Complimensen

We wandelden samen naar de winkel van de leeuw. Dat is telkens een hele belevenis want in die winkel mag hij zelf met een karretje rijden. Hij was dus erg opgetogen toen hij hoorde dat we bananen nodig hadden. ‘Bo!’ suggereerde hij nog en ik zag dat ook het brood zo ongeveer op was. Wij dus weg.

Intussen is hij bijna twee en weet hij heel goed op welke stukje hij alleen mag stappen en dat hij op de streepjes (het zebrapad zoals we dat hier in Limburg zeggen) een handje moet geven. Rond de kerk staan er heel wat appartementen en aangezien daar geen auto’s rijden, mag hij daar alleen. Van zodra zijn voetje de stoep raakt, wringt hij zijn kleine handje los. “Mama, zelf fap!” zegt ie. En inderdaad, dit stukje mag ie zelf stappen. Hij loopt een eindje voor me uit en ik vind het heerlijk om te zien dat zulke kleine dingen hem zo gelukkig kunnen maken.

“Dag mooi kindje!”, hoor ik een klein piepstemmetje plots roepen. Stokstijf blijft die kleine van mij opeens staan. Hij zoekt van waar het stemmetje komt. “Mooi kindje!”, hoor ik nog eens. Ze roept het alsof het zijn naam is. Ik zie haar opeens staan – op een balkon, twee hoog. Ze moet een jaar of drie zijn. Ze drukt haar snoetje tegen de omheining van het balkon om ons nog beter te zien. Ik til Kas op. “Kijk, schat, daarboven!”, zeg ik. “Jij bent een mooi kindje”, zegt het meisje nog eens. Omdat hij het zelf nog niet zo kan zeggen, antwoord ik in zijn plaats. “Wat ben jij een lieve meid!”, roep ik haar toe. “En wat zitten je haren mooi in een staartje!”. Ze glundert.

We staan nog even naar elkaar te zwaaien alvorens ik hem weer neer zet en hem aanmoedig om verder te stappen. Dat brood en die bananen zouden toch ergens deze voormiddag nog in ons huis moeten geraken. En aan zijn tempo ben ik er niet helemaal zeker van dat dat zal lukken. Terwijl hij verder voor me uit drentelt en om de vijf voet stopt om naar iets op de grond te kijken, glimlach ik nog een beetje na. Wat leuk en bevrijdend om te zien dat kleine kindjes nog zo lief en zoet voor elkaar kunnen zijn. Eens je volwassen bent, worden die grenzen van wat sociaal aanvaard is toch allemaal wat lastiger om te achterhalen. Een compliment van een volwassen man vanop een balkon kan al gauw intimiderend overkomen voor sommige vrouwen. En complimenten aanvaarden wordt voor een heleboel mensen ook moeilijker met de jaren. “Je jas is mooi!”, wordt al gauw verkleind met een antwoord over dat het toch een koopje was hoor. Of “Wat heb je dat goed gedaan!” wordt al snel weer terug gekaatst: “jij deed het nog veel beter!”. Op Facebook zie ik vijftienjarigen die elkaar ‘knap’ noemen en eronder reageren met ‘zelf’. Hoe komt het toch dat we ergens onderweg de mogelijkheid verliezen om complimenten te laten binnenkomen? Om ‘bedankt!’ te zeggen? Om fier te zijn op onszelf? Om ze te onthouden – net zo goed als dat we de kritiek die we denken te horen kunnen onthouden?

Ik kijk naar mijn kleine wittekop en ik ben blij dat het voor hem nog evident is dat mensen hem graag zien. Ik vind het heerlijk om te zien dat hij zoveel liefde te geef heeft. Op goede dagen krijgt iederéén bij het afscheid een kusje. Hij gooit er eentje naar de kassierster en naar de koster van de kerk. Hij maakt geen onderscheid en hij zwaait vrolijk iedereen gedag. Ik hoop dat het nog lang mag duren en dat ik hem kan aanleren dat hij complimenten gewoon mag aanvaarden. Dat hij ze verdient als hij ze krijgt want dat hij talenten heeft en dingen goed kan. Ik wens hem toe dat hij kritiek en compliment even goed kan onthouden en dat hij ze naast elkaar kan zetten zodat ze elkaar opheffen wanneer het nodig is. Ik wil zo graag dat hij ook zichzelf kan complimenteren en niet voortdurend naar beneden zal halen – toevallig één van mijn eigen talenten. Wat dat betreft mag ie op zijn vader lijken die het een pak makkelijker heeft met zichzelf high fives geven.

Hij blijft plots staan. Hij draait zich om. “Dada mooi!”, roept hij nog en hij zwaait met twee handjes tegelijk.

 

Processed with VSCO with c1 preset

 

 

 

Advertenties

Op mijn gemak

“Doe maar op uw gemak zenne! Ge moet u niet haasten”, roept hij me nog na terwijl ik de trap opspurt. Ik heb geen idéé waar hij het over heeft. Sinds we niet één maar twee koters hebben, doe ik niks nog ‘op mijn gemak’. Alles gaat ‘snel snel’ even tussendoor.

Ik poets het huis in stukjes. Ik dek de tafel voor ’s avonds wanneer de kindjes even slapen. Ik leg de ingrediënten voor het avondeten al klaar ergens rond de klok van vier en dan nog moet ik me haasten om de mondjes gevuld te krijgen vooraleer ze van koek gaan zagen. Als ik me ga douchen, vertrek ik steevast naar boven met de woorden ‘ik zal doordoen hoor!’. Ik droog me af terwijl ik gauw even de badkamer opruim. Ik ververs de lakens terwijl ik de haardroger met één hand boven mijn kop probeer te houden (ik ben werkelijk een hele acrobaat!). Terwijl ik de keuken dweil probeer ik kind één te entertainen vanop afstand zodat hij niet op zijn sokken komt uitglijden op de natte vloer. “Op mijn gemak” mompel ik tegen mezelf. En ik beeld me in hoe het zou zijn als ik nog één dag had zoals vroeger.

