Het lezen.

Nog niet zo heel lang geleden stond er in de titelomschrijving van mijn blog ook nog het woord ‘boeken’. Ik heb dat er vol schroom tussenuit gedaan. Niet omdat ik niet meer lees – integendeel! – maar vooral omdat ik er maar niet toe kwam om mijn bevindingen of recensies of notities hier ook neer te pennen. Mijn blogvoornemen is om daar wat meer aandacht aan te besteden. Bij deze alvast een korte situatieschets.

Ik ben al heel mijn leven een lezer geweest. Ik was zo’n kind dat na school speelkleren moest aandoen om mijn ‘goei kleren’ te sparen. Met die speelkleren aan ging ik dan in een hoekje van de zetel boeken lezen. Als lagereschoolkind ging ik elke zondag en elke donderdag naar de bibliotheek in Halen. Die bibliotheek bevond zich in een klein lokaal dat leeg stond in de jongensschool. Het was daar altijd pokkewarm of ijskoud. Iets ertussen bestond niet. Ik las in de winter de boeken kortbij de chauffage en in de zomer de rest van het rek. In die tijd verslond ik alle kinderboeken die er voorhanden waren. Van Eefje Donkerblauw naar Roald Dahl en via Paul Kustermans rolde ik stilaan de adolescentliteratuur in. Boete betaalde je toen nog in franken en de kassa was een sigarenkistje met een gleuf erin gesneden. Dat kistje dat open en toe klapte was doorgaans het enige geluid dat je hoorde in de bib. Dat en de stem van de bibliothecaris. De bibliothecaris telde de boeken al fluisterend (een, twee, drie, vier, vijf), maakte er een stapeltje waarmee hij altijd even op de tafel tikte en zei “Da’s vijf frank alstublieft.” Eén frank boete per boek. Daarna weer stilte.

Toen ik de bib van Halen kapot gelezen had, schoof ik door de naar de bib van Diest. Die was supergroot en de temperatuur was doorgaans kamer. Dat was aangenaam. Bovendien stonden daar computers waar ik met één vinger de titels van boeken intypte die ik in Halen niet vond en voorwaar ik zeg u: ze waren er allemaal. Jarenlang ging ik vroeger naar de muziekschool zodat ik eerst nog in de bib kon rondhangen. Ik vond het niet erg als mijn ouders wat later waren om mij op te pikken, want dan kon ik nog gauw enkele boeken meegritsen. Ik las het hele rek tegen de muur aan de computers waar in het groot ADOLESCENTEN op stond. De eerste keer dat ik er kwam vertelde ik achteraf thuis met veel trots dat ik nu adoselentenboeken las. Ik voelde mij de koning te rijk met zoveel boeken die er nog te lezen waren. Ik las Gerda Van Erkel, Bart Moeyaert, Do van Ranst, Jan Terlouw, Dirk Bracke, Aidan Chambers, nog wat Paul Kustermans en natuurlijk alle Harry Potters. Er zijn nog wat gaten te dichten – ik las bijvoorbeeld nooit Thea Beckman omdat ik die ventjes op de kaft zo gek getekend vond – maar ik kan toch zeggen dat ik het meeste gelezen heb van wat er toen (eind jaren 90-begin 2000) als jeugdliteratuur gold.

Het zal je dan ook niet verbazen dat ik met al mijn liefde voor boeken naar Leuven trok om Germaanse te studeren. Het moeten – clichégewijs – de jaren zijn waarin ik het minste las. Niet omdat ik niet graag las, maar er was plots zoveel anders wat ik graag deed (pinten drinken met mijn maten om zomaar iets te zeggen). Tel daar nog bij dat er veel “verplicht” gelezen moest worden en dat dat vaak van die klassiekers waren waar je als 18-jarige gewoon nog niet helemaal klaar voor bent. Of ik toch niet. Als ik het boek uitgelezen kreeg, dan haalde ik doorgaans niet de helft eruit wat we achteraf in de les bespraken. Ik had soms het gevoel dat ik toch niet zo goed kon lezen als ik altijd gedacht had. Gelukkig waren er ook boeken bij die ik toen al naar waarde wist te schatten en waar ik echt van genoten heb. Maar laat ons wel wezen: de helft van mijn Norton Anthologies (ik heb drie van die kloefers) zal ik nooit lezen of nooit begrijpen of allebei. Ik ben naast die verplichte literatuur ook in die jaren wel altijd blijven lezen. Het was de tijd van Connie Palmen, de tijd van Herman Brusselmans, van Willem Frederik Hermans, van Herman de Coninck en uiteraard van Harry Potter (toen al voor de 10e keer denk ik). Achteraf bekeken ben ik blij dat ik toch heel wat klassiekers las tijdens mijn studies. Nu vind ik er veel moeilijker de tijd voor. En bovendien deden sommige van die boeken echt wat klassiekers horen te doen: ze bleken onvergetelijk.

