Het evangelie volgens Kasper

Intussen is onze Kas 2 jaar en 2 maanden oud. Mensen vallen vaak steil achterover als ik dat zeg – zeker wanneer ze hem zelf aan het woord horen. Hij legt het nogal graag uit en hij kan dat ook behoorlijk goed. Dat hoeft niet te verbazen met twee spraakwatervallen als ouders waarvan er dan nog eentje verondersteld wordt iets te weten over taalverwerving. Ik ben heel trots op Kasper en op het feit dat hij zo goed kan spreken. Ik denk dat het hem in deze fase van zijn leven – de alom gevreesde peuterpuberteit – geen windeieren legt dat hij goed kan zeggen wat hij voelt en denkt en nodig heeft. Niet dat het hij het dan altijd krijgt, maar het helpt wel dat ik tenminste weet wat ik hem moet weigeren. Maar wat ik het allerleukste vind aan Kasper zijn taaltje: het is verstaanbaar – zeker voor mij – en toch ook nog vol van die kleine schattige versprekingen. En daarbij komt nog dat hij heel wat sociale grenzen niet kent en dat wij hem sommige ook bewust niet aanleren (bv. die typische Vlaamse kneuterigheid). Hij haalt mensen regelmatig uit hun comfortzone door zijn spontane taaluitingen en ik vind dat echt werkelijk geweldig.

Een greep uit zijn evangelie van de voorbije maanden:

  • Kijk, dat is eiglijk een jaartje. (Kasper brengt mij een voor het menselijk oog niet te waarnemen mini-stukje haar dat hij ergens gevonden heeft en dat ik nu in de vuilbak moet gooien).
  • Een tractor mama! Neen, het is eiglijk een wuwofer! (Kasper ziet een tractor maar bedenkt zich nog net op tijd dat het een bulldozer is. Merk ook op dat ‘eigenlijk’ een heel populair woord is).
  • Kom maar binnen! Hier is het lekker warm! (Tegen iedereen die ons huis binnenkomt. Ik veronderstel dat ik het één keer moet gezegd hebben en dat hij dat onthouden heeft ofwel is hij de meest gastvrije peuter ooit).
  • Maar mama, de chakka weent! (Kas probeert mij te overhalen om hem nog een chocolade eitje te geven. Hij stelt daarbij vooral het belang van het eitje voorop, dat spreekt.)
  • Dag bakker! (Kas gaat mee brood halen en begroet iedereen liefst met de correcte terminologie).
  • Nonkel Kieter Pan naar dokkok gaan. (Kas geeft zijn peter goede raad wanneer die hem vertelt dat hij geen kus kan geven omdat hij een beetje ziek is).
  • Wat hierebeurt?! (Kas kijkt vol verontwaardiging naar de ongelooflijke rommelboel die hij helemaal zelf gemaakt heeft).
  • Mama, Elias lacht! (Elke keer wanneer hij Elias eerst heeft doen wenen en daarna iets geks doet zodat Elias moet lachen).
  • Das ik! Dag ik! (Kasper kijkt op het potje naar een filmpje van zichzelf)
  • Mij helpen! Mij helpen! Mama, help mij! (Ik vond het belangrijk hem snel aan te leren om hulp te vragen. Tot nu toe heb ik daar toch al enkele peuteraanvalletjes mee weten te voorkomen).
  • Echt leuk inne winkel mama. (Hij had een chocolade ei mogen proeven).
  • Mama, ben ik? Ik bén daar! Kas nog inne bedje liggen. (Hij doet alsof hij onzichtbaar is en suggereert ook waar hij dan zou kunnen zijn).
  • Tot de volgende keer uil/bibitheek/pipi/kindje/tant/… (Kasper vindt begroeten en afscheid nemen erg belangrijk).
  • Nog één keer en dan gedaan! (bij alles wat hij daarna nog 10 keer zal vragen).
  • Tot de volgende keer, kaka! (Ik ben Elias zijn speciaal cadeautje van de verzorgingstafel aan het schuren)
  • Elias wakker zijn, ik wel trommelen. (Kas herhaalt de afspraken nog eens voor zichzelf).
  • Ik ben een vod. (Kas legt een vod op zijn hoofd en doet van pars pro toto).
  • Mama niet naar wuwofer gaan. Kas beetje ziek worden dan. (Kas wil gaan kijken naar de bulldozer maar bedenkt zich als hij het ding in de gaten krijgt).
  • Niet van de dino’s lezen. Echt niet. (Hij is sinds kort bang van een van zijn voormalige lievelingsboeken).