Dan zou ik nog eens mijn bed kunnen invallen om drie uur ’s nachts omdat ik toch kan slapen tot het middaguur. Ik zou mijn wekker zetten om 11.00 en dan toch ook eentje om 06.00 – gewoon zodat ik gelukzalig weer verder kon slapen. Hoe heerlijk was het om vroeger – als student – zo rond 07.00 wat verdwaasd wakker te worden van het geroezemoes op straat van mensen die naar hun werk vertrekken om dan zelf – totaal zonder verplichtingen – nog verder te knorren tot de middag. Eén keer had ik zo’n lange vergadering gehad in de fakbar dat ik wat later thuis was dan voorzien. Toen sliep ik zelfs tot het weer donker was (in my defence: het was wel winter). Ik zou het nu zelfs niet meer kunnen. Mijn kinderen hebben me zo geconditioneerd dat ik ook wanneer ze niet thuis zijn ten laatste rond 08.00 vanzelf wakker word.

Dan zou ik nog eens onafgebroken kunnen lezen. Dat ik veel en graag lees, dat beschreef ik onlangs hier nog. U-ren kan ik na elkaar lezen. Ik kan zelfs eten met één hand terwijl ik verder lees. Ik kan ook koken met één hand terwijl ik verder lees en ook de lakens van het bed aftrekken terwijl ik verder lees (ik ben werkelijk een hele acrobaat). Dat is theoretisch gezien allemaal waar. Vroeger demonstreerde ik die kundes ook allemaal zowat één maal daags. Daar kwam zelden iemand naar kijken, maar toch een hele prestatie, nee? Nu zou er eerder volk komen kijken als het me zou lukken om nog eens een uur onafgebroken te lezen. Ik lees nog steeds veel, maar het moet in stukjes. Want er is altijd wel iemand die ergens hulp bij nodig heeft (in slaap vallen – opruimen – sokken aandoen – …. – en een van deze gaat overigens niét over de kindjes).
Het is soms wat moeilijker om helemaal in een boek meegezogen te worden als ik ondertussen een kind moet helpen waterverven. En als er dan tijd is om te lezen, dan verdwaal ik soms op mijn Iphone wat in internetland. Man, dan kan ik mezelf soms echt schieten.

Dan zou ik nog eens zittend warm voedsel kunnen eten. Long gone zijn de tijden dat wij “op ons gemak” wat samen stonden te koken. Die mooie dagen waarin aperitiefjes gemaakt werden en dingetjes werden geknabbeld terwijl de saus de tijd had om in te dikken. Tegenwoordig knal ik ergens een schijf limoen in een glas en komen we er twee uur later achter dat er nooit aperitief overheen werd gegoten. Onze sauzen zijn bij momenten half zo dik als zou moeten en van de gaartijd van pasta knijp ik meestal ook een minuut of twee af. En als alles dan eindelijk op tafel staat, dan begint het pas. Ik moest vlees snijden, ik moet dingen van het bord afhalen DIE HIJ ER DUIDELIJK NIET OP WIL HEBBEN LIGGEN, ik moet brood aanreiken en weer afpakken, ik moet bestek oprapen en afpakken, ik moet water inschenken, ik moet blazen, ik moet KIJKEN hoe hij zelf schept en dan wil hij er UIT UIT UIT.
“Weet je nog, lieve schat, hoe we vroeger samen konden eten en dan terwijl konden praten enzo”, zeg ik tegen Wout terwijl Kasper met zijn trommel rond de tafel loopt. Those were the days.

Dan zou ik met vrienden afspreken en effectief met hen kunnen praten. Hoe ging dat ook alweer, zo’n gesprek voeren? Ik vraag het mezelf soms af in de auto op weg naar een afspraak. Hoe bevrijdend is het om jezelf nog eens te horen denken! Om ergens binnen te komen en niet meteen je glas – en alle andere breekbare voorwerpen – in het midden van de tafel te zetten of ergens hoog op een kast. Hoe leuk zou het zijn als we de chips in de kommen nog eens zelf konden opeten terwijl ik aandachtig zou luisteren naar de verhalen van mijn kameraden in plaats van voortdurend ergens halfweg een zin te moeten opstaan.
Onlangs kwamen vrienden van ons op bezoek met hun kinderen. 5 jongens bij elkaar en dan 6 volwassen mensen – dat zou moeten lukken denk je want dat is gemiddeld 1,2 volwassene per kind. Maar die kleine smeerlappen die hebben er toch echt een handje van weg om op de meest onnozele momenten op hun gezicht te gaan/elkaar pijn te doen/honger te hebben/pipi te moeten doen/…
Daar stonden we dus in onze tuin wat halve gesprekken met elkaar te voeren, telkens wel onderbroken door één van onze bloedjes die ons drin-gend iets moest tonen. Toen de mannen het eten waren gaan halen besefte ik pas na een tijdje waarom dat praten plots zoveel gemakkelijker leek: 3 van de 5 lawaaimakers waren mee naar de afhaalchinees.
“Het was heel gezellig”, sms’ten we achteraf naar elkaar. En dat was het ook echt. Het is helemaal anders, maar het staat ons allemaal – dat ouderschap.

IMG_2395

Terwijl ik me in zeven rotvaarten sta te douchen, besef ik dat er heel wat dingen zijn die ik graag nog eens zou doen ‘zoals vroeger’. Ik vertel ze vaak mijmerend tegen Wout. Maar ik zeg er dan altijd bij dat het dan écht zoals vroeger moet zijn – ik mag nog geen kinderen hebben in het verhaaltje. Want anders zou ik me toch gaan haasten om op te staan omdat ik mee wil kampen bouwen in de zetel. Of ik zou toch naast ‘m willen zitten aan tafel omdat het ook zo lollig is om hem te zien prikken in zijn vlees – opperste concentratie. En ik zou het jammer vinden om de kinderen van onze vrienden niet te zien want het is fijn om hen te zien groeien.

Mijn wensen en dromen zijn dus ook maar dat: wensen en dromen. Want ik kan nooit meer helemaal terug naar ‘vroeger’. Hen weg denken is me nog nooit gelukt – hen weg wensen dat doe ik soms dan weer wel eens. Al duurt dat vaak nog geen halve seconde. Ik wil me niet meer voorstellen hoe het is zonder onze jongens. Ik voel hoe dat zou zijn wanneer ze er niet zijn: leger en doellozer. Ik wil me niet meer voorstellen hoe het zou zijn om hen minder te zien, om vaker weg te zijn. Want alles gaat al zo snel. Enkele weken geleden was Elias er nog niet. En een jaar of twee geleden was zelfs Kasper er nog niet. En kijk ze nu, die twee. Elke dag maken ze allebei grote sprongen, elke dag veranderen ze. Ze glippen door mijn vingers en ze worden nooit meer kleiner dan ze nu zijn.
Kasper slaat zijn armen om zijn broer heen. Ze liggen samen in het park en Elias lacht om alles wat Kas doet. En ik sta naar hen te kijken en ik denk: “doe maar op uw gemak zenne! Ge moet u niet haasten!”