Eenmaal afgestudeerd kon ik weer zonder schuldgevoel alles lezen wat ik wou. Ik woonde in Antwerpen en ontdekte de bib aan het De Coninckplein. Mijn god wat een openbaring! In zo’n grote bibliotheek had ik nog nooit een lidkaartje gehad. Ik mocht er twintig boeken per keer uitlenen en om de twee weken sleepte ik twee zakken vol boeken op en af. Ik las Stieg Larsson en Marja Vuijsje, nog wat Connie Palmen en ook A.F. Th. Van der Heijden vond zijn weg naar mijn boekenkast. Ik las Markus Zusak en Bernard Schleck, Stefan Hertmans, Brené Brown, Robert Galbraith en wat biografiën over muzikanten die ik bewonder. Ik las zoveel dat ik soms in een boek begin en me ergens halfweg bedenk dat ik het al gelezen heb. Ik startte een leesgroepje in het stadje waar ik van afkomstig ben om samen met andere leesliefhebbers te praten over een boek dat we lazen. Ik had nog geen kinderen en ik las op de trein, na het eten, voor het slapen en op alle andere vrije momenten waarop de tv niet te hard stond.

Nu zijn er kinderen en lezen is soms moeilijker in te plannen. Maar het is zo erg een stuk van mezelf geworden dat ik niet kan om niét te lezen. Dus als er even tijd is, dan lees ik. Goodreads helpt me om een doel te stellen. Vorig jaar wilde ik er 20 lezen en ik las er 37. Dit jaar kwam er een tweede kind bij dus stelde ik mijn doel op 25. Het is oktober en ik heb intussen 31 boeken gelezen. Ook mét kinderen schijnt het mij te lukken om te blijven lezen. Niet omdat het moet, maar omdat ik het wil. Het blijkt dat televisie en series kijken een pak lager op mijn prioriteitenlijstje staan dan ik eerder al dacht. Als het er echt op aankomt, kies ik liever voor een boek.

Mijn leesclubje bestaat nog altijd. Sommige zijn er al bij van bij de start. Onderweg vertrokken er enkele leden en er kwamen er weer bij. Er zijn er die altijd komen en sommige duiken na lange tijd opeens weer op. Het is mij allemaal gelijk. Ik vind het altijd fijn om samen met hen te praten over een boek dat we lazen.

Lezen is voor mij als ademen, eten en schrijven. Ik heb het nodig om mij goed te voelen. Het verrijkt mijn leven, mijn visies, mijn taal. Leren lezen is één van de beste dingen die mij ooit overkomen is. Het is maar juist dat ook die passie van mij hier wat vaker aan bod komt.

IMG_0952

Advertenties

In de leefclub

Vorige week maandag kwam ik weer samen om het met mijn leesvriendinnen te hebben over een boek dat we allemaal gelezen hebben. Dit keer lazen we Het absurde idee je nooit meer te zienDe Spaanse schrijfster Rosa Montero belandt in een depressie na het overlijden van haar man. Toevallig krijgt ze in dezelfde periode het rouwdagboek dat Marie Curie schreef na het overlijden van haar man Pierre in handen. Deze vondst zet Montero aan tot het schrijven van haar eigen persoonlijke verslag van het verdriet om haar man. Toch gaat het boek zeker niet alleen over rouw. Het leven als vrouw toen en nu, een carrière als vrouw in de wetenschap, de kracht van literatuur, de relatie tussen mannen en vrouwen in het algemeen, het komt allemaal aan bod in dit boek.

9200000045904474
Bron: google

Vorige week zaten we dus weer met z’n allen rond de tafel. Bij de start van onze avond bleek al dat bijna iedereen het een goed boek vond. Ieder van ons had er wel iets in gevonden wat ons raakte tot diep in ons hart. We lazen elkaar korte stukjes voor, we haalden bepaalde fragmenten aan en we trokken de lijn door naar ons eigen leven.
Ik koos bijvoorbeeld voor dit stukje tekst:

“Laat me je vertellen over een van de mooiste momenten uit mijn leven. Als goede stoïcijnse en gereserveerde krijger vreesde Pablo dat mensen medelijden met hem zouden krijgen, en hij koos ervoor zich af te zonderen. Daardoor waren we in de tien maanden dat hij ziek was vrijwel altijd alleen. Tot Pablo in de laatste dagen buiten bewustzijn raakte. Op dat moment, toen de aanwezigheid van anderen hem niet meer kon deren, stroomden onze vrienden ons huis binnen als het water van een stuwmeer na instorting van de dam. Ze stroomden binnen, gedreven door de grote ongerustheid die ze hadden gevoeld omdat ze zo lang op afstand waren gehouden. En ze bezetten onze woning, bivakkeerden in onze huiskamer, sliepen op de banken, losten elkaar af, bereidden maaltijden, schudden met medicijnflesjes en gingen naar de markt en de apotheek. En dat deden ze allemaal om hem te verzorgen, om mij te verzorgen, om ons te omringen met hun genegenheid. En ze bleven in het huis en gingen pas weg nadat Pablo was overleden, een strijdvaardig leger van vrienden die het voor elkaar kregen dat de afschuwelijke dood ook iets onbeschrijflijk moois kreeg.” 