Voorwaar ik zeg u: het is de max om een pratend kind te hebben. Eerlijk, soms word ik er ook wel eens zot van dat mijn gedachten niet meer van mij zijn omdat hij voortdurend met mij wil babbelen. Maar ik vind het zo leuk om te zien dat hij zichzelf goed kan uitdrukken en dat hij zijn gevoelens kan benoemen waardoor ik hem snel kan helpen. Hij zingt ook plots alle liedjes die hij al maandenlang hoort in de auto en thuis. Op een grote paddenstoel zingen, mama – zegt ie dan. En zo wandelen wij dan door de stad: ik met mijn caravaan van mannen. Eentje op de fiets, eentje in de buggy, ik erachteraan en zingen maar!

Processed with VSCO with c1 preset

 

Advertenties

Ouderzonden: Invidia (nijd-jaloezie-afgunst)

We zitten intussen al aan de vierde van de zeven hoofdzonden. De andere kan je hier, hier en hier lezen. Deze week gaat het over Invidia ofte Nijd en Jaloezie. Toevallig twee emoties die ik dagelijks wel eens voel – niks groots maar wel in kleine steekjes.

Want ik voel wel eens een prik van jaloezie als ik door mijn Instagramfeed scroll en ik zie perfecte witte keukens met mooie kookeilanden waar vrolijke brooddozen in elkaar geknutseld worden. Waar foto’s gemaakt worden met perfecte lichtinval en kinderen die zich gewillig dezelfde outfit als hun ouders laten aanmeten- uiteraard allemaal zelf gemaakt. Kinderen die kleren aanhebben die gebreid zijn en voornamelijk in de tinten beige en zalmroze. Kleren die vermoedelijk nog nooit geel zagen van een plotse kakaanval.

Dan zucht ik wel eens. Want ik kook graag en ik kook ook graag vers en gezond, maar als ik er ook nog eens artistieke brooddozen ga moeten bijnemen dan ga ik helemaal zot worden denk ik. Dus wanneer Kas in september naar school gaat, dan zal hij een snoezige brooddoos krijgen met daarin keisaaie boterhammen met kaas en choco. Eten in vrolijke figuurtjes dat zal hij krijgen als het vakantie is en ik alle boeken van de wereld al gelezen heb waardoor ik veel tijd heb om halve druiven op tandenstokers te prikken tot ze een mooi egeltje vormen.

Jaloezie passeert ook wel eens als ik prachtige knutselwerkjes zie – samen met mama gemaakt. Ik kan namelijk echt niet knutselen of tekenen. Toen ik vroeger een giraf tekende voor Janne – met veel precisie, ik zweette peentjes van de inspanning – zei het kind doodleuk ‘FIETS’ toen ze hem zag. Als kind haatte ik de vrijdagnamiddag in de lagere school omdat het dan knutselen was. De rest van de klas haalde opgelucht adem dat het lezen en schrijven en rekenen er weer op zat voor een week terwijl mijn cortisolniveau los de hoogte inschoot bij het idee dat ik weer de hele namiddag onhandig zou moeten klungelen met stiften en scharen. Ik was altijd als eerste klaar en dat was zelden een goed teken. De mooie knutselwerkjes werden altijd boven de deur gehangen voor een week. Dat van mij heeft er maar één keer gehangen en dat was omdat de juf na 51 weken echt niet anders meer kon en het toch de dag erna zomervakantie was.

Als het dus op knutselen aankomt, dan zal Kasper van mij niet veel leren behalve misschien hoe hij moet omgaan met frustratie. Ik geniet nu dus nog even volop van die heel korte periode in mijn leven waarin ik beter kan knutselen en tekenen dan mijn kinderen. Ik maakte onlangs een muis uit plasticine voor Kas en hij zat helemaal te glunderen. Als hij nu de klei boven haalt dan vraagt hij mij steevast om opnieuw een muisje te maken. Ik voel mij een hele baas wanneer ik mijn misbaksel aan hem presenteer en hij heel uitgelaten roept: JA MAMA! MUIS!

Er zijn nog wel wat dingen die ik graag wat beter zou kunnen: go with the flow – op sommige dagen, mij niet druk maken, mij geen zorgen maken over dingen die nog ver in de toekomst liggen en die ik toch niet in de hand heb, de boel de boel laten, mezelf niet honderd keer per dag voor de kop slaan voor kleine onbenulligheden die niet perfect lopen maar het is de aard van het beestje. Met veel werk en geduld kom ik elke keer wat dichter bij (zelf)aanvaardig en mezelf wat liever zien.

Zoals mijn ouders vroeger zeiden wanneer ik jaloers was op iets wat iemand had of kon: “Vergelijk jezelf niet met anderen, daar word je enkel ongelukkig van.” Ze zegden er ook nog bij dat er net zo goed mensen waren die vermoedelijk een beetje groen naar iets van mij keken. Ze hadden natuurlijk gelijk. Er zullen altijd mensen zijn die meer hebben, die andere dingen kunnen, die iets kunnen wat ik nooit nog maar een klein beetje tot mijn capaciteiten zal kunnen rekenen. Maar zo gaat dat in de wereld. Je kan niet alles hebben en de gelukkigste mensen zijn diegenen die vrede hebben met zichzelf.