Processed with VSCO with c1 preset

 

Life according to Kas II

Intussen gaat het leven hier elke dag zijn gangetje. ’t Is te zeggen: de ene dag loopt alles gesmeerd en de andere dag word ik wel eens zot van mijn kinderen (en van mijzelf). Op zo’n dagen waarin ik mezelf een vervelende troela vind, helpt het wel bijzonder goed als ik Kasper de focus laat bepalen. Hij weet die zo heel gemakkelijk en natuurlijk op de juiste dingen in het leven te leggen.
Zoals daar zijnde:

1. Spinnenwebben

Op weg naar huis van de bibliotheek – alwaar hij kleurt, potloodjes laat vallen en luid OH OW roept terwijl ik boekjes kies – wandelden we samen over het brugje over de Velpe. Ik wees hem daar op een spinnenweb dat vol dauw hing en vertelde hem dat daar de spin woonde en dat die spin vliegjes had – daar hangen ze, kijk maar zie je’t? Ik dacht: dat vergeet ie zo wel weer want hij stond maar half te luisteren. Maar het moet toch indruk gemaakt hebben. Want sinds kort wijst hij ALTIJD en OVERAL de spinnenwebben aan: “Mama, kijk! Sien!” (hij bedoelt natuurlijk spin nvdr.) Dat betekent heel concreet dat onze wandelingen nu nog trager gaan nu er nog een extra item is waar we overal halt voor moeten houden. En dat betekent helaas ook dat ik dagelijks een update krijg van hoe het met de netheid van onze woonkamer gesteld is. (niet goed, nvdr.)

Processed with VSCO with c1 preset

2. De vrachtwagen op de markt

Elke woensdagvoormiddag is het hier in H. markt. Dat is heel gewoon, zou u zeggen, want dat is al jaren zo. MAAR DAT HEBT U MIS. Want sinds kort staat er een nieuwe kraam op de markt! We hadden al een viskraam, een kippenkraam, een fruit en groentekraam en een raar tentje waar een mevrouw vers bereide maaltijden verkoopt (kan en klaar! staat er op haar bordje). Maar het moet zowat een week of 6 geleden zijn dat er plots een kraam met BEENMODE zich bij op de markt parkeerdeBeenmode, dat zijn sokken basically, maar toch, wij hebben nu béénmode. Elke woensdagvoormiddag gaan wij naar de markt voor onze groenten en ons fruit, maar vooral – according to Kas – om te kijken naar de vravra (hij bedoelt vrachtwagen – er is nog wat werk aan zijn articulatie). Toen Kas net begon te spreken probeerde ik hem woordjes aan te reiken zoals ‘koek’, ‘koe’, ‘bedje’, ‘boek’ maar het eerste wat meneer wou zeggen was ‘vrachtwagen’. Het toonde toen al zijn fascinatie voor voertuigen en die is er niet minder op geworden. Dus elke week sta ik net zo lang naar die vrachtwagen te kijken als dat ik sta te wachten tot het mijn beurt is. En dat kan soms wel eens lang duren met al die meten die mij voor steken – dat kon je hier al eens lezen.

Processed with VSCO with c1 preset

3. De kapper

Kasper kon sneller praten dan dat hij haar had. Dat komt omdat hij snel kon praten en omdat hij heel traag haar kon hebben. Zo rond zijn eerste verjaardag kwamen zijn eerste 5 witte pluimen piepen. Intussen – bijna één jaar later – heeft hij al zo’n 25 pluimen verzameld. Ik kan nog steeds zijn schedel zien als ik naar zijn kruin kijk. Komt goed uit, kan je denken, dat spaart je een kappersbeurt. Maar zo werkt het niet want als Kas zijn pluimen niet wat bijgeknipt worden ziet hij eruit als iemand van Maaskantje.
We gingen onlangs terug met hem naar de kapper waar hij ook de allereerste keer ging. Dat is een kapper met een speciale kinderafdeling waarin waanzinnig veel speelgoed staat, een playstation met keiveel spelletjes is, waar er een soort van speleobox met glijbaan in het interieur verwerkt is én waar een filmpje wordt opgezet tijdens het knippen. Ik vermoed dat sommige van die kindjes daar met opzet veel vroeger komen omdat het in feite een mini-binnenspeeltuin is die zich als kapperszaak heeft vermomd. Maar die van ons, dat is een ander paar mouwen. Eerst met zijn grote bebber wat aanwijzen wat er allemaal van speelgoed is, dan als een echte baas kiezen welke film hij wil (DIE!DIE!DIE! terwijl hij naar ALLE films tegelijk wijst en dan gefrustreerd zijn omdat ik niet de juiste koos) en dan van zodra de schaar erbij komt jammeren en mopperen tot het voorbij is. Ik vond het wel erg voor hem, maar ik vond het ook wel grappig voor mij.
Alles is goed gekomen en meneer zijn 25 sprieten haar liggen weer netjes in model.

 

4. De trommel

Tja, wat kan ik zeggen, ik heb deze miserie uiteindelijk zelf veroorzaakt. Een hele tijd geleden kocht ik hem de muziekinstrumenten van Haba: een rasp, tikstokjes, een triangel en een trommel. Ik stak ze weg want hij was nog te klein. Maar plots was er grote drama – ik weet al niet meer waarom maar waarschijnlijk omdat hij zijn tut niet kreeg – en ik wilde hem afleiden. Ik toonde hem de muziekinstrumenten en zijn gezaag verdween als sneeuw voor de zon. Ik stak mezelf al een ‘best mom ever’ speld op totdat het mij begon te dagen wat voor een onheil ik mogelijks over ons gezin had afgeroepen. En mijn ergste vermoeden bleek te kloppen. Waar hij zijn ander geruisloos speelgoed (de blokjes, de puzzel, de kleurpotloden, na twintig minuutjes telkens beu is, kan hij werkelijk U-REN op die onnozele trommel blijven slaan. Hij weet hem ook altijd te vinden en het is de enige doos die hij zelf open krijgt. Bij alle andere perfect dezelfde dozen moet mama het altijd komen open doen, maar de trommel dat lukt uiteraard wél.
Onlangs heeft hij héél de cd “Hé hé” van Jan de Wilde meegetrommeld en dat album is toch een klein uur lang. Regelmatig staan wij dus te roepen tegen elkaar terwijl onze peuter van bijna 2 jaar met een stralende glimlach om ons heen wandelt en daarbij keihard op zijn trommel mokert. Soms moet ik daar keihard om lachen en soms wou ik dat ik mijn oren kon uitdoen.
En weet je wat nu het allerergste is? Mijn lief vond een drumset in hout met twéé trommels en een cimbaal aan EN WIJ OVERWEGEN WERKELIJK OM HEM DAT TE KOPEN VOOR ZIJN VERJAARDAG. Dat ouderschap, dat is toch echt iets héél bizar.