Toen ik klaar was met voorlezen, keek ik op en zag ik knikkende hoofden me aankijken. We zijn allemaal immers al geconfronteerd met rouw en ieder van ons herkende ook dat warme, dat zorgzame, dat volle huis en al die thermossen koffie die bij rouw horen.
Ja, zeiden we tegen elkaar, zo is het maar net. Wie wou vertelde over zijn persoonlijke ervaringen, maar net zo goed werd er vooral geluisterd. De gesprekken waren bij momenten erg intiem en vertrouwelijk, maar niemand leek het gek te vinden om zulke persoonlijke gedachten met elkaar te delen. Dat is op zich speciaal, want voor onze leesclub geboren werd kenden we elkaar amper. Kijk ons hier nu zitten, dacht ik. Het is bijna beter dan therapie. Toen ik weer thuis was voelde ik me opgeladen en geïnspireerd. Niet alleen door het boek, maar zeker en vast ook door de input van mijn leesvrienden.

Eén van hen vertelde nog al lachend dat haar zoon zich met de beste wil van de wereld niets kon voorstellen bij onze leesclub. “Maar mama”, zei hij net voor I. vertrok, “wat doén jullie daar in godsnaam?”. “Tja,” antwoordde I, “heel veel eigenlijk, maar het is moeilijk uit te leggen wat precies”. Net voor ze de auto instapte kreeg ze nog telefoon van een vriendin die haar niet goed begreep: “Waar ga jij naartoe? Naar de leefclub?!”
I. verbeterde haar al lachend: “Maar neen gij, naar de leesclub!” Daar begreep ze al niet veel meer van, maar goed.

Achteraf bekeken had haar vriendin misschien gelijk, bedacht ik me. Misschien hebben we wel eerder een leefclub dan een leesclub. Het is een plek waar we’t hebben over het leven, dat van personages maar even goed dat van ons. We vertrekken vanuit een boek, maar al gauw schuift het verhaal over ons eigen verhaal heen en wisselen we ideeën, visies en ervaringen uit. Daar samen zitten toont me iedere keer de kracht van literatuur. En het helende en verrijkende van praten met andere mensen.
Eens thuis vroeg mijn lief hoe het was. “Het was weer super in onze leefclub”, zei ik.
“In de leesclub?”, vroeg hij, met een half oog naar Extra Time kijkend.
“Neen, neen, in de leefclub”, zei ik terwijl ik mijn ogen over de planken van mijn boekenkast liet gaan – alweer op zoek naar ons volgende verhaal.

Processed with VSCO with t1 presetI
Ik als zeventienjarige tijdens één van de moeilijkste periodes in mijn leven – in een innige omhelzing met de aanvoerder van mijn strijdvaardig leger aan zorgzame vrienden.

 

 

 

 

 

Gelezen: Matilda

U weet dat, of u weet dat niet, maar ik ben nogal een lezer. Ik bedacht me gisteren op weg naar school nog dat ik me geen moment in mijn leven kan herinneren waarop ik niét in een boek bezig was.

Ik ben al sinds ik het kan altijd aan het lezen. Ik sleep ook al zolang ik me kan herinneren altijd en overal een boek mee. Het moest maar eens zijn dat ik tien minuten moet wachten. Mijn grootvader vond dat heel raar. Wij gingen elke zondag bij mijn grootouders eten en als ik bij hen aankwam, gaf ik hen een kus en legde ik mijn boek alvast klaar op de vensterbank. Hij pakte het dan op, las de achterkant en keek mij aan met ogen vol onbegrip. Ik deed hetzelfde met hem als hij uitgebreid over ‘zijnen hof’ begon te praten. Maar goed, ik dwaal af.
Ik ben dus sinds ik 6 ben voortdurend wel in één of ander boek bezig. En toch is het zo dat ik als kind heel wat klassieker niet gelezen heb. Dit bijvoorbeeld: nooit gelezen. Ik vond dat boek er als kind al zo oud uitzien en de ventjes op de kaft vond ik eng. Of dit: ook nooit gelezen. Ik voelde mij zo gekl**t na dat vreselijke verhaal van die Blinker met zijn idiote bakfietsbioscoop dat ik dacht: “die Marc, die gaat mij niet meer liggen hebben.” En dit: ook nooit gelezen. Te weinig identificatiemogelijkheden want ik zei gewoon broek tegen een spijkerbroek, ik woonde in een dorp en niet in een Amerikaanse stad en ik kende niemand die Brigdet of Tibby heette. Ik heb het niet als een gemis ervaren dat ik die boeken nooit gelezen heb. Ik heb immers veel andere topboeken wel gelezen. Dit boek bijvoorbeeld en dit boek en natuurlijk ook dit en zo kan ik nog wel even doorgaan.
Ik haalde die boeken in de bib bij ons in’t dorp. De bib was vroeger in een klas van de school (helemaal vanachter in de gang). Ze was open op donderdagavond en op zondagmorgen en ik had altijd het gevoel dat ik iets spannends deed (want ik liep door de schoolgangen ZONDER DE JUF EN IN HET DONKER). Er stonden ongeveer 10 rekken, het was er stil en als je boete moest betalen dan stak je 5 frank in het houten sigarenkistje dat de lieve bibliotheekman dan open en toe klapte. ‘KLAP!’ galmde het dan luid in de stille schoolgangen.  Als ik zou kunnen tekenen, dan tekende ik de hele kamer voor u – zo haarscherp zit ze in mijn herinneringen. Maar als ik vroeger een kat tekende voor mijn nichtje dan zei ze ‘fietsj, fietsj’. U ziet het probleem.

