Op mijn gemak

“Doe maar op uw gemak zenne! Ge moet u niet haasten”, roept hij me nog na terwijl ik de trap opspurt. Ik heb geen idéé waar hij het over heeft. Sinds we niet één maar twee koters hebben, doe ik niks nog ‘op mijn gemak’. Alles gaat ‘snel snel’ even tussendoor.

Ik poets het huis in stukjes. Ik dek de tafel voor ’s avonds wanneer de kindjes even slapen. Ik leg de ingrediënten voor het avondeten al klaar ergens rond de klok van vier en dan nog moet ik me haasten om de mondjes gevuld te krijgen vooraleer ze van koek gaan zagen. Als ik me ga douchen, vertrek ik steevast naar boven met de woorden ‘ik zal doordoen hoor!’. Ik droog me af terwijl ik gauw even de badkamer opruim. Ik ververs de lakens terwijl ik de haardroger met één hand boven mijn kop probeer te houden (ik ben werkelijk een hele acrobaat!). Terwijl ik de keuken dweil probeer ik kind één te entertainen vanop afstand zodat hij niet op zijn sokken komt uitglijden op de natte vloer. “Op mijn gemak” mompel ik tegen mezelf. En ik beeld me in hoe het zou zijn als ik nog één dag had zoals vroeger.

Dan zou ik nog eens mijn bed kunnen invallen om drie uur ’s nachts omdat ik toch kan slapen tot het middaguur. Ik zou mijn wekker zetten om 11.00 en dan toch ook eentje om 06.00 – gewoon zodat ik gelukzalig weer verder kon slapen. Hoe heerlijk was het om vroeger – als student – zo rond 07.00 wat verdwaasd wakker te worden van het geroezemoes op straat van mensen die naar hun werk vertrekken om dan zelf – totaal zonder verplichtingen – nog verder te knorren tot de middag. Eén keer had ik zo’n lange vergadering gehad in de fakbar dat ik wat later thuis was dan voorzien. Toen sliep ik zelfs tot het weer donker was (in my defence: het was wel winter). Ik zou het nu zelfs niet meer kunnen. Mijn kinderen hebben me zo geconditioneerd dat ik ook wanneer ze niet thuis zijn ten laatste rond 08.00 vanzelf wakker word.

Dan zou ik nog eens onafgebroken kunnen lezen. Dat ik veel en graag lees, dat beschreef ik onlangs hier nog. U-ren kan ik na elkaar lezen. Ik kan zelfs eten met één hand terwijl ik verder lees. Ik kan ook koken met één hand terwijl ik verder lees en ook de lakens van het bed aftrekken terwijl ik verder lees (ik ben werkelijk een hele acrobaat). Dat is theoretisch gezien allemaal waar. Vroeger demonstreerde ik die kundes ook allemaal zowat één maal daags. Daar kwam zelden iemand naar kijken, maar toch een hele prestatie, nee? Nu zou er eerder volk komen kijken als het me zou lukken om nog eens een uur onafgebroken te lezen. Ik lees nog steeds veel, maar het moet in stukjes. Want er is altijd wel iemand die ergens hulp bij nodig heeft (in slaap vallen – opruimen – sokken aandoen – …. – en een van deze gaat overigens niét over de kindjes).
Het is soms wat moeilijker om helemaal in een boek meegezogen te worden als ik ondertussen een kind moet helpen waterverven. En als er dan tijd is om te lezen, dan verdwaal ik soms op mijn Iphone wat in internetland. Man, dan kan ik mezelf soms echt schieten.