Processed with VSCO with c1 preset

Net wakker en al in full force. “Trom waai!” zegt ie. “Ja hoor schat, de trommel maakt lawaai!”, schreeuw ik terug. Hij kijkt me stralend aan – glimlach van oor tot oor – en knippert met zijn ogen telkens wanneer zijn stok de trommel raakt. En ik kijk naar hem en ik besef dat ik vergeten ben waar ik me ook alweer druk over maakte.

Kas als grote broer: een ‘gewoon’ verhaal

Misschien is het des mensen, maar zeker Vlamingen hebben de speciale gave om in plaats van positieve dingen te zeggen vooral te willen waarschuwen aan de hand van allerhande gruwelverhalen. Niet dat er iets mis is met waarschuwen, maar als het gaat over zaken waar toch nog weinig aan te doen is (zoals daar zijnde zwanger zijn), dan zijn sommige verhalen gewoon zinloos om te vertellen.
Toen ik aankondigde zwanger te zijn van Kasper, haalde echter heel wat mensen die ik tegenkwam in die periode allemaal hun bloederigste bevallingsverhaal boven. Speciaal voor mij herinnerde iedereen zich toevallig die éne baby waar nog net geen duiveluitdrijving aan te pas moest komen om het kind te laten doorslapen. Bij elke groente die ik in mijn mond stak, was er wel iemand die me angstig vroeg of ik niet bang was dat ‘die van de keuken’ dat misschien niet hadden gewassen maar gewoon zo – VOL TOXOPLASMOSE – op mijn bord hadden gekwakt. Als je voor het eerst zwanger bent, dan kruipen die dingen toch in je hoofd. Hoe hard je ook probeert van dat te negeren. Bij mij was dat althans zo.

Toen ik zwanger werd van Elias was ik dan ook opgelucht dat ik me die dingen dit keer minder hoefde aan te trekken. Het was immers goedgekomen met Kasper en ik had al wat meer vertrouwen in wat ik deed, ik wist al beter wat kon en wat niet kon. Dit keer gingen ze me dus niet meer de stuipen op het lijf jagen met allerhande negatiefs, verpakt als goedbedoelde waarschuwingen. Boy, was I wrong! Want ook bij kind twéé kan er natuurlijk heel wat mis gaan. En vooral – zo werd er mij verteld – kind één zou per direct veranderen in een bloeddorstig monster dat zijn babybroer zou proberen te versmachten van zodra ik even mijn rug zou keren. Het was dus zeker en vast een domme beslissing van zo snel al een tweede kind te maken want het ik het had mezelf nodeloos moeilijk gemaakt en beter wat gewacht. En nog proficiat he!
Al die verhalen – hoe goed bedoeld ook – zorgen er vaak voor dat moeders (of ik althans) zich kapot piekeren op voorhand over situaties die ze niet kunnen voorspellen. Bovendien zijn ze vaak waardeloos in die zin dat elk verhaal anders is, net zoals elk kind anders is en dus anders zal reageren. Tel daar nog bij op dat het vooral de erge verhalen zijn die verteld worden – want een kind waar het gewoon ‘goed’ mee gaat en die zich dus ‘gewoon’ als een baby’tje gedraagt met bleiten en weinig slapen en alles wat daarbij hoort – daar ben je nu eenmaal sneller over uitverteld.
Pas op, ik ben echt voorstander van eerlijke verslaggeving wat kinderen betreft. Als ik sommige moeders in mijn omgeving mag geloven dan is het altijd rainbows, lollipops and sunshine. Die moeders maken kinderen die altijd prima slapen overal waar je ze neerlegt, die altijd flink en met veel smaak hun vers gestoomde groenten opeten en die niet naar Bumba willen kijken maar liever naar verantwoorde programma’s zoals Ter Zake of De Afspraak. Ook dat zou ik me vroeger aantrekken – dat doet mijn kind immers allemaal niet – maar ook daar weet ik intussen beter. Maar om terug naar mijn verhaal te keren: ook bij Elias kreeg ik heel wat goedbedoelde verhalen te horen die mij vaak enkel stress opleverden. Waar er bij kind één gefocust wordt op de zwangerschap en wat er allemaal verkeerd kan gaan, wordt er bij kind twee vooral verteld hoe zwaar het zal zijn en hoe stout en jaloers kind één zich zal gedragen.

Intussen zijn we bijna twee maanden verder en kan ik dus enigszins een balans opmaken over mijn situatie. Dat is dus heel persoonlijk en ik wil géénzins waarschuwen/opscheppen/uitpakken.
Wat ‘zwaar zijn’ betreft: soms is het zwaar. Op momenten dat ik net een uur heb staan klooien in de keuken om tegelijk vers te koken, de keuken al wat op te ruimen en mijn oudste geëntertaind te houden is het best klote als de tweede liever niet heeft dat ik ga zitten op het moment dat ik het eten op tafel zet. Wanneer de jongste net zijn ogen sluit en de oudste vindt het dan net tijd om op zijn trommel te mokeren, dan zucht ik wel eens. Als ik Kasper voor de tv parkeer zodat ik de was kan ophangen maar dan hoor dat Elias het even moeilijk krijgt, dan vind ik dat stom voor mezelf dat ik mijn dingen niet kan afwerken. En meestal is er geen tijd in de dag en geen plaats in mijn hoofd om veel met mezelf bezig te zijn. Dus ja, soms is het heavy. Het goede nieuws is: dat is meestal op voorspelbare momenten. Als ik me daar dus mentaal wat op voorbereid, dan merk ik dat ik veel rustiger kan blijven wanneer iedereen jonger dan 2 het lastig heeft in mijn huis. Die rust straalt dan op hen af en doorgaans krijg ik de boel sneller weer op de rails als ik zelf kalm blijf.

