Ouderzonden: Superbia

Zeven weken geleden lanceerden Romina en Annelore de uitdaging om met z’n allen (of toch diegenen die meedoen) te bloggen over de zeven hoofdzonden en hoe die tot uiting komen in het ouderschap. Ik schreef me in en ik hoop dat het me lukt om elke week mijn stukje geschreven te krijgen en dat ik het durf om elke keer zo eerlijk mogelijk te zijn.

1. Superbia (hoogmoed – hovaardigheid – ijdelheid)

“Waarom ben jij een goede ouder?” – “Waar blink jij in uit?” staat er bij deze hoofdzonde geschreven. Daar moet ik even over nadenken. Het is niet dat ik niet vind dat ik dingen goed doe als ouder, maar de antwoorden komen toch ook niet zomaar uit mijn pen gerold.

Vooreerst komt dat omdat ik natuurlijk nog niet zo heel lang ‘ouder van..’. Kasper werd nog maar net twee jaar. Ik zit dus eigenlijk nog in mijn stageperiode – dat zie ik trouwens ook bevestigd in de stomme taakjes die altijd voor mij zijn en in het teleurstellende loon. Ik luisterde onlangs naar de nieuwe podcast van “Ik ken iemand die” en daar merkte een van de sprekers terecht op dat je die eerste jaren gewoon niet echt kan zeggen of je een goede ouder bent of niet.  Ik las ook in een boek niet zo heel lang geleden (ik weet al niet meer welk) dat je eigenlijk pas echt weet of je’t goed gedaan hebt wanneer je kinderen zelf een gezin beginnen omdat je dan kan zien hoe ze zich gedragen in liefdesrelaties. Daar zijn we nog lang niet.

Aangezien kritisch zijn voor mezelf en de lat erg hoog leggen twee van mijn kwaliteiten/valkuilen zijn, vind ik het best moeilijk om op te sommen waar ik mezelf goed in vind. Het is niet dat het me ontbreekt aan zelfvertrouwen, het is vooral dat ik altijd dingen zie die beter kunnen. Maar laat ik nu maar bij de opdracht blijven. Wat doe ik goed als ouder?

Ik vind dat ik een goed voorbeeld probeer te zijn van hoe je goed kan omgaan met andere mensen. Ik vind vriendelijk, beleefd en hartelijk zijn in kleine dagelijkse contacten erg belangrijk. Kasper heeft dat intussen feilloos overgenomen. Overal waar we komen, zegt hij iedereen gedag (zelfs de levensgrote leeuw die voor de deuren van de Delhaize), charmeert hij de winkelbediende van Budgetslager met zijn ‘Dank u, vrouw’, zwaait hij naar alles wat beweegt en vast staat en is hij bijna altijd vrolijk.

Verder probeer ik hem te leren dat het ok is om hulp te vragen, om te zeggen dat iets niet lukt. Zeker voor een tweejarige die regelmatig overweldigd wordt door alles wat hij voelt of gefrustreerd geraakt door wat hij zou willen kunnen maar nog niet kan, lijkt ‘om hulp vragen’ een handige vaardigheid. En hij doet het sinds kort erg goed. Als hij de stoep niet opgeraakt met zijn fiets – als hij de kussens in zijn kamp niet juist gelegd krijgt – als hij zijn eten niet goed op zijn lepel krijgt – als hij de Duploblokjes niet in elkaar kan klikken: “Mama lukt niet – mama help” zegt ie. Ik becomplimenteer hem omdat hij het kan – om hulp vragen. Ik ken heel wat volwassenen die daar niet toe in staat zijn.

Ik laat ruimte voor hun persoonlijke interesses – ook als ik die zelf soms vervelend vind. In casu: de trommel. Kas houdt gewéldig veel van muziek horen en van muziek maken. Ik moet bijna voortdurend liedjes voor hem zingen of muziek opzetten. Hij slaat ongeveer 2 uur per dag op zijn trommel en hij is creatief in oplossingen zoeken als zijn trommel niet voorhanden is. Op vakantie aan zee pakte hij de frisbee en zijn tandenborstel om het dagelijkse ritme-uurtje vorm te geven. Er zijn momenten dat ik echt horendul word van dat lawaai. Ik kan mezelf soms niet horen denken. Ik word gek van zijn voeten die op de grond meestampen. Ik heb weinig geslapen en ik wil gewoon dat iedereen stil is en zo weinig mogelijk beweegt. Maar ik verkies om dat gevoel te negeren en hem toe te laten om dat te doen waar hij duidelijk heel intrinsiek voor gemotiveerd is. En doorgaans – niet altijd – merk ik het na een tijdje zelfs al niet meer op.
Dat ik er ruimte voor laat, betekent evenwel niet dat hij het altijd en overal mag doen. Ik wil hem namelijk ook graag leren dat het belangrijk is om rekening te houden met andere mensen. De afspraken zijn daarin erg duidelijk: als Elias slaapt, wordt er niet getrommeld. Hij weet dat en soms is hij er boos om maar doorgaans kan hij goed wachten.