Onder het motto “Beter laat dan nooit” las ik deze week ‘Matilda’ van Roald Dahl – nog zo’n klassieker die ik nooit gelezen heb. En van deze topper kan ik dus werkelijk niet zeggen hoe het komt dat ik hem nooit gelezen heb. Het verhaal kende ik wel al, want ik won ooit de film (met Danny Devito en Mara Wilson) in het radioprogramma ‘Voeten Vegen’ op Radio 1. Ik vermoed dat mijn zwak voor Johan Terryn daar vandaan komt.

Maar goed dat ik stilaan zo bedreven word in het ‘omdenken’ want nu besef ik wat voor een geluk het is dat ik hem nooit las, zo kon ik hem nu meteen in het Engels lezen – dat was me als kind nooit gelukt. De verwachtingen waren hoog want ik hoorde enkel goeds over het boek én ik vond de film vroeger fantastisch. Bovendien kwam er goede muziek in – ik hoorde er dit nummer voor het eerst. Ik kan het nog steeds niet horen zonder dat ik dingen begin aan te wijzen in de hoop dat ze vanzelf zullen bewegen. Vooralsnog zonder succes.

dannydevito
Bron: newsweek.com – alsof het gisteren was dat ik de film nog zag. 

Zoals verwacht stelde het boek niet teleur. Het verhaal gaat over Matilda die buitengewoon intelligent is. Haar ouders behandelen haar heel slecht en zien dus niet hoe verstandig hun dochter is. Ze hoopt dat het er op school anders aan toe zal gaan, maar dat is buiten de directrice ‘Miss Trunchbull’ gerekend. Die haat kinderen en is heel agressief. Wanneer Matilda zelf slecht behandeld wordt door de directrice beseft ze dat ze een merkwaardige superkracht heeft die ze zal gebruiken om Miss Trunchbull een lesje te leren.
Ik ben geen kind meer (of toch niet in de strikte zin van het woord) en het boek heeft me niet verveeld en het voelde ook niet ‘te kinderlijk’ aan. Ok, het is natuurlijk niet hetzelfde als deze topper van Hanya Yanagihara, maar dat is natuurlijk ook niet de bedoeling in een kinderboek.  Ik heb vaak keihard moeten lachen. Ik sloeg het boek nog maar open of het was al van dat:

“It is a curious truth that grasshoppers have their hearing-organs in the sides of the abdomen. Your daughter Vanessa, judging by what she’s learnt this term, has no hearing-organs at all.

En ook nog hier:

“Good strong hair,” he was fond of saying, “means there’s a good strong brain underneath.”
“Like Shakespeare,” Matilde had once said to him.
“Like who?”
“Shakespeare, daddy.”
“Was he brainy?”
“Very, daddy.”
“He had masses of hair, did he?”
“He was bald, daddy.”

Plezant vind ik dat.
Ik heb me nu voorgenomen om dan maar ineens alles van Roald Dahl te lezen – zowel zijn kinderboeken als zijn kortverhalen. Ik vermoed dat ik geen boete zal moeten betalen als alle verhalen zo vlot zullen lezen als “Matilda”.

matilda_1
Bron: screenprism.com
Ik had me als kind zeker herkend in Matilda – ook al kapte mijn vader geen zaagsel in motors van auto’s om ze duurder te kunnen verkopen. 

 