Wat de houding van kind één betreft: ook dat is helemaal goedgekomen. Kasper was nog wat te klein om hem echt ‘voor te bereiden’ op de komst van zijn broer, maar ik heb toch met hem wat boekjes gelezen. Niet van die boekjes waarin het kind moet leren dat hij nu wat moet leren wachten, maar wel boekjes waarin alle diertjes kindjes hebben en waarin dat allemaal doodnormaal is. Ik heb ook niet te veel willen lezen en voorbereiden omdat ik dat niet nodig vond. Ik had geen zin om hem op te dringen dat hij nu ‘de grote broer’ werd, want voor mij is dat niet zijn belangrijkste rol. Kasper moet vooral maar zichzelf zijn en als hij het fijn vindt om grote broer te spelen dan is dat mooi meegenomen.
We vonden het belangrijk om het leven voor hem zo goed mogelijk gewoon te laten verder gaan toen zijn broer erbij kwam – want het is hoe dan ook een grote aanpassing. Wout is dus niet in het ziekenhuis gebleven zodat Kas in zijn eigen bedje kon slapen en tenminste één van zijn ouders gewoon thuis had. Ik las overal dat het belangrijk was om hem bij de verzorging te betrekken en dat probeer ik te doen.

’t Is te zeggen, ik nodig hem ertoe uit en als hij wil dan is dat tof en als hij niet wil dan is dat ook tof. Hij kreeg een pop en een buggy – het voordeel van oudere nichtjes te hebben – en soms krijgt die pop een fles en soms wordt die pop hardhandig uit de buggy gezwierd of bedolven onder 40 bavetten. Maar doorgaans krijgt ze eten, een propere pamper en wordt ze tig keer aan en uitgekleed.

Kasper z’n leven is dus voornamelijk gewoon verder gegaan, maar nu met een broer erbij. Ik heb hem zijn broer niet in zijn kleine armpjes geduwd vanop het moment dat die geboren werd. Als hij erom gevraagd had, dan had hij zeker gemogen – maar hij deed het niet en dat was ook prima. Afgelopen week – en dus pas na zés weken – deed hij het opeens wél: “baba pak?” vroeg hij – en zo geschiedde.

Hij heeft dat supergoed gedaan, hij was heel fier dat het mocht en na 45 seconden wou hij liever gewoon weer zijn velcro-groenten in stukken snijden in zijn keuken. Voor hem hoort Elias bij ons en er zijn dagen dat hij daar geen ene zier om geeft en er zijn dagen dat hij dat leuk schijnt te vinden. Ik kan niet in zijn hoofd kijken maar ik merk wel dat hij zelf ook aan zijn broer denkt. Als we ergens aankomen zegt ie steevast: “baba aijol” (de baby heet Elias). Of hij dat nu doet omdat hij het wil, of omdat hij denkt dat het moet of omdat zoveel mensen het hem al vroegen – wie zal het zeggen? Ik heb hem in ieder geval verteld dat ik het heel lief vind, maar dat hij net zo goed iets anders mag zeggen. Maar als hij wil vertellen over baby Aijol, dan moet ie dat zeker en vast doen. Voor hem hoort Elias gewoon bij ons gezin en krijgt die dus – net als wij – een keinatte zoen als hij gaat slapen. Alle horrorverhalen van stikjaloerse peuters waren hier dus overbodig. En zoals ik al zei: zelfs als hij wel heel erg jaloers zou zijn of het nog zou worden, dan heb ik niets gehad aan die verhalen op voorhand want zelden zijn ze constructief – veel vaker waarschuwend of belerend.

Wat ik dus zeggen wou met deze hele lange blogpost.
1: zwangere vrouwen hebben niks aan gruwelijke bevallingsverhalen. Ik vertel mijn verhalen enkel als er expliciet naar gevraagd wordt én ik benadruk dan dat elk verhaal anders is en dat het soms ook gewoon ‘gewoon’ meevalt. De ene bevalling is de andere niet, net zoals de ene vrouw de andere niet is en iedereen dat dus heel persoonlijk ervaart.
2: moeders hebben niks aan waarschuwende ‘uw kinderen gaan elkaar vanaf dag één  willen vermoorden’ legendes. Want opnieuw: elk kind is anders en elke moeder en elk gezin en dus elk verhaal. Wacht gewoon even af en kijk hoe het gaat.
3: in ons geval valt het allemaal best mee: de drukte en de moordlust. Dat maakt mij niet de uitzondering, maar de regel denk ik. En wat ik eigenlijk wil zeggen is dat vooral de uitzonderingen verteld worden: de sprookjes (waar ik altijd toch mijn bedenkingen bij heb) en de Nightmares on Elm Street. Met deze blogpost wil ik dus graag een ‘gewoon’ verhaal zijn. Eentje met moeilijke hoofdstukken maar net zo goed met fijne momenten.

Als dit gewone verhaal ervoor zorgt dat er ergens één moeder stopt met googlen, met zorgen maken, met rampscenario’s bedenken en alvast oplossingen verzinnen – als dit gewone verhaal ervoor zorgt dat er ergens één moeder het durft om gewoon af te wachten en het durft om te geloven dat ze het kan – ongeacht wat ‘het’ is – dan is het al deze 1571 woorden waard geweest.

Links: Kasper kust Elias en duwt daarbij de wipper zo hard naar beneden dat Elias er telkens vermoedelijk een hersenfractuur aan overhoudt wanneer hij los laat.
Rechts: Kasper probeer Elias het hoofd in te slaan met zijn puzzel (neen, da’s niet waar – hij wou hem gewoon tonen maar ja dat is saaier om te vertellen, toch?)

