaal best mee: de drukte en de moordlust. Dat maakt mij niet de uitzondering, maar de regel denk ik. En wat ik eigenlijk wil zeggen is dat vooral de uitzonderingen verteld worden: de sprookjes (waar ik altijd toch mijn bedenkingen bij heb) en de Nightmares on Elm Street. Met deze blogpost wil ik dus graag een ‘gewoon’ verhaal zijn. Eentje met moeilijke hoofdstukken maar net zo goed met fijne momenten.

Als dit gewone verhaal ervoor zorgt dat er ergens één moeder stopt met googlen, met zorgen maken, met rampscenario’s bedenken en alvast oplossingen verzinnen – als dit gewone verhaal ervoor zorgt dat er ergens één moeder het durft om gewoon af te wachten en het durft om te geloven dat ze het kan – ongeacht wat ‘het’ is – dan is het al deze 1571 woorden waard geweest.

Links: Kasper kust Elias en duwt daarbij de wipper zo hard naar beneden dat Elias er telkens vermoedelijk een hersenfractuur aan overhoudt wanneer hij los laat.
Rechts: Kasper probeer Elias het hoofd in te slaan met zijn puzzel (neen, da’s niet waar – hij wou hem gewoon tonen maar ja dat is saaier om te vertellen, toch?)

Advertenties

Life according to Kas

Mijn oudste zoon is ondertussen 20 maanden oud en wat mij betreft is het zijn beste leeftijd tot nu toe. Zijn bebber staat geen twee seconden stil, hij is pienter en hij heeft alles gezien. Bij momenten is dat behoorlijk vermoeiend – bijvoorbeeld wanneer hij in de auto in de mot heeft dat ik NIET van plan ben om langs het paard te rijden en hij rel schopt tot ik het wel doe. Maar door de band genomen is het heel fijn om mee te gaan in zijn wereld.
Ik sta er vaak zo van te kijken hoe die kleine protzak ervoor zorgt dat ik zoveel meer rond mij kijk en zoveel kleine dingen opmerk waar ik anders gewoon aan voorbij zou gaan. Ik wil niet zweverig doen, maar het is toch een heel schoon voordeel aan kinderen hebben: je mag alles om je heen opnieuw mee ‘voor het eerst’ zien. Elke dag zijn er zo wel nieuwe dingen die we samen ontdekken. Hier een greep uit het aanbod van de laatste dagen:

Kaarsen aansteken in de kerk

Een week of twee geleden wandelde ik op zondagmorgen met Kasper naar de bakker. Op onze weg naar daar passeren we de kerk en ik zag dat de deuren open stonden want over een kwartier zou de mis beginnen. Dat werd nog eens extra onderstreept door de kerkklokken. Wij wonen kort bij de kerk dus Kasper kent dat geluid heel goed. Zijn vingertje ging de lucht in – MAMA, KLOK (mijn kind roept als hij enthousiast is) en nogal impulsief ging ik met hem de kerk binnen. Het was daar stil, op de klassieke muziek na. Enkele kerkgangers zaten al klaar op de kerkstoelen. Kas kreeg van mij twee centjes die hij in het bakje mocht gooien: één voor een kaars voor hem en eentje voor zijn broer. Al fluisterend vertelde ik hem dat we in de kerk waren, dat je daar best stil bent omdat dat eerbiedig is en dat het fijn is als je een kaarsje voor iemand aansteekt want dat betekent dat je aan hem denkt. Kas stak flink de kaarsjes aan, liet zich gewillig terug in zijn buggy gespen, fluisterde de hele tijd erg flink van ‘ja’ en ‘nee’ als ik hem iets vroeg. Op weg naar buiten nam zijn enthousiasme het over en riep hij nog even DADA KLOK. Héérlijk! Sindsdien glippen we elke week voor de mis even binnen en dan mag Kas twee kaarsjes aansteken. Deze week was het voor Elias (die koos ik) en voor de poes (die koos hij).

IMG_1564

Zelf met de kar rijden in de winkel

Veel uitleg behoeft het niet want met de kar rijden dat is gewoon met de kar rijden. Ik ben overigens een heel slechte karrijder. Er draait altijd wel een wiel de verkeerde kant uit, ik gooi alles gewoon in mijn kar waardoor ze aan de kassa in de Colruyt hun ergernis amper kunnen verbergen en laatst reed ik tegen de hielen van een trage bomma (dat was echt per ongeluk). Maar Kas, die is geboren om met de kar te rijden. Sinds kort mag hij het helemaal alleen en hij glundert zo hard dat ze de winkelverlichting net zo goed kunnen uitdoen. Hij draaft de winkel door met zijn kar (hij stapt tegenwoordig niet meer, hij loopt), hij legt alles wat ik aanwijs in de kar en dan stopt hij 5 stappen verder om het eruit te halen en het er nog eens in te leggen, maar dan beter. Hij zet na het winkelen flink zijn kar terug bij de andere karren, aait de levensgrote plastieken leeuw die aan de inkom staat en roept DADA KAR.

Processed with VSCO with c1 preset

Alles wat te maken heeft met wawa

Kasper vindt wawa (water gelijk wij hier in Limburg zeggen) één van de beste dingen op aarde. Het is tof om wawa te drinken, maar veel toffer is het nog om wawa uit te gieten, rond te gooien en om te kappen. Wawa biedt tal van mogelijkheden. Je kan naar wawa kijken, je kan wawa voelen, je kan wawa proeven, je kan in wawa gaan liggen en je kan in wawa gaan staan. En het allerbeste: wawa is OVERAL. Hoeveel wawa er precies is, dat weet ik pas echt sinds Kasper er is. Wawa op de grond, in de goot, op de auto’s, in emmers, in rivieren, op kleren, op karren, in haren, in bekers, in glazen, in flessen, op struiken en takken, … Zei ik al dat wawa overal is? Alle spectaculaire dingen met water onthoudt hij trouwens heel precies. Eén keer ben ik met hem de auto gaan wassen en sindsdien zegt hij al van een kilometer op voorhand ‘wawa op auto’ als we bijna aan de carwash passeren.
Hij weet de verschillende manieren waarop je naar de rivieren en beken in onze buurt kan stappen en hij heeft het meteen in de gaten als ik met opzet een andere route pak zodat ik niet 40 minuten op een brug in de verte sta te kijken tot mijn kind klaar is met naar wawa te kijken. Uiteindelijk eindigt het meestal zo dat ik hem in de buggy zet en hij mij in onverstaanbare gewauwel uitscheldt voor rotte vis. DADA WAWA roept hij dan wat mistroostig nog net voor we de bocht om gaan.