Hoe zei God dat ook weer in de Bijbel – Zalig zijn de menschen verstoken van knutseltalent, want zij zullen vertroost worden.

IMG_6158

Ik ben gewoon de Salvador Dali onder de plasticinegebruikers. 

 

 

Ouderzonden: Onkuisheid – lust

Wat doe je om jezelf graag te blijven zien? En hoe breng je dat over aan je partner nu je in de eerste plaats vooral ‘ouder van…’ bent?

Ik luisterde onlangs naar een aflevering van The Longest Shortest Time (een podcast over ouderschap) en daarin kwam Esther Perel aan het woord. Esther Perel is relatietherapeute en ze is vooral gespecialiseerd in ontrouw en hoe koppels daarvan kunnen herstellen. Ze zei enkele dingen die me echt zijn bijgebleven en waar ik sindsdien vaak over heb nagedacht.

Zo vertelde ze dat ouders vroeger niet samen bleven omdat ze het zelf samen goed hadden, dat was eigenlijk van ondergeschikt belang. Koppels bleven samen omdat ze kinderen hadden en omdat een uitweg niet zo gemakkelijk voorhanden was – al zeker niet voor een vrouw. Nu liggen de kaarten anders. Vrouwen kunnen makkelijker dan vroeger uit een relatie stappen omdat ze nu eenmaal zelfstandiger zijn geworden dan enkele decennia geleden. Het zijn dus niet meer enkel de kinderen die een koppel samen houden – de kwaliteit van de relatie doet er ook toe.

Ze zei ook dat iedereen doorgaans in zijn leven twee tot drie lange en betekenisvolle relaties heeft. Ze merkte daarbij op dat dat niet per se met verschillende mensen hoeft te zijn. Een koppel gaat door transities in de jaren dat ze samen zijn. Ze nam het voorbeeld van een koppel waarvan één van de partners vreemd ging. Toen dat koppel naar haar toe kwam, zei ze hen: “jullie eerste huwelijk is nu over. Willen jullie nog een tweede huwelijk met elkaar aangaan of niet?” Ze trok die lijn door naar koppels voor en na kinderen. “De echte transitie is niet het huwelijk”, vertelde ze. “De echte overgang naar een nieuw leven samen zijn kinderen.” Amai, dacht ik, dat is allemaal echt ende waarachtig.

Ik luisterde heel geconcentreerd verder naar haar verhaal. Ze zei nog dat kinderen dus in zekere zin ook een einde inluiden van de oude relatie (waar het enkel om jullie twee draait) en de start van een nieuwe relatie. Als je het zo bekijkt – als een andere relatie met dezelfde partner – dan hoef je misschien niet voortdurend te vergelijken met hoe het ervoor was toen we nog elke week naar de cinema gingen, toen we op restaurant gingen en ons niet dood geneerden omdat iemand met zijn bestek tegen de glazen trommelt en het op een brullen zet als hem vragen ermee te stoppen, toen we uren tijd hadden om samen te koken, met elkaar te praten, series te kijken, toen planning veel minder nodig was en we met niemand zijn dutjes moesten rekening houden – toen we godbetert zélf nog dutjes deden wanneer we daar zin in hadden.

Ik vond het een bevrijdende gedachte – om het als de start van een nieuwe relatie te zien met dezelfde persoon. Want daar ben ik wel van overtuigd – dat er in al die jaren nooit iemand anders was die maar in de buurt kwam. Ik kan mijn lief nog altijd missen als ik hem de hele dag niet zie, of als de tijd tussen mijn vingers door glipt en we pas op vrijdagavond – zo net voordat hij in de zetel in slaap valt – wat tijd vinden om met elkaar te praten. Ik heb nog altijd buikpijn van het lachen als hij zich pijn doet door zijn eigen onhandigheid (als het echt veel pijn is dan lach ik echt minder lang, beloofd). Ik kijk nog altijd opzij of hij aan het wenen is bij stukjes op televisie waarvan ik weet dat die hem ontroeren. Ik vind hem nog altijd schoon in zijn kostuum en even goed in dat van Adam.

Maar het is wel zo: ik mis hem meer dan vroeger en mezelf vaak ook. Life gets in the way en onze agenda’s zitten alweer vol tot ergens in april. We zijn moe en na een dag van lawaai en gejengel en kinderen proberen op te voeden hebben wij ’s avonds vooral goesting om elk even ons eigen ding te doen.

We zeggen elkaar vaak: dit zijn de tropenjaren. Bijzonder zware, slopende jaren – noemt Van Dale dat. Jaren van vermoeidheid, van overschreden grenzen, van andere prioriteiten, van duizend vragen, van veel proberen en niet weten of het goed is, van jezelf voorbij lopen, van doodvermoeid zijn en het brood in de microgolf steken in plaats van in de broodbak.