Life according to Kas

Mijn oudste zoon is ondertussen 20 maanden oud en wat mij betreft is het zijn beste leeftijd tot nu toe. Zijn bebber staat geen twee seconden stil, hij is pienter en hij heeft alles gezien. Bij momenten is dat behoorlijk vermoeiend – bijvoorbeeld wanneer hij in de auto in de mot heeft dat ik NIET van plan ben om langs het paard te rijden en hij rel schopt tot ik het wel doe. Maar door de band genomen is het heel fijn om mee te gaan in zijn wereld.
Ik sta er vaak zo van te kijken hoe die kleine protzak ervoor zorgt dat ik zoveel meer rond mij kijk en zoveel kleine dingen opmerk waar ik anders gewoon aan voorbij zou gaan. Ik wil niet zweverig doen, maar het is toch een heel schoon voordeel aan kinderen hebben: je mag alles om je heen opnieuw mee ‘voor het eerst’ zien. Elke dag zijn er zo wel nieuwe dingen die we samen ontdekken. Hier een greep uit het aanbod van de laatste dagen:

Kaarsen aansteken in de kerk

Een week of twee geleden wandelde ik op zondagmorgen met Kasper naar de bakker. Op onze weg naar daar passeren we de kerk en ik zag dat de deuren open stonden want over een kwartier zou de mis beginnen. Dat werd nog eens extra onderstreept door de kerkklokken. Wij wonen kort bij de kerk dus Kasper kent dat geluid heel goed. Zijn vingertje ging de lucht in – MAMA, KLOK (mijn kind roept als hij enthousiast is) en nogal impulsief ging ik met hem de kerk binnen. Het was daar stil, op de klassieke muziek na. Enkele kerkgangers zaten al klaar op de kerkstoelen. Kas kreeg van mij twee centjes die hij in het bakje mocht gooien: één voor een kaars voor hem en eentje voor zijn broer. Al fluisterend vertelde ik hem dat we in de kerk waren, dat je daar best stil bent omdat dat eerbiedig is en dat het fijn is als je een kaarsje voor iemand aansteekt want dat betekent dat je aan hem denkt. Kas stak flink de kaarsjes aan, liet zich gewillig terug in zijn buggy gespen, fluisterde de hele tijd erg flink van ‘ja’ en ‘nee’ als ik hem iets vroeg. Op weg naar buiten nam zijn enthousiasme het over en riep hij nog even DADA KLOK. Héérlijk! Sindsdien glippen we elke week voor de mis even binnen en dan mag Kas twee kaarsjes aansteken. Deze week was het voor Elias (die koos ik) en voor de poes (die koos hij).

IMG_1564

Zelf met de kar rijden in de winkel

Veel uitleg behoeft het niet want met de kar rijden dat is gewoon met de kar rijden. Ik ben overigens een heel slechte karrijder. Er draait altijd wel een wiel de verkeerde kant uit, ik gooi alles gewoon in mijn kar waardoor ze aan de kassa in de Colruyt hun ergernis amper kunnen verbergen en laatst reed ik tegen de hielen van een trage bomma (dat was echt per ongeluk). Maar Kas, die is geboren om met de kar te rijden. Sinds kort mag hij het helemaal alleen en hij glundert zo hard dat ze de winkelverlichting net zo goed kunnen uitdoen. Hij draaft de winkel door met zijn kar (hij stapt tegenwoordig niet meer, hij loopt), hij legt alles wat ik aanwijs in de kar en dan stopt hij 5 stappen verder om het eruit te halen en het er nog eens in te leggen, maar dan beter. Hij zet na het winkelen flink zijn kar terug bij de andere karren, aait de levensgrote plastieken leeuw die aan de inkom staat en roept DADA KAR.

Processed with VSCO with c1 preset

Alles wat te maken heeft met wawa

Kasper vindt wawa (water gelijk wij hier in Limburg zeggen) één van de beste dingen op aarde. Het is tof om wawa te drinken, maar veel toffer is het nog om wawa uit te gieten, rond te gooien en om te kappen. Wawa biedt tal van mogelijkheden. Je kan naar wawa kijken, je kan wawa voelen, je kan wawa proeven, je kan in wawa gaan liggen en je kan in wawa gaan staan. En het allerbeste: wawa is OVERAL. Hoeveel wawa er precies is, dat weet ik pas echt sinds Kasper er is. Wawa op de grond, in de goot, op de auto’s, in emmers, in rivieren, op kleren, op karren, in haren, in bekers, in glazen, in flessen, op struiken en takken, … Zei ik al dat wawa overal is? Alle spectaculaire dingen met water onthoudt hij trouwens heel precies. Eén keer ben ik met hem de auto gaan wassen en sindsdien zegt hij al van een kilometer op voorhand ‘wawa op auto’ als we bijna aan de carwash passeren.
Hij weet de verschillende manieren waarop je naar de rivieren en beken in onze buurt kan stappen en hij heeft het meteen in de gaten als ik met opzet een andere route pak zodat ik niet 40 minuten op een brug in de verte sta te kijken tot mijn kind klaar is met naar wawa te kijken. Uiteindelijk eindigt het meestal zo dat ik hem in de buggy zet en hij mij in onverstaanbare gewauwel uitscheldt voor rotte vis. DADA WAWA roept hij dan wat mistroostig nog net voor we de bocht om gaan.

 

 

Dieren en voertuigen

Overal waar we komen, heeft Kas – naast natuurlijk al het wawa – meteen gezien waar er dieren staan. Hetzelfde geldt voor tractors, vrachtwagen, auto’s, brommers, fietsen, … you name it. Hij wijst aan wat hij ziet en roept het nog even, gewoon voor de zekerheid: VAAP! (schaap) – PAAD! (paard) – TITUI (vliegtuig) – AUTO! – SLAK!
Plaatsen zijn voor hem verbonden aan de dieren en de voertuigen die ze daar in de aanbieding hebben. Als we gaan wandelen in het bos, dan roept ie VAAP omdat hij er daar ooit een zag. Al weken moet ik naar een lege wei wandelen met hem omdat daar de koe stond, maar het beest is intussen spoorloos verdwenen. De poort van de wei staat open – geen idee waar de koe naartoe is. Elke keer als we in de buurt zijn moeten we naar daar gaan zodat hij kan kijken of ze al terug is. “Koe’s weg” zegt hij en hij toont mij zijn lege handen. “Ja, schat, ik zie het.”
Net voor ik de buggy terug richting huis draai roept ie van “PAK” (kip gelijk ze hier in Limburg zeggen). Hij had blijkbaar onthouden dat in de tuin van een huis wat verderop kippen zitten. En dus worden de kippen toegevoegd als een nieuwe stop van onze wandeling. Daar sta ik dan, tegen de draad van mensen hun achtertuin naar de kippen te wijzen. Het duurt vast nog maar enkele dagen vooraleer de politie mij komt vragen naar mijn intenties. DADA PAK! DADA NIJN!, roept hij wanneer ik hem toch eindelijk kan overhalen om huiswaarts te keren.