 

 

Dieren en voertuigen

Overal waar we komen, heeft Kas – naast natuurlijk al het wawa – meteen gezien waar er dieren staan. Hetzelfde geldt voor tractors, vrachtwagen, auto’s, brommers, fietsen, … you name it. Hij wijst aan wat hij ziet en roept het nog even, gewoon voor de zekerheid: VAAP! (schaap) – PAAD! (paard) – TITUI (vliegtuig) – AUTO! – SLAK!
Plaatsen zijn voor hem verbonden aan de dieren en de voertuigen die ze daar in de aanbieding hebben. Als we gaan wandelen in het bos, dan roept ie VAAP omdat hij er daar ooit een zag. Al weken moet ik naar een lege wei wandelen met hem omdat daar de koe stond, maar het beest is intussen spoorloos verdwenen. De poort van de wei staat open – geen idee waar de koe naartoe is. Elke keer als we in de buurt zijn moeten we naar daar gaan zodat hij kan kijken of ze al terug is. “Koe’s weg” zegt hij en hij toont mij zijn lege handen. “Ja, schat, ik zie het.”
Net voor ik de buggy terug richting huis draai roept ie van “PAK” (kip gelijk ze hier in Limburg zeggen). Hij had blijkbaar onthouden dat in de tuin van een huis wat verderop kippen zitten. En dus worden de kippen toegevoegd als een nieuwe stop van onze wandeling. Daar sta ik dan, tegen de draad van mensen hun achtertuin naar de kippen te wijzen. Het duurt vast nog maar enkele dagen vooraleer de politie mij komt vragen naar mijn intenties. DADA PAK! DADA NIJN!, roept hij wanneer ik hem toch eindelijk kan overhalen om huiswaarts te keren.

IMG_1782

Door te gaan wandelen, kon ik sowieso mijn hoofd al leegmaken. Maar met Kas gaan wandelen is bevrijdend en verrijkend tegelijk. Ik zie meer en ik ben zoveel minder met mezelf bezig, met wat er speelt in mijn leven en met wat er omgaat in mijn hoofd. Hij wil voortdurend dat ik meekijk en even verbaasd ben over alles wat er nu weer ons pad kruist. Ik kan me wel eens opnaaien in het extreem trage tempo van onze wandelingen (soms ben ik meer dan een uur weg en dan heb ik nog geen halve kilometer gedaan), maar als het me lukt om dat los te laten dan is het héérlijk om samen met hem het leven te ontdekken.

Gisteren gingen we met ons vieren wandelen in het bos. Elias in de draagzak tegen mij aan, Kas met zijn groene botten. We wilden hem oppakken op de moeilijke stukken want het was soms wel klimmen en de ondergrond was niet altijd even ideaal. Maar hij wou niet. “Nee, zellef”, zei ie.
En zo stapte hij 3 km met ons het bos door op zijn groene botten. Hij zwaaide naar het titui (vliegtuig), het vaap (schaap), de boo (boom), het paad (paard), de maais (maïs) en de popoen (pompoem). En zo begrijp ik eindelijk helemaal waar Paul Van Ostaijen het over had.

Marc groet ’s morgens de dingen

Dag ventje met de fiets op de vaas met de bloem
ploem ploem
dag stoel naast de tafel
dag brood op de tafel
dag visserke-vis met de pijp
en
dag visserke-vis met de pet
pet en pijp
van het visserke-vis
goeiendag

Daa-ag vis
dag lieve vis
dag klein visselijn mijn

Ademen.

Het enige wat ik echt consequent deed in de eerste 6 maanden van Kasper zijn leven was permanent mijn adem inhouden. Als hij sliep, hield ik mijn adem in voor de uren die kwamen waarin hij niet zou slapen. Als hij niet huilde, hield ik mijn adem in voor de uren waarin hij het wel zou doen. Tijdens het weekend hield ik mijn adem in, voor de dagen die kwamen waarin ik alleen voor hem zou moeten zorgen. Als ik eens rustig kon eten omdat hij toevallig sliep, hield ik alvast mijn adem in voor de volgende maaltijd waarin ik dat niet zou kunnen doen.

Ik was bang. En ik geloofde niet in mezelf. Ik heb dat toen nooit zo letterlijk kunnen benoemen, maar als ik er nu op terug kijk dan was het dat. Te weinig zelfvertrouwen. Te vaak mezelf het gevoel aangepraat dat het waarschijnlijk niet goed was want ik deed het niet zoals die of die. Te veel mezelf de put in gepraat in de uren dat ik alleen thuis was met een kleine baby (en dat waren er veel). Het duurde een hele tijd voor ik terug graag alleen was met mezelf. Niet onlogisch als je weet dat ik het was die mijzelf zo vaak géén schouderklopje gaf wanneer ik het wel had moeten doen. Bovendien ben je die eerste maanden met een kleine baby altijd wel een beetje geïsoleerd, hoe vaak je ook buiten gaat. Die nieuwe gedachten en gevoelens in je hoofd, daar moet je op zekere hoogte zelf mee in het reine komen. Ik heb dat toen verkeerd aangepakt. Ik ben te weinig mijn eigen vriend geweest.
Dat wilde ik dit keer anders doen. Ik nam mezelf voor dat ik de tweede keer meer mijn eigen maatje zou zijn. Dat ik tegen mezelf zou praten zoals ik dat doe tegen mijn vrienden. En als ik nu vrienden met een kleine baby zou hebben, dan zou ik zeggen tegen moeder de vrouw: doe elke dag iets wat jij graag wil doen – en douchen telt niet.