Dan zou ik nog eens zittend warm voedsel kunnen eten. Long gone zijn de tijden dat wij “op ons gemak” wat samen stonden te koken. Die mooie dagen waarin aperitiefjes gemaakt werden en dingetjes werden geknabbeld terwijl de saus de tijd had om in te dikken. Tegenwoordig knal ik ergens een schijf limoen in een glas en komen we er twee uur later achter dat er nooit aperitief overheen werd gegoten. Onze sauzen zijn bij momenten half zo dik als zou moeten en van de gaartijd van pasta knijp ik meestal ook een minuut of twee af. En als alles dan eindelijk op tafel staat, dan begint het pas. Ik moest vlees snijden, ik moet dingen van het bord afhalen DIE HIJ ER DUIDELIJK NIET OP WIL HEBBEN LIGGEN, ik moet brood aanreiken en weer afpakken, ik moet bestek oprapen en afpakken, ik moet water inschenken, ik moet blazen, ik moet KIJKEN hoe hij zelf schept en dan wil hij er UIT UIT UIT.
“Weet je nog, lieve schat, hoe we vroeger samen konden eten en dan terwijl konden praten enzo”, zeg ik tegen Wout terwijl Kasper met zijn trommel rond de tafel loopt. Those were the days.

Dan zou ik met vrienden afspreken en effectief met hen kunnen praten. Hoe ging dat ook alweer, zo’n gesprek voeren? Ik vraag het mezelf soms af in de auto op weg naar een afspraak. Hoe bevrijdend is het om jezelf nog eens te horen denken! Om ergens binnen te komen en niet meteen je glas – en alle andere breekbare voorwerpen – in het midden van de tafel te zetten of ergens hoog op een kast. Hoe leuk zou het zijn als we de chips in de kommen nog eens zelf konden opeten terwijl ik aandachtig zou luisteren naar de verhalen van mijn kameraden in plaats van voortdurend ergens halfweg een zin te moeten opstaan.
Onlangs kwamen vrienden van ons op bezoek met hun kinderen. 5 jongens bij elkaar en dan 6 volwassen mensen – dat zou moeten lukken denk je want dat is gemiddeld 1,2 volwassene per kind. Maar die kleine smeerlappen die hebben er toch echt een handje van weg om op de meest onnozele momenten op hun gezicht te gaan/elkaar pijn te doen/honger te hebben/pipi te moeten doen/…
Daar stonden we dus in onze tuin wat halve gesprekken met elkaar te voeren, telkens wel onderbroken door één van onze bloedjes die ons drin-gend iets moest tonen. Toen de mannen het eten waren gaan halen besefte ik pas na een tijdje waarom dat praten plots zoveel gemakkelijker leek: 3 van de 5 lawaaimakers waren mee naar de afhaalchinees.
“Het was heel gezellig”, sms’ten we achteraf naar elkaar. En dat was het ook echt. Het is helemaal anders, maar het staat ons allemaal – dat ouderschap.

IMG_2395

Terwijl ik me in zeven rotvaarten sta te douchen, besef ik dat er heel wat dingen zijn die ik graag nog eens zou doen ‘zoals vroeger’. Ik vertel ze vaak mijmerend tegen Wout. Maar ik zeg er dan altijd bij dat het dan écht zoals vroeger moet zijn – ik mag nog geen kinderen hebben in het verhaaltje. Want anders zou ik me toch gaan haasten om op te staan omdat ik mee wil kampen bouwen in de zetel. Of ik zou toch naast ‘m willen zitten aan tafel omdat het ook zo lollig is om hem te zien prikken in zijn vlees – opperste concentratie. En ik zou het jammer vinden om de kinderen van onze vrienden niet te zien want het is fijn om hen te zien groeien.

Mijn wensen en dromen zijn dus ook maar dat: wensen en dromen. Want ik kan nooit meer helemaal terug naar ‘vroeger’. Hen weg denken is me nog nooit gelukt – hen weg wensen dat doe ik soms dan weer wel eens. Al duurt dat vaak nog geen halve seconde. Ik wil me niet meer voorstellen hoe het is zonder onze jongens. Ik voel hoe dat zou zijn wanneer ze er niet zijn: leger en doellozer. Ik wil me niet meer voorstellen hoe het zou zijn om hen minder te zien, om vaker weg te zijn. Want alles gaat al zo snel. Enkele weken geleden was Elias er nog niet. En een jaar of twee geleden was zelfs Kasper er nog niet. En kijk ze nu, die twee. Elke dag maken ze allebei grote sprongen, elke dag veranderen ze. Ze glippen door mijn vingers en ze worden nooit meer kleiner dan ze nu zijn.
Kasper slaat zijn armen om zijn broer heen. Ze liggen samen in het park en Elias lacht om alles wat Kas doet. En ik sta naar hen te kijken en ik denk: “doe maar op uw gemak zenne! Ge moet u niet haasten!”