IMG_1782

Door te gaan wandelen, kon ik sowieso mijn hoofd al leegmaken. Maar met Kas gaan wandelen is bevrijdend en verrijkend tegelijk. Ik zie meer en ik ben zoveel minder met mezelf bezig, met wat er speelt in mijn leven en met wat er omgaat in mijn hoofd. Hij wil voortdurend dat ik meekijk en even verbaasd ben over alles wat er nu weer ons pad kruist. Ik kan me wel eens opnaaien in het extreem trage tempo van onze wandelingen (soms ben ik meer dan een uur weg en dan heb ik nog geen halve kilometer gedaan), maar als het me lukt om dat los te laten dan is het héérlijk om samen met hem het leven te ontdekken.

Gisteren gingen we met ons vieren wandelen in het bos. Elias in de draagzak tegen mij aan, Kas met zijn groene botten. We wilden hem oppakken op de moeilijke stukken want het was soms wel klimmen en de ondergrond was niet altijd even ideaal. Maar hij wou niet. “Nee, zellef”, zei ie.
En zo stapte hij 3 km met ons het bos door op zijn groene botten. Hij zwaaide naar het titui (vliegtuig), het vaap (schaap), de boo (boom), het paad (paard), de maais (maïs) en de popoen (pompoem). En zo begrijp ik eindelijk helemaal waar Paul Van Ostaijen het over had.

Marc groet ’s morgens de dingen

Dag ventje met de fiets op de vaas met de bloem
ploem ploem
dag stoel naast de tafel
dag brood op de tafel
dag visserke-vis met de pijp
en
dag visserke-vis met de pet
pet en pijp
van het visserke-vis
goeiendag

Daa-ag vis
dag lieve vis
dag klein visselijn mijn

Ademen.

Het enige wat ik echt consequent deed in de eerste 6 maanden van Kasper zijn leven was permanent mijn adem inhouden. Als hij sliep, hield ik mijn adem in voor de uren die kwamen waarin hij niet zou slapen. Als hij niet huilde, hield ik mijn adem in voor de uren waarin hij het wel zou doen. Tijdens het weekend hield ik mijn adem in, voor de dagen die kwamen waarin ik alleen voor hem zou moeten zorgen. Als ik eens rustig kon eten omdat hij toevallig sliep, hield ik alvast mijn adem in voor de volgende maaltijd waarin ik dat niet zou kunnen doen.

Ik was bang. En ik geloofde niet in mezelf. Ik heb dat toen nooit zo letterlijk kunnen benoemen, maar als ik er nu op terug kijk dan was het dat. Te weinig zelfvertrouwen. Te vaak mezelf het gevoel aangepraat dat het waarschijnlijk niet goed was want ik deed het niet zoals die of die. Te veel mezelf de put in gepraat in de uren dat ik alleen thuis was met een kleine baby (en dat waren er veel). Het duurde een hele tijd voor ik terug graag alleen was met mezelf. Niet onlogisch als je weet dat ik het was die mijzelf zo vaak géén schouderklopje gaf wanneer ik het wel had moeten doen. Bovendien ben je die eerste maanden met een kleine baby altijd wel een beetje geïsoleerd, hoe vaak je ook buiten gaat. Die nieuwe gedachten en gevoelens in je hoofd, daar moet je op zekere hoogte zelf mee in het reine komen. Ik heb dat toen verkeerd aangepakt. Ik ben te weinig mijn eigen vriend geweest.
Dat wilde ik dit keer anders doen. Ik nam mezelf voor dat ik de tweede keer meer mijn eigen maatje zou zijn. Dat ik tegen mezelf zou praten zoals ik dat doe tegen mijn vrienden. En als ik nu vrienden met een kleine baby zou hebben, dan zou ik zeggen tegen moeder de vrouw: doe elke dag iets wat jij graag wil doen – en douchen telt niet.

Wat mij altijd helpt als er even wat te veel in mijn hoofd zit, is buiten zijn en bewegen. En dus trok ik er de voorbije dagen elke avond op uit met kind 1. Op die manier kon Wout wat exclusieve aandacht geven aan kind 2 én tegelijkertijd naar het nieuws kijken (lees: op zijn Iphone hln.be lezen en met zijn smoel open in slaap vallen). Zo rond de klok van zeven bollen Kas en ik rustig onze straat uit. Hij roept dan wat hij allemaal wil zien: KOE! PAA! PAKKA! (dat zijn kippen, nvdr.) en vooral BOENG (dat is een luchtballon, nvdr.).

We doen meestal dezelfde tour: eerst langs het paard, dan langs de kippen, dan langs de boerderij met de tractor, dan langs de appelbomen, dan langs opa en dan nog langs de uil. Net zoals in die eerste maanden bij Kasper vind ik die herhaling niet vervelend. Ze brengt rust. Ik hoef niet na te denken over de route, ik fiets en fiets en trap vervelende gedachten zo mijn hoofd uit.
Het helpt dat er iemand achterop zit die bij elke hobbel in de weg van ‘Mama toch’ zegt. Iemand die me elke vogel aanwijst. Iemand die héél ginds in de verte een luchtballon ziet. Iemand die bijna omvalt van vreugde als ik een stukje kinderchocolade uit mijn handtas tover. Iemand die daarna van het flesje water drinkt alsof hij al jaren niks meer gedronken heeft. Iemand die vol verwondering kijkt naar alles wat voor mij zo gewoon lijkt. Iemand die mij op die manier beter leert kijken en opnieuw leert zien.

We stoppen om naar de ballon te kijken en ik vertel hem wat ik weet over maïs. Dat het geel is. Dat je er popcorn van kan maken. Dat juffrouw Sabine in de kleuterklas het deksel te vroeg van de pan haalde en dat de popcorn in het rond knalde.
We stoppen aan de Helmen en ik pak hem van de fiets. Hij loopt door het hoge gras. Hij roept “DADA KOE”. Hij smikkelt zijn koekje op. Hij wil een handje om de trapjes op te gaan. Hij roept van MAMA MAMA! als er een vliegtuig over vliegt. Hij wil tegen me aan plakken omdat hij bang is. Heerlijk. Processed with VSCO with c1 preset

We fietsen verder naar opa. Hij scharrelt er wat rond. Hij geeft de bloemen water. Eerst bij papa, daarna bij mijn grootouders. En daarna bij alle andere graven waar de bloemetjes uitgedroogd zijn. Ik vertel over opa. Dat hij van muziek hield. En dat hij het zeker en vast fijn vindt dat Kasper alle bloemetjes zo flink water geeft. “Wawa!”, zegt Kas. “Ja lief, wawa”. Ik zit op de bank naar hem te kijken. Ik merk dat mijn hoofd ongeveer leeg is. Ik kan gewoon in de verte staren. Ik ben mezelf geen werkpunten aan het opleggen. Dat zal straks vast wel weer anders zijn, maar nu dus niet. Als ik hem weer in zijn stoeltje vastklik en we naar beneden bollen, roept hij nog “dada wawa!”. Ik zwaai ook.