Wat mij altijd helpt als er even wat te veel in mijn hoofd zit, is buiten zijn en bewegen. En dus trok ik er de voorbije dagen elke avond op uit met kind 1. Op die manier kon Wout wat exclusieve aandacht geven aan kind 2 én tegelijkertijd naar het nieuws kijken (lees: op zijn Iphone hln.be lezen en met zijn smoel open in slaap vallen). Zo rond de klok van zeven bollen Kas en ik rustig onze straat uit. Hij roept dan wat hij allemaal wil zien: KOE! PAA! PAKKA! (dat zijn kippen, nvdr.) en vooral BOENG (dat is een luchtballon, nvdr.).

We doen meestal dezelfde tour: eerst langs het paard, dan langs de kippen, dan langs de boerderij met de tractor, dan langs de appelbomen, dan langs opa en dan nog langs de uil. Net zoals in die eerste maanden bij Kasper vind ik die herhaling niet vervelend. Ze brengt rust. Ik hoef niet na te denken over de route, ik fiets en fiets en trap vervelende gedachten zo mijn hoofd uit.
Het helpt dat er iemand achterop zit die bij elke hobbel in de weg van ‘Mama toch’ zegt. Iemand die me elke vogel aanwijst. Iemand die héél ginds in de verte een luchtballon ziet. Iemand die bijna omvalt van vreugde als ik een stukje kinderchocolade uit mijn handtas tover. Iemand die daarna van het flesje water drinkt alsof hij al jaren niks meer gedronken heeft. Iemand die vol verwondering kijkt naar alles wat voor mij zo gewoon lijkt. Iemand die mij op die manier beter leert kijken en opnieuw leert zien.

We stoppen om naar de ballon te kijken en ik vertel hem wat ik weet over maïs. Dat het geel is. Dat je er popcorn van kan maken. Dat juffrouw Sabine in de kleuterklas het deksel te vroeg van de pan haalde en dat de popcorn in het rond knalde.
We stoppen aan de Helmen en ik pak hem van de fiets. Hij loopt door het hoge gras. Hij roept “DADA KOE”. Hij smikkelt zijn koekje op. Hij wil een handje om de trapjes op te gaan. Hij roept van MAMA MAMA! als er een vliegtuig over vliegt. Hij wil tegen me aan plakken omdat hij bang is. Heerlijk. Processed with VSCO with c1 preset

We fietsen verder naar opa. Hij scharrelt er wat rond. Hij geeft de bloemen water. Eerst bij papa, daarna bij mijn grootouders. En daarna bij alle andere graven waar de bloemetjes uitgedroogd zijn. Ik vertel over opa. Dat hij van muziek hield. En dat hij het zeker en vast fijn vindt dat Kasper alle bloemetjes zo flink water geeft. “Wawa!”, zegt Kas. “Ja lief, wawa”. Ik zit op de bank naar hem te kijken. Ik merk dat mijn hoofd ongeveer leeg is. Ik kan gewoon in de verte staren. Ik ben mezelf geen werkpunten aan het opleggen. Dat zal straks vast wel weer anders zijn, maar nu dus niet. Als ik hem weer in zijn stoeltje vastklik en we naar beneden bollen, roept hij nog “dada wawa!”. Ik zwaai ook.

We zijn bijna thuis nu. Daar wacht de avondrush op mij. Kind 1 wassen en in bed flikkeren. Zelf gauw douchen. Flesjes wassen en steriliseren. Speelgoed opruimen. Kleren klaar leggen. Kind 2 troosten als krampjes het hem lastig maken. Flesjes geven. Kindje rechtop houden. Anders dan bij Kasper ben ik minder bang. Ik kan het. Niet altijd even goed en niet altijd even gemakkelijk, maar ik voel me wel zekerder.

En op momenten dat ik denk dat ik het niét kan (en die zijn er werkelijk dagelijks), dan probeer ik mijn eigen beste vriend te zijn. En die fluistert dan: ademen.

Processed with VSCO with c1 preset

Elias.

Nog niet zo heel lang geleden – zo’n 6 dagen ongeveer – had ik voor de tweede keer het gevoel dat ‘zwanger zijn’ bij mij iets oneindigs is. Alle andere vrouwen kappen ermee na een negental maanden, maar ik niet. Ik doe gewoon voort. Anders dan de eerste keer, kon het me dit keer niet zoveel raken. Kasper was er uiteindelijk ook gekomen dus kind twee zou dat ook wel doen. De ‘extra dagen’ die ik kreeg, heb ik dit keer niet gevuld met wachten. Toen ik eenmaal de 40 weken bereikt had, ging Wout z’n verlof in en was er tijd om met ons drietjes nog wat quality-time te hebben.
We wandelden door Leuven, we gingen elke dag ergens naartoe waar Kas op zijn driewieler kon rond hossen, we zijn gaan foren op de kermis, het kind mocht zich uitleven op zandheuvels met tractoren allerhande en we aten koekjes in hutten die iemand anders zelf gemaakt had.

Het waren schone dagen en ik vond alles heel bijzonder. Want alles was waarschijnlijk de laatste keer met ons drietjes. Ik ben verschillende keren een laatste glacéeke bij Stuckens gaan eten. Ik heb Kasper drie laatste rondes laten draaien op de vliegerkes. Als hij zijn bord ’s avonds op de grond keilde omdat hij genoeg had, dan raapte ik liefdevol alles op en prevelde ik ‘dat dat de laatste keer was dat hij dat deed met ons driekes’. (Flash forward: hij doet het ook met ons vierkes).