The August Break II

4. Sweetness

Als ik denk aan sweetness, dan denk ik meteen aan Kaatje. De kleine meisje kan zo onbevangen graag zien en dat zo spontaan laten merken. Ze kijkt enorm op naar haar grote zus, ze hangt aan haar papa om gibberend in de lucht gegooid te worden, ze rent pijlsnel naar haar mama als ze liefde moet tanken en ergens in haar grote hart heb ik ook een plaatsje. Er is geen makkelijker kind om tante-meter van te zijn behalve als ze haar goesting niet krijgt – gelukkig is het voor Kaatje snel goed.
Kaatje is – in tegenstelling tot Janne – een echt kindje. Janne was al heel snel ‘groot’. Ze houdt zich aan afspraken, je kan met haar al sinds ze nog een kleutertje was dingen bespreken, ze wil aan tafel liefst meepraten met de grote mensen, ze is graag de grote nicht en ze houdt ervan om bepaalde verantwoordelijkheden te krijgen.
Kaatje is anders. Kaatje speelt graag, en ze vindt het niet erg om alleen te spelen. Haar fantasie is zo groot dat Kaat nooit echt alleen is. In haar hoofd speelt zich een hele wereld af waar wij soms glimpen van kunnen opvangen. Dat levert vaak totaal absurde gesprekken op. Ik probeer dan altijd wat ze vertelt te linken aan iets wat echt gebeurd zou kunnen zijn (misschien bespreekt ze een herinnering) om al gauw tot de conclusie te komen dat wat ze vertelt zich vooral in haar fantasie heeft afgespeeld. Zo vertelde ze me gisteren dat we best eens verstoppertje zouden spelen, maar niemand moest tellen en er moest ook niemand zoeken. Ik wees haar erop dat het dan toch niet meer verstoppertje was, maar dat zag ik toch fout hoor want het blijft natuurlijk wel verstoppertje. De rat in mijn hersenpan draaide overuren al rennend in haar wiel, maar ik kon er toch niet helemaal aan uit.
Kaatje heeft oog voor de dingen om ons heen;  dingen waar wij vaak de tijd niet voor nemen om naar te kijken. Ze kan – in zichzelf zingend – door de tuin wandelen en opeens op de grond gaan zitten omdat ze een diertje gezien heeft. Ze verzamelt stenen, ze geeft mij veren van vogels cadeau (soms ook echt gortige exemplaren) en ze is doorgaans niet aan het kijken naar datgene wat ik haar aanwijs, maar naar iets kleins wat er tegenaan plakt. Waar Janne wil weten hoe het komt dat de dingen zijn zoals ze zijn, maakt dat voor Kaat niet zoveel uit. Dat ze er zijn is meer dan voldoende.
Kaat is lief. Kaat is zoet en ze proeft altijd een klein beetje naar wat ze het laatst in haar mond stak. PSP_20160528_nikeenpieterjan_304De dingen hebben jou nodig om gezien te worden – Kaat vindt een slak op de trouw van haar mama en papa. (foto Philippe Swiggers)

Ik denk bij sweetness ook aan mijn lief zien vaderen, aan mensen die elkaar oprecht en zonder iets terug te verwachten becomplimenteren (wat is dat zeldzaam), aan bewondering die geen jaloezie wordt (zowaar nog zeldzamer), aan content kunnen zijn voor een ander (ge hoort me al komen) en aan Wout die alle koeken uit ons schap vast heeft.

5. Midday

IMG_0696
No children were harmed in the making of this picture. 

Soms behoeven beelden geen woorden.
Het waren wortelen en hij had meer goesting om met zijn handjes heel hard op tafel te kloppen dan om zijn mond open te doen. Zijn moeder verhinderde dat en dat irriteerde hem mateloos. We zullen het daar maar op houden.

6. I’m reading

Zelfs de beste vriendin van de schoondochter van de achternicht van de slager wiens moeder trouwens de zuster is van de achterneef van de pastoor weet dat ik graag en veel lees. De voorbije dagen heb ik alle graphic novels gelezen die de bib van Halen te bieden heeft. Dat zijn er meer dan op deze foto te zien zijn, natuurlijk.

IMG_0850

Ik vond ze alledrie goed, maar vooral ‘Blauw is een warme kleur’ vond ik echt zeer te pruimen. Het boek won al prijzen en het is ook verfilmd als ‘La vie d’Adéle’. De film was onlangs op Canvas en ik heb hem opgenomen zonder te weten dat ik er intussen het boek van aan het lezen was. Er liggen nog een paar Graphic Novels te wachten en dan heb ik ze allemaal gelezen. Heeft er nog iemand tips over andere mooie exemplaren?
Tussendoor lees ik ook dit boek:
IMG_0849

Het hoort bij de app ‘Headspace’ die ik al een tijdje gebruik om mijn gedachten af te leren zetten. De eerste tien lessen krijg je gratis, vanaf dan moet je ervoor betalen. Ik heb de lessenreeks afgerond en ik moet zeggen dat de aangeleerde techniek al geholpen heeft om te stoppen met piekeren.

7. Beneath my feet…

IMG_0872

…the green green grass of home!
Wij doen dit jaar van staycation (dat klinkt wat blitser dan ‘wij blijven thuis’ maar het is toch vooral helemaal hetzelfde) en ik vind het echt superleuk. Het is verfrissend om na jaren van op vakantie te gaan, de mogelijkheden van het thuis blijven nog eens te ontdekken. Versta me niet verkeerd, ik heb ook gebaald toen mijn broers en mijn mama vrolijk op vakantie vertrokken maar wij hebben het hier thuis al zo fijn gehad dat ik niet echt het gevoel heb dat we iets misten door dit jaar thuis te blijven. Er is tijd om rustig de gazet te lezen, we gaan regelmatig wandelen, we zijn al een weekendje naar Ieper geweest en nu het hier in Halen kermis is, lijkt het toch elke avond een beetje alsof wij in één of ander all-in resort naar de slechte karaokebar aan het luisteren zijn. Als iemand nu de zomer even terug zou willen aanzetten, dan zijn we helemaal gesteld.