IMG_1908

En niet alleen vermoeidheid speelt een rol. Ouderschap maakt iets in je los waar je je niet op voor kunt bereiden. Je kunt er wel een idee over hebben, maar je zult zien dat je een andere ouder bent dan je van tevoren had gedacht of had gewild of van plan was. Iedereen ervaart ouderschap anders. Als je geluk hebt, zitten jij en je partner op één lijn.
Maar er zullen altijd dingen zijn waar je anders over denkt: misschien ben jij minder streng dan je partner, misschien kan je toch niet zo goed tegen dat onderbroken slapen als je altijd dacht, misschien wil jij geen televisie voor het eten en hij wel. Het zijn allemaal onschuldige dingen die toch vaak tot discussies gaan leiden.

Dat is nog allemaal los van de praktische kant. Los van de beladen vragen, zoals wie van jullie twee er dan minder gaat werken, heb je ook nog gewoon de wekelijks terugkerende vragen. Hoe ziet jouw week eruit? Wie brengt de kinderen naar de onthaalmoeder? Wie haalt ze op? Ben jij die avond wel op tijd thuis, want ik heb een afspraak..?  Wat gaan we doen aan het feit dat hij steeds niets wil eten behalve tonnen rozijnen?
Dat is zo’n beetje de gespreksstof tijdens de tropenjaren. Je relatie, je grote liefde gereduceerd tot de vraag wie er deze keer aan de beurt is om pampers te verversen en vermoedelijk ondergepist te worden.

Je relatie speelt zich voortaan af in de luttele uurtjes tussen de bedtijd van je baby en je eigen bedtijd. Je eigen bedtijd die toch al vervroegd wordt omdat je zó moe bent dat je je afvraagt wat er in vredesnaam belangrijker is dan slapen. Terwijl je de wijzer op de klok voorbij ziet razen, tel je ondertussen de uren die je nog hebt tot je kind van 6 maanden het vermoedelijk op een zingen zal zetten (niet wenen, nee nee, hij zingt en hij lacht en hij vindt het alllemaal HELEMAAL DOLLETJES OM VIER UUR ‘S NACHTS). Wanneer mijn lief dan de baby optilt en ik mijn kop zo hard in mijn hoofdkussen duw als ik maar kan – in de hoop snel terug in slaap te vallen (veel succes daar), besef ik dat dit het is. Dit is waarvan mensen zeggen: ‘…maar je krijgt er ook heel veel voor terug.’ Het punt is dat dat op zo’n moment – waarop ik gewoon eens wil slápen – niet echt het eerste is wat er door mijn hoofd schiet.

Maar het zijn ook de jaren van een nieuwe soort liefde en geluk waarvan je ervoor niet wist dat het bestond. Het zijn de jaren waarin we elkaar kruisen – elk met een kind dat wel weer een probleem heeft – en begripvol kijken naar elkaars geïrriteerde blik. Het zijn de jaren waarin we proberen te lachen met alles wat we moeten meeslepen voor een halve namiddag erop uit. Het zijn de jaren waarin ik elke dag voel dat je veel meer getrouwd bent door kinderen dan door trouwboeken. Het zijn de jaren waarin woorden als ‘gezin’, ‘broer’, ‘thuis’, ‘samen’ en ‘wij’ bij mij een golf van warmte over mij heen laat vallen – alsof ik onder een gigantische regendouche sta. Het zijn de jaren waarin we kijken naar onze twee kinderen, met de armen om elkaar heen – de oudste ligt uiteraard weer op de jongste die zich eronderuit probeert te wriemelen – en we tegen elkaar zeggen: die hebben wij gemaakt! die zijn van ons voor altijd!

We zijn intussen 7 jaar samen – we zijn er bijna vier van getrouwd. Twee jaar met kinderen en twee jaar zonder. Ons tweede huwelijk duurt dus al net zo lang als ons eerste en ze zijn allebei totaal anders. Soms mis ik ons eerste huwelijk hartstochtelijk. Dan vraag ik hem of we het hebben stuk gemaakt – en dat we toch wel nog voor altijd gaan samen blijven zoals we gezegd hadden nu alles zo anders is.
Want alles is anders – maar één ding is hetzelfde gebleven en mag voor mij voor altijd onveranderd blijven. En dat is hij – behalve dan zijn gesnurk, zijn onvermogen om kleine taakjes binnen de week uit te voeren en de papieren zakdoeken die hij vergeet uit zijn broek te halen waardoor ik die in mini-stukjes uit de wasmachine moet plukken – daar mag stilaan wel eens iets aan gebeuren.