Ik voelde heel wat tegelijk. Er was onrust (zou ik het wel kunnen, zo twee kinderen? – die bevalling, hoeveel pijn gaat die doen? Gaat alles goed gaan? – Hoe zal het Kasper afgaan om een broer te hebben? Gaat hij me niet te hard missen als ik er niet ben?). Er was geluk (want ik hoef maar te kijken naar zijn smoeleke en ik word gelukkig). Er was trots (op hem, want elke dag doet hij nieuwe dingen en hij is lief voor de wereld en flink en schoon en puur en en en – maar ook op mezelf, want ik had de laatste weken alleen voor hem gezorgd en hem (hopelijk) veel leuke dagen gegeven). Er was veel onzekerheid (Gaan we elkaar niet kwijtspelen in de drukte? Ga ik mijn hoofd niet te vol steken met vragen waar ik het antwoord niet op weet?). Die ‘extra dagen’ waren extra dagen vol leuks en tegelijk extra dagen om extra vragen te bedenken. Iets waar deze piekeraar toevallig uitzonderlijk goed in is.

En toen plots besloot kind 2 om in een rotvaart op de wereld te komen en zette hij daarmee even alles stil. Op minder dan 2,5 uur maakte Elias zich een weg naar de echte wereld. Ik had geen tijd meer om vragen te stellen of mogelijke antwoorden en andere scenario’s te bedenken. Het was tijd, zei ie, en gelijk had hij.

10 augustus is bijna 29 jaar lang voor mij een dag geweest zoals elke andere, maar Elias maakte er een mijlpaal van.

Ik maakte me op voorhand zoveel zorgen. Zou ik hem even graag kunnen zien als Kasper? Ik kon me niet inbeelden dat ik NOG iemand zo zo graag zou kunnen zien. Zou er nog wel plaats genoeg zijn in mijn moederhart? Dat grote moederhart van mij werd immers al helemaal ingepalmd door mijn eerstgeborene.
Ik had me helemaal geen zorgen moeten maken. Op het moment dat Elias geboren werd, groeide er in mijn lijf een heel nieuw, groot moederhart. En dat is helemaal voor hem.

En zo leerde elk van mijn jongens mij al iets op de eerste dag dat ze geboren werden. Kasper leerde me om te wachten. Om geduld te hebben en de dingen los te laten, om ze te laten zijn. Elias leerde me om niet stil te staan, om voort te blijven gaan, om er vaart achter te zetten in plaats van te piekeren. Verstandige koters, die van mij.

Gisteren scheen de zon. En wij hadden nu al bijna iedereen gezien – of iedereen ons – , maar opa nog niet. En dus gingen we langs en goten we te veel water over de bloemetjes. En terwijl mijn oudste kindje vol bewondering keek naar de tractor op het veld, slikte ik eens. Zo papa, nog een kleinzoon. Ik weet dat ie fier zou geweest zijn.

Processed with VSCO with c1 preset

Vanaf nu zijn wij een gezin met twee kinderen. Onze achterbank zit meer dan halfvol. We hebben nu aan tafel elk een kindje naast ons zitten. Ik ben totally outnumbered, maar ik voel me heel rijk met mijn drie jongens om me heen. Voorlopig ziet iedereen elkaar heel graag en worden er te pas en te onpas kusjes en (iets te) enthousiaste aaikes uitgedeeld aan onze ‘baba’.
Ik maak me nog steeds zorgen en ik bedenk nog elke dag extra vragen waar ik het antwoord niet op weet. Ik weet niet hoe het zal zijn en of hij zal slapen en of hij zal eten en hoe ik mij ga voelen en en en…
Maar er is heel veel liefde. En dat is genoeg.

IMG_0183

Dingen die ik onlangs googelde IV

Het lijkt misschien alsof ik de laatste tijd alles wat ik weten moest zomaar eens van mezelf bleek te weten. Maar, lieve lezertjes, niets is minder waar. Ik google mij nog steeds regelmatig een ongeluk om mijn leven een zinvolle en waarachtige invulling te kunnen geven. Ik maak voor u graag een kort overzicht van de dingen die ik op die manier onlangs nog ging opzoeken in mijn digitale Encarta.

1. Eenden ruiven – ruiven eenden?

Als moeder van de parkopzichter van Halen, begeef ik mij regelmatig al wandelend doorheen het publieke domein dat onze stad rijk is. Die taak van parkopzichter is niet te onderschatten. Het is dan ook niet meer dan logisch dat mijn zoon wel eens om mijn assistentie vraagt. Twee paar ogen zien immers meer dan één en aldus wandelen wij zowat één maal daags doorheen recreatiepark De Koekoek om eventuele problemen tijdig te detecteren en door te briefen naar de technische dienst.
Het was dan ook in die hoedanigheid dat het ons opviel dat alle eenden opeens dezelfde kleur bleken te hebben waar zij de week ervoor nog duidelijk te onderscheiden waren in bruine en niet-bruine eenden. Plots waren al die eenden bruin en kon ik niet meer luidop mijn eendenkennis etaleren door zinnen als “Dat is een woerd jongen, dat ziet het kleinste kind” doorheen recreatiepark De Koekoek te roepen. (Ik weet dat omdat dat onder een prentje in Kasper zijn prentenboek staat. nvdr.)

IMG_8914
Alle eenden op deze foto zijn duidelijk bruin met uitzondering van de witte die wit gebleven zijn.

Ik heb uiteraard onmiddellijk Encarta 2.0 geopend en daar las ik algauw dat eenden niet ruiven maar ruien, dat dat die arme stakkers veel energie kost waardoor die zich in die periode nogal gedeisd houden en dat dat vooral in juli en augustus gebeurt. Onze dag kon dus weer verder. We werkten toegewijd ons takenlijstje nog af vooraleer wij weer huiswaarts keerden en aldaar een schriftelijke neerslag maakten van onze bevindingen.