We zijn bijna thuis nu. Daar wacht de avondrush op mij. Kind 1 wassen en in bed flikkeren. Zelf gauw douchen. Flesjes wassen en steriliseren. Speelgoed opruimen. Kleren klaar leggen. Kind 2 troosten als krampjes het hem lastig maken. Flesjes geven. Kindje rechtop houden. Anders dan bij Kasper ben ik minder bang. Ik kan het. Niet altijd even goed en niet altijd even gemakkelijk, maar ik voel me wel zekerder.

En op momenten dat ik denk dat ik het niét kan (en die zijn er werkelijk dagelijks), dan probeer ik mijn eigen beste vriend te zijn. En die fluistert dan: ademen.

Processed with VSCO with c1 preset

Elias.

Nog niet zo heel lang geleden – zo’n 6 dagen ongeveer – had ik voor de tweede keer het gevoel dat ‘zwanger zijn’ bij mij iets oneindigs is. Alle andere vrouwen kappen ermee na een negental maanden, maar ik niet. Ik doe gewoon voort. Anders dan de eerste keer, kon het me dit keer niet zoveel raken. Kasper was er uiteindelijk ook gekomen dus kind twee zou dat ook wel doen. De ‘extra dagen’ die ik kreeg, heb ik dit keer niet gevuld met wachten. Toen ik eenmaal de 40 weken bereikt had, ging Wout z’n verlof in en was er tijd om met ons drietjes nog wat quality-time te hebben.
We wandelden door Leuven, we gingen elke dag ergens naartoe waar Kas op zijn driewieler kon rond hossen, we zijn gaan foren op de kermis, het kind mocht zich uitleven op zandheuvels met tractoren allerhande en we aten koekjes in hutten die iemand anders zelf gemaakt had.

Het waren schone dagen en ik vond alles heel bijzonder. Want alles was waarschijnlijk de laatste keer met ons drietjes. Ik ben verschillende keren een laatste glacéeke bij Stuckens gaan eten. Ik heb Kasper drie laatste rondes laten draaien op de vliegerkes. Als hij zijn bord ’s avonds op de grond keilde omdat hij genoeg had, dan raapte ik liefdevol alles op en prevelde ik ‘dat dat de laatste keer was dat hij dat deed met ons driekes’. (Flash forward: hij doet het ook met ons vierkes).

Ik voelde heel wat tegelijk. Er was onrust (zou ik het wel kunnen, zo twee kinderen? – die bevalling, hoeveel pijn gaat die doen? Gaat alles goed gaan? – Hoe zal het Kasper afgaan om een broer te hebben? Gaat hij me niet te hard missen als ik er niet ben?). Er was geluk (want ik hoef maar te kijken naar zijn smoeleke en ik word gelukkig). Er was trots (op hem, want elke dag doet hij nieuwe dingen en hij is lief voor de wereld en flink en schoon en puur en en en – maar ook op mezelf, want ik had de laatste weken alleen voor hem gezorgd en hem (hopelijk) veel leuke dagen gegeven). Er was veel onzekerheid (Gaan we elkaar niet kwijtspelen in de drukte? Ga ik mijn hoofd niet te vol steken met vragen waar ik het antwoord niet op weet?). Die ‘extra dagen’ waren extra dagen vol leuks en tegelijk extra dagen om extra vragen te bedenken. Iets waar deze piekeraar toevallig uitzonderlijk goed in is.

En toen plots besloot kind 2 om in een rotvaart op de wereld te komen en zette hij daarmee even alles stil. Op minder dan 2,5 uur maakte Elias zich een weg naar de echte wereld. Ik had geen tijd meer om vragen te stellen of mogelijke antwoorden en andere scenario’s te bedenken. Het was tijd, zei ie, en gelijk had hij.

10 augustus is bijna 29 jaar lang voor mij een dag geweest zoals elke andere, maar Elias maakte er een mijlpaal van.

Ik maakte me op voorhand zoveel zorgen. Zou ik hem even graag kunnen zien als Kasper? Ik kon me niet inbeelden dat ik NOG iemand zo zo graag zou kunnen zien. Zou er nog wel plaats genoeg zijn in mijn moederhart? Dat grote moederhart van mij werd immers al helemaal ingepalmd door mijn eerstgeborene.
Ik had me helemaal geen zorgen moeten maken. Op het moment dat Elias geboren werd, groeide er in mijn lijf een heel nieuw, groot moederhart. En dat is helemaal voor hem.

En zo leerde elk van mijn jongens mij al iets op de eerste dag dat ze geboren werden. Kasper leerde me om te wachten. Om geduld te hebben en de dingen los te laten, om ze te laten zijn. Elias leerde me om niet stil te staan, om voort te blijven gaan, om er vaart achter te zetten in plaats van te piekeren. Verstandige koters, die van mij.

Gisteren scheen de zon. En wij hadden nu al bijna iedereen gezien – of iedereen ons – , maar opa nog niet. En dus gingen we langs en goten we te veel water over de bloemetjes. En terwijl mijn oudste kindje vol bewondering keek naar de tractor op het veld, slikte ik eens. Zo papa, nog een kleinzoon. Ik weet dat ie fier zou geweest zijn.

Processed with VSCO with c1 preset

Vanaf nu zijn wij een gezin met twee kinderen. Onze achterbank zit meer dan halfvol. We hebben nu aan tafel elk een kindje naast ons zitten. Ik ben totally outnumbered, maar ik voel me heel rijk met mijn drie jongens om me heen. Voorlopig ziet iedereen elkaar heel graag en worden er te pas en te onpas kusjes en (iets te) enthousiaste aaikes uitgedeeld aan onze ‘baba’.
Ik maak me nog steeds zorgen en ik bedenk nog elke dag extra vragen waar ik het antwoord niet op weet. Ik weet niet hoe het zal zijn en of hij zal slapen en of hij zal eten en hoe ik mij ga voelen en en en…
Maar er is heel veel liefde. En dat is genoeg.

IMG_0183