Processed with VSCO with c1 preset

 

Advertenties

Kas als grote broer: een ‘gewoon’ verhaal

Misschien is het des mensen, maar zeker Vlamingen hebben de speciale gave om in plaats van positieve dingen te zeggen vooral te willen waarschuwen aan de hand van allerhande gruwelverhalen. Niet dat er iets mis is met waarschuwen, maar als het gaat over zaken waar toch nog weinig aan te doen is (zoals daar zijnde zwanger zijn), dan zijn sommige verhalen gewoon zinloos om te vertellen.
Toen ik aankondigde zwanger te zijn van Kasper, haalde echter heel wat mensen die ik tegenkwam in die periode allemaal hun bloederigste bevallingsverhaal boven. Speciaal voor mij herinnerde iedereen zich toevallig die éne baby waar nog net geen duiveluitdrijving aan te pas moest komen om het kind te laten doorslapen. Bij elke groente die ik in mijn mond stak, was er wel iemand die me angstig vroeg of ik niet bang was dat ‘die van de keuken’ dat misschien niet hadden gewassen maar gewoon zo – VOL TOXOPLASMOSE – op mijn bord hadden gekwakt. Als je voor het eerst zwanger bent, dan kruipen die dingen toch in je hoofd. Hoe hard je ook probeert van dat te negeren. Bij mij was dat althans zo.

Toen ik zwanger werd van Elias was ik dan ook opgelucht dat ik me die dingen dit keer minder hoefde aan te trekken. Het was immers goedgekomen met Kasper en ik had al wat meer vertrouwen in wat ik deed, ik wist al beter wat kon en wat niet kon. Dit keer gingen ze me dus niet meer de stuipen op het lijf jagen met allerhande negatiefs, verpakt als goedbedoelde waarschuwingen. Boy, was I wrong! Want ook bij kind twéé kan er natuurlijk heel wat mis gaan. En vooral – zo werd er mij verteld – kind één zou per direct veranderen in een bloeddorstig monster dat zijn babybroer zou proberen te versmachten van zodra ik even mijn rug zou keren. Het was dus zeker en vast een domme beslissing van zo snel al een tweede kind te maken want het ik het had mezelf nodeloos moeilijk gemaakt en beter wat gewacht. En nog proficiat he!
Al die verhalen – hoe goed bedoeld ook – zorgen er vaak voor dat moeders (of ik althans) zich kapot piekeren op voorhand over situaties die ze niet kunnen voorspellen. Bovendien zijn ze vaak waardeloos in die zin dat elk verhaal anders is, net zoals elk kind anders is en dus anders zal reageren. Tel daar nog bij op dat het vooral de erge verhalen zijn die verteld worden – want een kind waar het gewoon ‘goed’ mee gaat en die zich dus ‘gewoon’ als een baby’tje gedraagt met bleiten en weinig slapen en alles wat daarbij hoort – daar ben je nu eenmaal sneller over uitverteld.
Pas op, ik ben echt voorstander van eerlijke verslaggeving wat kinderen betreft. Als ik sommige moeders in mijn omgeving mag geloven dan is het altijd rainbows, lollipops and sunshine. Die moeders maken kinderen die altijd prima slapen overal waar je ze neerlegt, die altijd flink en met veel smaak hun vers gestoomde groenten opeten en die niet naar Bumba willen kijken maar liever naar verantwoorde programma’s zoals Ter Zake of De Afspraak. Ook dat zou ik me vroeger aantrekken – dat doet mijn kind immers allemaal niet – maar ook daar weet ik intussen beter. Maar om terug naar mijn verhaal te keren: ook bij Elias kreeg ik heel wat goedbedoelde verhalen te horen die mij vaak enkel stress opleverden. Waar er bij kind één gefocust wordt op de zwangerschap en wat er allemaal verkeerd kan gaan, wordt er bij kind twee vooral verteld hoe zwaar het zal zijn en hoe stout en jaloers kind één zich zal gedragen.