Hier ziet u hoe de parkwachter checkt of er nog voldoende water in de Velp staat. Ook het waterpeil van de visvijvers wordt dagelijks gecontroleerd. Het is hard werken en het betaalt echt weinig maar iemand moet het doen. 

2. Peuterangsten

Mijn peuter is zo’n peuter die geen rekker heeft. Hij gaat nogal gemakkelijk zelf op onderzoek uit en zijn onderzoeksgebied is nogal groot. Af en toe draait hij zijn wit kopke wel eens om te kijken of moeder nog mee is, maar als hij mij ergens in de verte kan spotten dan is het al lang goed voor hem. Dat is niet altijd zo want er zijn natuurlijk ook die dagen dat hij als een tube Pattex aan mij plakt, maar de regels is doorgaans: hoe wijder de omgeving – hoe verder het kindeke van zijn moeder durft.

Concreet betekent dat het volgende. Als wij op uitstap gaan (bv. naar de kinderboerderij of naar een of ander park), dan mag Kasper – als het er veilig is – zelf fietsen en zelf stappen. Hij vindt dat de max om met zijn vierwieler rond te karren. Hij zoekt kleine heuveltjes waar hij eindeloos op en af kan rijden of hele smalle doorgangen waar hij maar net tussen past. Pret verzekerd. En ik pits constant mijn ogen toe omdat ik er zeker van ben dat hij er deze keer gewoon op gaat knallen.
Aangezien hij steeds behendiger wordt op zijn fiets, haalt hij intussen al behoorlijke snelheden. Tel daarbij op dat ik er niet minder zwanger op word en u begrijpt dat hij al gauw een zekere voorsprong heeft op zijn trage moederke.

Kas  op onderzoek uit op de kinderboerderij. Meestal met fietske, soms ook zonder. 

Doorgaans krijg ik dat probleem wel opgelost. Als ik lang genoeg blijf zeggen dat hij moet terug komen, dan komt hij uiteindelijk terug. En als dat niet werkt, pas ik sinds kort ook de ‘ok-dan-gaat-mama-wel-alleen-deze-kant-uit-bluf’ toe. Ik draai me dan om en wandel gedecideerd de richting uit waarin ik hem wil krijgen. Dat is altijd met een bang hart want bij deze bluftechniek is het van uiterst belang dat je niet omkijkt omdat de peuter dan voelt dat je zwak bent en het toch niet echt meent. Ik draai me dus om, focus me op een punt in de verte, begin te wandelen en wacht tot ik hem zijn fiets hoor omdraaien en achter me aan hoor bollen. Zo geraken wij uiteindelijk weer ongeveer waar wij moeten zijn. Het laatste stukje moet ik hem altijd nog vangen om hem in de auto te krijgen maar als ik hem juist in de val lok dan lukt ook dat meestal vrij goed.

De situatie is echter helemaal anders als hij thuis in de tuin speelt. De oppervlakte is daar een pak kleiner en blijkbaar betekent dat dat het belangrijker is dat ik kort bij hem ben om alles wat hij doet te komen aanschouwen. Hij speelt al flink alleen, hij kan zich vrij goed bezig houden met pruts die hij overal vindt maar hij heeft het graag dat er publiek is dat hem kan toejuichen als hij rondjes fietst of nieuw gras op zijn zadel legt. Zijn grootste fan zijnde is het niet meer dan logisch dat deze taak voor mij is weg gelegd.
Ik mag niet zomaar eender waar zitten overigens. En al helemaal niet waar het comfortabel zitten is zoals bijvoorbeeld op onze tuinstoelen, tuinbanken of hangmat. Neen neen, ik moet op de dorpel zitten op de mat met gaten in waar mijn gat onwaarschijnlijk veel pijn van gaat doen.

Het is ook vooral in de beslotenheid van onze hof dat dat mensenkindje van mij af en toe wel eens bevangen wordt door een onverklaarbare angst voor heel gewone dingen. Sinds kort houdt hij niet meer van respectievelijk: de wasmachine, vliegtuigen die laag overvliegen en plotse geluiden die hij niet meteen kan thuis brengen. Op dagen dat hij dat tubeke Pattex is, vindt hij het bovendien ook maar niks als hij niet meteen kan zien waar ik uithang. Hij holt dan als de weerlicht achter mij aan en kan pas gerust  verder spelen als ik weer op mijn plaats op de mat in Guantanamo Bay zit. Ik googelde dit natuurlijk even en via de website van Kind en Gezin kon ik al meteen heel wat lezen over de soorten angsten en hoe ermee om te gaan. Er stonden weinig verrassingen en het meeste had ik zelf ook al wel aangevoeld, maar ik moest iets doen terwijl ik daar weer op de strafmat zat dus heb ik me meteen maar ingelezen over het onderwerp.

De goede observator ziet dat moeder hier handig misbruik maakt van de peuterangsten om lang te knuffelen – iets wat het mensenkind anders maar een halve nanoseconde aan één stuk doet. 

3. Seaside – Florida

Het laatste wat ik googelde was ‘Seaside – Florida’. Mijn Timehop-app liet me immers weten dat ik mij daar drie jaar geleden nog bevond. Wij waren toen op huwelijksreis en we hebben allebei heel fijne herinneringen aan die lange reis. Elk stuk was anders want we deden zowel van geschiedenis als van natuur, bluesmuziek, Elvis-kitsch als van zon en strand en het was allemaal op zijn eigen manier plezant.

Via mijn Google-vriend kwam ik te weten dat het ontwerp van Seaside wordt aanzien als het eerste voorbeeld van New Urbanism. Het dorp is immers zo ontworpen om mensen zoveel mogelijk met elkaar in contact te brengen. De balkonnen en terrassen staan dicht bij de stoep waardoor je makkelijk met mensen aan de praat kan geraken. Wist ik niet – alweer bedankt, vriend Google!