Processed with VSCO with c1 preset

Beter

Twee paar ogen gleden over mijn gelaat heen. “Uhu uhu”, zei de ene. “Hmmm,” mompelde de andere bevestigend. Afwachtend keek ik hen aan, maar ze hadden geen oog voor mij. Hun vingers zweefden net boven mijn gezicht. De grote lamp werd erbij gehaald. Ik kneep mijn ogen wat dicht tegen het felle licht. Eentje boog langs links over me heen, de andere via rechts. “Ja, ja, ik zie het al”, zei de ene weer. “Dat lijkt me duidelijk”, bevestigde de andere. Ze keken elkaar aan en schoten in actie.

Er werd een kast open gedaan en daarna weer dicht. Flesjes tikten tegen elkaar. “Melkzuur”, zei de ene. “Precies wat ik ook al dacht”, antwoordde de andere.
Ik kreeg een deken over me heen. Een warm deken met exact de juiste zwaarte. Ik schuifelde een klein beetje in de stoel tot ik beter lag.

“Slaap je weinig?”, vroeg de ene. Ik knikte. “Het valt wel mee. Ik bedoel, het kan erger.” Achter mijn rug werden meer potjes en flesjes uit kasten gehaald. Ze overlegden. Ze spraken over hydrateren en over peelings en over van binnen uit weer gezond maken.

Ik luisterde maar half. Ze smeerden een dikke brij op mijn gezicht. “Mag het ook over je ogen?”, vroeg de ene. “Doe maar”, zei ik. Mijn vertrouwen was zo blind als ikzelf was de volgende tien minuten. Voor het eerst in een heel lange tijd lag ik zelf eens stil overdag. Ik hoorde de zachte muziek en toch ook weer niet. Ik was daar en toch ook niet helemaal.

“Het gaat een beetje koud zijn”, waarschuwde de ene. Zou ze buiten bedoelen of het leven in het algemeen? Juist, ze had het over het wegnemen van het masker. Dat kan ook al wel eens koud zijn, bedacht ik me. “Het ziet er al veel beter uit”, zei de andere. Ze hingen weer met z’n twee boven mijn gezicht – hun ogen gleden bedachtzaam over mijn gelaat. “Ja, dat ziet er al veel beter uit.”

Toen ik na anderhalf uur weer buiten stapte en mijn reflectie zag in het etalageraam, kon ik niet anders dan haar helemaal gelijk geven.

080-SaarEnWout

 

 

Doktersbezoek

Hij zeulde rond met een dokterstas – zo’n zwarte die je in het midden open klikt. Het was een oude tas. De randen waren niet meer zwart, maar grijs. Hetzelfde gold voor zijn haar. Ik vermoedde dat hij ergens eind in de zeventig was, misschien zelfs al begin tachtig.

Er klopte iets niet. Ik zag het meteen, maar ik kon er de vinger niet op leggen. Het zat in kleine dingen. Hij wandelde bijvoorbeeld altijd op een huis af en draaide terug net voor de deur. Hij had een pak aan en nette schoenen, maar geen jas of sjaal en het regende. Zijn tas was leeg ook denk ik, want hij zwierde er nogal mee. Ik zag het nog het meeste in zijn ogen. Hij keek alsof hij eerst nog door een streep mist moest turen.

Ik sprak hem aan in de hoop meer zicht te krijgen op de situatie. “Dag meneer,” zei ik, “zoekt u iets?”. “Oh jongedame” Hij keek verschrikt. Hij had me niet opgemerkt en ik liep al zeker 300 meter quasi naast hem. “Neen, ik ben op zoek naar euhm, klanten, zeg maar.” “Kan ik u eventueel de weg wijzen?” probeerde ik opnieuw. “Neen, ik vind het wel”, repliceerde hij. Hij liep verder. Hij versnelde zijn pas.

Ik twijfelde. Was hij toch ok? Was het misschien zo’n werkpaard dat maar van geen ophouden wist? Zag ik dingen die er niet waren? Ik kon het gevoel niet van me afschudden dat er iets vreemd was aan het plaatje.

Maar ik liet hem gaan. Wat kon ik ook anders? Maar hij spookt al de hele dag rond in mijn hoofd – met zijn oude dokterstas, op zoek naar het juiste huis.

Ouderzonden: Avaritia

Avaritia ofte hebzucht, gierigheid.
Ik ken dat niet – gierig zijn. Ik ken dat zelfs zo weinig dat het bij momenten problematisch is. Tel daarbij op dat ik getrouwd ben met iemand die ook nog nooit van gierigheid gehoord heeft en dan zal je begrijpen dat wij vaak versteld staan van wat we opdoen of weggeven.

Ik wil nochtans best veel hebben, daar niet van. Ik wil graag een versterker en fatsoenlijke boxen zodat ik eindelijk mijn platenspeler terug kan gebruiken. Ik wil een nieuwe badkamer en een nieuwe keuken. Ik wil andere vloer in ons huis leggen. Ik wil kinderen die alleen spelen voor minstens de helft van de tijd. En kinderen die zonder smossen kunnen eten. Ik wil in mijn boek kunnen lezen zonder dat er iemand weent door de babyfoon. U ziet, een beetje hebzucht is mij niet vreemd.