Intussen zijn we bijna twee maanden verder en kan ik dus enigszins een balans opmaken over mijn situatie. Dat is dus heel persoonlijk en ik wil géénzins waarschuwen/opscheppen/uitpakken.
Wat ‘zwaar zijn’ betreft: soms is het zwaar. Op momenten dat ik net een uur heb staan klooien in de keuken om tegelijk vers te koken, de keuken al wat op te ruimen en mijn oudste geëntertaind te houden is het best klote als de tweede liever niet heeft dat ik ga zitten op het moment dat ik het eten op tafel zet. Wanneer de jongste net zijn ogen sluit en de oudste vindt het dan net tijd om op zijn trommel te mokeren, dan zucht ik wel eens. Als ik Kasper voor de tv parkeer zodat ik de was kan ophangen maar dan hoor dat Elias het even moeilijk krijgt, dan vind ik dat stom voor mezelf dat ik mijn dingen niet kan afwerken. En meestal is er geen tijd in de dag en geen plaats in mijn hoofd om veel met mezelf bezig te zijn. Dus ja, soms is het heavy. Het goede nieuws is: dat is meestal op voorspelbare momenten. Als ik me daar dus mentaal wat op voorbereid, dan merk ik dat ik veel rustiger kan blijven wanneer iedereen jonger dan 2 het lastig heeft in mijn huis. Die rust straalt dan op hen af en doorgaans krijg ik de boel sneller weer op de rails als ik zelf kalm blijf.

Wat de houding van kind één betreft: ook dat is helemaal goedgekomen. Kasper was nog wat te klein om hem echt ‘voor te bereiden’ op de komst van zijn broer, maar ik heb toch met hem wat boekjes gelezen. Niet van die boekjes waarin het kind moet leren dat hij nu wat moet leren wachten, maar wel boekjes waarin alle diertjes kindjes hebben en waarin dat allemaal doodnormaal is. Ik heb ook niet te veel willen lezen en voorbereiden omdat ik dat niet nodig vond. Ik had geen zin om hem op te dringen dat hij nu ‘de grote broer’ werd, want voor mij is dat niet zijn belangrijkste rol. Kasper moet vooral maar zichzelf zijn en als hij het fijn vindt om grote broer te spelen dan is dat mooi meegenomen.
We vonden het belangrijk om het leven voor hem zo goed mogelijk gewoon te laten verder gaan toen zijn broer erbij kwam – want het is hoe dan ook een grote aanpassing. Wout is dus niet in het ziekenhuis gebleven zodat Kas in zijn eigen bedje kon slapen en tenminste één van zijn ouders gewoon thuis had. Ik las overal dat het belangrijk was om hem bij de verzorging te betrekken en dat probeer ik te doen.

’t Is te zeggen, ik nodig hem ertoe uit en als hij wil dan is dat tof en als hij niet wil dan is dat ook tof. Hij kreeg een pop en een buggy – het voordeel van oudere nichtjes te hebben – en soms krijgt die pop een fles en soms wordt die pop hardhandig uit de buggy gezwierd of bedolven onder 40 bavetten. Maar doorgaans krijgt ze eten, een propere pamper en wordt ze tig keer aan en uitgekleed.

Kasper z’n leven is dus voornamelijk gewoon verder gegaan, maar nu met een broer erbij. Ik heb hem zijn broer niet in zijn kleine armpjes geduwd vanop het moment dat die geboren werd. Als hij erom gevraagd had, dan had hij zeker gemogen – maar hij deed het niet en dat was ook prima. Afgelopen week – en dus pas na zés weken – deed hij het opeens wél: “baba pak?” vroeg hij – en zo geschiedde.