IMG_9656

Kijk mij maar eens in de zee staan. Zie ik er niet erg pasgetrouwd uit?

Uiteraard heb ik de laatste weken nog veel meer gegoogeld dan wat u hierboven kon lezen ( ik denk bijvoorbeeld aan ‘rottigheid achter plinten’, ‘openingsuren containerpark’, ‘openingsuren Delhaize Diest’, ‘Leonidas Kuringen’ en ‘kind wil in de auto enkel luisteren naar kapitein Winokio’) maar ik beloofde in de inleiding al dat het een kort overzicht zou zijn en daar heb ik me ook al niet aan gehouden.
Sorry dus, voor al mijn leugens. Gelukkig is alles wat Google zegt wel waar want anders had u zonet een kwartier van uw leven verloren aan verder volstrekt nutteloze informatie. Ik moet zeggen dat dat mij ook al wel eens overkomen is wanneer ik weer aan het Googlen ben, maar zolang Google mij vooral correcte informatie verschaft blijven wij de beste vrienden en wend ik mij tot niemand anders om uitsluitsel te bieden over het al dan niet open zijn van den Delhaize.

 

 

Dat ik iemands moeder ben

Aan de muziekkeuze in mijn auto (kapitein Winokio) en de liedjes die in mijn hoofd zitten en die ik er tijdens stressmomenten uit tover om het kindje rustig te maken (“ge kunt het niet geloven hoe lekker dat dat is – stokvis”)
Aan de pruts die in mijn handtas zit (doekjes, halfopgegeten koeken, tutjes en mini-leesboekjes)
Aan de dingen die ik aanwijs bij elke wandeling door ons dorp (de eendjes! een auto! een bus! kijk, een kindje! hoor, een vliegtuig! Oh, de klokken luiden, hoor je’t?!)
Aan de verschillende kamers in ons huis waar speelgoed ligt om het kind bezig te houden zodat ik kan koken, opruimen, mij aankleden, … (zijn slaapkamer, de living, de keuken, de badkamer)
Aan de foto’s op mijn Iphone waar ik elke dag minstens een kwartier naar kijk (allemaal van hem – met zijn vader of andere familieleden – filmpjes die ik opnieuw bekijk omdat hij op seconde 46 zijn wenkbrauwtjes zo grappig optrekt)

Daaraan merk ik dat ik iemands moeder ben.

IMG_6535

Aan de prioriteiten die ik stel (hij komt altijd eerst, in grote dingen maar veel vaker nog in de kleintjes van alledag en hoe dat soms wel eens voelt als een opoffering maar nooit als iets onnatuurlijks of geforceerd)
Aan de manier waarop ik mijn agenda invul (en het soms moeilijke evenwicht tussen werk, familie en tijd voor mezelf – waarbij altijd het laatste eraan inschiet)
Aan mijn rug wanneer ik ’s avonds uitgeteld in de zetel plof na een dag werken en achter hem aan hossen (en duizend keer alles oprapen, opruimen, terug zetten, uithalen, voordoen, assisteren, uitdagen, prikkelen, tot rust brengen)
Aan hoe ik bij andere mensen thuis dingen onmiddellijk naar het midden van de tafel schuif of omhoog zet (omdat hij snel is en nieuwsgierig en mijn familiale geen antieke vazen dekt)
Aan de rust en het geduld waarmee ik dagen alleen met hem doorbreng (dagen die vaak wel eens traag gaan en saai zijn wanneer ik voor de tienduizendste keer hetzelfde boekje moet lezen)

Daaraan merk ik dat ik iemands moeder ben.

Processed with VSCO with c1 preset

Aan mijn hoofd dat nooit meer leeg is (maar zo vaak gevuld met ‘to do lijstjes’ en ‘te onthouden lijstjes’ en ‘ik moet zeker nog … voor hij gaat slapen lijstjes’)
Aan het gevoel nooit meer helemaal vrij te zijn (want een stuk van mij is toch altijd daar waar hij is)
Aan de tijd die het mij kost om ergens heen te vertrekken (heb ik alles mee? Misschien toch voor zekerheid nog even dit.. En zouden ze daar wel een X hebben, best toch die van mij meenemen.. En ik zal hem eerst nog zijn pyjama aandoen en zijn flesje geven vooraleer ik vertrek)
Aan hoe aan tafel zitten steeds minder met eten te maken heeft (want aan tafel moet ik borden terug neerzetten en scheefgehoude bekers afpakken en tonen en voordoen en lucht proeven en “hmmm lekker” zeggen)

Daaraan merk ik dat ik iemands moeder ben.