De vraag voor deze week is: “Wat deel je nooit met je kind(eren)?”
Ik heb hier echt héél lang over moeten nadenken. Ik ben sinds de geboorte van Elias thuis met de kinderen en ik kan u een waslijst geven van dingen die ik wel moet delen met de kinderen:
– tijd in de badkamer (“Kas mee boven”)
– tijd in de keuken (“ikke ook mee”)
– alles wat ik in mijn mond wil steken (“mama, wat is dat?” “Dat is keihete thee die je al 20 keer geproefd hebt en elke keer vind je het vies, lieve schat” “mama, Kas ook thee drinken” *moeder rolt met ogen*)
– alles wat ik in de nabije toekomst wil doen (“mama, dooooooeee jij??”)
– alles wat ik in huis probeer rond te krijgen (“mama, Kas ook emmer wataat” (water dus) en dan vervolgens om de vijf minuten “nog wataat”)
– mijn boeken (“mama, kijk, Kas ook boekje lees”)
– de liedjes die ik wil zingen (“mama, ander liedje zingen”)
– waar ik naartoe ga (“mama, tooeeeee?” – “Kas meeeeee”)

Over het algemeen heb ik quasi constant twee kindjes aan of rond mij hangen. Dat is wel eens zwaar. Ik kan niet zeggen dat ik het erg vind wanneer Wout ’s avonds thuis komt. Elke avond verstop ik mij even op de badkamer alwaar ik voor het elektrisch vuurke ga zitten en soms 15 minuten gewoon voor mij uit zit te staren. Tegelijk weet ik ook dat het niet voor altijd zo zal zijn en dat zeg ik mezelf ook wel eens op momenten dat ik echt denk dat ik een gigantische loser ben omdat de dag helemaal niet loopt zoals ik gehoopt had.

Tel daar nog bij op dat ik het niet moeilijk vind om de voor de hand liggende dingen te delen: mijn koekjes, chocolade, appels, water, mandarijntjes, peren, zakdoeken, … Ik ga er al van uit dat hij van de meeste dingen ook een stuk wil. Ik jaag me er niet in op. Wanneer Wout vanvoor in de auto een appel eet, dan wil hij ook een stuk. Dus bijt ik stukken af, waar ik dan de schil vanaf knaag alvorens ik hem het stukje appel aanreik. Hij schijnt die afgeknaagde stukken appel liever te hebben dan die perfect gesneden stukjes die ik in een vrolijk doosje voor hem heb meegebracht. Hebzucht, gierigheid, nope, ken ik niet.

Of toch. Er is één ding waar hij met zijn kleine tengels écht vanaf moet blijven en dat is mijn pennenzak. In mijn pennenzak zitten enkel de beste pennen. Van die pennen die niet te dun zijn, maar die met een soort van lichtromige dikte over het blad dansen wanneer ik schrijf. Ze liggen niet te zwaar in de hand – je kan er niet vervelend mee klikken – de inkt veegt niet uit en drukt niet door. Het is het juiste soort blauw, het juiste soort rood en het juiste soort groen. Er zit een latje in dat ik al gebruik sinds het eerste leerjaar. De gom is niet vuil, maar schoon wit. Er zitten enkele stiftjes in, maar niet teveel; enkel de kleuren die ik vaak gebruik. De pennen lopen niet uit. Ze zijn mooi. Ze hebben een zacht stukje daar waar ik mijn vingers zet. Kortom, mijn pennenzak is de meest perfect samengestelde pennenzak van de hele wereld. Ik hou van mijn pennenzak. Mijn pennenzak is flexibel en laat zich moeiteloos in mijn rugzak rammen. Mijn pennenzak en ik, we go way back.

Ik begrijp dat dat lastig is voor kindjes van twee jaar als ze ergens niet mogen aankomen. Dus er staat thuis een hele mooie gele pot met daarin alle stiften, kleurpotloden, pennen, potloden, wasco’s en gommen die je je maar inbeelden kan. Die pot staat perfect binnen handbereik en hij mag die al-tijd gebruiken. Hij heeft dus niks te klagen en toch wil hij uiteraard altijd schrijven met dingen uit mijn pennenzak. Ik zeg hem heel kalm dat dat niet kan, lieve jongen, want mama is een beetje psycho als het op haar pennenzak aankomt. Dus, kleine man, als ik je daar nog één keer zie aankomen DAN GAAN ER KOPPEN ROLLEN.

Processed with VSCO with c1 preset

Ouderzonden: Superbia

Zeven weken geleden lanceerden Romina en Annelore de uitdaging om met z’n allen (of toch diegenen die meedoen) te bloggen over de zeven hoofdzonden en hoe die tot uiting komen in het ouderschap. Ik schreef me in en ik hoop dat het me lukt om elke week mijn stukje geschreven te krijgen en dat ik het durf om elke keer zo eerlijk mogelijk te zijn.