Hij heeft dat supergoed gedaan, hij was heel fier dat het mocht en na 45 seconden wou hij liever gewoon weer zijn velcro-groenten in stukken snijden in zijn keuken. Voor hem hoort Elias bij ons en er zijn dagen dat hij daar geen ene zier om geeft en er zijn dagen dat hij dat leuk schijnt te vinden. Ik kan niet in zijn hoofd kijken maar ik merk wel dat hij zelf ook aan zijn broer denkt. Als we ergens aankomen zegt ie steevast: “baba aijol” (de baby heet Elias). Of hij dat nu doet omdat hij het wil, of omdat hij denkt dat het moet of omdat zoveel mensen het hem al vroegen – wie zal het zeggen? Ik heb hem in ieder geval verteld dat ik het heel lief vind, maar dat hij net zo goed iets anders mag zeggen. Maar als hij wil vertellen over baby Aijol, dan moet ie dat zeker en vast doen. Voor hem hoort Elias gewoon bij ons gezin en krijgt die dus – net als wij – een keinatte zoen als hij gaat slapen. Alle horrorverhalen van stikjaloerse peuters waren hier dus overbodig. En zoals ik al zei: zelfs als hij wel heel erg jaloers zou zijn of het nog zou worden, dan heb ik niets gehad aan die verhalen op voorhand want zelden zijn ze constructief – veel vaker waarschuwend of belerend.

Wat ik dus zeggen wou met deze hele lange blogpost.
1: zwangere vrouwen hebben niks aan gruwelijke bevallingsverhalen. Ik vertel mijn verhalen enkel als er expliciet naar gevraagd wordt én ik benadruk dan dat elk verhaal anders is en dat het soms ook gewoon ‘gewoon’ meevalt. De ene bevalling is de andere niet, net zoals de ene vrouw de andere niet is en iedereen dat dus heel persoonlijk ervaart.
2: moeders hebben niks aan waarschuwende ‘uw kinderen gaan elkaar vanaf dag één  willen vermoorden’ legendes. Want opnieuw: elk kind is anders en elke moeder en elk gezin en dus elk verhaal. Wacht gewoon even af en kijk hoe het gaat.
3: in ons geval valt het allemaal best mee: de drukte en de moordlust. Dat maakt mij niet de uitzondering, maar de regel denk ik. En wat ik eigenlijk wil zeggen is dat vooral de uitzonderingen verteld worden: de sprookjes (waar ik altijd toch mijn bedenkingen bij heb) en de Nightmares on Elm Street. Met deze blogpost wil ik dus graag een ‘gewoon’ verhaal zijn. Eentje met moeilijke hoofdstukken maar net zo goed met fijne momenten.

Als dit gewone verhaal ervoor zorgt dat er ergens één moeder stopt met googlen, met zorgen maken, met rampscenario’s bedenken en alvast oplossingen verzinnen – als dit gewone verhaal ervoor zorgt dat er ergens één moeder het durft om gewoon af te wachten en het durft om te geloven dat ze het kan – ongeacht wat ‘het’ is – dan is het al deze 1571 woorden waard geweest.

Links: Kasper kust Elias en duwt daarbij de wipper zo hard naar beneden dat Elias er telkens vermoedelijk een hersenfractuur aan overhoudt wanneer hij los laat.
Rechts: Kasper probeer Elias het hoofd in te slaan met zijn puzzel (neen, da’s niet waar – hij wou hem gewoon tonen maar ja dat is saaier om te vertellen, toch?)

Elias.

Nog niet zo heel lang geleden – zo’n 6 dagen ongeveer – had ik voor de tweede keer het gevoel dat ‘zwanger zijn’ bij mij iets oneindigs is. Alle andere vrouwen kappen ermee na een negental maanden, maar ik niet. Ik doe gewoon voort. Anders dan de eerste keer, kon het me dit keer niet zoveel raken. Kasper was er uiteindelijk ook gekomen dus kind twee zou dat ook wel doen. De ‘extra dagen’ die ik kreeg, heb ik dit keer niet gevuld met wachten. Toen ik eenmaal de 40 weken bereikt had, ging Wout z’n verlof in en was er tijd om met ons drietjes nog wat quality-time te hebben.
We wandelden door Leuven, we gingen elke dag ergens naartoe waar Kas op zijn driewieler kon rond hossen, we zijn gaan foren op de kermis, het kind mocht zich uitleven op zandheuvels met tractoren allerhande en we aten koekjes in hutten die iemand anders zelf gemaakt had.