Een aangename postumiteit

9789029581332_273_416_s_c1
bron: Google

U vraagt waarom dit mijn lievelingsboek is?
Daarom:

aan de Stad Mechelen, Stadskas
Geachte Heer
Ik verneem dat het u spijt dat mijn moeder Leontina Deron bij haar overlijden nog een bedrag van 9.321 F verschuldigd was wegens rioleringsbelasting 1984-1985.
Mijn moeder overleed in 1983.
In het jaar na haar dood zou zij dus voor meer dan negenduizend frank bij elkaar gekakt en doorgesjast hebben. Dat lijkt mij een prestatie, gezien ze bij leven al een lichte neiging tot constipatie vertoonde, die er na haar dood zeker niet beter op geworden is.
Maar zelfs als zij nog geleefd zou hebben en gemiddeld één keer per dag een drol kwijtmoest, zou dat betekenen dat de Stad Mechelen ongeveer 30F per drol belasting heft. Terwijl het hier toch om ontlasting zou moeten gaan.
Gelieve me bijgevolg te laten weten of het hier niet om een kwalijke grap gaat.
Met hoogachting,

Herman de Coninck

uit ‘Een aangename postumiteit – Brieven 1965-1997’ – Herman de Coninck

En ook wel hierom:

Aan de directie van Waterman pennen

Zeer Geachte Heer,
Hier volgt een oneerbaar voorstel.
Ik ben hoofdredacteur van het aantrekkelijkste, meest internationaal gerichte, breedste literair-cultureel tijdschrift, het Nieuw Wereldtijdschrift.
Zo kan ik nog een tijdje doorgaan, maar liever sluit ik ons recentste nummer in, plus een uittreksel uit een lezersonderzoek naar het profiel van onze lezers. Die vormen in elk geval een beperkt (oplage 6 a 7000 exemplaren) maar zeer vulpen-vriendelijk publiek.

Mijn oneerbaar voorstel is het volgende. Ik zou graag hebben dat u een beetje royaal adverteerde in het Nieuw Wereldtijdschrift. Tja, dat zou elk tijdschrift wel graag hebben. Maar ik heb een speciaal voorstel, waarmee ik ook mezelf een beetje oneerbaar maak: op de linkeradvertentiepagina drukt u een fraai belichte Waterman af, zoals u dat zo mooi kunt – en op de rechterbladzij schrijf ik dan (ik ben een nogal populair dichter) een handgeschreven ode aan Waterman, met mijn naam en/of handtekening eronder. (….)

Minimaal is mijn voorstel dat u enkele keren adverteert in het Nieuw Wereldtijdschrift over een dubbele bladzijde (tarieven sluit ik in) – waarbij mijn Waterman-ode ongeveer als volgt zou gaan:

Ik doe ’t wel eens met Bic. Kater van.
Mij concentreren zoals alleen een pater kan,
lukt mij slechts met mijn Waterman.
O, inspiratie, klater dan!

Zoiets. Ik richt mij tot u omdat ik inderdaad met een Waterman schrijf – maar ik ben natuurlijk niet te beroerd, als u nee zou zeggen, om de concurrentie te benaderen. Hoewel, ik ken niet meteen een rijmwoord op Parker.
Daar hebt u geven geluk.
Met hartelijke groet,

Herman de Coninck

uit ‘Een aangename postumiteit – Brieven 1965-1997’ – Herman de Coninck

 

Veel beter dan dit wordt het niet. Ik kan het blijven lezen. En nu ik er zo weer aan begonnen ben, vermoed ik dat dat exact is wat ik zal doen.

 

 

Rumour(s) has it

Vandaag las ik ‘Storms – my life with Lindsey Buckingham’ van Carol Ann Harris uit. Het boek gaat verrassend genoeg over de jaren waarin de schrijfster samen was met Lindsey Buckingham en dus deel uitmaakte van the inner circle van Fleetwood Mac. De vlag dekte in dit geval de lading dus behoorlijk goed.

In se is het boek uiteraard niet de roman van het jaar. Het is vooral een geromantiseerde versie van de 8 jaren waarin ze samen zijn geweest. Dat ‘geromantiseerd’ mag je letterlijk nemen. Verschillende gebeurtenissen worden nogal overdreven uitgerokken om het boek toch maar genoeg body te geven en eigenlijk is het vaak nogal veel van hetzelfde: drugs, rock ’n roll en de tol die zo’n leven eist. Toch heb ik het boek met veel plezier gelezen en wel om de volgende redenen:

1. Het was het eerste boek dat ik op mijn nieuwe Kindle las en boy dat was nogal eens plezant! Ik ben al heel mijn leven een boekenmie en ik hou ervan om boeken te kiezen, te kopen en te hebben. Ik kan soms wel een kwartier lang mijn ogen over de ruggen van de boeken in mijn boekenkast laten gaan. Ik word daar blij van. Raar – zegt u? Kijk, het is niet anders. Ik was dus enigszins sceptisch over hoe die Kindle mij zou bevallen, maar ik kan u allen verzekeren dat boeken en Kindles perfect naast elkaar kunnen bestaan. Het is niet omdat ik nu een e-reader heb dat ik geen papieren boeken meer zal lezen en omgekeerd. De Kindle is alles wat ik ervan verwacht had; namelijk een compact ding waar veel boeken op staan en ik zelfs geen bladzijde moet omslaan maar louter op het scherm moet tikken. Fijne leeservaring! Geslaagde aankoop! Hoera!