1. Superbia (hoogmoed – hovaardigheid – ijdelheid)

“Waarom ben jij een goede ouder?” – “Waar blink jij in uit?” staat er bij deze hoofdzonde geschreven. Daar moet ik even over nadenken. Het is niet dat ik niet vind dat ik dingen goed doe als ouder, maar de antwoorden komen toch ook niet zomaar uit mijn pen gerold.

Vooreerst komt dat omdat ik natuurlijk nog niet zo heel lang ‘ouder van..’. Kasper werd nog maar net twee jaar. Ik zit dus eigenlijk nog in mijn stageperiode – dat zie ik trouwens ook bevestigd in de stomme taakjes die altijd voor mij zijn en in het teleurstellende loon. Ik luisterde onlangs naar de nieuwe podcast van “Ik ken iemand die” en daar merkte een van de sprekers terecht op dat je die eerste jaren gewoon niet echt kan zeggen of je een goede ouder bent of niet.  Ik las ook in een boek niet zo heel lang geleden (ik weet al niet meer welk) dat je eigenlijk pas echt weet of je’t goed gedaan hebt wanneer je kinderen zelf een gezin beginnen omdat je dan kan zien hoe ze zich gedragen in liefdesrelaties. Daar zijn we nog lang niet.

Aangezien kritisch zijn voor mezelf en de lat erg hoog leggen twee van mijn kwaliteiten/valkuilen zijn, vind ik het best moeilijk om op te sommen waar ik mezelf goed in vind. Het is niet dat het me ontbreekt aan zelfvertrouwen, het is vooral dat ik altijd dingen zie die beter kunnen. Maar laat ik nu maar bij de opdracht blijven. Wat doe ik goed als ouder?

Ik vind dat ik een goed voorbeeld probeer te zijn van hoe je goed kan omgaan met andere mensen. Ik vind vriendelijk, beleefd en hartelijk zijn in kleine dagelijkse contacten erg belangrijk. Kasper heeft dat intussen feilloos overgenomen. Overal waar we komen, zegt hij iedereen gedag (zelfs de levensgrote leeuw die voor de deuren van de Delhaize), charmeert hij de winkelbediende van Budgetslager met zijn ‘Dank u, vrouw’, zwaait hij naar alles wat beweegt en vast staat en is hij bijna altijd vrolijk.

Verder probeer ik hem te leren dat het ok is om hulp te vragen, om te zeggen dat iets niet lukt. Zeker voor een tweejarige die regelmatig overweldigd wordt door alles wat hij voelt of gefrustreerd geraakt door wat hij zou willen kunnen maar nog niet kan, lijkt ‘om hulp vragen’ een handige vaardigheid. En hij doet het sinds kort erg goed. Als hij de stoep niet opgeraakt met zijn fiets – als hij de kussens in zijn kamp niet juist gelegd krijgt – als hij zijn eten niet goed op zijn lepel krijgt – als hij de Duploblokjes niet in elkaar kan klikken: “Mama lukt niet – mama help” zegt ie. Ik becomplimenteer hem omdat hij het kan – om hulp vragen. Ik ken heel wat volwassenen die daar niet toe in staat zijn.

Ik laat ruimte voor hun persoonlijke interesses – ook als ik die zelf soms vervelend vind. In casu: de trommel. Kas houdt gewéldig veel van muziek horen en van muziek maken. Ik moet bijna voortdurend liedjes voor hem zingen of muziek opzetten. Hij slaat ongeveer 2 uur per dag op zijn trommel en hij is creatief in oplossingen zoeken als zijn trommel niet voorhanden is. Op vakantie aan zee pakte hij de frisbee en zijn tandenborstel om het dagelijkse ritme-uurtje vorm te geven. Er zijn momenten dat ik echt horendul word van dat lawaai. Ik kan mezelf soms niet horen denken. Ik word gek van zijn voeten die op de grond meestampen. Ik heb weinig geslapen en ik wil gewoon dat iedereen stil is en zo weinig mogelijk beweegt. Maar ik verkies om dat gevoel te negeren en hem toe te laten om dat te doen waar hij duidelijk heel intrinsiek voor gemotiveerd is. En doorgaans – niet altijd – merk ik het na een tijdje zelfs al niet meer op.
Dat ik er ruimte voor laat, betekent evenwel niet dat hij het altijd en overal mag doen. Ik wil hem namelijk ook graag leren dat het belangrijk is om rekening te houden met andere mensen. De afspraken zijn daarin erg duidelijk: als Elias slaapt, wordt er niet getrommeld. Hij weet dat en soms is hij er boos om maar doorgaans kan hij goed wachten.