Het waren schone dagen en ik vond alles heel bijzonder. Want alles was waarschijnlijk de laatste keer met ons drietjes. Ik ben verschillende keren een laatste glacéeke bij Stuckens gaan eten. Ik heb Kasper drie laatste rondes laten draaien op de vliegerkes. Als hij zijn bord ’s avonds op de grond keilde omdat hij genoeg had, dan raapte ik liefdevol alles op en prevelde ik ‘dat dat de laatste keer was dat hij dat deed met ons driekes’. (Flash forward: hij doet het ook met ons vierkes).

Ik voelde heel wat tegelijk. Er was onrust (zou ik het wel kunnen, zo twee kinderen? – die bevalling, hoeveel pijn gaat die doen? Gaat alles goed gaan? – Hoe zal het Kasper afgaan om een broer te hebben? Gaat hij me niet te hard missen als ik er niet ben?). Er was geluk (want ik hoef maar te kijken naar zijn smoeleke en ik word gelukkig). Er was trots (op hem, want elke dag doet hij nieuwe dingen en hij is lief voor de wereld en flink en schoon en puur en en en – maar ook op mezelf, want ik had de laatste weken alleen voor hem gezorgd en hem (hopelijk) veel leuke dagen gegeven). Er was veel onzekerheid (Gaan we elkaar niet kwijtspelen in de drukte? Ga ik mijn hoofd niet te vol steken met vragen waar ik het antwoord niet op weet?). Die ‘extra dagen’ waren extra dagen vol leuks en tegelijk extra dagen om extra vragen te bedenken. Iets waar deze piekeraar toevallig uitzonderlijk goed in is.

En toen plots besloot kind 2 om in een rotvaart op de wereld te komen en zette hij daarmee even alles stil. Op minder dan 2,5 uur maakte Elias zich een weg naar de echte wereld. Ik had geen tijd meer om vragen te stellen of mogelijke antwoorden en andere scenario’s te bedenken. Het was tijd, zei ie, en gelijk had hij.

10 augustus is bijna 29 jaar lang voor mij een dag geweest zoals elke andere, maar Elias maakte er een mijlpaal van.

Ik maakte me op voorhand zoveel zorgen. Zou ik hem even graag kunnen zien als Kasper? Ik kon me niet inbeelden dat ik NOG iemand zo zo graag zou kunnen zien. Zou er nog wel plaats genoeg zijn in mijn moederhart? Dat grote moederhart van mij werd immers al helemaal ingepalmd door mijn eerstgeborene.
Ik had me helemaal geen zorgen moeten maken. Op het moment dat Elias geboren werd, groeide er in mijn lijf een heel nieuw, groot moederhart. En dat is helemaal voor hem.

En zo leerde elk van mijn jongens mij al iets op de eerste dag dat ze geboren werden. Kasper leerde me om te wachten. Om geduld te hebben en de dingen los te laten, om ze te laten zijn. Elias leerde me om niet stil te staan, om voort te blijven gaan, om er vaart achter te zetten in plaats van te piekeren. Verstandige koters, die van mij.

Gisteren scheen de zon. En wij hadden nu al bijna iedereen gezien – of iedereen ons – , maar opa nog niet. En dus gingen we langs en goten we te veel water over de bloemetjes. En terwijl mijn oudste kindje vol bewondering keek naar de tractor op het veld, slikte ik eens. Zo papa, nog een kleinzoon. Ik weet dat ie fier zou geweest zijn.

Processed with VSCO with c1 preset

Vanaf nu zijn wij een gezin met twee kinderen. Onze achterbank zit meer dan halfvol. We hebben nu aan tafel elk een kindje naast ons zitten. Ik ben totally outnumbered, maar ik voel me heel rijk met mijn drie jongens om me heen. Voorlopig ziet iedereen elkaar heel graag en worden er te pas en te onpas kusjes en (iets te) enthousiaste aaikes uitgedeeld aan onze ‘baba’.
Ik maak me nog steeds zorgen en ik bedenk nog elke dag extra vragen waar ik het antwoord niet op weet. Ik weet niet hoe het zal zijn en of hij zal slapen en of hij zal eten en hoe ik mij ga voelen en en en…
Maar er is heel veel liefde. En dat is genoeg.

IMG_0183