Processed with VSCO with c1 preset

Aan hoe ik niet meer naar bepaalde dingen op televisie kan kijken (omdat ik zoveel kwetsbaarder ben geworden en de wereld er vaak niet netjes uitziet)
Aan hoe ik anders kijk naar mijn eigen moeder (niet met meer waardering – want die was er al – maar met een beter begrip van wat ze allemaal voor ons heeft gedaan en hoe dat in dagelijkse dingen zat en zit en hoe wij dat allemaal gratis en voor niks gekregen hebben en nog altijd krijgen ook al zijn we nu zelf groot en sterk)
Aan hoe mijn leven plots zo anders is (veel kleiner dan ervoor en veel minder van vanalles, maar moeiteloos genoeg om alles op te vullen wat gevuld moet worden want tegelijk is er ook zoveel meer)
Aan hoe ik nu plots veel meer oog heb voor dingen om mij heen (aan hoe eenden broeden bijvoorbeeld omdat we er elke dag naar gaan kijken of hoe één boom de verschillende seizoenen doorstaat)
Aan hoe ik nooit meer echt een hele hele slechte dag kan hebben als hij er in voorkomt (want hoe hard het ook wel eens tegen zit, de zwierige moeiteloosheid waarmee hij mij gelukkig, trots en vrolijk maakt is een medicijn tegen eender welke zwaarte)
Aan hoe liefde een totaal nieuwe dimensie heeft gekregen (want écht onvoorwaardelijk graag zien dat begrijp je pas als het er is) en hoe die liefde mij bij momenten lam kan slaan (want het maakt zo rijk en tegelijk heb ik ook zoveel meer te verliezen en ik mag er niet aan denken dat er hem ooit iets zou overkomen)
Aan hoe ik mij rijker voel dan ooit tevoren en zo’n diepe dankbaarheid kan voelen voor die rijkdom dat het mij op de vreemdste momenten tot tranen toe ontroert (want hoeveel geluk heb ik en waar heb ik het toch aan verdiend dat ik elke dag zijn mama, zijn veilige haven mag zijn)
Aan hoe ik ervan houd om elke avond nog even zijn kamer binnen te gaan als hij al slaapt (want dan wrijf ik nog eens over zijn hoofdje en dan druk ik nog een kusje in zijn knuistje voor de nacht) en ik hem dan zeg dat hij mijn hele hart is en dat ik hem altijd altijd liever zal zien dan eender wie

Daaraan merk ik dat ik iemands moeder ben.

 

 

De blijde intrede van Dorus

De aandachtige lezer is het vermoedelijk niet ontgaan dat wij sinds een tijdje een adoptiekat hebben toegevoegd aan ons gezin. Laat mij u vertellen hoe een onbekende kat erin geslaagd is om een plek te veroveren aan tafel naast dé meest overtuigde kattenhater die het mensenlijk ras ooit mocht voortbrengen (mijn lief, nvdr.) Ik kan daar heel kort in zijn – het komt door Kas – maar dat zou geen blogpost opleveren dus sta me toe u het hele verhaal uit de doeken te doen.

Het zal ergens in de zomer geweest zijn dat de poes zich voor het eerst manifesteerde in onzen hof. U moet weten, ik heb als kind ook altijd een kat gehad (eerst was er Femke en daarna kwam Flurk) dus ik vond het helemaal top dat een kat uit de omgeving de weg naar onze tuin gevonden had. Mijn lief dacht daar enigszins anders over. Als notoire kattenhater vond hij het geen tof idee dat er een kat door onze hof liep want het beest zou voorzekers uit het niets een sprong maken van 50 meter en bovenop zijn schouders landen alwaar het meteen zou starten met zijn ogen uit te krabben. In eerste instantie waren de spelregels dus erg duidelijk: de kat buiten en wij binnen. Dat zag er zo uit:

IMG_1646

Wat bleek er nu al gauw: dat kind van ons – dat tot dan toe een kopie van zijn vader was – bleek toch de liefde voor katten van zijn moeder geërfd te hebben. Dat was nu niet speciaal waar ik op gehoopt had (ik dacht meer in de richting van mijn verantwoordelijkheidsgevoel, mijn zorgzaamheid, mijn verstandelijk vermogen of mijn onwaarschijnlijk gevoel voor humor), maar ik was al lang blij dat hij toch ook iets van mij in zich bleek te hebben. ‘Ah! Dat zal ik hier eens stimuleren!’, dacht ik zo bij mezelf. De eerstvolgende keer dat de kat – die ik intussen zonder enig overleg ‘Dorus’ had genoemd – zich in onze hof begaf, nam ik ons mensenkind in mijn armen en sleepte ik hem mee naar buiten om de poes echt te aaien in plaats van door een vliegenraam ernaar te prikken. Dat zag er zo uit:

IMG_1702

Het maken van de foto ging trouwens niet van een leien dakje. Wie goed kijkt, kan misschien zelfs zien hoe ik tussen mijn tanden naar de kattenhater slis dat hij normaal moet doen en dat de kat duidelijk geen enkele interesse vertoont om één laat staan twéé van zijn ogen uit te krabben. De aandachtige kijker heeft vermoedelijk ook opgemerkt dat ik in deze fase ook al gebruik maakte van ‘het kommeke met melk’ om de poes te overhalen om regelmatig zijn gevlekte lijf nog eens tot bij ons te slepen. ‘Het kommeke met melk’ deed exact wat het moest doen, want Dorus bleef regelmatig terugkomen. Er zaten vaak wat dagen tussen, maar na enkele dagen was ze daar toch altijd weer.

Als de kattenhater dan op zo’n momenten toevallig niet in de kamer was, dan gebeurde het wel eens dat er iemand per ongeluk het raam openzette waardoor de kat mogelijkerwijs par accident binnen zou geraken. Dat zag er dan zo uit:

Processed with VSCO with f2 preset

U ziet het niet want zijn hoofd is niet doorzichtig, maar indien dat wel zo was dan zou u een brede glimlach kunnen waarnemen op het smoeleke van onze zoon. Die vond het namelijk helemaal de max dat hij dus blijkbaar al niet eens meer uit zijn stoel moest komen om de kat van dichtbij te kunnen aanschouwen.
‘SCHAT DIE KAT IS HIER OP DE EEN OF ANDERE MANIER BINNEN GERAAKT KUNT GE DIE ONMIDDELLIJK KOMEN VANGEN ALSTUBLIEFT WANT DIE KIJKT HEEL RAAR NAAR MIJ’, klonk het plots vanuit de keuken. Ik haastte me gauw de woonkamer in om daar te zien dat de kat gewoon voor zich uit zat te staren op de vensterbank, volstrekt niet in de richting van de kattenhater terwijl ons kind als een gek naar de kat zat te wijzen en daarbij POE POE POE POE POE riep. Ik besloot te gebaren van krommen aas (‘Alle, zo gek, ik dacht echt dat ik het raam had dichtgedaan’) en zette de kat buiten. Die bleef op de vensterbank zitten en tikte regelmatig eens met haar poot tegen het raam om aan te geven dat ze het toch beter vond om aan de andere kant van het venster in het niets te kunnen staren. ‘Alles op zijn tijd, Dorus’, sprak ik hem toe, ‘ik heb hier alles onder controle.’