Ik heb onmetelijk veel geduld met mijn kinderen – toch zeker in vergelijking met de hoeveelheid geduld die ik doorgaans heb voor mensen en situaties. Ik ben zeker niet heilig, ik ben ook al mijn geduld verloren. Op momenten dat kind 1 te vroeg wakker wordt en daardoor voor alles begint te jammeren en te zeuren (ik wil dat de zon schijnt! ik wil op de glijbaan zitten! ik wil hier een hondje zien! ik wil een mandarijn! ik wil geen mandarijn! ik wil een mandarijn maar niet in deze stukjes!) en wanneer kind 2 ook na 30 minuten in bed beslist dat het welletjes geweest is, dan moet ik echt overal op zoek gaan naar kleine restjes geduld. Soms vind ik die door heel traag het afval te gaan wegdoen en eventjes enkel de wind in mijn oren te horen. Soms vind ik die door 10 keer diep in en uit te ademen. Dat zijn momenten waarop ik fier ben op mezelf: ik toon mijn kinderen dat het normaal is dat geduld ook opgeraakt en en passant geef ik hen strategieën mee om daarmee om te gaan. Ik doe echt mijn uiterste best om niet te roepen want dat wil ik echt niet. Wij hebben samen afgesproken dat wij zo weinig mogelijk willen roepen in ons huis. Ik ben er niet van overtuigd dat ik mijn kinderen iets leer door tegen hen te roepen en als ik hen iets leer dan is het vooral een foute manier om om te gaan met dingen die ze moeilijk vinden. Ook dat voornemen kan ik niet altijd in de praktijk omzetten, maar voorlopig lukt het redelijk tot goed.

Er zijn nog wel dingen die ik vind dat ik goed doe (ik zing veel met de kinderen, ik neem hen mee naar het theater, ik durf hen ook mijn verdriet tonen, ik ben helemaal bereid mij te verontschuldigen als ik vind dat ik iets verkeerd deed), maar er is er nog eentje die ik wil vermelden: ik durf andere keuzes maken. Ik durf het aan om niet te vertrekken vanuit de veronderstelling dat ik het allemaal al weet. Ik durf om me heen kijken, boeken lezen, artikels, blogs van mensen die me inspireren in hun manier van opvoeden. Ik durf eerst genoeg te lezen over een bepaald onderwerp alvorens ik opmaak wat het beste aansluit bij wat mijn manier is. Het is heel bevrijdend te vertrekken vanuit de idee dat ik het nog niet hoef te weten – dat het niet van mij verwacht wordt dat ik op elk dingetje dat het ouderschap me voor de voeten gooit meteen een juist antwoord kan formuleren. Als er zich dus iets nieuws voordoet, dan neem ik altijd de tijd om na te denken en om te lezen en te vragen als ik dat nodig vind. Pas dan bepaal ik een ‘tactiek’ die bij me past en die ik dus zonder dat het ‘geforceerd’ voelt, lang zal kunnen aanhouden.

Ik lees wat ik schreef opnieuw en het geeft me een lastig gevoel. Zoveel eigen lof, ik ben dat niet gewoon. Ik doe dat niet graag. Ik ben op mijn hoede om mensen tegen de borst te stuiten. Ik wil niet oordelen of aangeven dat mijn manier de juiste is. Maar het is de mijne en voor mij voelt ze juist. Dat kan perfect naast alle andere manieren van opvoeden bestaan. Ik ben er van overtuigd dat iedereen het allerbeste met zijn kinderen voorheeft en dat voornemen vorm geeft in de praktijk op een manier die goed bij haar/hem past.

Deze hoofdzonde ligt me niet zo. De aard van het beestje – ik moet echt nog leren om mezelf meer schouderklopjes te geven. En bovendien is het iets wat ik meekreeg in mijn opvoeding: doe maar gewoon. Kraai maar niet te rap victorie. Kijk altijd naar wat nog beter kan. En zo is mijn cirkel weer rond: ik eindigde waar ik begon – met kritisch zijn voor mezelf – met de lat hoog leggen.
Ik noteer ‘kinderen aanleren dat goed goed genoeg is‘ bij op het lijstje van dingen die ik ‘goed wil kunnen als ouder’. Ik besef dat ik dat enkel kan overbrengen als ik het ook voor mezelf laat gelden. Ik werk daaraan. Traag, maar het komt wel – hopelijk.
Er is nog één kwaliteit, nog één kunde – besef ik net – die ik nog niet eerder vermeldde: ik kan mijn kinderen graag zien zoals werkelijk niemand anders dat kan. Ik ben er echt rotsvast van overtuigd dat dat voor elke moeder en vader net zo is. Als je jezelf dus nog eens voor het hoofd slaat omdat je het alweer niet goed genoeg vond, te veel zus of te weinig zo – denk dan daar nog eens aan. Er past niemand beter bij je eigen kinderen, dan jij. Er past niemand beter bij die van ons, dan wij.

Processed with VSCO with c1 preset

 

 

 

Advertenties

5 gedachtes over “Ouderzonden: Superbia

  1. Dat roepen! Ook één van mijn stokpaardjes. Ik weet nog dat ik in het vijfde leerjaar heel hard heb geweend toen ik besefte dat niet alle ouders dagelijks roepen en tieren tegen hun kinderen. Ik voelde me zo eenzaam. Mijn kind weerhouden van zo’n gevoel is een doel geworden.

    Ik ben echt blij dat ik deze opdracht bedacht, want veel ouders doen hun uiterste best en mogen dat van hunzelf gerust eens zwart op wit lezen. Blij dat je mee doet!

    Liked by 1 persoon

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s