2. Ik ben heel erg fan van Fleetwood Mac. In elk Classics lijstje dat ik invul, zet ik ‘Rumours’ op één. Het is mijn favoriete album aller tijde. Niet dat ik geen andere muziek weet te pruimen, zeker niet. Maar Rumours is werkelijk de énige plaat waarvan ik élk lied goed vind. Bovendien is het verhaal erachter ook fascinerend. Fleetwood Mac bestond ten tijde van het schrijven van Rumours uit twee koppels (Lindsey Buckingham en Stevie Nicks & John en Christine McVie) die op dat moment uit elkaar gingen. De muzikanten schreven over die vervelende break-ups elk hun versie van de feiten neer in de nummers die uiteindelijk op ‘Rumours’ terecht kwamen. (De plaat heet overigens zo omdat er dus veel geruchten rondgingen over dat Fleetwood Mac zou splitten.) Zo schreef Christine McVie ‘Songbird’ voor haar minnaar Curry Grant maar maakte ze haar ex-man John wijs dat ze het schreef voor haar hond. (Serieus, hoeveel drugs moet je nemen om te denken dat ie dat zou geloven, denk ik dan). Stevie Nicks schreef haar verdriet van zich af in ‘Dreams’ en Lindsey Buckingham liet haar op zijn beurt weten dat ze zijn zak mocht opblazen via ‘Go Your Own Way’. Stevie Nicks heeft de volgende 30 jaar van haar leven zichzelf moeten toezingen dat ze het mocht aftrappen. Pijnlijk.

FMacRumours

Zo van die verhalen, dat boeit mij en daarom heeft de plaat ‘Rumours’ mij altijd zo geraakt. Ik heb intussen al heel wat gelezen over Fleetwood Mac. Ik las bijvoorbeeld ook dit boek over de technische kant van de zaak. En afgelopen zomer las ik Mick Fleetwood z’n versie van de feiten in dit boek . Daarbij kon ik alleen maar denken dat zijn vrouw Jenny Boyd (zus van Pattie en dus schoonzus van Eric Clapton) het ook niet echt getroffen had met z’n exemplaar als de andere helft van uw trouwboek.

Als muziek mij op dergelijke manieren weet te raken zoals ‘Rumours’ dat kan, dan wil ik altijd meer weten over de artiesten achter die muziek. Daarom las ik ook al de biografieën van o.a. Eric Clapton, alle leden van Guns ’n Roses die er eentje hebben (zijnde Duff McKagan, Slash en Steven Adler), BB King en Jeff Buckley.

Ik gaf het boek van Carol Ann Harris 3 sterren. Niet omdat het zo wonderlijk goed geschreven is en ook niet omdat ze erin geslaagd is om bijna 150 keer het woord ‘blow’ en ‘cocaïne’ in één boek te krijgen (het is een ruwe gok, het zou 250 keer kunnen zijn ook), maar gewoon omdat ik nieuwsgierig ben naar het leven van die band. Stevie Nicks haar  versie  ligt klaar om gelezen te worden. Carol Ann bleef heel beschaafd wanneer ze het had over haar voormalige liefdesrivale. Benieuwd of Stevie dat ook zal zijn!

Gelezen: ‘Het smelt’ – Lize Spit

Wie mijn vriendje is op Goodreads had het al gezien: ik las vandaag ‘Het smelt’ uit. Dit debuut van Lize Spit is in de pers al uitgebreid beschreven en bejubeld. Vaak ging het dan niet enkel over haar boek, maar ook over haar ‘jeugdige’ leeftijd. Spit is ‘nog maar ‘ 27 jaar en dat maakt dat de wereld blijkbaar nog meer steil achterover slaat van het feit dat ze een boek kan schrijven. Ik vraag me af of er eigenlijk ergens nog verwezen werd naar het feit dat ze dan ook nog eens een vrouw is (een vrouw, godbetert! Kunnen die tegenwoordig ook al schrijven?!).
Ik probeerde op voorhand zo veel mogelijk van de artikels over het boek en over de schrijfster te mijden omdat ik onbevooroordeeld aan de start wou staan. Het gevaar met hypes is dat je op voorhand al moet zeggen dat het goed is (want iederéén en zijn moeder vindt het) en dan slaat het mij doorgaans nogal tegen. Het enige wat ik dus op voorhand wist over Lize Spit was dat ze 27 jaar oud is en dat haar kapsel lijkt op dat van Selah Sue (u weet wel, dat meisje uit Leuven dat zo melodieus kan mekkeren als een geitje).

