Terug naar waar ik vandaan kom

Op onze vrije dag trokken Wout, Kasper en ik met ons drie naar Staden, het geboortedorp van mijn vader. Het zal u misschien verbazen, maar deze halve Limburger is ook een halve West-Vlaming. We gingen in Staden op bezoek bij mijn nonkel die er nog steeds woont, op een boogscheut van waar het ouderlijk huis vroeger stond.

We passeerden de kerk die mij altijd doet denken aan een ruimteschip. We zagen aan het rond punt het gebouw waar ‘MOL’ opstaat. De weg helde wat naar beneden net voor we Staden centrum inreden. Ik zag alle gebouwen en herkenningspunten passeren die me als kind al aangaven dat we er bijna waren. We reden Staden binnen en ik keek mijn ogen uit en wees en vertelde aan Wout wat ik nog wist.

Ik vertelde over de grijze poort aan het huis van mijn grootouders die open stond zodat we binnen konden rijden. Ik vertelde over de trapeze die in de garage hing waar iemand mij aan moest hangen want ik kon niet hoog genoeg springen om hem zelf te pakken te krijgen. Ik vertelde over het zacht schurend geluid dat de achterdeur maakte als je ze opendeed. Ik vertelde over de siereendjes van mémé die ik altijd in elkaar zette en die zij vervolgens weer naast elkaar zette. Ik vertelde over de afstandsbediening die dezelfde was als die van ons thuis. Ik vertelde over dat we bij mémé donker tafelbier dronken en dat we na het eten Nic-Nacjes mochten nemen uit de grote pot die achter pépé in de kast stond. Ik vertelde dat mémé als enige in een zachte stoel met armleuningen zat omdat ze een slechte knie had. Ik vertelde over papa’s schilderij dat achter de deur hing in de kamer waar ik sliep en hoe bang ik ervoor was. Ik vertelde over de stoel waar ik op mocht gaan staan als ik mijn nieuwjaarsbrief voorlas. Ik vertelde over de accordeonmuziek die opstond als we ’s morgens wakker werden en over de plankjes waar we onze boterhammen op smeerden en hoe grappig ik het vond dat er palmbomen opstonden.

Ik luisterde ook naar de verhalen die mijn oom me vertelde. Over hoe zijn kot onder dat van papa’s beste vriend was en hoe hij ’s nachts wakker werd van hun gestamp op de vloer als ze dubbel lagen van het lachen. Over hoe de zoon van de bakker met hen mee kwam spelen omdat er bij hen meer plaats was. Over een non die appels schilde met een sleutel. Over mijn grootvader die de eerste jaren van zijn leven in Normandië woonde (tijdens WO I) en daarom later in het West-Vlaams soms nog klemtonen verkeerd legde. Over hoe diezelfde grootvader viel met zijn fiets toen hij op weg was naar mijn grootmoeder op een avond tijdens WO II en hoe hij eventjes tussen leven en dood zweefde. Over hoe mijn vader als 8-jarige mocht optreden voor de zelfstandigen van Staden met zijn mondharmonica en hij toen al de zaal plat speelde. Over hoe papa een heilige drievuldigheid vormde met zijn beste vrienden Luc en Claude. Over hoe ze met zijn drie cabaretiershows schreven in hun studententijd en die kwamen opvoeren in Staden. Ik luisterde en ik hoorde iemand spreken die heel veel om mijn vader gegeven heeft en net zoals ik nog elke dag aan hem denkt.

Ik keek ook. Ik keek in de fotoalbums die voor me klaarlagen op tafel. Ik keek naar hele oude foto’s van mijn overgrootouders en van mijn grootmoeder met haar zussen en broer. Mijn grootmoeder die als jong meisje op enkele jaren tijd haar ouders verloor en ik probeerde me in te beelden hoe dat haar als mens moet getekend hebben. Ik keek naar foto’s van mijn ouders als jong koppel. Foto’s van mijn ouders en hun vrienden en mijn nonkels samen rond tafel – allemaal twintigers, wijn op tafel, een foto die ‘gezelligheid!’ roept – en ik zag even mijn eigen vrienden in een gelijkaardig scenario aan een andere tafel. Foto’s van mijn broer bij mijn grootouders, nog als enig kind, met bewonderende blikken van mijn grootouders. Foto’s waar Simon er plots bij staat en daarna ik. Foto’s waar ik met de 4 jongens opsta – onze kleren die aangaven in welk jaar we ons bevonden. Foto’s waar iedereen al wat meer op zijn huidige versie begint te lijken, maar toch ook nog erg jong is. Ik speurde naar details op alle foto’s (dat schilderij hangt nu op bij ons! – kijk, op de achtergrond is pépé zijn tanden aan het poetsen!), ik keek mijn ogen uit bij zoveel beeldmateriaal dat ik jaren niet meer zag. Ik keek wel 10 fotoalbums door, maar één foto kneep mijn keel even dicht:

1972_caspar

Mijn ouders gingen na hun eerste jaar in Leuven op reis met studiegenoten naar Engeland. Waarschijnlijk is het toevallig dat ze hun ijsje besloten op te eten voor een bord waar ‘Caspar’ opstaat. Maar sommige toevalligheden zijn als een warm deken om een hart dat iemand moet missen.

Op weg naar huis legde ik mijn hoofd op Wout z’n schouder en liet ik mijn tranen de vrije loop. Ik voelde me droevig en blij tegelijk. Droevig om wat niet meer is, om wat niet meer kan. Blij om wat er nu is wat er toen niet was, om de dankbaarheid die ik voelde. Trots ook, op de mensen die mijn familie zijn – allemaal.
Ik weet niet of het te maken heeft met het moederschap, maar steeds vaker besef ik wat ik allemaal heb naast al datgene wat ik niet (meer) heb. Dan tel ik mijn zegeningen en voel ik mij bij momenten de rijkste mens op de wereld.

 

Wie wil: laat me gerust weten wanneer jij je rijk voelt.

 

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s