Ik heb onmetelijk veel geduld met mijn kinderen – toch zeker in vergelijking met de hoeveelheid geduld die ik doorgaans heb voor mensen en situaties. Ik ben zeker niet heilig, ik ben ook al mijn geduld verloren. Op momenten dat kind 1 te vroeg wakker wordt en daardoor voor alles begint te jammeren en te zeuren (ik wil dat de zon schijnt! ik wil op de glijbaan zitten! ik wil hier een hondje zien! ik wil een mandarijn! ik wil geen mandarijn! ik wil een mandarijn maar niet in deze stukjes!) en wanneer kind 2 ook na 30 minuten in bed beslist dat het welletjes geweest is, dan moet ik echt overal op zoek gaan naar kleine restjes geduld. Soms vind ik die door heel traag het afval te gaan wegdoen en eventjes enkel de wind in mijn oren te horen. Soms vind ik die door 10 keer diep in en uit te ademen. Dat zijn momenten waarop ik fier ben op mezelf: ik toon mijn kinderen dat het normaal is dat geduld ook opgeraakt en en passant geef ik hen strategieën mee om daarmee om te gaan. Ik doe echt mijn uiterste best om niet te roepen want dat wil ik echt niet. Wij hebben samen afgesproken dat wij zo weinig mogelijk willen roepen in ons huis. Ik ben er niet van overtuigd dat ik mijn kinderen iets leer door tegen hen te roepen en als ik hen iets leer dan is het vooral een foute manier om om te gaan met dingen die ze moeilijk vinden. Ook dat voornemen kan ik niet altijd in de praktijk omzetten, maar voorlopig lukt het redelijk tot goed.

Er zijn nog wel dingen die ik vind dat ik goed doe (ik zing veel met de kinderen, ik neem hen mee naar het theater, ik durf hen ook mijn verdriet tonen, ik ben helemaal bereid mij te verontschuldigen als ik vind dat ik iets verkeerd deed), maar er is er nog eentje die ik wil vermelden: ik durf andere keuzes maken. Ik durf het aan om niet te vertrekken vanuit de veronderstelling dat ik het allemaal al weet. Ik durf om me heen kijken, boeken lezen, artikels, blogs van mensen die me inspireren in hun manier van opvoeden. Ik durf eerst genoeg te lezen over een bepaald onderwerp alvorens ik opmaak wat het beste aansluit bij wat mijn manier is. Het is heel bevrijdend te vertrekken vanuit de idee dat ik het nog niet hoef te weten – dat het niet van mij verwacht wordt dat ik op elk dingetje dat het ouderschap me voor de voeten gooit meteen een juist antwoord kan formuleren. Als er zich dus iets nieuws voordoet, dan neem ik altijd de tijd om na te denken en om te lezen en te vragen als ik dat nodig vind. Pas dan bepaal ik een ‘tactiek’ die bij me past en die ik dus zonder dat het ‘geforceerd’ voelt, lang zal kunnen aanhouden.

Ik lees wat ik schreef opnieuw en het geeft me een lastig gevoel. Zoveel eigen lof, ik ben dat niet gewoon. Ik doe dat niet graag. Ik ben op mijn hoede om mensen tegen de borst te stuiten. Ik wil niet oordelen of aangeven dat mijn manier de juiste is. Maar het is de mijne en voor mij voelt ze juist. Dat kan perfect naast alle andere manieren van opvoeden bestaan. Ik ben er van overtuigd dat iedereen het allerbeste met zijn kinderen voorheeft en dat voornemen vorm geeft in de praktijk op een manier die goed bij haar/hem past.

Deze hoofdzonde ligt me niet zo. De aard van het beestje – ik moet echt nog leren om mezelf meer schouderklopjes te geven. En bovendien is het iets wat ik meekreeg in mijn opvoeding: doe maar gewoon. Kraai maar niet te rap victorie. Kijk altijd naar wat nog beter kan. En zo is mijn cirkel weer rond: ik eindigde waar ik begon – met kritisch zijn voor mezelf – met de lat hoog leggen.
Ik noteer ‘kinderen aanleren dat goed goed genoeg is‘ bij op het lijstje van dingen die ik ‘goed wil kunnen als ouder’. Ik besef dat ik dat enkel kan overbrengen als ik het ook voor mezelf laat gelden. Ik werk daaraan. Traag, maar het komt wel – hopelijk.
Er is nog één kwaliteit, nog één kunde – besef ik net – die ik nog niet eerder vermeldde: ik kan mijn kinderen graag zien zoals werkelijk niemand anders dat kan. Ik ben er echt rotsvast van overtuigd dat dat voor elke moeder en vader net zo is. Als je jezelf dus nog eens voor het hoofd slaat omdat je het alweer niet goed genoeg vond, te veel zus of te weinig zo – denk dan daar nog eens aan. Er past niemand beter bij je eigen kinderen, dan jij. Er past niemand beter bij die van ons, dan wij.

Processed with VSCO with c1 preset