 

468523-jdw-02

(bron foto: gva.be)

Het boek gaat over de drie musketiers Pim, Laurens en Eva die quasi verplicht zijn om elkaars beste vriend te worden aangezien er in hun geboortejaar geen andere kinderen geboren werden in het dorp waar ze groot worden. Wanneer de drie de puberteit ingaan, veranderen de verhoudingen. “De jongens bedenken wrede plannen en Eva kan hieraan meedoen of haar enige vrienden verraden. Die keuze is geen keuze”.
Zo staat het letterlijk op de achterflap. Laat dat nu net zijn wat me wat tegenstak aan het boek: de idee dat je niet anders kan dan bevriend zijn met twee andere kinderen die toevallig in hetzelfde jaar geboren zijn en dat je dan blijkbaar ook nog eens verplicht bent om mee te gaan in alle snode plannen die die leeftijdsgenoten bedenken. Ik wil niet te veel over de plot vertellen om spoilers te vermijden, maar ik kon doorheen het boek toch nergens de gedachte van me afschudden dat die Eva haar zogenaamde vrienden evengoed een welgemeende f*ck you had kunnen aanbieden. Ongetwijfeld was het Spits bedoeling om zo’n hulpeloos hoofdpersonage te creëren, maar ik naai me in ‘het echt’ nogal op in mensen die eigenlijk schapen zijn en dat doe ik dus ook in dergelijke figuren in boeken. Ook de moeder van Laurens’ reageerde nogal gek (“Ben je voor het eerst ongesteld, misschien?”) toen Eva heftig bloedend en overgevend op de vloer van haar slagerij zat. Dat zijn dan situaties waarvan ik me niet kan voorstellen dat die in de realiteit zo zouden gaan. Zelfs niet in het geval van de typische slagersvrouw die niet om een roddel of twee verlegen zit.
Verder vond ik het gebruik van ‘deze’ nogal raar in het boek.

“Misschien deden ze het vooral voor de huisvaders. Zo konden deze thuis eindelijk concreet benoemen waar ze heen gingen.”
of ook:
“Van hieruit heb ik een perfect zicht op de deur van de slagerij en op het uithangbord met de drie varkenskoppen. Behalve het uur geeft deze ook de buitentemperatuur aan.”

Hoe ze in deze zinnen respectievelijk naar ‘de huisvaders’ en naar ‘het uithangbord’ verwijst, lijkt me niet helemaal te kloppen. Het voelde voor mij in ieder geval stroef. Ik was in de veronderstelling dat zin 1 niet echt ‘liep’ maar grammaticaal gezien wel klopte, maar zin 2 niet. Je verwijst naar een het-woord met dit/dat en niet met die/deze. Lees hier maar na als je mij niet gelooft. Dat gekke gebruik van ‘deze’ stoorde mij omdat het zo formeel klonk en daarom in elke zin van haar anders zo vlotte taalgebruik heel erg opviel.

Enfin, los daarvan is het zeker een sterk debuut. Spit kan heel erg beeldend schrijven en ze slaagt erin om aan de hand van enkele kleine dingen de jaren ’90 te laten herleven (denk aan ‘Polly Pocket’, luchtfoto’s van huizen die deur aan deur verkocht worden en van die kleine tutters die iedereen toen rond z’n nek had bengelen). Spit is dus niet enkel een vlotte schrijfster maar ook een goede observator en dat sprak me dan wel weer erg aan. Sommige dingen zegt ze zonder ze te zeggen. Verder ontvouwt de goed doordachte plot zich traag maar nooit te traag om de spanningsboog te doorbreken. Ik zag het einde zo’n 100 pagina’s voor de ontknoping aankomen, maar toch heeft dat er nooit voor gezorgd dat ik het boek niet meer boeiend vond. Bovendien slaagt de schrijfster erin om de moeilijke thuissituatie van het hoofdpersonage Eva op een rauwe manier te beschrijven. Het leek wat op ‘De Helaasheid der Dingen’ maar dan zonder de kolder. Het getuigt toch van enige levenswijsheid of ervaring (al hoop ik voor haar dat het vooral veel van het eerste en weinig van het tweede is) dat ze zoiets zo raak kan beschrijven.

Ik gaf het boek 3 van de 5 sterren op Goodreads. Gemiddeld krijgt het daar 4,5 ster dus ik blijk minder laaiend te zijn dan de andere 310 mensen die het boek een score gaven op Goodreads. Maar laat dat u vooral niet tegenhouden om het zelf te lezen. Of ze nu een frisse druif van 27 is of een rozijn van 75, Lize Spit heeft met ‘Het Smelt’ een debuut geschreven dat beklijft. Ik ben benieuwd naar wat ze nog meer in haar pen heeft zitten.

Las iemand van jullie het al? Laat gerust weten wat jullie ervan vonden!