Rituelen

Onze studenten Kleuteronderwijs krijgen doorheen hun hele opleiding het belang van rituelen in de kleuterklas mee. Kleuters houden ervan als dingen elke dag op dezelfde manier verlopen. Het geeft hen houvast en ze voelen zich zekerder wanneer ze zelf kunnen voorspellen wat er komen gaat. Daarom hangt er in de kleuterklas een daglijn die elke dag overlopen wordt. Zo weet een kleuter perfect wanneer hij eindelijk zijn dinosauruskoeken kan opeten of desgewenst op de speelplaats kan wisselen tegen een choco prince. In hoeverre zo’n rituelen indruk maken op een kind, dat merk ik bij mezelf aangezien ik me nu – zoveel jaren later – nog steeds heel wat van de rituelen uit mijn kindertijd kan herinneren.

Ik herinner mij bijvoorbeeld hoe mijn tante-meter altijd zei ‘driemaal is skeepsrecht!’ (ik probeer hier een West-Vlaams accent neer te pennen) als ik drie keer na elkaar moest niezen. Pas onlangs kwam ik erachter dat men dat zegt wanneer iets twee keer na elkaar niet lukt, in de hoop dat het de derde keer wel goed zou gaan. In mijn geval ging het dus om stoppen met niezen.
Ook bij logeren bij mijn grootouders hoorden heel wat rituelen. Ik kan ze mij nog zo voor de geest halen en dan voel ik meteen met wat voor een liefde wij daar als kinderen werden groot gebracht. Bij logeren bij bompa en meter hoorde bijvoorbeeld ’s avonds cornflakes eten. Twéé kommen. Dat was dubbel zot want thuis mocht het – logischerwijze – enkel ’s morgens en er werd streng op toegekeken dat we ook nog een boterham aten. Niets van dat gold bij mijn grootouders. Wij aten daar om acht uur ’s avonds Choco Pops en Smacks tot het aan onze oren uitkwam. Ik liet na mijn eerste kommetje altijd wat melk over en daar goot ik dan nieuwe Choco Pops in. Ik deed er maar juist genoeg melk bij tot de Choco Pops weer net onder stonden. Als ik dan traag genoeg at, dan eindigde ik met melk die intussen chocomelk was geworden. Veel beter wordt het niet voor een 10-jarige.
Maar daar stopte het niet. Mijn grootvader at steevast om 21.30 een bord warme kerrepap die mijn grootmoeder élke avond voor hem klaarmaakte. De pap ging altijd in hetzelfde bord. Bompa zat altijd op dezelfde stoel en hij legde altijd dezelfde handdoek op zijn schoot. En wij kregen dan elk een bordje met Zwan-worstjes met een klodder ketchup ernaast. Jaja, dat leest u goed, nadat wij onze magen vol gestampt hadden met cornflakes aten wij elk nog zo’n 12 Zwan-worstjes. ’t Is te zeggen: wij aten heel veel ketchup met een beetje Zwan-worsten. En om het helemaal compleet te maken: bij mijn grootouders mochten wij opblijven tot zij zelf gingen slapen. Wisten wij veel dat die mensen eigenlijk al om 22.00 in hun bed kropen en dat dat dus eigenlijk vroeger was dan het tijdstip waarop wij thuis in onze nest vlogen. Het idee om samen met de grote mensen te gaan slapen was voldoende. Wanneer onze grootmoeder ons dan in bed stak, dan gaf ze ons alle drie een kruisje op ons voorhoofd en dan zei ze: “Dank u Jezeke, Saartje braaf kindeke“.  Elke overnachting bij mijn grootouders bevatte telkens al deze ingrediënten en ik denk er met veel liefde aan terug.

Ook thuis hadden wij zulke rituelen. Op donderdag of op zondag ging ik met papa naar de bibliotheek. In het weekend kregen we een flesje cola en een kommetje chips. Eén flesje en één kommetje, maar ik keek daar zo naar uit dat ik er heel spaarzaam mee omging. Soms zelfs zo spaarzaam dat ik nog meer dan de helft in mijn flesje over had wanneer ik naar bed moest. Mijn broer goot dat dan in 3 seconden naar binnen. Soms wisselde hij onze flesjes ook wanneer ik even niet oplette en dan beweerde hij bij hoog en bij laag dat ik écht al zoveel gedronken had.
Maar wat ik me nog het allerbeste herinner is het zingen. Mama die zong altijd als ik het moeilijk had. Als we ver moesten stappen en ik was het beu, dan zong ze van ‘Drie schuintamboers, die kwamen uit het Oosten’. Als dat niet meer hielp dan zongen we van Den dokter Grijzenbaard en zo hebben we altijd onze bestemming gehaald. Maar het beste herinner ik me nog wat ze zong als ik ziek was en mijn koorts moest gemeten worden. Zoals elk kind, was ik een hoopje ellende als ik koorts had. Ik rilde en zweette tegelijk. Alles deed pijn en ik was vrijwel zeker dat ik dood ging gaan. Mama nam dan de koortsthermometer uit het kastje, ging op de witte stoel in de badkamer zitten en nam mij op schoot. De thermometer ging onder mijn arm en dan moesten we wachten. Om de tijd te laten voorbijgaan die nodig was om mijn temperatuur te meten en om mij te troosten, zong mama over het meisje loos dat wou gaan varen. En zo wiegden wij samen tot ik rustig was en de thermometer zijn werk had gedaan. Ook toen ik al bijna de lagere school uit was, klom ik bij mama op schoot en vroeg ik haar om te zingen van het meisje loos, telkens wanneer ik ziek was. Het gaf mij een veilig gevoel dat ziek zijn altijd op dezelfde manier verliep. Zo was het de vorige keer goed gekomen, dus vermoedelijk zou ik het nu ook wel kunnen navertellen. Vooralsnog is dat altijd waar gebleken.

Vandaag is mijn baby’tje voor ’t eerst echt ziek. Zwan-worsten kan hij nog niet eten en Wout wil voorlopig nog geen kerrepap voor mij maken. Maar ik zong al van het meisje dat wou gaan varen tot ik erbij neerviel.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s