Wanneer de kattenhater in de weken daarop niet thuis was, gebeurde het bijvoorbeeld nog wel eens dat er iemand per on-ge-luk alweer vergat het raam te sluiten. Mijn partner in crime deed wat er van hem verwacht werd en verwelkomde de poes met open armen. Dat zag er dan zo uit:Processed with VSCO with f2 preset

Op een dag gebeurde er iets erg vreemds. De kat zat zoals wel vaker op de vensterbank buiten als een freak naar binnen te staren terwijl wij aan tafel zaten. Er is maar één iemand die niet met zijn rug naar het raam van de poes zit en laat dat nu toevallig de cat hater zijn. Hij opende plots zijn mond en zei totaal onverwacht: “Zouden we anders ook eens geen eten voor de kat zetten?”. Ik geloof dat ik mijn lepel in mijn bord liet vallen en dat Kasper door de schok zijn boterhammen op de grond gooide (maar dat doet hij ook wel wanneer er niks speciaals gebeurt). Ik probeerde kalm te blijven en niet in mijn kaarten te laten kijken: “Ja, schat”, sprak ik, “als we dat doen dan gaat die wel blijven komen en zich hier echt thuis voelen natuurlijk. Zouden we dat wel doen?” U moet begrijpen, beste lezer, dat ik deze uitspraak achter de hand diende te houden om mij mee te kunnen verdedigen in de toekomst mocht dat eventueel nodig zijn. In situaties waarin de kat uit het niets een sprong van 50 meter zou doen en één van de kattenhater zijn groen-bruine ogen zou uitkrabben zou het handig van pas komen als ik kon zeggen dat ik hem nog gewaarschuwd had.

Ik deed dus wat ik moest doen en repte me daarna naar de winkel om katteneten te kopen. Aan de kassa oefende ik alvast mijn nieuwe rol als katteneigenaar toen ik tegen de cassière zei dat “onzen Dorus liefst die brokskes met kip eet”. Zo, dat ging me prima af. De kat ging echt deel uitmaken van ons gezin. Of toch van het stuk van ons gezinsleven dat zich buiten in de tuin afspeelde. Kasper nam elke dag de tijd om zijn planning even te overlopen met zijn beste maat. Dat ziet er als volgt uit:

Processed with VSCO with c1 preset
Ons mensenkind eet hier gewoon een bo’ke, maar het is ook al wel eens gebeurd dat hij liever eens wou proeven wat Dorus in zijn bak gestrooid kreeg.

Enkele weken geleden zagen we dat onze Dorus bij het stappen één van zijn achterpootjes niet meer neerzette. Vermoedelijk was hij slecht neergekomen bij een val. Ik gaf de poes trouw eten, ik ging hem veel aaien en ik probeerde Kasper aan te leren dat te veel enthousiasme katten eerder angstig maakt (vooralsnog zonder succes). Maar na twee dagen bleef de kat manken. Het was op die tweede dag – ik zat met kind en kat in de tuin – dat de voorzitter der kattenhaters thuis kwam, naar de kat keek en de profetische woorden sprak: “zouden we eens niet naar de dierenarts gaan met Dorus?”. Ik was te verbaasd om nog eens te gebaren van krommen aas. Ik was er immers zeker van dat de kattenhater vanbinnen nogal eens in zijn pollekes wreef toen hij zag dat de kat geblesseerd was en voorzekers geen sprongen van 50 meter meer zou kunnen doen. Maar kijk, ik had me vergist. Het koude, stenen kattenhart van de kattenhater vertoonde stilaan barstjes, zo bleek.

We belden de dierenarts en die belde ons terug om te zeggen dat er foto’s gemaakt moesten worden van de poot. Ik keek naar de kattenhater (ik hield mijn blik met opzet neutraal) en zei dat hij moest beslissen. De kost zou immers bij ons komen aangezien niemand de oproep als eigenaar van Dorus had beantwoord. “Doe maar”, zei de kattenhater tegen de dierenarts. Toen hij de telefoon weer neerlegde keek hij mij verontschuldigend aan en zei hij “Ja, we kunnen ze toch ook niet laten creperen he? Maar ik ga ze niet pakken of niks dat moet gij doen!”. Het was zo’n drie uur later dat hij mij vroeg of we niet ergens nog een mand hadden staan zodat de kat daarin kon rusten.
De dierenarts had ons gevraagd of de poes nog even bij ons mocht blijven om uit te rusten en of we haar dagelijks pijnstillers konden geven totdat het teentje genezen was. Een mand hadden we niet, maar we hadden wel the next best thing. En dat zag er zo uit:

Processed with VSCO with c1 preset

De poes liet haar poten rusten in de beste zetel die onze living te bieden heeft en de kattenhater liet begaan. Sindsdien zijn alle grenzen weg. De kat ligt hier regelmatig ’s avonds in de zetel te ronken en ik zie dat de veiligheidsperimeter van de kattenhater steeds groter wordt. Intussen heeft Dorus ook al enkele plekken gevonden waar het kleine mensenkind zelfs met al zijn enthousiasme niet aan hem kan. We vinden dus allemaal ons plekje. Ons gezin telt dus na maanden van geduld en doorzettingsvermogen een extra lid. En dat ziet er zo uit:

Processed with VSCO with c1 preset

Voorlopig wil de kattenhater zijn voorzitterschap nog niet opzeggen (ik denk dat hij nog even alles uit zijne cumul wil halen) , maar ik geloof dat de Vlaamse Vereniging der kattenhaters toch beter stillekesaan begint na te denken over een mogelijke opvolger.